Zonderling
Zepperen
Tien
geheimzinnige plekken en sporen...
1. Een oude kaart en vertellers
2. Gewoon geraapt op de akker
3. Een deur naar nergens?
4. De dichtgemaakte grafkelder
5. De hoeve met kerker verrijst
in de Kempen
6. Verschanst achter grachten
7. De heilige en de duivel
8. Pas op voor... dom bijgeloof!
9. Internationaal verkeer
10. Van megakoelkast &
herberg tot... basisschool
1. Een oude kaart en vertellers
Een gemeenteplannetje uit 1902, dat is de leidraad voor deze verkenning van zonderling Zepperen. De kaart met legende is getekend door gemeenteonderwijzer Frans Creten. Hij reageerde op een oproep van de Truiense provinciegouverneur de Pitteurs-Hiegaerts om alle info over kunsten, oudheidkunde en geschiedenis te melden aan het nieuwe 'Provinciaal Museum van den Staat' te Hasselt. De kaart is op schaal 1/10.000ste. Behalve de kerk en het vroegere begaardenklooster signaleert Meester Creten in zijn beste Frans de oude kastelen van de Mot, van Terwouwen, van Het Eygen, van Nattebeemd en van Terhoeven. Op alle plekken restte nog de vijver van de middeleeuwse waterburchten, behalve op het volledig verdwenen Terhoeven. Deze 'versterkingen' leidden tot de naamsverklaring van Zepperen of Septim-Burias als zeven burchten in de volksmond. Men praatte zo de lokale onderwijzers na. Andere auteurs wezen op de verklaring 'zeven bronnen', wat in dit Vochtige-Haspengouw geen wonder is. De huidige toponymisten of plaatsnaamkundigen houden het simpel bij 'zeven koten', een bescheiden nederzetting dus, met een kerk toegewijd aan Genoveva van Parijs.
Onderwijzers zoals Creten, Neesen en Schoofs, en 'dorpsfilosofen' zoals Felix Jammaers, schepen Knuts, koster Vaes of Ston Nijs vertelden de verhalen verder. Toen koloniaal Jules Marchal in 1952 even van Belgisch-Congo overkwam om zijn doctoraat Germaanse te schrijven kon hij in Zepperen terecht bij schepen Knuts, die hem alle veldnamen en volksverhalen overdroeg. Soms ging het om ooit gepubliceerd materiaal. Zo deed in de volksmond het verhaal de ronde over handgeschreven boeken met de héle geschiedenis van Zepperen erin, bewaard bij de oude meester Neesen of bij dokter Jammaers. Maar dat bleken dan afschriften van de Notices sur Zepperen van Jozef Daris uitgegeven in de jaren 1880. Fotokopies waren nog niet uitgevonden en Meester Neesen ging bij de nazaten van de kannunik in Borgloon aan huis de tekst afschrijven bij een vriendelijk tasje koffie. Dokter Urbain Jammaers erfde het schrift dan weer van zijn moeders familie Vrijdaghs uit Ordingen, die rond de 1900 de secretaris of ontvanger van het Zepperse kerkfabriek leverde.
Archeologische vondsten in Zepperen beperken zich tot oppervlaktemateriaal. Het gaat om neolitische gepolijste bijlen en silexklingen (1973) in grijze of bruine glasachtige vuursteen. Ook om ijzertijdaardewerk (Jef Vanoirbeek+ Startelstraat). Enkele vluchtige opgravingspogingen door archeologen op de Mot rond 1906 (Jubelparkmuseum) en op de Kompbamd rond 1970 (meester Lux van Hoepertingen-Rosmeer voor de toenmalige Nationale Dienst) leverden nauwelijks iets op.
De vondsten van Jef Vanoirbeek+
Geraapt op akkers, nu PGRM Tongeren
Op Terstok Koor werd in 1992 wel een rijke vondst aan Gallo-Romeins materiaal gedaan door Theo Geladé en Jaak Geebelen van Opglabbeek. De voorwerpen, waarbij glas en rode terra sigillata, werden in het museum te Tongeren gedeponeerd.
Foto
R. Festraerts

3. Een
deur naar nergens?
Wil je de Genovevakerk in haar middeleeuwse vorm begrijpen, dan
zijn er wat latere toevoegingen wég te denken.
De stevige laat-Romaanse toren in silex had een
kleiner kerkgebouw achter zich, een laag pyramidedakje en géén
ingang langs voor. Ook het sierlijke traptorentje in dezelfde
stijl en materiaal en de open boog naar het kerkschip toe werden
pas rond 1900 toegevoegd. Deze oorspronkelijk geblokte en
gesloten westertoren was een heuse burcht, alleen te bereiken
langs binnen de kerk. Hij viel onder verantwoordelijkheid van de
gemeente en herbergde de gemeentelijke alarmklokken en de zware
archievenkist. In de 17de-18de-eeuwse visitatieverslagen
(inspectie door kerkelijke overheid) wordt vermeld dat de toren est separata a navi, dus op eigen funderingen en als apart gebouw
staat.
Het kerkschip kon je betreden langs de zijbeuk
aan de bezonde zuidkant. Voor de doden was er aan de donkere
noordkant van de kruisbeuk een poortje naar het omliggende
kerkhof, dichtgemaakt rond 1900. De ingang langs de zijbeuk wordt
nu nog verraden door het wijwatervat aan een zuil. Let ook op de
natuurstenen hoekkettingen van de zijbeuk: die van de middenste
travee zijn duidelijk in té perfecte neostijl gemetseld. Anders
dan in de twee andere traveeën met hun middeleeuwse
onregelmatigheid zijn alle blokken in Gobertangesteen en Zichense
mergel mooi afgemeten. Een doorzichtige camoeflage van de
vroegere ingang.

De huidige sacristie met hoogzaal is een
neogotische nieuwbouw uit 1901. De oude sacristie in de
noordoosthoek is interessanter. Ze werd duidelijk in de 16de eeuw
tegen de 15de-eeuwse kerk aangebouwd. Want ze omsluit de vroegere
traptoren en een steunbeer van het koor. De traptoren heeft nog
lichtspleten op het niveau van de sacristiezolder en stond dus
ooit vrij. In de kerk zie je, door een verschil in aangekleefd
roetvuil, nog een schim van de hoekkettingen van een deurtje op
grote hoogte. Bereikte men vroeger de kerkzolder alleen via een
hoge ladder naar dat deurtje en zo verder via de hangende, korte
traptoren omhoog? In elk geval diende de kerk in tijden van nood
en militair geweld tot toevlucht, zowel van mensen, als van vee
en kostbaarheden. Zo vluchtte de dorpsmeester rond 1750 bij
dreigende troependoortocht met vijftien zakken gemeentehaver
(belasting in natura geïnd) naar de kerk, maar moest laten
opmerken dat hij veel haver verloren had met de sacken
bedorven sijn tegen de muragie van de kercke. Ze waren er
dus geruime tijd blijven staan.
Op de sacristiezolder zie je een kaarsnis en een half afgebroken
schoorsteenkanaal. Je vind ook nog de oude deur met smeedijzeren
nagels en zware sloten. Het huidige buitendeurtje is van latere
datum en de omlijsting werd blijkbaar gerecupereerd van de
neogotische ingang met ezelsrugboog in de grote toren 1860-1900.
> het spoor van een oude
deur
4. De dichtgemaakte grafkelder
In de vloer van de kerk, een patroon van donkergrijze en van
lichtgrijze tegels in maaskalksteen, is er een verstoring ter
hoogte van de zuiderkruisbeuk (OLV-altaar). Het is de oude
toegang tot een grafkelder onder die beuk. Bij de aanleg- en
vervangingswerken van de centrale verwarming in de jaren 1947 en
2007 werd daar druk gegraven. De firma LPS van Gerard Princen kon
enkele foto's maken in de kelder.
De
troggewelfjes en de skeletfragmenten zijn duidelijk te zien. Foto
LPS 2007
Wie
ligt er begraven?
De volksmond spreekt van 'kanunniken van Sint-Servaas'. Dat is
onwaarschijnlijk. Al bleef er wel in Luik een tekening bewaard
van een grafsteen die vroeger voor het Sint-Catharina-altaar lag.
De rector of bedienaar van dat altaar, kanunnik Arnold Van
Rijkel, liet zich in 1403 afbeelden. De kanunniken van Maastricht
waren zelden te zien in Zepperen. Enkel hun afgevaardigde deed te
paard de talrijke afhankelijke dorpen of 'banken' aan. Hij heette
toepasselijk de 'rijproost'.
Het is aannemelijker dat er begaardenpaters zijn begraven, van
voor de tijd dat ze zelf op hun kloosterrein aan de Melsterbeek
mochten begraven worden.
Hun kloosterkerk verdween na de verkoop in de Franse tijd.
Slechts bij grondwerken kwam in 1998 een priestergrafsteen van
prior Joannes Baerts uit 1727 aan de oppervlakte, nu bewaard in
de kasteelhoeve 'Les Bégards'. Niet toevallig kregen de
overleden paters en een student van het Sint-Aloysiusinstituut
tot 1970 ook hun begraafplaats aan de kant van de
zuiderkruisbeuk?
De kasteelheren de Pitteurs-Hiegaerts liggen sinds 1889 in een
grafkelder bij de hoek toren-traptoren. Schoonzoon graaf
d'Astier, niet zo happy in Zepperen en jong gestorven, ligt sinds
1828 in zijn eigen grafkapelletje in Zétrud-Lumay bij
Hoegaarden.
steen
Van Rijkel
steen Baerts met priesterkelk 1998
5. De hoeve met kerker verrijst
in de Kempen
Over deze prachtige vakwerkhoeve schreef Meester Creten on
voit encore la cave-prison. In de volksmond heette het dat
er in de kelder van dit 'gerechtshof' nog ijzeren ringen hingen
waaraan de gevangenen werden geketend. De Fabrywinning,
zo genoemd naar de laatste eigenaars, moest jammer genoeg plaats
maken voor bouwkavels. In 1974 werd ze keurig genummerd en
gedemonteerd, maar door een eerdere verkoopovereenkomst kwam ze
uiteindelijk in de Kempen terecht. Het sjieke restaurant
Doffenhof aan de Geelsebaan in Olen was er gevestigd, nu
opgevolgd door bistro 't Gerecht. De ringen in de kelder hebben
we niet teruggevonden in 1973, maar het gedrukte tongewelf in de
steen van de streek was nog bewaard. De vorstgevoelige
kleizandsteen, watersteen of pierre de Lincent, ook gebruikt in
de romaanse kerkjes in dit gebied, lijkt op mergel maar is niet
zo stevig. Een half-bovengrondse kelder in dit natte gebied van
Vochtig-Haspengouw, met daar bovenop de hoger gelegen 'opkamer',
was de regel.
De Fabryhoeve had een degelijk eikenhouten vakwerk
met een verdieping. Zo zeldzaam in de vroegere eeuwen, dat zulke
woonhuizen ook 'hooghuizen' werden genoemd. Soms hadden ze een
overkragende verdieping, zie de Coemanshoeve (Hermans) langs de
Driesstraat, die zou dateren uit 1575. Boven het straatpoortje
van de Fabrywinning stak een houten bovendorpel met inscriptie AN
1615 NO. Alleszins had het houtskelet details die op een
degelijk vakmanschap wijzen: onder de latere
siercementbepleistering kwamen twee andrieskruisen te voorschijn
in de gevel, de koppen van de ankerbalken van de verdieping waren
versierd met een rondlijstje en de bovenlichten van de
kruisvensters waren gotisch afgeschuind.
Waarom sprak men in Zepperen van 'gerechtshof'? Er waren wel meer van dergelijke plekken in het dorp. Ook het hoevetje bovenop aan de bocht van de Stippelstraat kreeg de naam 'tribenoal'. Het kan zijn dat de schout (de politiecommissaris in het Ancien Régime) in de beste kamer van zijn huis of in een herberg een 'gerichtskamer' huisvestte en dan was de stevige kelder een geschikte tijdelijke gevangenis. Grotere hoeves in eigendom van grootgrondbezitters buiten het dorp hielden in die hoeves of 'laathoven' ook de eenvoudige rechtspraak over pachtgeschillen. De Fabryhoeve lag aan het eigenlijke 'Dorp'splein met poel, de huidige Kogelstraat met Oude Straat (huidige IJzerenkruisstraat naar de gelijknamige afspanning). Dit was het eigenlijke dorpscentrum, enkele honderden meters ten oosten van het kerkplein. Eigenaars van de hoeve met huisbrouwerijtje waren sinds de jaren 1850 de notabelenfamilie Simons, Knapen, de professor Van Oirbeek en fruithandelaar Henri Fabry.
1973
Foto OM Bokrjk 1974 en Opmetingsplan Openluchtmuseum Bokrijk
Olen 2012
Net voor 1900 spreekt
een aardrijkskundig woordenboek over Zepperen: On remarque
encore en divers endroits de cette commune des enclos environnés
de fossés et d'eau, que l'on suppose avoir été d'anciens
Schans ou champs fortifiés pour la défense contre les invasions
des Huns et des Francs. Een bewering die in het dorp leefde
en door baron Leon de Pitteurs-Hiegaerts als amateur historicus
en archeoloog aan de samenstellers werd gesignaleerd.
Motteburchten waren versterkingen van lokale heren met een
woontoren op opgeworpen heuveltje binnen een ringgracht. Op een
eveneens omgracht voorhof lagen de dienst- en hoevegebouwen.
Onderling waren de onderdelen verbonden door bruggetjes. Drie
plekken in Zepperen komen met zekerheid in aanmerking voor zo'n
verklaring: de Mot op d'Oye, het omgrachte goed Terwouwen tussen
Roosbeek en Berg en het eilandje van Natebampt op de vroegere
enclave van Brustem, naar Kortenbos toe.
De Mot 1973
De Mot, dat zijn nu enkele boomgaarden met
grachten vol riet en knotwilgen, eigendom van het kerkfabriek.
Naar verluidt lagen er vroeger steenblokken in de gracht en
werden in 1906 funderingen van een haard en een stenen pijp
aangetroffen. De versterking lag halfweg tussen kerk en
begaardenklooster. Een zeker Jan Gorren, in 1425 schenker van de
bouwgrond van dit klooster en later ook pastoor, was eigenaar van
dit goed. In de 16de eeuw heette het in de archieven ...Jan
Gorren gerven goet ghenaempt die Mot..., en in 1785 ...een
stuck ackerland genaemt de mot omcingelt met eenen
vijvergraght... De overlevering wil dat op deze plek de
hoeve van Aert Mertens door de Spanjaarden in 1580 werd verwoest.
Door constante troepenverplaatsingen in oorlogstijd was het
platteland kwetsbaar voor plunderingen. Willem van Oranje's
troepen plunderden het dorp en het begaardenklooster in 1568,
terwijl de Spaanse troepen, in garnizoen te Zoutleeuw, ook
regelmatig op rooftocht kwamen. Zepperen was een eilandje van een
Maastrichtse kapittelkerk in het Lonerland. De militaire
beschermers zoals de heren van Brustem lieten het dorp nogal eens
aan zijn lot over en de dorpen probeerden hun veiligheid dan maar
af te kopen door aan diverse partijen 'protectiepenningen' te
betalen.
Terwouwen 1972
Op Terwouwen zou ook een 'börg' geweest zijn. In 1529 heet het ...wyer metter motten geheiten dat wouwe goet.... De ringgracht heeft nog tot in de jaren 1980 deels omheen het oude lemen hoevetje van 'de Boy' (veldwachter Jammaers) gelopen. Nu is het terrein geëffend en verkaveld voor woningbouw. Bij de straatnamenwijziging in 1977 werd de naam 'Bergstraat' vervangen door 'Terwouwenstraat' als herinnering aan deze versterkte plek.
Op Natenbampt
ligt nu nog een mooi bewaard eilandje met ringvijver. In 1750 was
...Nattenbampt, mott en vyver ... eigendom van de
Sint-Truidense notabele en boomkweker Antoon Hiegaerts, die zijn
naam gaf aan zijn erfgenamen de Pitteurs-Hiegaerts.
Natenbampt 1973
Midden in het veld, langs de veldweg naar de oud landweg Brustem-Wellen-Kortessem toe, ligt de Sint-Genovevaput met kapel, met kruis (volgens de archieven), met duivelspoel (volgens de overlevering) en met de huidige paardekastanjeboom. De puteum sanctae genofeve juxta crucem beate genofeve werd al in 1403 vermeld in de archieven. Vermits de oorsprong van de volksdevotie tot de zogenoemde Drie Gezusters (Genoveva, Eutropia en Bertilia) waarschijnlijk teruggaat op een gekerstende Keltische bronnencultus met drie moedergodinnen is de put dus het oudste element. In 1425 is er sprake van het borken bi sinter viven cruce en in 1588 van de sinte vyffven born. Uit de put werd gewijd, geneeskrachtig water geschept voor de bedevaarders naar de Drie Gezusters. Eertijds deed men de zgn. lapjesproef: stukjes textiel van de zieke werden in het water gegooid. Bleven ze drijven, dan moest was de bedevaartsgang onvoldoende en moest herbegonnen worden. De huidige bovenkuip is een restauratie uit de jaren 1971 door aannemer Bex van de ingevallen 19de-eeuwse put. Of er oude onderdelen onderin zitten weten we niet bij gebrek aan deskundige opgravingen. De huidige Sinte-Vijvekapel in baksteen werd kort na de tweede wereldoorlog gebouwd ter vervanging van een voorganger in hout- en leem. Die vakwerkapel was dus oud, maar in de rekeningen van de kerk uit de jaren 1665 is ook al sprake van verbouwingen aan een stenen Sint-Genovevakapel, dus er zullen een reeks gebouwtjes in de loop der eeuwen elkaar opgevolgd zijn: elke generatie bouwde of verbouwde aan kerken en kapellen.
De kerk wordt voor het eerst in schrift vermeld in het leven van Trudo omstreeks 650 na Christus: toen was er in Zepperen een 'basilica' toegewijd aan Genoveva van Parijs, zegt de levensbeschrijver. Wellicht hebben Franse missionarissen, zoals Remaclus, de heidense praktijken in onze streek vervangen door christelijke. De oudste delen van de kerk dateren nu uit de laat-romaanse periode (toren) maar bij gebrek aan opgravingen tasten we in het duister over de kerkgebouwen daarvoor. Omdat er meestal continuïteit was, gaan we er van uit dat de resten van die oudere kerken onder de huidige liggen. Waarom ligt die Genovevakapel nu zo veraf? De put was er eerst, op de plek van een vereerde bron, en dan volgde een kapel bij de put. De Genovevakerk werd later opgericht, maar dan op een helling dicht bij de Melsterbeek, de oudste en grootste beek in en rond Sint-Truiden. In die tijden was een waterloop van levenbelang voor een dorpsgemeenschap (water, vruchtbaarheid, waterkracht voor molen, ) en een duidelijke gebiedsgrens. Een opgraving in de buurt van de kapel zou mogelijk sporen van een nederzetting of cultusplek opleveren. Luc Wijnants, heemkundig geïnteresseerde van Hoepertingen, signaleert het bestaan van een rechthoekig patroon dat op luchtfoto's doorheen het gras schijnt van een nabijgelegen weide op 't Fört (langs de Wellensestraat te Tereyken). Het terrein rond de Genovevakapel is een beladen buurt: honderd meter ten noorden ligt een poel met veel loofbomen op de perceelsgrens. Misschien is dit de plek waarnaar kanunnik Vandeweerd verwijst: volgens de overlevering zou de duivel uit een poel nabij de kapel opduiken. De duivel en een engel spelen een rol in het leven van de heilige Genoveva van Parijs. De duivel blaast de kaars van de heilige uit, maar een engel doet ze weer branden. Ook in de lokale processie werd de duivel uitgebeeld.
1971 'opgraving'
1977
8. Pas op voor... dom bijgeloof!
Verstandige,
onafhankelijke vrouwen werden in vroegere tijden nogal eens voor
heks versleten. Zepperen kende geen heksenprocessen in de
archieven, maar tot nog niet zo lang geleden werden sommige
volksfiguren met een scheef oog bekeken.
De kinderen werden bang gemaakt van het veld bij Tereyken en bij
de Honsberg. Pals zou
daar rondhangen!
Tuur was de wat simpele stiefzoon van Jef Pals Delvaux,
Mexicoveteraan en jachtopziener in Brustem. Na problemen dook hij
in de jaren 1930 onder in de velden bij Tereyken. Hij werd een
gauwfdief en dé schrik van 't vrouwvolk en van de kinderen. Hij
werd dan toch gepakt door de gendarmen toen hij zich bij Brustem
Kermis liet zien en verdween achter slot in een landbouwkolonie
voor landlopers.
Net
va Moxes, uit Runkelen,
was geboren in 1850 als Catharina Degros. Haar tweede huwelijk
was met dorpeling Wijnants. Ze woonden in het laatste met stro
gedekt lemen huisje van Zepperen in de Klein-Dekkenstraat of
Plankstraat. In 1937 bouwde haar zoon een nieuw huis ernaast. Net
werd ten onrechte wantrouwig bekeken en voor heks versleten, zie
de tekst op haar bidprentje.
De familie (Hayen-) Mox bewoonde in de 19de eeuw een grote hoeve
langs de Eynestraat, tussen de Roosbeek en Poel, niet ver van de
Plankstraat. Misschien was Net (van Trinette, op zijn beurt een
volkse vorming van Catharina) in haar jonge jaren meid geweest op
de hoeve, en kreeg ze die bijnaam bij gebrek aan een familieband
in Zepperen.
Koster Antoine Vaes schreef in de jaren 1970-1980 onder meer een
gedicht over het laatste strooien dak in het dorp. Een fragment:
De moeder had een mutse aan,
'k zag op haar wang een wratte staan,
waarop lange haren stonden,
toch heb ik ze heel lief gevonden.
9. Internationaal
verkeer
Het hoogste punt van Zepperen ligt in het Rijkelsveld op 69 meter
boven zeeniveau. Vergeleken met het laagste punt aan het vroegere
begaardenklooster bij de Melsterbeek op 43 meter, stijgt de bodem
van dit dorp naar het zuiden toe. Daar ligt de Honsberg. Die naam
heeft niets te maken met onze trouwe viervoeter. De archieven
geven de namen Honggersbergh (1403), Hongerschen
berch (1458) en Honsberch (1630). De naam verwijst
dus naar Hongaren, rondtrekkende groepen zoals zigeuners, die
afgelegen plekken langs oude landwegen en op gemeentegrenzen als
kampement gebruikten. Zo is er in Millen een 'Taterskuil', die
verwijst naar de Tartaren. Onze grootouders hadden het over
'Bohemers' als ze zigeuners bedoelden.
Over de Honsberg loopt een oude verbinding tussen Brustem, Wellen en Kortessem. De Romeinse weg van Tongeren naar Tienen via Grootloon-Straten-Neerhespen-Hakendover en verder naar Halle-Kortrijk-Wervik-Kassel-Boulogne sur Mer is nog zichtbaar als een rechtlijnig litteken in het landschap. Mogelijk is de weg over de Honsberg een diverticulum of zijweg die ten westen van Brustem in een schuine hoek aansluiting gaf met deze romeinse heirbaan. Het licht krommende tracé verwijst dan weer eerder naar een middeleeuwse landweg. Na de Romeinse kolonisatieperiode raakten de snelle, rechtlijnige verbindingen in verval en keerde men terug naar het vroegere organische netwerk van alternatieve zomer- en winterwegen of waterwegen.
Verkeerswegen
op hoogtes en op gemeentegrenzen waren de plaats bij uitstek voor
terechtstellingen. Het afschrikkend effect op ongewenste
vreemdelingen was er het grootst. In het dorpsreglement uit 1706 staan enkele maatregelen
tegen arme of misdadige vreemdelingen. De zogenaamde Galgendries ligt op de Honsberg. Meester Creten situeert deze
executieplek in de hoek tussen de veldweg vanaf
Sint-Genovevakapel en de oude weg Brustem-Wellen. Een zekere
Jannes Paps zou de laatste gehangene zijn geweest. Hij had naar
verluidt hout of mutsaarden gestolen op het goed van de schout.
Zie ook de jeugdherinneringen (wandelen met Suzanne) van Meester Schoofs. De
schout of meier was de vertegenwoordiger van de heer in het dorp
en was tegelijk politiecommissaris, onderzoeksrechter en openbaar
aanklager. De familienaam Paps bestond nog in Zepperen in de 19de
eeuw.

Recente
kaart Zuid-Limburg met tracé Romeinse weg Tienen-Tongeren (rode
streep) en
middeleeuwse weg Brustem-Wellen-Kortessem (rode stippellijn), H =
Honsberg
10. Van megakoelkast &
herberg tot... basisschool
Bij de reeks 'burchten'
in Zepperen werd ook de ijskelder bij de Paters
genoemd, maar die bewering is intussen achterhaald. Ook in het
kasteelpark te Brustem is een ijskelderheuvel bewaard. Uiterlijk
ziet zo'n constructie er wel uit als een motteburcht door het
kleine huisje bovenop een kunstmatige heuvel, maar meestal
ontbreekt toch de ringgracht. In Zepperen bieden ook de
kadasterarchieven duidelijkheid: de ijskelder dateert uit het
midden van de 19de eeuw. De begaarden hadden hun klooster
volledig met grachten en wal omringd. In 1453 werd van het
Sint-Servaaskapittel, heer van Zepperen, toelating verkregen ...dat
sij een valbrugge voor hun cloester moegen doen maken... Hun
laag gelegen, vochtige site was één grote verschansing. Een
herentoren was er niet op zijn plaats.
De familie de Pitteurs-Hiegaerts kocht het vroegere
Begaardenklooster op als zwart goed. Schoonzoon Charles de
Pitteurs, van Ordingen, bouwde bij zijn 'kasteel' tussen 1858 en
1895 een pittoresk boerderijtje (de huidige 'Koestal') met
koetshuis en hoenderhokken en een torentje in eclectische,
Engelse cotttagestijl. Vergelijk met het kasteel van Groot-Gelmen
of met het kasteel te Nieuwenhoven met talrijke wachterhuisjes in
de omgeving. Charles was niet de eerste de beste: hij werd
voorzitter van de Belgische fotografievereniging, verkeerde in
kringen van homeopathie en spiritisme, werd veroordeeld wegens
openbare zedenschennis in hofkringen en vergaarde inkomsten als
bietsuikerbaron. Hij overleed als 96-jarige te Brussel in 1924.
Hij legde in Zepperen ook een vijver met eilandje aan, waarbij de
weg Dries-Dekket werd onderbroken, tot ongenoegen van de
dorpelingen. Zoals dat de gewoonte was in de 19de eeuw liet deze
gentleman-farmer in 1868 een ijskelder oprichten met een vierkant
gebouwtje van acht op acht meter. Daaronder een ronde bakstenen
bepleisterde kelder met smeltwaterafvoer. Bovenop was een
gereedschapshokje. De ingang langs de noordkant, het ver
overhangend dak, de aangelegde aardenhoop rond de kelder en de
beplanting van het heuveltje met schaduwbomen hielden het ijs
koel. In de winter werd de voorraad losgehakt uit de
kasteelvijver en kon het ijs gebruikt worden voor geneeskunde en
andere. Rond 1900 werd het kasteel verkocht aan verdreven Franse
paters, eerst Karthuizers, daarna Assumptionsten. De in 1905 pas
toegekomen paters Assumptionisten geven deze indrukken: Au
fond, derrière cette prairie un grand étang... au dessus de
l'étang, toujours plus loin, une petitte colline, bien petit une
taupinière! mais qui dans ce pays plat nous paraissait
formidable! Elle cachait une glacière. Dans l'étang, un peu sur
la droite, se trouvait une ile reliée à la terre ferme par un
pont...
Vlak bij de ijskelder en
langs de Stokstraat stond al langer een brouwerijtje met
eigenaardig woonhuis 't Blavierke. Het was
gemetseld in dikke, bakstenen muren met rondboogvenstertjes
(getuigenis van overbuur François Vanmechelen). Het huis is al
vermeld in 1783 als Blavirken. Voor de opeising en
verkoop als zwart goed door de Franse bezetter rond 1795 werd het
door de begaarden verhuurd aan de weduwe Peters. Waarschijnlijk
was het een gasthuis voor niet-geestelijken, bezoekers die buiten
het klooster moesten verblijven. Rond 1830 woonde er de familie
America. Het gebouwtje werd afgebroken in 1923 door aannemer
Vandenbosch, die de gevelsteen INT BLAVIERKE gelukkig
bewaarde. De ijskelderheuvel werd afgebroken in 1934 bij de
demping van de grote vijver en de grote verbouwingen van het
Sint-Aloysiusinstituut.
In 2008-2009 wordt op deze plek de nieuwe basisschool rechtgezet!

Militaire stafkaart 1871 met diehoekig terrein waarop Blavierke en ijskelder (pijl)
Gevelsteen bij onderwijzer Roger Vandenbosch, foto 1996.
'Blavier' verwijst waarschijnlijk naar de loopvogel 'pluvier'.
Afbraak van de ijskelder in de jaren
1930 door aannemer Vandenbosch, met de grote middelen (foto
Aloysiusinstituut, via Ludo Buntinx).
Meer raadsels vind je op deze plekken:
Notities:
- met dank aan Luk Carlens
(1941-2007).
- Ward VAN OSTA, Germ. *bura-, *burja- en ... Zepperen, in
: Naamkunde, jg. 28, 1996, nr. 3-4, p. 183-196.
- Jules MARCHAL, Toponymie van Hoepertingen, Berlingen en
Zepperen, doctoraatsverhandeling Germaanse filologie, K.U.
Leuven, 1952.
- Hubert VAN DE WEERD, De eeredienst der Drie Gezusters,
in: Verzamelde Opstellen uitgegeven door den geschied- en
oudheidkundigen studiekring te Hasselt, jg. 14, 1938, p.
291-321.
- Bestuurlijk memoriaal der provincie Limburg. dl.
139/2, Hasselt, 1902, p. 542-546. Deze kaarten worden bewaard in
het Historisch informatiepunt Limburg van de Provinciale
Bibliotheek te Hasselt.
- Monique BAUWENS-LESENNE, Bibliografisch repertorium van de
oudheidkundige vondsten in Limburg, behoudens Tongeren-Koninksem
(vanaf de vroegste tijden tot de Noormannen), (Oudheidkundige
repertoria, reeks A: Bibliografische repertoria, 8),
Brussel, 1968, p. 354 en 386.
- J. SMEESTERS, Archeologisch overzicht van het kanton
Sint-Truiden, in: Historische bijdragen opgedragen aan
Monseigneur Kesters, Sint-Truiden: Geschied- en
oudheidkundige kring, 1971, p. 176.; ID., Prehistorisch
materiaal te Zepperen, in: Archeologie, 1974, 1, p.
8.
- Jos LACROIX, Gallo-Romeinse resten gevonden in Zepperen,
in: Het Volk, 22 april 1992.
- J. BROUWERS, Problemen rond een grafsteen van Zepperen,
in: Limburg, jg. 56, 1977, p. 89-95.
- Willem DRIESEN, De
Genovevaput van Zepperen, in: Limburg, jg. 52,
1973, p. 35-36.
- Adriaan CLAASSEN, Van
mottoren tot kasteel, (Publicaties van het Provinciaal
Gallo-Romeins Museum, 14), Tongeren, 1970, p. 54 en 79;
Willem DRIESEN, De IJsberg te Zepperen, in: Ons Heem,
jg. 26, nr. 4, hooimaand 1973, p. 166; ID., Middeleeuwse
versterkingen in Zepperen, in: Limburg,
jg. 54, 1975, p. 233-242.
- J. GRAUWELS, J.A. Hiegaerts, schepen, boomkweker en
kroniekschrijver van Sint-Truiden (1702-1764), in: Historische
bijdragen ter nagedachtenis van G. Heynen, (Historische
bijdragen over Sint-Truiden, 4), Sint-Truiden:
Geschiedkundige kring, 1984, p. 183-191.
- E. DEN HARTOG, Romanesque architecture and sculpture in the
Meuse Valley, Leeuwarden-Mechelen, 1992, 6.
Church and fortification,
p. 171-297. Ook: mededeling
Luc Wijnants, Hoepertingen.
- L'Alumnat St-Louis Zepperen. Son histoire depuis sa
fondation en France jusqu'à nos jours, in: L'Alumniste,
jg. 16, nr. 82, december 1936-januari 1937, p. 298-299.
- Alfred JOURDAIN, Leopold VAN STALLE e.a., Dictionnaire
encyclopédique de géographie historique du royaume de Belgique,
Brussel, 1896, dl. 2, p. 644. In het voorwoord danken de auteurs
onder meer archeoloog en burgemeester de Pitteurs van Ordingen (=
Léon de Pitteurs-Hiégaerts) en vele priesters voor hun
inlichtingen.
- Leven in Oud-Zepperen. Va kjoezestein tot kurrezoug,
Zepperen: Remacluskring, 1999.
Willem Driesen
2009
Remacluskring
versie zaterdag 25 augustus 2012