Het klooster

7. Het Begaardenklooster

Twee wevers die waarschijnlijk lid waren van de derde Orde van Sint-Franciscus, gingen wonen in Zepperen. Ze droegen er het kleed van de Begaarden en gaven zich volledig aan de beoefening van de vroomheid. Hun goede voorbeeld vond navolgers. In 1425 vroegen pastoor Jan van Coloma en de broeders Jan van Dorsten en Gillis van Sint-Truiden aan de bisschop om hen te verenigen in een geestelijke gemeenschap en hen toe te laten om een klooster te bouwen op een terrein van drie bunders en half, dat een weldoener, Jan Gorren, daarvoor had bedoeld. Door een akte van 15 februari 1425 aanvaardde bisschop Jan van Heinsberg hun aanvraag. Ze kregen toelating om zich te verenigen in een gemeenschap onder de regel van de Derde Orde van Sint-Franciscus ; ze mochten gezellen of novicen opnemen tot een getal van twintig, een klooster bouwen op het terrein geschonken door Jan Gorren en het « Sint-Hiëronymuskamp » noemen. De gardiaan van de Minderbroeders van Tienen zou hun visitator worden. Ze zouden regelmatig de parochiekerk bezoeken waar ze de heilige Sacramenten ontvingen, zoals de andere parochianen. De instelling van de Begaarden bloeide. De bisschop keurde ze opnieuw goed op 22 juni 1435 en stond verscheidene voorrechten toe aan de geestelijken. Ze mochten zich een openbaar bedehuis bouwen, een eigen kerkhof hebben en de kleding dragen van de Begaarden van het diocees Utrecht. Ze zouden bovendien de drie plechtige geloften mogen afleggen en zelf als visitator een prelaat mogen uitkiezen die behoorde tot een erkende kloosterorde, tot hun klooster zou ingelijfd zijn bij het generaal kapittel van de Begaarden van het bisdom Utrecht. Deze visitator zou de postulanten toelaten tot het aannemen van de pij en de novicen tot de professie ; hij zou ook hun broeder-overste en hun biechtvader benoemen. De broeder-overste zou hen de heilige sacramenten van de communie aan stervenden en het heilig oliesel mogen toedienen en hun uitvaartdienst celebreren, de rechten van de pastoor uitgezonderd.

De opname in het algemeen kapittel van de Begaarden van het bisdom Utrecht had niet plaats, denken we. In 1443 verenigde de bisschop van Luik de huizen van de Begaarden van zijn bisdom in een congregatie : in elk klooster van de congregatie moest men een priester verkiezen tot plaatselijk overste ; alle verzamelde kloosters moesten een provinciale overste kiezen en bovendien een provinciale visitator uit een ander orde genomen. Dit reglement werd goedgekeurd door paus Eugenius IV (1431-1447). Men ziet in een document van 1446 dat de algemene overste van de Begaarden van het bisdom, Barthelomeus Opstegen, in Zepperen verbleef ; de visitator was Jacques, prior van de reguliere kanunniken van Tongeren. Het schijnt dat rond 1453 paus Nicolaas V beval dat de algemene overste altijd een priester van de congregatie moest zijn en dat hij verkozen zou worden in Zepperen. De kardinaal-legaat, Nicolaas van Cusa, vertoefde in Luik in oktober 1451 en keurde de vestiging van het Begaardenklooster in Zepperen goed. Hij verleende een aflaat van honderd dagen aan hen die een schenking deden aan de kerk van het klooster.

De Begaarden van het bisdom hielden elk jaar een generaal kapittel. In dat van 31 juli 1485 te Hoegaarden werd overeengekomen dat de naakte eigendom van de roerende en onroerende goederen zou geschonken worden aan de congregatie, om te vermijden dat ze zouden afgewend worden van hun bestemming. Het vruchtgebruik ervan bleef bij elk huis. De geestelijken van het klooster van Zepperen voerden deze beslissing uit op 16 oktober 1486. Ze waren op dat ogenblik met zes priesters en zestien lekenbroeders.

De congregatie van de Begaarden volgde, vanaf zijn ontstaan, de regel van de Derde-Orde van Sint-Franciscus die was goedgekeurd door de paus Nicolaas IV op 17 augustus 1289. Het generaal kapittel van 1487 voegde er enkele statuten bij, waarvan wij de Vlaamse tekst verder geven. De Begaarden wilden dat de voorrechten die hen door de bisschop waren verleend op 22 juni 1435 ook goedgekeurd werden door het Sint-Servaaskapittel en de pastoor van Zepperen. Op 20 juni 1445 keurden Jan de Novo Lapide, deken van Sint-Servaas, en Bernard Roemervat, pastoor van Zepperen, deze voorrechten goed, maar op voorwaarde dat de geestelijken hen een jaarlijkse rente betaalden van zes sesters rogge, als schadevergoeding voor de rechten waaraan ze verzaakten (zie Prot., dl 1, p. 3).

Heelwat stichtingen van missen en verjaardagen werden gedaan in het klooster van de Begaarden in Zepperen gedurende heel zijn bestaan.

Jan Van de Put en zijn echtgenote Marie Van Leefdael stichtten in de kerk van de Begaarden rond 1538 de septimanale mis van donderdag ter ere van het heilig Sacrament en een verjaardag met dodenofficie de maandag na Sint-Anna. Op de verjaardag ontvingen de geestelijken op hun maaltijd wit brood en Rijnwijn en de mombers van de armen zouden erop uitgenodigd worden. Voor elk van deze twee stichtingen had het klooster slechts een rente van zes gulden.

Door een akte van 1 april 1445 stichtte Jacob Hustyn van Merckwezet in het klooster van de Begaarden een dagelijkse mis voor hemzelf en zijn verwanten. Op de dagen dat deze mis mochten niet gezegd kon worden, omwille van een wettelijk beletsel, moesten de broeders, verenigd in de kerk, de zeven psalmen van boetedoening opzeggen met litaniën en collectes. De broeders die niet konden lezen moesten twintig onzevaders met het De profundis zeggen. Indien de mis meer dan vijf of zes keer per jaar wegviel, moesten de broeders voor elke wegvalling een half sester koren geven aan de arme, voorgesteld door de momber van de armen. Indien de broeders zouden afwijken van deze regel en in nalatigheid zouden vervallen, zouden de inkomsten van de misstichting geïnd worden door de armentafel en verdeeld aan de armen, tot de broeders zouden teruggekeerd zijn naar hun regel. Deze stichting werd aangenomen door Bartholomeus Opstegen, algemeen overste van de Derde-Orde in het bisdom Luik en overste van het klooster van Zepperen, en door Jacob Costary, prior van de reguliere kanunniken van Tongeren en visitator van het klooster van Zepperen, op 27 april daarop. Ze werd goedgekeurd door bisschop Jan van Heinsberg op 30 mei 1446. De hele stichtingsakte doet vermoeden dat er hoogstens één priester was tussen de Zepperse broeders, indien dat al het geval was. Het getal van geestelijken bevorderd tot priester vermeerderde later. In 1486 waren er zes, zoals we reeds zagen. De lekenbroeders hielden zich vooral bezig met de landbouw en andere handenarbeid, buiten de tijden van godsdienstoefeningen.

De Begaarden hadden voor een zeker aantal jaren gronden, cijnsen en tienden van het Sint-Servaaskapittel in Zepperen in huur genomen voor een jaarlijkse pacht van tweehonderd gulden. Na verloop van de huur gaf de rijproost ze in pacht aan inwoners voor een huurprijs van achthonderd gulden. De ontevreden Begaarden mishandelden daarom, zegt men, deze nieuwe huurders. Deze sloten uit weerwraak het voetpad af dat leidde van het klooster naar de kerk. Dit voetpad was door de geestelijken tot een karrenweg gemaakt. De geestelijken richtten zich naar de kerkelijke rechters, die de huurders excommuniceerden. Het kapittel van Sint-Servaas, heer van Zepperen, zette zich in voor zijn huurders en stuurde zijn deken Jacob Colemans met zijn kanunniken Jan Duym en Simon van Leten naar Luik. Deze gezanten zetten de zaak uiteen aan de vice-kanselier, aan de officiaal en aan de raadsheren van prinsbisschop Erard de la Marck (1506-1538). Het vervolg van deze zaak is ons niet bekend.

De bisschop van Luik verenigde en voegde samen door een akte van 7 augustus 1576 het klooster van de Begaarden van Sint-Truiden, dat weinig geestelijken omvatte, met dit van Zepperen. De bedoeling van de bisschop was zeer waarschijnlijk om de geestelijken van Zepperen een toevluchtsoord te verschaffen waar ze zich konden terugtrekken in tijd van gevaar.

Tijdens de troebelen van de 16de eeuw en de Tachtigjarige Oorlog hadden de Begaarden van Zepperen veel te lijden zoals alle andere instellingen. De prinsbisschop Gerard van Groesbeek gaf hen op 30 juni 1577 een vrijgeleide die notaris Josse Vandenvenne publiek maakte op de markt van Sint-Truiden voor het perroen en in de kerk van Zepperen. Ze werd daarna uitgehangen op de grote poort van het klooster met het wapenschild van de prins.

De Begaarden richtten zich vier jaar later tot Ernest van Beieren en legden hem uit « de groote overlasten en schaden die hun dagelijks van den ruyteren, knechten, leeggangers en landloopers in hunne goederen en possessien gedaen worden ». Ze vroegen hem ook een vrijgeleide. De prins stond deze toe op 22 juli 1581. De geestelijken hingen hem ook op de kloosterpoort met het wapenschild van de prins. Ondanks deze vrijgeleiden werd het klooster verwoest en de kerk vernield. De geestelijken vluchtten naar Sint-Truiden, in het Begaardenklooster. Ze waren er nog op 19 april 1589. Door een akte van die datum bestemde de bisschop het Begaardenklooster in Sint-Truiden, dat slechts één kloosterling meer telde, als instelling van een klein-seminarie. De geestelijken verlieten het van dan af en keerden naar Zepperen terug. Ze bouwden zich een arm bedehuis rond 1595. Later bouwden ze een meer geschikt bedehuis, dat op 1 oktober 1615 werd gewijd door de bisschop-suffragant.

Tijdens de Dertigjarige Oorlog kochten zij van Richard van Repen een huis in Sint-Truiden, genoemd huis van Elderen, voor een jaarlijkse rente van tweehonderd gulden op 30 april 1639. Ze bestemden het om te dienen als refugie.

De congregatie van de Begaarden, gezegd van Zepperen, werd verenigd met deze van Lombardije op 27 juni 1650 door Innocentius X en onderworpen aan dezelfde overste. Het schijnt dat tot op deze tijd het slechts een bischoppelijke concgregatie was die slechts afhing van de Luikse bisschop.

Het klooster van de Begaarden in Zepperen leed erg onder het logement van soldaten en de leveringen aan hen, alsook van de plundering, tijdens de oorlog die Lodewijk XIV vocht tegen de Verenigde Provinciën, vooral tussen 1673 en 1678. Het jaar daarop richtten ze zich tot het bestuur van de Nederlanden, die hun schuldeisers op 9 november 1679 verbood hen te mishandelen omwille van hun schulden tijdens de twee daaropvolgende jaren.

Het klooster van de Begaarden bezat goederen in de gemeente Sint-Truiden. Het stadsbestuur onderwierp deze aan de grondbelasting, zoals alle andere goederen. Hierover was er een lang proces tussen de twee partijen. Een overeenkomst werd gesloten op 8 november 1731. De Begaarden betaalden de som van 1100 gulden voor het verleden en engageerden zich ertoe om in de toekomst de grondbelasting te betalen (1)

(1) De Begaarden die in dit vergelijk tussenkwamen waren prior Godfried Gysens, vicaris Pieter Otten, Jan van Ryckel, Pieter Vaes, Willem Van Straelen en Karel Lanae.

Het bedehuis gebouwd in 1614 werd vervangen door een kerk van zestig voeten lang in 1725. Zekere conflicten en ongenoegen staken de kop op in de gemeenschap van de Begaarden in Zepperen en veroorzaakten de zending van een algemeen visitator door Rome. De Staten-Generaal van de Verenigde Provincies, die geen tussenkomst duldden van de heilige Stoel in hun gebieden, namen de pater prior van het Begaardenklooster van Zepperen met zijn geestelijken die gebleven waren in hun bescherming. Ze bevalen in 1735 aan hun vice-grootschout Vandenheuvel in Maastricht om niet toe te laten dat de gezegde visitator enige daad stelde noch te Maastricht, noch elders op hun grondgebied. Bij overtreding moest streng tegen hem gehandeld worden. Hij moest ook doen optreden tegen de oplichters van het Zepperse klooster. De visitator begaf zich naar Maastricht om er het klooster van de Begaarden te bezoeken, maar hij werd er in de gevangenis geworpen en kreeg zijn vrijlating slechts na een flinke boete (Zie « Déduction »).

De prior van de Begaarden verwierf relieken van Sint-Hubertus (« reliquias et ossa sancti Huberti ») en liet aankondigen in alle buurparochies door affiches dat de translatie ervan van de parochiekerk naar de kloosterkerk zou plaatsvinden (1744). De overbrenging had plaats op de aangegeven dag. Pastoor Box van Borgloon bracht Celestinus de Jonge, abt van Saint-Hubert, hiervan op de hoogte. Deze antwoordde : « Nemo potest se jactitare quod habeat veras reliquias sancti patroni nostri Huberti, cum ejus sacrum corpus integrum et incorruptum sit in ecclesia nostra repositum, quod attestor. Datum Sedani in Gallia 20 Julii 1745 ». De pastoor meldde dit feit aan de vicaris-generaal, De Rougrave, die de prior op 22 september 1745 vroeg om hem een kopie te sturen van de toelating gegeven om de relieken uit te stallen. Het vervolg van de zaak is ons niet bekend. In de kerk van Borgloon was er ook een reliek van Sint-Hubertus, maar de pastoor stopte vanaf dat ogenblik met publiek uitstallen. Hij steunde zich op de bul van Leo X van 1515 die aan iedereen verbood, behalve aan de geestelijken van Sint-Hubert, aan te kondigen dat ze een deel van het lichaam van Sint-Hubertus hadden, omdat de geestelijken van deze abdij het intacte en volledige lichaam bewaarden : « illud in Ardenna incorruptum nec in aliqua sui corporis parte diminitum habent. » Bij de nadering van de Franse Hugenoten in 1568 vluchtten de geestelijken. De ketters staken de abdij in brand en sinds die tijd werd het lichaam van Sint-Hubertus niet meer tentoongesteld voor de verering van de gelovigen, ofwel omdat het vernietigd werd in de brand, ofwel omdat het niet werd teruggevonden.

Door het edict van 19 november 1774 van het bestuur te Brussel mochten de Begarden hun provinciaal en zijn assistenten niet meer kiezen tenzij in een vergadering gehouden in de Zuidelijke Nederlanden. De verkozenen moesten geestelijken zijn verblijvend in de kloosters van de Nederlanden en moesten daar verder verblijven. Tot aan die tijd werd de provinciaal gekozen in Zepperen en had hij er zijn gewone verblijf.

Tijdens de Luikse revolutie van 1789 tot 1791 en tijdens de Franse revolutie van 1794 tot 1802 bleven de Begaarden trouw aan hun plichten.

De Franse wet van 1 september 1796, die de kloosters afschafte en hun goederen in beslag nam, werd in Maastricht geregistreerd de 14de van dezelfde maand. Deze wet stond aan elke geestelijke een bon van vijftienduizend frank toe en aan elke lekebroeder een bon van vijfduizend. Na ontvangst van deze bons moesten ze hun kloosters verlaten. De Begaarden van Zepperen weigerden deze bons te aanvaarden. Ze werden gedwongen hun klooster te verlaten in januari 1797. Een bewaker werd geplaatst bij de meubelstukken, maar hij vond niet meer veel om te bewaken. De geestelijken hadden alles meegenomen.

De oversten of priors waarvan we de naam hebben teruggevonden waren :
1446 Barthelomeus Opstegen ; 1480 Hendrik de Merica ; 1637 Nicolaas Schafts ; 1656 Michiel Claessens ; 1688 tot 1703 Joannes Baerts ; 1720 Hendrik Quaetpeerts ; 1725 prior Joannes van Ryckel ; 1731 Godfried Ghysens ; 1760 Gabriel van Bra ; 1773 en 1785 Bours van Maastricht ; 1796 Mathias Van Veugle.

Op 4 januari 1797 gelastte de centrale administratie aan Gilis-Willem Siaens van Sint-Truiden om de expertise te doen van het Begaardenklooster met zijn goederen. Hij maakte deze in de maanden november en december van dat jaar en deed er twintig dagen over. Men ziet in het proces-verbaal dat hij ervan opstelde, dat het klooster met ringgracht drie bunder en tien roeden telde. Het geheel was omringd door een wal en een met water gevulde gracht. Een brug gebouwd over de gracht gaf toegang tot het omwalde goed; Binnen deze omwalling bevonden zich een binnenhof, een kerk van zestig voeten lang, het eigenlijke klooster dat verscheidene zalen telde met 26 cellen voor geestelijken, een groentetuin van zes roeden en een boomgaard van een bunder. Het geheel was geschat op twaalfduizend frank. De andere goederen, 97 bunder en tien roeden groot, werden ook onderzocht en geschat op 134.000 frank. Tussen deze goederen was de hoeve met 24 bunder. Deze hoeve lag op het grondgebied van de gemeente Sint-Truiden.

De Domeinen verkochten het klooster met honderd en vier bunder op 2 januari 1798. Het werd gekocht door de Pitteurs-Hiegaerts en Henri de Pitteurs voor 800.000 frank. Deze som, te betalen voor een derde in terugbetalingsbons en voor twee derden geconsolideerd van openbare schuld, kwam op ongeveer twintigduizend frank contant. Deze aflossingsbons werden immers voor een spotprijs verkocht op de beurs.

 

8. De kapel van Natenbampt onder Brustem

Deze kapel werd waarschijnlijk gebouwd door ridder Raes van Guygoven, die er een beneficie stichtte en begiftigde met last dat de rector van het beneficie er de heilige mis deed op zondag, er predikte en er water zegende. De bisschop Lodewijk van Bourbon keurde op 4 februari 1480 de stichting van het beneficie goed en voegde het op vraag van de stichter samen met het Begaardenklooster. Jan van Roest, generaal van de broeders van de Derde-Orde van Sint-Franciscus en vader-overste van het klooster te Hoegaarden, en Hendrik de Merica, vader-overste van het klooster van Zepperen namen de schenking aan op 12 juli daarop.

Het was in dezelfde kapel dat meester Pieter van Herckenrode, door testament van 11 december 1551, een septimanale mis stichtte op woensdag. Deze stichting werd uitgevoerd door een akte van 7 oktober 1567, waarbij tussenkwamen Lambert van Herckenrode, burger van Sint-Truiden, en Gerard Schoepen. Deze akte bevat de schenking en de lasten van de stichting. De Begaarden van Zepperen namen ze aan door hun afgevaardigde Christiaan Deckers.

 

10. Pauselijke brief ten gunste van de Derde Orde, 13 mei 1255

Alexander episcopus, servus servorum Dei dilectis filiis, ministris et fratribus ordinis de poenitentia in Alemaniâ constitutis, salutem et apostolicam benedictionem. Intentos cultui divino illa gratia digne prosequimur qua eis successum (servitium ?) salutis aptatè posse perficere meditamur. Hunc est quod nos vestre precibus devotionis inducti, ut divina generalis interdicti tempore in locis in quibus eadem ex indultu Sedis apostolicae celebrantur audire ac ibidem ecclesiastica sacramenta recipere possitis, vobis auctoritate praesentium indulgemus, dummodo causam non dederitis interdicto, nec id vobis contingat specialiter interdici. Nulli ergo liceat hanc paginam nostre concessiones infringere vel ei ausu temerario contraire. Si quis autem hoc attemptare presumpserit, indignationem omnipotentis Dei ac beatorum Petri et Pauli apostolorum ejus se noverit incursurum. Datum Laterani tertio Idus Maii pontificatus nostri anno primo (13 mei 1255).

Jan van Arckel, bisschop van Luik, attesteerde op 12 mei 1376 dat de brief van paus Alexander echt was : Johannes, Dei gratia Leodiensis episcopus, universis nostris subditis, Fratribus Minoribus dumtaxat exceptis, salutatem in Domino sempiternam. Cum, sicut ex quodam transsumpto sigillo bone memorie domini Johannis quondam episcopi Trajectensis sigillato, cui plenam fidem, quantum in nobis est, adhibemus, apparet, felicis recordationis dominus Alexander papa IIII ministris et fratribus ordinis de poenitentia in Alemania constitutis olim quoddam privilegium concessit infrascripti tenoris… Nos tenoribus tam dicti privilegii quam regule dictorum fratrum quae eos ad audiendam cotidie missam astringit, diligenter attentis, de jurisperitorum consilio tenore presentium declaramus ministros et fratres ordinis supradicti in nostris civitate et dioecesi constitutos privilegio supradicto debere gaudere in tantum quod generalis interdicti tempore possint divina in locis in quibus eadem ex indulto Sedis apostolicae celebrantur, audire et ibidem ecclesiastica recipere sacramenta, dummodo causam non dederint interdicto, nec id eis contingat specialiter interdici ; ita tamen quod virtute dicti privilegii ad audienda divina vel recipienda ecclesiastica sacramenta in ecclesiis Fratrum Minorum tempore interdicti nullatenus admittantur. Quamobrem significamus universis ecclesiarum secularium et regularium rectoribus et prelatis nostrarum civitatis et dioecesis praedictarum, Fratribus Minoribus dumtaxat exceptis, quod praefatos ministros et fratres de poenitentia tempore generalis interdicti in suis ecclesiis secure possint admittere ad divina et eisdem ministrare ecclesiastica sacramenta, juxta tenorem tamen privilegii supradicti et dummodo aliud canonicum non obsistat impedimentum. In cujus rei testimonium sigillum nostrum ad causas presentibus litteris est appensum. Datum anno a Nativitate Domini millesimo trecentesimo septuagesimo sexto, mensis Maii die duodecima.

 

11. Statuten

Van ons gemeyn capittel van Zepperen aengaende de broederen en susteren van den derden regel sinte Francisci genaempt penitentie, gemaeckt en geapprobeert in ‘t generael Concilie in ‘t jaer duysent vier hondert ende seven en tachentich, ende wederom vernieuwt in ‘t jaer ons Heeren duysent vyf hondert en dry en dertich.

Den glorieusen beleyder Christi, sinte Franciscus, heeft geweest den insetter van dry Ordens, der Minderbroederen, sinte Claren, ende der broederen en susteren des derden regel der penitentie genaempt, welcken den paus Nicolaus den vierden geconfimeert heeft ende van veel Pausen ende bischoppen geapprobeert, verclaert ende met veel privilegien bevesticht is, daer menigerhande staeten van menschen naer wysen ende ordinantien der heyliger Kercke in gehoersaemheyt moghen leven. Ende want gelyckheyt der manieren van buyten vrede en eendrachticheyt maeckt, daerom sal men dese naervolgende statuten ende ordinantien overal in allen ons conventen in schrifte hebben ende deuchdelyck onderhouden ende daer naer leven.

Eerste capittel. Van het generael capittel te hauden.

Den minister generael sal met de ministers van allen ons conventen ende paters der susteren onser orden, allen jaer, naer het inhaudt onser privilegien, gemeyn capittel hauden in een van ons conventen, ende sal macht hebben in te stellen, ordineren, corrigeren ende reformeren al ‘t gene de persoonen des Ordens onder ons capittel voorscreven sorterende behulpelyck ende behoeffelyck wesen mach, daer nochtans niemant in verbonden en sal wesen tot eeniger schult der dootelycke sonde, maer tot penitentien die men hun daer voer stellen sal, het en ware dat het uyt versmaetheyt geschiede. Ende ‘t welck men jaerlyckx in ‘t gemeyn capittel ordineren sal, sal men in ‘t schrift stellen, ende elcken minister sal ‘t syn convent aenbringen om te ondersoecken naer het inhaudt onser privilegien. Ende elcken minister voer het generael capittel spreecken met de broederen syns convents oft sy yet weten ‘t welck nu saude wesen om in het generael capittel daer aff te spreecken, bringende dat in schrifte, om ‘t selve in het generael capittel te presenteren. Ende een yegelyck sal hem wachten de secreten des geheym capittel aen eenige vremde persoenen ‘t openbaren. Als ‘t capittel geeynt is, sal men condighen de naemen der broederen ende susteren die in dat jaer overleden syn ende een yegelyck sal der dooder naemen in schrift met hen ‘t huys draeghen die binnen dat jaer onder ons capittel overleden syn, ender daer voer bidden ende lesen, gelyckt behoerlyck is naer ‘t inhaudt onser regel.

Tweede capittel. Van de jaerlycksche visitatie.

In den naem des heylige Dryvuldigheyt, sal men allen jaer, eens ten minste, visiteren (om de heylige religie ende devotie ‘t onderhauden in haer eerste viericheyt) elck huys onder ons capittel sorterende, naer ‘t inhaudt onser regel ende privilegie. Ende soo wanneer de persoenen des convents ‘t welck men visiteren sal, vergaedert syn, soo sal hun den visitateur een vermaeninge doen der deuchden, dat sy hunnen eersten roep blyven, dat sy hunne ministeren in eeren ende reverentie hauden, dat sy onder malcanderen vrede hauden, declaererende hun de forme ende maniere des visitatie. Eerst dat een yegelyck ‘t welck hy weet, ‘t sy teghen den minister ofte teghen yemant anders verclaere, declarerende oock den staet des huys, ende alles daer hem naer gevraecht sal worden, oock ‘t gene ‘t welck hem vraegens werdich dunckt sal men vryelycken den visitateur opwerpen ende antworden ; men sal wel toesien dat men niemant eenige schult oplegge die men niet claerlyck goet en can doen ; noch oock en sullen de visitateurs allen geesten niet geloeven. Eerst sal men vraegen oft den minister ofte mater eenich heymelyck verbond met den persoenen van den huyse gemaeckt heeft om eenige dinghen te verzwygen ; voorts oft hy de gebreecken wel corrigeert ofte de oversten werlyckx syn in hunne conversatie, oft hy met een goet exempel voergaet ende de religieusen oock naer den regel ende statuten wel doet leven ; oft hy met de persoenen des huys en buytens huys ende sonderlingen met de cureyten vrede plach te hauden ; dan sal men vraegen hoe dat gemeyn huys te vreden is, oft sy wel onderdaenich syn, oft sy wel berispinghen moghen leyden van hun gebreecken, oft sy allen in ‘t gemeyn leven ende arbeyden. Voorts sal men vraegen of ‘t huys met eenige schulden beswaert is ende hoe veel. Voerts sal den minister van elck convent den visitateur vraegen wat costen hy geleden heeft om der visitatie wille, ende daer aff sal elck huys, naer redelycker maeten nochtans, naer dat gelegen is, syn deel betaelen, ende daer aff sal hebben den generael twee deelen en syn medegesel d’ander. Ende of ‘t geviele dat er eenich convent des generaels behoevende waere buyten de visitatie, om eenige sonderlingen saecken wille, soo sal ‘t convent naer swaerheyt ende lanckheyt des wechs synen maet hebben, ende de persoonen die gevisiteert syn, sullen den generael bidden dat hy syn macht geve te dispenseren ende te absolveren den minister des convents.

Derde capittel. Van te kiesen den generael ende de ministers.

In ‘t generael capittel sal men allen jaer kiesen eenen minister generael, naer inhaut onser privilegien, eenen priester onser orden ; die andere ministers, als oock de moyers (moeders) sal men kiesen in de visitatie, of als ‘t noot is. Allen de persoenen onser orden sullen den generael minister ende hun oversten in reverentie hebben ende oytmoedelycken onderdaenich syn. In eenige merckelycke groete saecken des huys en sal den minister niets doen sonder den raet ende goetduncken der broederen oft auderlingen des convents ; ‘t welck desgelycks in de susteren cloesters sal onderhauden worden. Den vicarius ofte onderminister en sal in de absentie des moyers geen dinghen doon oft orloeven die vertreck moghen hebben.

Vierde capittel. Van te kiezen den procutator of procuraterse.

In de conventen daer ‘t noot is, sal den minister ofte oversten met de conventualen een procuraterse ordineren, die de overste in alle dinghen beystae en behulpelyck sy, sonderlinge in uytwendige dinghen, als renten in te maenen ende al dat daertoe behoert te besorghen, al by des oversten raede ‘t selve getrauwelyck bewaerende ; oock geen merckelycke commenschappen doen sonder het weten ende consent des overste. Ende alle jaer sal de procuraterse wettige rekeninghe doen voer den oversten ende conventualen van allen den ontfanck ende uytgeven, van schult ende wederschult, ende niemand van de capitularen en sal hem absenteren sonder orloff des ministers, oft men sal de jaerlycksche rekeninge doen voer den visitateur, alsoo het beste te passe compt.

Vyfde capittel. Van de siecken te bewaeren.

Naer den regel is de moyer schuldich de siecken te besorgen ; ende aengemerckt dat de oversten met veel andere saecken becommert moeten wesen, soo sal het bewaeren der siecken een ander religieus bevolen worden, die se getrauwelycken bewaren sal, ende waere ‘t dat er iet gebreeckte oft versuymt worde aen de siecken, sal dit den bewaerer der siecken aen den minister oft oversten verclaeren, den welcken dit terstond sal doen beteren, ende de siecken sullen in hun pijnen lydtsaem ende goedertieren wesen. Ende als men eenige siecken het heylig Sacrament geven sal, oft in syn uyterste lydt, sullen al de religieusen daer tegenwoordich zyn, ende alle dinghen sullen geschieden naer ‘t inhaudt des boeckx daer aff wesende, ten waere dat het smettende sieckten waeren, want dan sullen de religieusen hun gebeden in de kercke doen ende die sieckbewaerster sal de siecken vermaenen tot haerder zielen salicheyt ende besonder om weerdelyck te ontfanghen de heylige Sacramenten ende als er iemand van de religieusen gestorven is, soo sal men de doot vercondighen in allen ons conventen, op dat voer den overleden het gebet geschiede naer het inhaut onses regel. Allen de conventualen daer den overleden is, sullen voer de ziele oytmoedelyck de discipline terstond ontfangen, naer d’ordinatie der oversten, lesende miserere mei Dei, ende den minister ofte overste sal neerstelyck besorghen dat voor de ziel der overledenen dertich daeghen durende gehauden worde commemoratie in de Missen ende ten graeve gaende lesen miserere mei met de collecten daer toe dienende.

Sesde capittel. Van de boecken te bewaeren.

Den bewaerder der boecken sal alle de naemen der religieusen in schrift hebben en wel toesien dat de boecken wel gecorrigeert worden ende hy en sal geene boecken uytleenen sonder orloff des oversten ende sal de naemen opschryven, stellende hun eenen tydt om weder te brenghen sonder bederffenisse, ende men sal van de librairye geene boecken draeghen, oft men heeft daer eerst een teecken gestelt der celle daer den boeck ingedraegen is, op dat men hem vinden mach als hem eenen anderen van doen heeft.

Sevenste capittel. Van de persoenen die men tot den Orden ontfangen sal.

Om alle schanden ende confusien te behoeden, overmits de onbequaemheyt der persoenen, dewelcke gebeuren mochte, soo en sal niemanden tot den habyte onser Orden ontfanghen, ten sy dat hy ten minsten eenen redelycken tyt sy beproeft in eene vergaderinghe naer het goetduncken des generaels ministers. Ende men sal oock boven al mercken nauwelyck d’welck in den regel staet, oft sy goedertieren syn ende bequaem in hunnen handel, oft sy berispingen wel mogen lyden ; want syn se wederspannich ende niet berispt en willen worden van hunne gebreecken, soo en sal men se niet tot den habyte ontfangen. Ende sullen oock alle hunne tydelycke substantie den oversten overgeven. Ende die novitien syn, en sullen niet te saemen heymelyck spreecken. Men sal oock geene onder achtien jaeren oft oock twee gebroeders oft gesusters in een convent tot der Orden ontfangen, ende is het dat het geschiet met den consent des visitateurs ende der conventualen, en sullen nochtans geen professie doen, sonder particulier consent van het generael capittel, ende d’eene van die sal stemme hebben in ‘t capittel, die de vroemste in ‘t verstant, geschickste ende vredelyckste is, ende de ander niet, nochtans naer raet ende advys des visitateurs. Men sal niemant ontfanghen dan principaelyck om Godts wille, sonder alle compactie van simonie, ende waere ‘t dat daer yemant tegen dede, die sal daerom gecorrigeert worden ende den minister ofte moyer sal tot eenen tyt van hunne officien geset worden. Naer het proefjaer sal hem den minister vraeghen voer ‘t gemeyn couvent oft hy uyt een ander Orden gegaen is, oft hy yemant trauwe beloeft heeft oft met yemant in beloften verbonden is, oft hy eenige heymelycke siecten heeft, oft sonderlinghen gebreecken, oft yemant van eenige schult met reden op hem mochte claegen, oft hy met synen evennaesten yet uytstaende heeft daer het convent naermaels moyelyckheyt ofte schaede aff commen mochte ende is hy vry van alle dese dinghen, soo sal men den novitius in de stranicheyt der orden ondersoecken, blyft hy dan volherdich ende vastelycken hopt betrauwende op de goedertieren Bermherticheyt Godts ende ‘t gebet der gemeynten, alle dese dinghen te volbringhen, soo sal den novitius voer den altaer commen ende den minister sal tot hem seggen : Godt geve u alle desen dinghen te volbringhen op dat ghy naermaels mocht commen ten eewighen leven, ende van Godts wegen ontfanghen wy u ende verleenen wy u onse broederschap. Ende als men yemant cleeden sal, den minister commende voer den altaer oft in ‘t capittel met den novitius, sal hem doen voer hem op syn kniën ligghen ende de cleederen des Ordens voer hem ende alsoo cleeden met de gebeden ende ceremonien daer toe beschreven ende elck convent sal maecken daer van een bockxken te hebben.

Achte capittel. Van de insettinge der novitien die gecleet zyn.

Aengesien dat den generaelen minister ende andere ministers moeten syn met diversche afferren des convents, soo sal men den novitius die eerst gecleedt is, aen eenen anderen deuchdelycken religieus bevelen, die hem onderweysen ende leeren sal in alle godtvruchticheyt ende allen ‘t gene d’orden aengaet, hoe dat hy hem in alle dinghen draeghen sal met de oversten ende conventualen in manieren, in woorden ende in gelaet. Ende eerst sal men se onderwysen dat sy hunne bichte claerlyck moeten spreecken van allen hun leven ende dat hy hun leert funderen op de oytmoedicheyt, gehoersaemheyt, scaemelheyt ende swyghen, want deze syn de jonckheyt noytsaeckeleyck. Men sal hun oock leeren dat sy seer open syn by hunnen bichtvader ende minister, dat sy oock alle becoringhen ende heymelycke fantasien niet en verborghen, maer claerlyck ende oytmoedelyck hunnen bichtvaeder ende minister openbaeren. Ende indien den novitius sterft binnen het proefjaer, soo sal men voer die siele bidden ende doen gelyck met de geprofessede. Den novitius en sal geen weerlycke persoenen aenspreecken, ten sy met oorloff des oversten in de tegenwoordicheyt van eenen geprofesten religieus, die daertoe geordineert is. Eenen novitius tot dat hy priester is oft een religieus tot dat sy vier en twintich jaeren audt is, sal onder den meester staen om geleert te worden. Nochtans quam er yemant tot deser orden die auder waere ofte priester, die sal een jaer onder synen meester staen. Men sal nyemant tot de professie ontvanghen noch tot die heylige Orden promoveren, dan met consent des generaels ministers ende conventualen.

Negenste capittel. Van de maniere om de professie te doen.

Als den tyt compt dat den novitius syne professie doen sal, soo sal den minister hem doen comen in de tegenwordicheyt der gemeynte en doen hem een vermaeninghe van de stranicheyt des ordens ende der dry geloften, opentlyck declarerende, ende begeert hy dan syn professie te doen, soo mach hem den minister dat gunnen met het consent des generaels ende der conventualen. Den novitius sal selver syn professie scryven, oft is ‘t dat hy niet scryven en can, eenen anderen bidden, ende sal die wel leeren lesen, ende onder de misse sal den novitius neder ligghen voer den altaer tot het offertorium toe, ende dan den generael ofte bichtvaeder voertsgaen naer de maniere ende forme gelyck in het boecxken daer aff synde gescreven staet.

Tiende capittel.

Op dat men in alle conventen onvrede moghen schauwen ende nederlegghen, ende dat men de gene die niet gecorrigeert en willen worden te beter kennen mach, soo sal men eens ten vierthien daeghen des vreydach oft op eenen anderen dach capittel hauden ende alle de persoenen van het convent, de audste eerst, sullen by ordinantie by den minister comen sitten, oft by de moyer in de susteren cloesters, oft in hun absentie den vicarius oft ondermoyer, doende een corte vermaeninghe der deuchden. In ‘t capittel sal maer een ‘t seffens spreecken ; de jongste sal eerst comen en beschuldighe sy selven, oytmoedelyck biddende, dat se haer gebreecken vermaenen ; ende is ‘t dat er eenighe syn, sal die vermaenen uyt minnen in den geest des sachmoedicheyts ende niet uyt passie ofte vermoeden, noch men sal geen secrete saecken die de bichte aengaen vort brengen, maer alleen openbaere ; nochtans ‘t gene periculeus, scaedelyck oft merckelyck scandaleus is der gemeynten oft particuliere persoenen, sal men secretelyck den minister oft overste te kennen gheven, die naer discretie daerin sullen leven, naer d’instructie der heylighe schrifture ende naer dat een ygelycx gebreecken syn, sal men hem penitentie stellen. Ende om alle passien te schauwen, soo en sal niemant synen medebroeder ofte suster vermaenen op die stonde als hy van sulcke vermaent is. In de conventuale capittelen sullen alle de religieusen swyghen, als sy van d’overste oft andere religieusen vermaent worden, ende die contrarie doet, sal de penitentie doen die hem den minister ofte moyer stellen sal, naer de gelegenheyt ende menichvuldicheyt synder woorden. Soo wye teghen den minister in ‘t capittel eenich herdt oft verkeert woordt spreeckt, die sal terstond discipline ontfangen ende drymael de voeten van de religieusen cussen, belydende oytmoedelyck syn schult. Ende een yghelyck sal hem wachten te openbaeren ‘t welck in ‘t capittel geschiet ofte verhaelt is, buyten het capittel aen persoenen die van ‘t capittel niet en syn ; ende soo ymant daer in schuldich bevonden wordt, die sal syn plaetse ende stemme verliesen tot ter tyt toe dat die hem wedergegheven worde van d’overste ende conventualen. Soo wye sonder syn faute in een ander convent deur de gehoersaemheyt gestelt wordt, die sal doen gelyck eenen conventuael des convents in ‘t capittel, ende daer buyten naer den auderdom synre professie sal hy sitten ende vocael syn, behalvens merckelycke saecken des convents daer hy geen stemme in hebben en sal, ten waere met consent des generaels. Op den goeden vreydach, Pinxtenavont, Alderheylighenavont, ende Kersavont sullen de religieuse oytmoedelyck de discipline ontfanghen.

Elfte capittel. Van gebreecken om ymandt te kerckeren.

Soe wye obstinaet ende moetwillich waere, oft die niet en begheerde te obedieeren oft dickwils met hertnechicheyt niet doen en wilde, ‘t welck hem d’overste bevolen hadden ; oft hadde ymant sulcke geseltschap oft conversatie met ongelycke persoenen daer quaet gerucht oft vermoyen aff waere ende hem naer de vermaeninghe niet beteren en wilt, oft die van onsuyverheyt beticht oft bevonden waeren, oft die sonder weten oft consent buyten het convent blyven by nachten, oft eenighe diergelycke dinghen deden, daer men ymant met recht in den kercker mochte setten, sal den minister oft oversten des convents, met den raet ende advys van sommighe discrete religieusen, alsucke moghen in den kercker setten, ende hem in geender maniere daer uyt laeten, sonder express consent des generaels, ende elck convent sal besorghen tot dien eynde eenen kercker te hebben oft alsulcke gereetschap ende heymelycke plaetse daer men alsulcke misdaet mede corrigeeren ende straffen mach. Ende waeren het saecken dat er eenighe religieus uyt ter orden liepe by nacht oft daeghe, ende oneerlyck leefde, dien sal men brenghen in syn convent, met hulpe van andere conventen die den apostaet best crygen connen ; ende den cost sal het convent van den fugitief betaelen. Soo wye om eenighe fauten in den kercker gesett wordt ende by consent des generaels minister uytgelaeten wordt, die en sal geen plaetse oft stemme hebben, ten waere dat het convent met consent des generaels met hem dispenseerden, maer sal de penitentie doen die hem den minister ordineren sal. Die in eyghendom bevonden wordt ende daer aff betuycht wordt, sal oytmoedelyck van den minister discipline ontfanghen ende daer by de penitentie doen die hem den minister oft overste stellen sal, danckende Godt van sulckenen strick verlost te wesen. Ende eer men den apostaet of die in den ban is, in den kercker sluyten sal, sal men eerst naer forme van recht in de tegenwoerdicheyt des ministers ende des convents van den ban absolveeren.

Twelfste capittel. Van silentium te hauden.

In de kercke onder den dienst Godts ende getyden, in den refter als men eet oft collatie doet, op den dormpter, ende een half ure naer des middachs eeten, in de conventen daer men van audts gewoen, sullen alle de religieusen silentium hauden van het ieste teecken der completen tot seven uren des anderen dach, ‘t heylich ende werckdach sullen de religieusen silentium hauden, maer in de werckhuysen, op den dormpter ende onder alle andere wercken moghen de religieusen met corte en stille woorden, tael, teecken en antwoordt gheven. In de conventen daer men de seven getyden haudt, sullen de broeders een halve ure naer den eeten van taemelycke dinghen moghen spreecken, ende daer naer sal men een teecken doen om dat alle de broeders naer hun cellen sauden gaen ende silentium hauden, ghevende hun nerstelycken tot devotie ende arbeyt naer des ministers dispositie.

Derthinste capittel.

Als de religieusen malcanderen ontmoeten, voerbey gaende sullen sy hun oytmoedelyck boeghen ende den eenen sal seggen Jesus ende den andere Maria ; ende met de werlycke luiden van buyten ofte met gasten en sullen geen religieusen spreecken sonder orloff, dan de gene die daertoe geordineert syn, ende dat nochtans met stichticheyt ende eerbaerheyt.

Vierthinster capittel. Van op te staen ende ter kercken gaen.

Daer men de seven getyden haudt, met alder nersticheyt ende devotie sullen de broeders den dinst Godts onderhauden, gedachtich wesende dat hy is vermaeledeyt die den dinst Godts versuymelyck doet. Eer de broeders tot den dienst Godts gaen, sullen sy hun daer toe met goede gedachten bereyden ende naer den dienst Godts tot stillicheyt ende danckbaerheyt stellen. Ende naer de mettenen sullen hun de broeders een poes langer oeffenen in de bitter passie ons Heeren. Ende naer de completen sullen sy overleggen hunne vergetentheyt, Godt biddende genaeden ende offenende in devotien. In den dienst Godts sullen de broeders oytmoedeleyck staen, met opgeheven herten tot Godt ende aendachticheyt alle spraecke ende dissolutie der manieren schauwende. Soe wye in ‘t convent daer men de seven geteyden haudt, te metten te laet sal comen, ende omtrent vier uren ‘s morgens niet ter kercken en quaeme, sal hy den naesten maelteyt syn potagie op d’aerde eten, ende lesen met uytgereckte armen in ‘t cruys vyff Pater noster ende vyff Ave Maria, beleydende oytmoedelyck syn schult. Soe wye merckeleyck te laet quaeme ter metten, oft tot andere geteyden, ter collatie, ter misse, ten refter, sonder orloff affblyft, dien sal in den naesten maelteyt met gebeuchde knien ende uytgereckte armen lesen vyff Pater noster ende vyff Ave Maria, beleydende oytmoedelyck syn chult. Soe wye in de geteyden van ons Lieve Vrauw te laet compt, die sal syn schult segghen.

Vyfthienste capittel. Van ‘s morgens op te staen.

In de conventen daer men de seven geteyden niet en haudt, sullen al de religieusen opstaen ‘s morgens voer vier uren, als ‘t teecken gedaen is om op te staen, ende nersteleyck ter kercken comen om hunne geteyden te lesen tot vyff uren toe, ende dan sal een ygelyck naer syn werck gaen. Ende als ‘t ter misse geluyt is, sal een ygelyck nerstelyck ter kercken comen, om daer te wesen, eer men den confiteor leest, soe wye daer naer compt sal syn schult spreecken in den refter. Ende die naer de halff ure voer vijff uren ’s morgens ter kercken compt, sal den naesten maelteyt ter aerde eten. Des heilighen daechs sal men luyden ter completen in elck convent, soe het van audts de gewoente is ; naer de completen sal men een halff ure recollectie hauden. Ende naer den achten, sal elck slaepen gaen, soe dat sy allen ten neghen uren in hun ruste syn ; ende dan sal een der dormpter sluyten die d’overste daertoe ordineren sal, elck naer de gelegenheyt syns convents. Den vicarius ofte ondermoyer sullen ‘s avonts omgaen de cellen visiteren.

Sesthienste capittel. Van de manieren in den refter te hauden.

Als ‘t geluydt is ter kercken, ten refter oft tot eenich teecken, soe en sal daer niemant aff blyven sonder orloff syns overste. Als ‘t ten refter geluydt is, soe sal den minister off overste ende d’andere religieusen hun haesten ten refter te comen, silentium haudende, ende manierleycke verbeyden tot dat de schelle luydt om de benedicite te lesen, ende als die gelesen is, soe gaet den oversten ende daer naer d’andere religieusen naer d’ordinantie sitten ter taefelen, eerst nochtans gelesen hebbende den psalm de profundis met de collecten voer de zielen. Soe wye naer den benedicite compt ten refter, sal syn schult spreecken. Daer sal eenen religieus ter taefelen lesen, elck op synen tyt. Ende als den overste siet dat allen de religieusen geten hebben, sal een teecken doen om op te staen ende lesen hun gratie ende den psalm naer der kercke gaende naer ordinantie. De religieusen in al ons conventen sullen hun oeffenen in het leven ende geestelycke speyse meer als in lichaemelycke. Stil ende met nedergeslaeghen ooghen sullen de religieusen in den refter sitten, ende niemant van hun en sal spyse oft dranck nemen, ten sy eerst wat goets gelesen ende een teecken van d’overste gedaen synde ; den leser ter taefelen sal lesen bescheeëlyck en perfectelyck.

Seventhienste capittel. Van dispensatie in eten en drincken.

Aengesien dat de religieusen van den derden regel gemeynelyck hun broet met den arbeyt der handen pleghen te winnen, soe sal den visitateur ofte minister dien dat bevolen is, in allen abstinentien, vasten ende herdicheyt des regels mildelyck met de religieusen dispenseeren, nochtans altyt met discretie naer de gelegentheyt der persoenen ende des tyts. Dit syn de feestdaghen daer men vlees op eten mach, op eenen maendach comende, jaerdach, derthiendach, ‘s maendachs naer paesschen ende pincxten, allen Lieve Vrauwen daeghen, ende apostelen daeghen, ende op alle daeghen der santen daer de heylige kercke negen lessen aff haudt, in de conventen daer men den luycxschen stiel haudt als sy des maendachs comen, uytgenomen in sinte Mertens vasten en in den advent, daer men den roemschen stiel haudt als des maendachs eenighe feesten comen der santen die duplicia syn buyten dese voerschreven daeghen en sullen de oversten niet lichtelyck dispenseeren om vlees te eten.

Achthienste capittel. Van den aerbeyt der handen.

Aengesien dat ledicheyt eenen vyandt is der zielen ende een groete occasie ende voetsel der sonden ende den arbeyt der handen als dien nerstelycken ende devotelycken geschiet saelich is, naer ‘t getuyghen des prophete, ende een groet behulp om de sonden te schauwen, daerom en sal niemant van de susteren ledich syn buyten den dienst Godts, maer d’oversten sullen nerstelycken toesien dat de religieusen op werckendaeghen becommert syn met handwerck, ‘t sy in de cellen, werckhuys, ofte andere plaetsen naer de gelegentheyt der conventen ende dat tot gemeyn profyt, uytgenomen de tyden die geordineert syn te bidden, ter kercken, ten refter ende te rusten te gaen. Ende elck religieus sal syn werck getrauwelyck doen hetwelck haer bevolen wordt, gemerckt dat yegelyck van onsen Heer synen loen ontfanghen sal van zyn wercken. Waerom de religieusen die versuymelyck ende onachsaem syn in het gemeyn werck, sal de moyer vermaenen ende berispen in ‘t capittel oock penitentie stellen, ter tyt toe dat se hun beteren ende voertaen getrauwelycker in ‘t gemeyn aerbeyden. Ende die niet aerbeyden en cunnen, met die sal men goedertierlycken medeleyden hebben ; maer men sal voersichtich wesen, dat men sulcke persoenen niet lichtelyck en ontfanghe. In de werckhuysen en andere plaetsen, als ‘t georlofft is te spreecken, sal men nerstelyck schauwen alle oneerlycke ende scandelycke woorden, daer yemant in gescandaliseert ofte gestoert mochte worden, op dat den arbeyt en ‘t gebet ‘t welck daer gesciet, saelich en vruchtbaer mochte wesen.

Negenthienste capittel.

Om te verhueden alle scandalen ende tot meerder stichticheyt der werlycker lieden, soe sullen de religieusen twee te saemen gaen naer ‘t inhaut onser privilegien ende van malcanderen niet scheyden, noch eenighe heymelycke spraecke met werlycke lieden hauden, sonderlinghen met mans ofte vrauwpersoenen daer eenighe suspicie aff comen mochte. Gheen van de religieusen en sal uyt het convent gaen sonder orloff des moyers oft in haer absentie des ondermoyers. Is ‘t dat er yemant om wettelycke saecken moet uytgaen, die sal sy selven wapenen met goede gedachten ; noch en sal tot eenighe plaetsen gaen daer sy geenen specialen orloff toe en heeft. Sy sal haer oock haesten weder te comen tot ‘t convente op d’ure die haer gestelt is. Ende om alle scheynsel van eygendom te schauwen, soe en sullen de religieusen geen wisselinghe, coep ofte vercoep buyten oft binnen het convent doen, sonder specialen orloff des oversten. Niemant en sal yet van nieuws doen maecken ofte breecken dan met orloff des oversten. Noch niemant en sal by hem hauden eenig gelt, oft eenich ander dinck hebben van syn vrienden, ten sy dat se eerst ‘t selve aen de moyer heeft gepresenteert. Niemant en sal eenighe brieven ontfanghen oft wech senden, open doen ofte lesen dan met orloff des moyers. Als er yemant van de religieusen merckelyck van de moyer gestrafft wordt, die sal oytmoedelyck op syn knien vallen ende syn schult spreecken ende niet opstaen dan met orloff des overste. Niemant sal eenich dinck soo vastelyck gebruycken off sy en sal dat gherne leenen aen haer medesuster die hetselfste van noyde heeft. Niemant en sal syn oversten met eenighe straffe ofte verkeerde woorden toespreecken ; maer heeft er yemant eenighe clachten teghen syn oversten, die sal se eenighe stichtigde aude religieusen te kennen gheven, die den oversten discretelyck sullen vermaenen op dat er niemant te staut tegen den overste en worde. Van allen sloten des convents sal d'overste eenen sleutel hebben, soe wel van de cellen als andere plaetsen, ende sal de cellen besoecken als ‘t haer believen en goetduncken sal, oock te geven en te nemen, op dat onder de religieusen mocht geschaudt worden alle scheynsel des eygendoms, maer gelyck wesen aen onsen Saelichmacker den welcken seydt : de vossen hebben hun nesten, maer den Sone des menschen en heeft niet om syn hoeft op te rusten. Niemant en sal uyt het convent gaen eten oft vernachten in werlycke huysen dan met ten orloff des moyers ende dat uyt noetlycke saecken ende oock seer selden. Is ‘t dat yemant eenich dinck breeckt, bederft, verliest oft onbequaem maeckt die sal oytmoedelyck syn schult spreecken in den refter voor de taefel. Is ‘t dat yemant syn medesuster verstoert oft gescandaliseert heeft met woorden oft met wercken, sal oytmoedelyck haer vergiffenis bidden, versoenen en te vreden stellen, soo veel als in haer is, ten lancsten eer sy slaepen gaet, ende oft er yemant hertneckig waere ende en wilde haer medesuster niet versoenen ende daertoe vermaent wordt, sal soo langhe ter aerden eten tot dat sy haer versoent heeft. Niemant van de religieusen en sal ‘s avonts oft ‘s nachts licht oft vier op haer celle hebben dan met orloff des oversten.

Twintichste capittel . Van aderen te laeten.

De religieusen moghen hun doen laeten op de tyden en stonden van elck convent, naer goede aude costume, altyt nochtans naer d’overste goetduncken. Ende dan sullen de religieusen vroelyck syn onder malcanderen onder eerbaere discipline sonder eenighe ydelheyt als dienersen Godts betaempt. Ende men sal oock seer schauwen d’onstichticheyt besonder voer werlycke menschen. Ende waere ‘t saecken dat het een ‘religieus noetsaeckelyck waere dickwilder gelaeten te syn, sal met het goetduncken des overste moghen gescieden.

Twee en twingtichste capittel. Van de ghene die uytgesonden worden.

Soe eenighe suster met orloff uyt het convent gaet oft gesonden wordt ende comme ter plaetsen daer wij conventen hebben, sal daer logeren, ende en sal noch eten, noch drincken, noch slaepen buyten het convent sonder orloff des oversten. Ende als sy wederom ‘t huys gecomen sullen syn, sullen hun wachten dat sy gheen ydelheyt oft nieuwe maeren van de werelt ‘t huys en brenghen, die niet nut ofte profitelyck en syn de broeders oft susters te weten.

Dry en twintichste capittel. Van de ghene die uyt den orden gaen willen.

De susters die uyt het convent gaen met orloff oft sonder orloff om een ander orden aen te nemen, is ‘t dat sy binnen het proefjaer wederom comen tot hun eerste convent, dese sal men weder ontfanghen in sulcke maniere dat sy de laetste plaets sullen hebben ende gheen stemme in ‘t capittel, maer sy sullen hun fauten hoeren ende correctie ontfanghen ende uytgaen met de jonghen, ten waere dat met hun gedispenseert worde in ‘t gemeyn capittel.

Vier en twintichste capittel. Van de statuten ‘t overlesen.

De moyers van elck convent sullen dese voerschreven statuten by hun hebben in schrift ende die ter maent eens doen lesen over taefel ende sonderlinghe de punten in ‘t iersten die de religieusen daegelyckx meest aengaen. Ende de moyers sullen nerstelyck onderhauden dat den regel en de statuten vier reysen des jaers in de gemeynten gelesen worden. Ende voordaen alle goede gewoenten die in diverse conventen onser orden van audts gewoenlyck ende onsen regel, statuten ende privilegien der derder orden niet contrarie en syn, sal elck convent blyven ende onderhauwen moghen getrauwelyck. Waerop sal rusten de benedictie des Heeren ende sinte Francisci met de eewighe blyschap, amen.

Vyff en twintichste capittel. Van het slot.

Nerstich sal de moyer wesen het slot t’onderhauden ende sal ‘t dickwils visiteren oft daer yet waere aen te maecken. Sy sal oock sien oft de sloten van de doren des cloesters wel gesloten ; ende nyemand sal daer binnen gaen van werlycke persoenen, sonder besunder consent des visitateurs ofte bichvaeders. De visitateurs ten tyde van hun visitatie moghen sy inne gaen, ende als men de moyer confirmeert ; anders en sal men daer niet binnen gaen, ten sy in tyden van noot om de siecken hun heylighe rechten te geven. Desgelyckx is ‘t oock verboden werlycke vrauwen daer binnen te gaen, al is ‘t dat sy vrienden syn. Ende als ‘t deur noot geschiet met consent, soo en sal nyemant van de susteren alleen daer mede spreecken dan in de presentie des moyers ofte twee auste susteren, ende men sal daer niet gemeyns, maer van geestelycke dinghen spreecken ; men sal syn stichtich in syn manieren, stil in woorden ende schaemel in wercken, welcke een moeder syn van deuchden, om alsoo gestichtlich ende verbetert de menschen van ons moghen laeten gaen, doer de goede exempelen ende stichticheden die sy aen ons hebben gehoort en gesien. De wercklieden moghen binnen gaen om nootsaeckelyck werck te maecken, als ‘t den bichtvaeder ofte moyer sal goetduncken, ende de susteren en sullen geensins met hun spreecken, ten sy dat se willen groete correctie ende beschaemptheyt verwachten. Men sal oock wachten te spreecken van bruyloften, van ongelycke persoenen ende andere saecken, die ons niet aen en gaen, noch en behoeren. Aen de poorte sal men twee susteren stellen, de welcke godvruchtich, stil, sedich en schaemel syn. Dese sullen selden ofte nimmermeer alleen syn, maer d’een by d’ander als ‘t geschieden kan. Dese twee sullen malcanderen lief hebben in den band der liefde.

Ses en twintichste capittel. Van de lichte schulden ofte fauten.

Die traechelyck ten choere, ten arbeyt ende ten refter compt, die quaelyck leeft, die syn werck bederft ofte veronnachsaemt, die syn ooghen niet wel en bewaert, die op den dormpter, refter ende choer eenighe lichverdicheyt bedryft, die ter sermoenen met de gemeyn susteren niet en compt, die ydeleyck spreeckt oft onmanierlyck lacht of dissolutie maeckt, die d’andere tot ydelheyt treckt, die onder de susteren clapachtich is, die yemant eenich ongerieff aendoet, die eenighen huysraet breeckt oft verliest, die de cleederen ofte boecken onreynelyck draeghen, die spyse oft dranck stort, die eet ofte drinckt sonder den benedicite te lesen, die yet spreeckt ofte doet daer een ander in is geoffenseert, die het gemeyn gebot ons paters ende moyers van vergetenisse niet en doet ; soe wye haer selven hier in beschuldicht ende begheert genaede, die sal haer schult in den refter voer allen de susteren segghen.

Seven en twintichste capittel. Van de swaer schulden ofte fauten.

Soe wye kyft buyten oft binnen in de tegenwordicheyt der menschen, die yemant lastert ofte quaelyck toespreeckt, die willens ende wetens lieght, die syn silentium niet hauden en wilt, die syn schult oft een anders schult ontschuldicht daer sy schuldich in syn, die yemant syn misbruycken verwyt de ghene die voldaen heeft, die van de moyer oft susteren seydt dat se niet en can bewysen, in ‘t oft buyten het convent, die eenighe secrete dinghen des convents oft eenich quaet oft achterdeel van onse susteren seydt aen de werlycke, al is ‘t oock waer dat sy seydt, soe wye sy selven hier in beschuldicht ende begheert genaede, sal drymael ter erden eten ende drymael de susteren voeten cussen ende daer by pater nosters naer de dicretie des genen die capittel haudt.

Acht en twintichste capittel. Van de alderswaerste schulden oft fauten.

Soe wye rebel is ende niet en wilt gehoersaem syn de moyer oft die haer quaelyck toespreeckt, die yemant in gramschap slaet, die verborgen goet heeft, die heymelyck brieven ontfangt, uytsendt, open doet, leest sonder orloff, die syn vrienden secretelyck ontbiedt ende desgelyckx die de boetschap doet, die yet secretelyck behaudt ‘t welck haer gegeven is sonder orloff oft d’overste eerst te presenteeren, die tweedrachticheyt maeckt teghen de moyer oft convent secretelyck oft openbaer, die eenighen twist oft murmuratie maeckt van eenighe saecken die omtrent oft in de visitatie gescieden, die eenighe gemeynschap secretelyck oft anders teghen gebot der oversten is onderhaudende. Voer dese misbruycken ende gebreecken sal men penitentie stellen alsoo lange tot dat de moyer ende susteren sien dat se haer ganselyck ende geheel gebetert heeft ; alsoe lange als sy in penitentie is, soe sal sy ter erden sitten ende voer den refter ligghen dat de susteren daer in oft uyt gaende over haer moghen gaen ; sy sal de leste wesen van het convent, alsoe lange als sy in penitentie is ; noch haer en sal niet toegelaeten worden de heylighe Sacramenten ontfanghen, noch geene gehoersaemheyt en sal men haer bevelen ; alle daghen sal sy discipline ontfanghen, gheen en sullen met haer gemeynschap hebben, voer dat se volcomeleyck penitentie gedaen heeft, maer daer en tusschen sullen haer de susteren wat goets segghen. Wy begheeren dat dese alderswaerste schult sal staen tot de discretie des paters ende moyers, ende sy en sal hier in gheen penitentie stellen sonder ‘t bevelen des paters oft in syne absentie niet sonder advys van de vyff discrete susteren tot des moyers raet gedeputeert, ende sy sullen wesen van de autste susteren die oytmoedich en sachmoedich syn, exemplaer en stichtich van leven ende vredtsaemich syn ; soe welcke religieuse dese punten aen haer niet en heeft, dese en sal men tot desen raet niet ontfanghen ende de ghene die oock niet secreet en is, maer openbaert aen d’andere ‘t welck onder hun geordonneert en gesloten is, sal men casseeren en nemmermeer tot eenich officie toelaeten ; ende de moyer sal een ander in haer plaetse nemen die daer bequaem toe is. Ende die verworpen is, en sal voortaen plaets noch stemme hebben, ten waere dat den generael oft visitateur met haer dispenseerden. De religieusen die teghen dese statuten murmureeren oft rebelleeren ende niet en willen gehoersaem syn, naer dat se dry mael van den pater oft moyer in presentie der gemeynten oft twee discrete susteren vermaent syn, ende obstinaet ende hertneckich blyven, sal men in den kercker oft banden van yser bewaeren ende daer geensins laeten uytgaen sonder consent des generaels minister. Gratie en vrede den sachmoedighen ende oytmoedighen. Amen.

 

Home
Homeknop

vertaling van J. DARIS, Notice sur Zepperen (1887)
Remacluskring Zepperen
versie zaterdag 12 april 2014