Uittreksels uit het Kerkboek
(er zijn nog exemplaren van de 2de druk beschikbaar)

     

...
Een bank van Sint-Servaas

Een bulle van 31 maart 1139 van paus Innocentius II vermeldt Septemburis bij de eigendommen van de Sint-Servaaskerk van Maastricht, als ťťn der elf banken of heerlijkheden van Sint-Servaas; de andere waren Niel of Grootloon, Tweebergen, Vlijtingen, Hees, Mechelen-aan-de-Maas, Koninksem, Sluizen, Heer-en-Keer, Berg en Berneau. Deze dorpen ondergingen natuurlijk het lot van Sint-Servaas, in de verhoudingen met de soevereiniteit waaraan deze onderworpen was.
De Duitse keizer Hendrik IV bekleedde, door een verordening van 1087, de kerk van Sint-Servaas met alle macht van een ondergeschikte soeverein en verklaarde haar vrij en keizerlijk, met alleen de autoriteit van de keizer boven zich.
De Roomse koning, Hendrik V, bevestigde in 1109 de oude vrijheden en privileges waarvan de kerk met haar goederen en personen genoot. Hij verklaarde ook dat de burgemeesters, schepenen en andere functionarissen van de dorpen van de kerk, alsook deze van de kerk zelf, alle en konden worden berecht door het tribunaal van de kerk.
Deze onafhankelijkheid veranderde in 1204. De keizerskroon werd toen betwist tussen Otto IV en Filips II. Om de gunst van de hertog van Brabant te winnen, deed deze laatste hem grote toegevingen op een bijeenkomst in Koblenz op 22 november 1204. Hij gaf hem namelijk de stad Maastricht met alle bezittingen en rechten, alsook de kerk van Sint-Servaas in leen. De elf banken en ook Zepperen werden dus een leen van de hertog van Brabant.
De onafhankelijkheid werd terug verkregen in 1232 door een dekreet van Frederik II, die de charta van Hendrik IV van 1087 bevestigde. De kerk van Sint-Servaas liet dit bevestigen door paus Gregorius IX op 22 november 1233. Deze onafhankelijkheid diende een paar keer te worden bevestigd (18 maart en 20 september 1234) tegen de prinsbisschop van Luik. Een herbevestiging volgde nogmaals door keizer Frederik II op 9 september 1236 en door koning Rudolf, de eerste Habsburger, op 1 november 1273. Ondanks dit gebeurden er regelmati g inbreuken op de rechten van Sint-Servaas door de naburige prinsen. De situatie bleef onveranderd tot keizer Karel V, op 1 juli 1530, Maastricht inlijfde bij het hertogdom Brabant. De kerk van Sint-Servaas vreesde voor haar onafhankelijkheid en vroeg de k eizer om haar privileges te bevestigen, wat hij deed op 10 maart 1534.

Vanuit ondergeschikte tribunalen in de elf dorpen kon men naar een hof van beroep en van daar naar de opperste gerechtshoven van het Rijk. Dit laatste beroep was echter moeilijk en zeer duur, zodat koning Filips II op 13 juni 1574 toeliet dat dit vervangen werd door een beroep op zijn commissarissen, gevestigd in Maastricht. Tijdens de lange godsdienstoorlogen vroegen de dorpen Grootloon, Koninksem, Zepperen, Sluizen en Heer in 1594 aan de regering in Brussel beschermingsbrieven als keizerlijke en dus neutrale dorpen. Ze verkregen deze, mits de betaling van jaarlijkse protectiepenningen voor het onderhoud van het garnizoen in Maastricht. Zepperen moest 50 florijnen betalen (tegenover 12 t ot 20 florijnen voor de andere dorpen). Zo waren ze vrij van elk onderhoud, doorgang of huisvesting van troepen.

Het vredesverdrag van Munster van 30 januari 1648 tussen de koning van Spanje en de Verenigde ProvinciŽn vermeldt niets over de elf dorpen van Sint-Servaas. Maastricht kwam bij de Verenigde ProvinciŽn wier Staten-Generaal ook de elf dorpen opeisten. Na verschillende vergaderingen in Den Haag veranderde aan hun politieke situatie voorlopig niets en bleven ze onder jurisdictie van het Keizerrijk. Bij het verdrag van Nijmegen van 10 augustus 1678, na de oorlog tussen Lodewijk XIV en de Verenigde ProvinciŽn, plaatste de Franse koning de banken van Sint-Servaas onder soevereiniteit van de Staten-Generaal. Het kapittel van Sint-Servaas protesteerde tegen deze afstand, omdat de elf dorpen nooit onder Franse hegemonie stonden. De Staten-Generaal gaven toe en stelden op 22 oktober 1678 : dat de selve sullen jouisseren en behouden het regt van jurisdictie dat sij voor dato van den oorlog genoten en gejouiss eerd hebben. Vanaf 1680 eisten de Staten-Generaal ook protectie-penningen, zodat de hogergenoemde vijf dorpen tweemaal moesten betalen. Vanaf 1753 drongen de Staten-Generaal zich meer en meer op als soeverein over de elf dorpen van Sint-Servaas. Na zijn oorlog met de Verenigde ProvinciŽn, stond Keizer Jozef II hun tenslotte de elf banken af en de soevereiniteit van de Verenigde ProvinciŽn werd vastgelegd in het verdrag van Fontainebleau op 8 november 1785. Op 22 augustus 1786 kwam in Zepperen de afgevaardigde van de Staten-Generaal, Van Panhuysen, aan om de eed van trouw van de notabelen en de bevolking in ontvangst te nemen.

Het voogdijschap over Zepperen

De graven van Loon waren in feite de voogden of de beschermheren van al de kerkelijke heerlijkheden gelegen in hun graafschap. De voogdij over Zepperen behoorde ook aan de graven van Loon (rechtspraak te Luik van 13 februari 1337). Prinsbisschop Jan van Heinsberg had als graaf van Loon een adjunct-voogd in Zepperen, die zich bepaalde rechten toekende, die hij in feite niet had. Protest hiertegen eindigde op 3 augustus 1455 met een verklaring waarin de prinsbisschop erkent dat de heerlijkheid van Zepperen geen andere heren heeft dan het kapittel van Sint-Servaas en de keizer, en dat de graven van Loon slechts voogden zijn, die het dorp moeten beschermen en veroordeelden terechtstellen. De voogdij over Zepperen samen met de heerlijkheid Brustem werden later regelmatig afgestaan, tegen betaling, aan edelen uit de omgeving, wat, evenwel zonder succes, door het kapittel van Sint-Servaas werd verboden.

De gemeente Zepperen

Het gerechtshof of schepenbank, samengesteld uit een voorzitter (mayeur of schout) en zeven schepenen, leidde in feite de gemeente. Driemaal per jaar werden de inwoners samengeroepen om problemen te bespreken, geschillen te regelen en recht te spreken. Later werden ieder jaar twee burgemeesters verkozen, ťťn door de heer en ťťn door de inwoners; hieraan werden zes manschappen en de mayeur toegevoegd. De zondag na Pasen moesten de burgemeesters rekenschap geven voor de bevolking van hun ontvangsten en uitgaven. Er waren nogal wat discussies met het kapittel van Sint-Servaas over eigendomsrechten van gronden in de gemeente. Op 2 juli 1244 wordt bijvoorbeeld besloten dat het Stuck (Stuik) toebehoort aan het kapittel en dat de gronden genaamd Ekhout, Oye, Vrosbach en Drisk in Villa (Dekken, d'Oye, Roosbeek en Dries) aan de inwoners toebehoren. In de geschiedenis vinden we geen gegevens over een eventuele oorlog die het kapittel en zijn elf dorpen zouden hebben gevoerd tegen naburige prinsen of veroveraars. Het is wel zeker d at de inwoners van deze dorpen zich ingelijfd hebben in het leger van de geallieerde steden tegen Karel de Stoute in 1467, wat blijkt uit genadebrieven, aan sommige inwoners van Zepperen verleend in 1468.
Tijdens de troebelen in de 16de eeuw had Zepperen veel te lijden van voorbijtrekkende legers, zoals de koninklijke troepen in 1578 en de Spaanse troepen in 1579 en 1580. De hoeve van een zekere Aert Mertens werd toen afgebrand. De Tachtigjarige Oorlog tussen de Verenigde ProvinciŽn in het noorden en het Spaanse zuiden was fataal voor de elf dorpen van Sint-Servaas, zoals ook voor de rest van het land. Op zeker ogenblik betaalde men tweemaal belastingen : aan de koning en aan de Staten-Generaal der Verenigde ProvinciŽn. Regelmatig moest men onderdak verlenen aan voorbijtrekkende legers. Het kapittel van Sint-Servaas beschermde steeds zo goed het kon zijn elf dorpen, waarvoor Zepperen ondermeer dankte door de inwoners te verplichten al hun graan te malen in de molen van het kapittel. De heerlijkheden van Sint- Servaas stonden ter plaatse onder het toezicht van een kanunnik, die de naam rij-proost droeg. Tijdens de Spaanse successieoorlog werden de dorpen tussen Sint-Truiden en Tongeren regelmatig bezet en leeggeplunderd door de Franse en Engelse legers. Zo werd en op 6 september 1703 in Zepperen huizen en winningen geplunderd en verwoest.

De jaarlijkse vergaderingen van de ganse bevolking, waarop de burgemeesters zich moesten verantwoorden, bleven ook in de 17de en 18de eeuw behouden. Het oude middeleeuwse gemeentereglement werd op 29 juni 1701 opnieuw uitgevaardigd. Hierin werden de verkiezingen van burgemeesters (twee dorpsmeesters) en zes mannen beschreven. Ook hun taken, ondermeer op gebied van belastinginning, werden omschreven. Verder volgden er nog talrijk e verordeningen, zoals het verbod op jagen van hazen, konijnen, patrijzen en duiven; het verbod om bier te tappen tijdens de kerkelijke diensten; het verbod bier te brouwen en wit brood te bakken zonder toestemming; geen bier meer tappen in de herbergen na negen uur 's avonds; het openen en vrijmaken van de grachten tegen mei; niemand mag duiven houden, tenzij hij tenminste vijf bunders land heeft en niet meer dan vijf schapen per bunder; het is verboden pistolen, stilletten en steekwapens te dragen; paden en stichelen moeten worden opengehouden; de veldbode (landelijke politie) zal dagelijks rondgaan om eventuele schade aan velden en gewassen door dier of mens vast te stellen, zonder iemand een voorkeursbehandeling te geven; bij het herstellen van straten z al niemand hout wegnemen dat hiervoor dient en zelf verplicht zijn mee te werken aan de herstelling. Dit van zes uur 's morgens tot elf uur 's middags, en van ťťn uur tot vijf uur namiddag. Tot zover een greep uit de verordeningen, die ook vergezeld waren van een geldelijke strafbepaling.

De jacht was uitsluitend voorbehouden aan de heer, met strenge straffen bij overtreding. Aan de andere kant zagen de inwoners echter ook niet graag dat hun oogsten werden vertrappeld door de jagers. Zo werd in augustus 1743 een klacht ingediend bij het kapittel dat de rijproost met een grote groep jagers en 10 tot 12 honden de oogst zeer beschadigd had. De klacht kwam van 40 inwoners met aan het hoofd dorpsmeester Arnold Simons. \par Vanaf 1765 werden in Zepperen aardappelen geplant. Er ontstond daarover een geschil over het betalen van de tienden aan het kapittel. De inwoners van Zepperen vonden dat ze op aardappelen, geteeld voor eigen gebruik, geen tienden moesten betalen. Het kapittel drong niet aan, om conflicten te voorkom en.

In november 1792 bezetten de Fransen voor de eerste maal ons land en putten het uit door zware belastingen. Een tweede keer gebeurde dit in juli 1794, met meer blijvende gevolgen. Het veroverde land werd ingedeeld in negen departementen, onderverdeeld in kantons. Zepperen behoorde tot het kanton Loon in het departement van de Neder-Maas. De oude gemeentewetten werden in 1796 afgeschaft en de gemeente werd geleid door een agent en twee adjuncten, benoemd door de overheid. Van alle ambtenaren werd bij wet van 9 maart 1796 de eed van haat aan het koningsschap geŽ ist. Dit ging dikwijls gepaard met bedreigingen en geweld. De agenten en adjuncten moesten het register van de burgerlijke stand bijhouden en ook de oude registers, gehouden door de pastoor, opvrag en. Pastoor Rouchart overhandigde deze registers aan de gemeentelijke overheid.

(Prof. Dr. Guy Fabry)
...

...

Het Laatste Oordeel

Het Laatste Oordeel komt in de middeleeuwen als thema zeer vaak voor. De beeldhouwers sculpteerden het in de tympanen van de westbouw en schilders en miniaturisten verfraaiden er boeken en koffers mee. Toch is het voor alles een moraliserend thema. De titel : het Laatste Oordeel, Jongste Dag of Laatste Dag, laat al vermoeden dat er nog een oordeel is geweest. Binnen het Christendom is daarover nog al eens afwijkend gedacht. Officieel gold dat de mens tweemaal geoordeeld werd. Een eerste maal wanneer de ziel het lichaam bij de dood verlaat, een tweede maal op het einde der tijden. Het eerste is het Bijzonder Oordeel en slaat op de individuele menselijke ziel. Bij het Laatste Oordeel zal Christus op het einde der tijden - niemand weet waar en wanneer - terugkeren op aarde als Rechter. Dan zullen de lichamen van de doden verrijzen en zal het Laatste Oordeel plaats vinden. Voor de overledenen zal dit de bevestiging worden van het Bijzonder Oordeel, voor de levenden zal dit het eerste en laatste oordeel zijn. Het is dus het ultieme moment waarop de mens geoordeeld wordt, om met ziel en lichaam gelukzalig in de hemel te leven of als verdoemde in de hel te verd wijnen. Essentieel bij de voorstelling zijn dus Christus als Rechter, de uitverkorenen voor de hemel en de verdoemden voor de hel. Van secundair belang zijn de engelen, die met bazuinen de doden uit hun graven wekken, de H. MichaŽl als zielenweger en de andere heiligen.

Centraal in het geheel, hoewel niet precies in het midden, zetelt Jezus Christus als rechter op een regenboog. De regenboog is het symbool van het verbond tussen de mens en God. Christus draagt een mantel die over de linkerschouder gewoon a fhangt, maar over de rechterschouder zo gelegd is, dat hij lenden en benen bedekt. De mantel is rood met een grijsgroene zoom, zoals de voering. Door de armen in gebedshouding te houden, toont Christus zijn vijf wonden (vier nagelwonden en de lanssteek). Zijn hoofd is omgeven door een versierde nimbus, deels met stralen en deels met een fijn blad versierd. Door zijn mond steekt een zwaard dat aan zijn rechterwang verandert in een stengel met vijf bloemen. Het is de illustratie van Gods rechtvaardigheid zo a ls in het boek der Openbaring geschreven staat : Uit zijn mond komt een scherp zwaard dat de volken zal slaan (Apocalyps 19, 15). Tegelijk met de rechtvaardigheid suggereert de bloementak de barmhartigheid van de rechter. Meestal is het een lelie, zoals bij Jeroen Bosch, maar van die traditie wordt hier afgeweken. \par Hoog binnen de spitsbogen zijn gestileerde wolken geschilderd, waaruit een hand met een banderol steekt. Aan de hemelzijde leest men : Venite benedicti patris mei, percipite regnum. Het is een tekst van Mattheus (25, 34) : Kom gezegenden van mijn Vader, neem deel aan het rijk. Boven de hel staat : Dicetur reprobis, ite. Venite probis. Het betekent : Tot de bozen zal men zeggen, ga. Tot de deugdzamen, kom. Beide gekrulde banderollen zijn als het wa re met spijkers op de muur genageld om open te blijven. Ook de kleine banderol boven de hemel met de tekst Anno Domini MCCCCCIX is met spijkers opgehangen.

Rond Christus zweven vier engelen met een albe die sierlijk achter over de rug naar het hoofd plooit. Zij blazen op bazuinen, die vervormd zijn tot lange blaasinstrumenten met een sierlijke krul. Deze vier engelen verwijzen naar het alomvattende karakter van het Laatste Oordeel. Vanuit de vier windstreken roepen ze de levenden en de doden op om voor hu n rechter te verschijnen. Uit hun instrumenten komen banderollen met teksten. De engelen links spelen : Surgite vos mortui, en dezen aan de rechterkant antwoorden : Et venite ad iuditium. Dit betekent : Sta op, doden en kom naar het oordeel. De opstelling van de engelen en vooral hun muziek zijn een imitatie van het koorgebed, waarbij de ene kant de andere aanvult. Samen met de Christusfiguur vormen de heiligen een duidelijke horizontale band of register. Dit is ongetwijfeld verwant met de tympaanvoorstellingen, waar meestal drie registers het geheel vormen. Hier zijn het twee registers, tenzij men de hand en de wolken als een derde zou beschouwen. De heiligen zijn hier opgesteld volgens hun geslacht : links van Christus de vrouwen en rechts de mannen. Op andere voorstellingen is de scheiding bepaald door het Nieuw- of Oud Testament. De heiligen staan op gestileerde wolken. De groep van de vrouwen is merkelijk groter. De verklaring hiervoor is eenvoudig, namelijk het groter vlak aan Christus' rechterzijde. De heilige vrouwen zijn gedeeltelijk te herkennen aan hun attributen. Op de voorste rij zijn er vijf ten voeten uit en trois quarts afgebeeld. Allen hebben lang haar dat over de schouders hangt. Vier van de vijf dragen een kroon. Het is een attribuut dat o n dermeer aan de martelaren wordt toegekend. Behalve de toren van de H. Barbara en het rad van de H. Catharina zijn er geen attributen. De eerste heilige jonkvrouw staat een beetje los van de groep. Zij heeft zoals de anderen een mantel die op de schouders r ust zonder gesp, speld of koord. Ze draagt een geelrode mantel met een groene voering, de tweede en de vierde dragen een rode mantel, de middenste draagt een rijk versierde mantel met een bloemachtig motief en de laatste draagt een blauwe mantel. De eerst e draagt een witrozig kleed met hetzelfde bijna onzichtbare motief, als op de mantel van de middenste jonkvrouw, de anderen een groen kleed. Wie zijn deze heilige vrouwen ? De eerste houdt men voor de H. Catharina, omdat er een deel van het beulsrad achter haar schouder zit. De tweede is de H. Barbara, de toren ziet men achter haar rechterschouder. Deze twee heiligen vormen vaak een duo. De H. Catharina van AlexandriŽ (4de eeuw) vertegenwoordigt het contemplatieve leven. Zij putte uit haar geloof de kracht o m de keizerlijke filosofen voor schut te zetten. De H. Barbara is de patrones van verschillende beroepen met handenarbeid, ondermeer van de mijnwerkers, die een lamp in de vorm van een toren hadden. Zij wordt vooral aanroepen voor een goede dood, dit wil zeggen dat men de sacramenten (de biecht) ontvangen heeft alvorens te sterven. De toren van Sint-Barbara heeft traditioneel drie openingen. Dit is een allusie op de Heilige DrieŽenheid. Beide heiligen dragen een kroon, de martelaarskroon. De overige heilige vrouwen blijven voor ons anoniem. Voor de mensen uit de 16de eeuw was dit wellicht niet het geval.

Rechts staan eveneens op gestileerde wolken een vijftal heilige mannen, waarvan drie ten voeten uit geschilderd zijn. De groep is kleiner, omdat Christus zelf een deel van de ruimte inneemt. Slechts ťťn van deze mannen is met zekerheid herkenbaar. De apostel Petrus staat in het midden. Hij houdt de hemelsleutel tussen de gevouwen handen en de borst. Hij draagt een groene mantel met rode voering en een groen kleed. De eerste heilige aanziet men voor de H. Paulus, omdat hij met de H. Petrus een vast duo vormt. Hij draagt een rode mantel over een rozig kleed. De lange baard en de kalende schedel kunnen Paulus' kenmerken zijn. De derde heilige met een rode mantel en groen kleed, zou de H. Johannes kunnen zijn. Hij wordt in de West-Europese kunst meestal als een baardloze jongeman voorgesteld. Hoger werd er reeds gewezen op de afwijking van de traditionele voorstelling. Normaal staan de Moeder Gods en Sint-Jan de Doper als voorsprekers vooraan. Zelfs in het beroemde Lam Gods van van Eyck staan ze zo opgesteld, al zijn ze in dat geval geen voorsprekers. Daar ligt een boek op hun schoot. Als voorsprekers steken ze hun handen smekend naar Christus of richten ze zich in gebedshouding tot de Rechter. Dit laatste is het geval in de Genovevakapel. Volgens de middeleeuwse kosmologische en theologische opvattingen staan de heiligen tussen God in de hemel en de mens op aarde. Nog in de twintigste eeuw gold het gezegde : langs Maria tot Jezus. Gewoonlijk leidt dit in het Laatste Oordeel tot een opstelling in drie zones : de hoogste met Christus en de engelkoren, daaronder de lovende of biddende heiligen en in de onderste de opstanding. In casu zijn het twee zones, omdat Christus als Rechter tussen de heiligen troont. Dit is niet uitzonderlijk, er zijn immers voorstellingen waar Christus op een regenboog op aarde troont ( ondermeer in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen). Aan de compositie in twee zones is de architectuur van de kerk niet vreemd. Waar Christus normaal zou tronen is er een console met de samenvloeiing van gotische bogen. Indien men aanneemt dat de schilder in Zepperen ook de traditionele opstelling schilderde, dan betekent dit dat de eerste mannelijke heilige de H. Johannes de Doper is. Als voorspreker en belangrijkste oudtestamentische heilige kan hij de H. Petrus van de eerste plaats verdringen, wat voor de H. Paulus minder waarschijnlijk is. De H. Paulus komt immers niet op die plaats voor, wel de evangelist Johannes, maar deze jonge baardloze apostel staat achter de H. Petrus. Indien men deze hypothese aanvaardt, is de eerste vrouwelijke heilige de Moeder Gods. Zij staat op de juiste plaats volgens de traditie. Zij is ook lichtjes afgezonderd van de groep geschilderd. Zij draagt ook de grootste kroon. In dat geval zijn de attributen van de H. Catharina en de H. Barabara niet achter de rechterschouder, maar achter de linkerschouder geschilderd. De vierde heilige draagt geen kroon en is dus geen martelares. De kroon of de palm zijn martelaarsattributen. Deze heilige zou de H. Maria Magdalena kunnen zijn. Samen met de H. Barbara en de H. Catharina vormt ze de triade van de drie santinnen. Zij symboliseren het Geloof, de Hoop en de Liefde. De laatste heilige jonkvrouw draagt wel een martelaarskroon. Mogelijk is het de H. Margaretha. Zij komt immers veel voor in gezelschap van de H. Barbara en de H. Catharina. Deze drie heilige martelaressen maken allen deel uit van de groep van 14 hei l ige Noodhelpers. Indien men zich voor de identificatie van de heiligen laat leiden door archivalische bronnen kan men andere namen naar voren schuiven. Uit verslagen van de kerkelijke overheid weet men dat er in 1624 altaren waren van de H. Catharina, de H. Nicolaas, de H. Ursula en de H. Genoveva. Het is dus mogelijk dat naast de drie bekende heiligen de ongekroonde H. Genoveva staat - deze is immers geen martelares - en de heilige martelares Ursula. De vraag blijft dan : waarom staat de populaire H. Nicolaas dan niet tussen de mannelijke heiligen ?

Tenslotte nog dit over de heiligen en hun oorsprong. In de vroege middeleeuwen waren de kerkgemeenschappen sterk plaatsgebonden. Paus Gregorius I wilde een grotere eenheid als alternatief. Dit verklaart waarom er buiten de apostelen en missionarissen zoveel Frankische heiligen vereerd werden. Heiligen als Barbara, Catharina en Margaretha zijn Oosterse heiligen. Dezen kregen in West-Europa een plaats onder invloed van de kruistochten en de relaties die er ontsto nden tussen Oost en West (handel, bedevaart, ...). Deze heiligen werden vooral populair vanaf de 12de eeuw.

In de onderste zone onderscheidt men duidelijk drie delen : links de hemel, rechts de hel en centraal rond de H. MichaŽl de opstanding van de doden. Op de voorgrond, deels groen, deels geel, ziet men enkele lege graven, twee doden met tonsuur vouwen hun handen vroom samen, een ander grijpt angstig naar zijn hoofd en op de banderol erbij staat : Montes cadite super nos (Bergen, val op ons neer). Blijk baar heeft deze alle hoop op de hemel opgegeven. In het midden staat de aartsengel MichaŽ l als zielenweger. Hij houdt een weegschaal in zijn linkerhand. Daarmee weegt hij de verdiensten van de ziel. Meestal stelt men de ziel voor als een onschuldig kind, hier is het de buste. Aan de andere kant hangt een duivels monster met staart om het oordeel te vervalsen. Met zijn staf in kruisvorm duwt de aartsengel het gedrocht weg. De zielenweging is als onderdeel van het Laatste Oordeel een middeleeuwse creatie. Men treft ze reeds aan op Romaanse kapitelen (Viennes, Frankrijk), maar vooral in de late middeleeuwen komt dit thema vaak voor op uitgebreide voorstellingen van het Laatste Oordeel. De zielenweging zelf is zeer oud. Eeuwen voor Christus komen dergelijke taf erelen voor in de graven van de Egyptenaren. De voorstelling in de Genovevakapel is waarschijnlijk geÔnspireerd door scŤnes uit de moraliserende of burleske toneelopvoeringen. Eenmaal gewogen ging de mens definitief naar de hemel of naar de hel.

De hemel staat links, dus aan Gods rechterhand. Reeds zeer vroeg diende een stad, het hemelse Jeruzalem, als voorstelling van de hemel. Een stad was veilig door haar muren en het was er goed vertoeven. Een tweede voorstelling van de hemel is het aards paradijs of de eeuwig groene weide, zoals op het Lam Gods. Deze voorstelling gaat terug op de Romeinse ElyseÔsche velden. De voorstelling hier sluit eerder aan bij de eerste. Het is een burcht, veilig en afgesloten, Ein feste Burg ist unser Gott (Psalm 46). Niemand raakt er binnen, behalve de uitverkorenen. Het geheel is een solied gesloten gebouw, vierkantig met een ronde toren in drie geledingen. Vijf uitspringende torentjes geven het geheel een versterkt karakter. Op elke toren staan er drie vlaggetjes, die duidelijk n iet aan de wetten van de natuur onderworpen zijn. Bij de gesloten poort staat de H. Petrus. Hij draagt hetzelfde gewaad als op de wolken. In zijn rechterhand houdt hij een sleutel en wijst ermee naar de deur. Met zijn linkerhand leidt hij schamel geklede g elukzaligen naar de hemel. In de orthodoxe wereld haalt de verrezen Christus, Adam en Eva als eersten uit de hellemuil. Ook hier lijken de twee eersten een echtpaar. De H. Petrus houdt een gebaarde Adam (?) bij de hand. Daarna volgen de andere uitverkoren en. Achteraan laat een kruinschering vermoeden dat er ook geestelijken bij zijn. Een engel sluit de rij af, terwijl hij nog een pas geoordeelde vrouw van de H. MichaŽl naar de groep leidt. De lichamen van de verrezenen zijn volks geschilderd en zouden volgens de traditie de ideale leeftijd van 33 jaar moeten hebben. Op sommige schilderijen van het Laatste Oordeel ziet men skeletten verrijzen, hier is daar geen spoor van te vinden.

Aan de hemelpoort bevindt zich Adriaen der Stockhueder. Hij is groter afgebeeld dan de gelukzaligen en draagt de kleding van de doorsnee landman. Zijn jak reikt tot aan de knieŽn. Meestal had dit geplooid kledingstuk achteraan een split en was vooraan volledig open; een ceintuur of gordel hield dit los kledingstuk tegen het lichaam, zodat het niet hinderde bij het werk. Adriaan draagt hozen met knielappen, dit zijn twee lange kousen die onder zijn jak zijn vastgebonden. Als schoeisel draagt deze kreupele man patijnen, houten schoenen die onder de hiel en de voorvoet verhoogd zijn. De manke man steunt op zijn rechterkruk onder het oksel en wijst met zijn linker moraliserend naar de hemelpoort, alsof hij wil zeggen dat het daarom te doen is.

Rechts, aan Gods linkerzijde, is er de hel. Het thema van de hel is merkelijk jonger dan dat va n de hemel. Vanaf de 10de eeuw wordt de hel voorgesteld als de muil van een reusachtig monster en dit zowel in het Oosten als in het Westen. Ook hier is dit het geval. Op het voorhoofd draagt het monster een toren met een galg op. Langs boven en door de g e traliede venster slaan de vlammen uit. Op een banderol leest men : Heu, dolor, o poena, vah desolatio plena (Ach smart, o straf, ach volkomen verlatenheid). Het laatste woord slaat op de afwezigheid van God, die als de ergste straf werd aanzien. Een tweed e banderol bij een dikke man op de neus van het monster heeft als tekst : Nobis s(alus), wat zoveel betekent als : op onze gezondheid. Terwijl hij een beker drinkt, heeft een vliegend monster hem in de gaten. Voor de hellemuil slepen monsters een drietal naar de hel, bij de ene ligt een kruisboog, de tweede grijpt naar een geweer, een derde met pluimen op zijn hoed zit op zo'n monster. Een duivel rijdt met de kruiwagen twee verdoemden naar de hel. Van onder tot boven zijn er duivels zodat ontsnappen onmogelijk is. Dit wordt nog versterkt door de zware ijzeren ketting, die de verworpenen bijeen houdt. Het is de illustratie van de Apocalyps : Toen zag ik een engel met ketting in zijn hand. En hij greep de draak, dat is de satan en boeide hem voor duizend jar e n (Apoc. 20, 1-2). In tegenstelling tot de hemelse orde is de hel complete chaos. In de hel speelt een duivel op een fluit en trommel en een andere bewerkt de gestraften met een gaffel. In de chaos zijn enkele figuren te herkennen : een paus met een tiara met links van hem een kardinaal en een pater met tonsuur, rechts van hem een bisschop met mijter en een publieke vrouw met lange haren. Alle verdoemden hebben een ronde mond, ze schreeuwen van pijn. Boven op de helletoren hangen twee verdoemden aan een galg, de ene met de voeten, de andere met de hals en een duivel is bezig nog een derde op te knopen. Buiten de hellemuil hangt nog een geldbeugel. In de hel zitten er vrij veel geestelijken. Dit is niets nieuws, want ook de hel van Dante is behoorlijk bevolkt met toogdragers en ook tijdgenoten als Jeroen Bosch spaarden hun kritiek op de geestelijken niet.

Het geheel van het Laatste Oordeel is met een gele band omzoomd, die zelf gevat is tussen rode lijnen. Deze band is aan de zijkanten en in de bogen opgevuld met slingerende acantusbladeren. Onderaan is de zoom opgevuld met het in de Boergondische tijd populaire granaatappelmotief. In het midden, deels achter het Genovevaretabel, zijn er binnen een kader vier horizontale rijen granaatappelen geschilderd. Links en rechts ervan is een brede witte boord opgevuld met fijne plantenslingers. Deze rode tak met groene blaadjes vormt een spiraal met een rode bloem als centrum. Het model van deze bloem is een vergroting van de bloemen aan de stok van de H. Christoffel .

(Albert Manet)
...


PreviousHome
Remacluskring Zepperen
versie
zondag 05 november 2006