KONINKLIJKE ATLETIEKCLUB KAPELLEN
VAN JOGGER NAAR MARATHON
ALGEMEEN
Er
zijn enkele algemene begrippen die men zich eigen moet maken om als
jogger/atleet verder te kunnen evolueren naar stratenloop, halve marathon of
hele marathon op een ervaren joggersniveau.
Het
zijn volgens deze criteria dat ik verkies te werken in de begeleiding van duur-
en afstandlopers. Uiteraard zijn er nog heel wat andere methodes op de markt
beschikbaar (cfr Runnersworld, enz.), maar binnen het kader van de huidige
trainingsstructuur is dit de aanpak die ik verkies.
1)
U dient tempohardheid te
trainen om ook bij (hoge) verzuring een goed herstelvermogen te kunnen
verkrijgen;
2)
U dient een breed
loopspectrum te oefenen van
3)
U dient uw tempogevoel te
ontwikkelen en te verbeteren;
4) U dient zeer regelmatig te trainen, opdat normale of noodzakelijke trainingsonderbrekingen nauwelijks vormverlies met zich mee zullen brengen.
TRAININGSOPBOUW
1)
de aërobe
basisuithouding via duurloop uitbouwen = zuurstofopname verbeteren;
2)
de omvang van het aëroob-anaëroob
loopvermogen uitbreiden door via tempolopen, duurlopen en duurlopen in
fartlekstijl de belastingen van de trainingen dynamischer invullen = monotoon
lopen verminderen, loopstijl verbeteren;
3)
de periodes van
vormtraining goed omschrijven = waar en wanneer wilt u presteren;
4)
aanvaarden dat de
trainingsbelasting gradueel en jaarlijks toeneemt;
5) specifieke tests inbouwen en uitvoeren.
TRAININGSUITWERKING
1)
gedifferentieerde en doelgerichte afstanden in de trainingen inbouwen, minimaal
éénmaal per week, m.a.w. over welbepaalde afstanden tempolopen en - gedurende
welbepaalde tijdstippen - tempolopen;
2)
een aandeel
snelheidsgerichte inspanningen inbouwen, m.a.w. over welbepaalde afstanden
snellopen;
3)
minimaal 50 % van een
week dienen loopkilometers te omvatten, m.a.w. meer als de helft van de
trainingen in de trainingsopbouw bevatten veel duurkilometers en het aantal
gelopen duurkilometers per week dient ook geleidelijk opgevoerd te worden;
4)
periodes van hoge
belastingen koppelen aan periodes van relatief herstel, m.a.w. gedurende de
periodes dat geen wedstrijden worden betwist de intensiteit van de trainingen
verhogen, maar gedurende de periodes dat er wel wedstrijden worden betwist
regelmatig voor en na een wedstrijd rust nemen
of een rustperiode inlassen;
5)
de via de geleverde
trainingen verwachte verbeteringen maandelijks tot zeswekelijks testen via
objectieve testnormen. Voorbeelden: op de piste tijd opnemen over
Paul Sauviller