KONINKLIJKE ATLETIEKCLUB KAPELLEN
Al
reeds vrij vroeg voelen sommige jeugdige atleten zich geroepen tot het
hordenlopen, terwijl anderen zich verplicht voelen om ook iets aan hun
hordenlopen te doen, omdat het een verplichte discipline is in bijvoorbeeld het
“AAS-Criterium“ of een andere vorm van jeugdcriterium.
Nochtans
moet er opgelet worden dat bij onze jeugdige atleten (pupillen en miniemen) niet
te veel de nadruk op de technische elementen van het hordenlopen gelegd wordt,
maar eerder de ontwikkeling van de ruimtelijke perceptie, het lenigheidgevoel en
de loopvaardigheid benadrukt worden.
De biologische groei van de jeugdige atleten speelt hierbij een zeer grote rol.
Door speels om te gaan met de basisprincipes van het hordenlopen kan elke
jongere zich zonder vrees of schroom ontwikkelen.
Voorop moet staan dat horden geen daadwerkelijke hindernissen zijn waarover men moet springen, maar een onderdeel vormen van een specifieke atletiekdiscipline, die door training op een goede en weloverwogen manier in een later stadium volledig onder de knie kan gekregen worden. Pupillen en miniemen dienen zich over de echte techniek van het hordenlopen niet te veel zorgen te maken. Immers, zij zijn lichamelijk nog niet voldoende ontwikkeld om de volledige complexe beweging uit te kunnen voeren, die trouwens aanzienlijk wat kracht en snelheid vereist Mochten zij toch te specifiek competitiegericht trainen, dan is het risico van schade aan hun pezen en spieren vaak groter dan de trainingswinst die zij nu reeds verhoopten te behalen.
Uit
statistieken is gebleken dat pupillen en miniemen tijdens de zomercompetities
gemiddeld één hordewedstrijd per zes weken betwisten, terwijl kadetten en
scholieren (die zich reeds meer kunnen toeleggen op een specifieke
discipline) gemiddeld reeds tot één wedstrijd per drie
of per twee weken komen.
Tevens
is gebleken dat een aantal jonge atleetjes reeds zeer vroeg in hun carrière
vaste bezoekers van de kinesisten worden met lies- en enkelblessures die
vermeden hadden kunnen worden. Ook hier moet weerom zorgvuldig worden
omgesprongen met jaarprogrammering voor jongeren d.w.z wintercompetitie is een
welkome afwisseling en een beloning van trainingswerk tijdens de maanden
november tot april. Zomercompetitiedagen staan echter gelijk aan trainingsdagen
voor onze jeugdige atleetjes.
Dit
gegeven zal dan ook het aantal
trainingen bepalen dat een atleet dient te volgen om zijn hordenlopen te
verbeteren : voor pupillen en miniemen volstaat één speelse training per twee
weken, terwijl kadetten en scholieren gemakkelijker kunnen doorgroeien van één
hordetraining per week tot twee specifieke hordetrainingen per week als
scholier.
Wat
wil zeggen “speels omgaan“ met horden voor pupillen en miniemen ? In de
eerste plaats zo weinig mogelijk op de training de competitie nabootsen. Leren
hoe zij zonder evenwichtsverlies over bv. een latje op twee kegels of over een
fietsband moeten lopen, hoe zij dergelijke hindernissen met ongelijke afstanden
kunnen lopen zonder ritme- en/of snelheidsverlies, leren hoe zij de afstanden
tussen de latjes moeten inschatten. Dit
zijn veel belangrijkere elementen dan de rigide discipline van over echte horden
te lopen met éénzelfde aantal passen en dit zonder te vallen of tegen de
horden te botsen. De vrees om na een val over
de horden nooit meer horden te willen lopen is reëel.
En
wat als de jeugdige atleet als kadet of scholier helemaal geen horden meer wil
lopen ? De speelse aanpak van dergelijke trainingen vormt een adequate basis voor andere kamp- of werpdisciplines in de atletiek
waar eenheid en snelheid van beweging ook noodzakelijk zijn.
Paul Sauviller