Evert Roelof en de
slag bij Waterloo

Evert Roelof and the Waterloo campaign.






This chapter is only available in Dutch. It's about the book of Evert Roelof, currently written by Mr Marco Bijl.

De achterwachten kleinzoon van Evert Roelof, Marco bijl, startte in 2002 met het plan om het verhaal van Evert Roelof op papier te zetten. Het moet een spannend levensverhaal worden gebaseerd op waargebeurde feiten. We zijn intussen vijf jaar van onderzoek en schrijven verder. Het boek is intussen ongeveer 300 boekpagina's groot. Chronologisch gezien begint het boek in november 1813 en eindigt met de slag bij Waterloo in juni 1815. De schrijver is momenteel aangeland in oktober 1814.

Hieronder zijn het voorwoord en enkele hoofdstukken weergegeven.




Voorwoord

Dit boek is een waar gebeurd verhaal. Het heeft de schrijver jaren gekost om zoveel mogelijk gegevens over het leven van Evert Roelof Bijl te achterhalen (geboren 13-3-1794, overleden op 8-4-1851, 57 jaar). Het bracht de schrijver naar talloze Nederlandse en Buitenlandse archieven. Daarnaast is er veel onderzoek gedaan naar militaire gebruiken en de politieke situatie in de roerige Napoleontische tijd. Stukje voor stukje kon de schrijver uit deze wirwar van gegevens uiteindelijk een waarheidsgetrouw beeld geven van het leven van Evert Roelof in de jaren 1813-1815. Alle onderzoeksgegevens die gebruikt zijn in dit boek zijn onttrokken uit primaire bronnen. Dat wil zeggen dat er niet gekopieerd is van andere schrijven, zoals helaas zo vaak gebeurd is in de historie van deze Napoleontische tijd. Enkel de originele archiefbronnen en handschriften zijn gebruikt om dit boek samen te stellen. Dat heeft ook geresulteerd dat tolloze kleine zaken die jarenlang voor feiten zijn aangenomen nu moeten worden herzien in de boekjes.

De kleine dagelijkse zaken die met levensomstandigheden te maken hebben zijn natuurlijk in geen enkel archief te vinden en berusten soms op fictie. Maar ook deze fictie berust op onderzoek naar leef- en militaire gewoonten, soldaten brieven, handschriften en ooggetuigenverslagen uit die tijd. Alle grote gebeurtenissen in dit boek berusten op waarheid. Alle beschreven veldslagen en schermutselingen zijn gebaseerd op ruim 200 jaar oude ooggetuigenverslagen en onderzoek van talloze onderzoekers. Ze zijn tot in de kleinste details zo gebeurd als in dit boek beschreven. Naast de hoofdpersoon hebben ook alle andere genoemde personen in dit boek echt geleefd. Ook hun levensloop berust op ware feiten.

Alle archief gegevens zijn samengevat in een 'tijdslijn' Daarin staat elk feit beschreven op de dag dat het ook echt gebeurde. Die tijdslijn vormt de dag-tot-dag basis voor dit boek.

Evert Roelof zat eerst bij de Franse marine en was daarna een militair in het 3de vreemdelingen regiment, behorend tot het Franse leger. Dit regiment was in 1813 gelegerd in Den Bosch, waar dit boek ook begint. Na deze tijd was er een politiek machtsvacuüm en zal Evert Roelof waarschijnlijk simpelweg naar huis zijn gegaan, naar Amsterdam. Daarna word de dienstplicht ingevoerd en zien we Evert Roelof uiteindelijk terug bij het 8ste militie. Een bataljon Nederlandse infanterie welke in de voorste linie stond bij de slag bij Waterloo. Deze slag, waar Napoleon definitief werd verslagen, en de daaraan voorafgaande kleinere slagen, worden uitvoerig beschreven in dit boek. Evert Roelof overleeft Waterloo en keert wederom terug naar huis alwaar hij trouwt en acht kinderen krijgt!

In dit boek is ook sprake van een spannend 'rode draad' verhaal. Dit is door de schrijver toegevoegd om het boek spanning te geven. De archieven hebben niet bewezen dat dit ook echt gebeurd is!

Het is de bedoeling dat, als bijlage bij dit boek, een CD dit boek zal vergezellen. Deze CD zal alle achtergrond informatie bevatten welke voor dit boek is gebruikt. Het betreft honderden afbeeldingen, de genoemde 'tijdslijn', gedigitaliseerde archiefstukken, militaire handleidingen, een uitgebreide literatuurlijst, stamboomgegevens van diverse hoofdpersonen uit dit boek en algemene achtergrond informatie uit de roerige Napoleontische tijd.


.....Zondag 13 maart 1814

Het was vroeg dag deze morgen. Het was dan ook niet zomaar een dag. Vandaag zouden we dienst nemen in het nieuwe Nederlandse leger. Het zou weer over zijn met het makkelijke leventje. Onze vrijheid zouden we weer kwijt zijn. Maar er zijn natuurlijk ook voordelen aan het leger. Er wordt grotendeels voor je gezorgd, meestal is er eten en een plek om te slapen en er is natuurlijk altijd kans op avontuur. Veel soldaten namen dienst voor het eten, onderkomen en de soldij. Maar ik nam eigenlijk dienst voor het avontuur. Ik had het tenslotte thuis ook niet slecht. En als ik eerlijk ben tegenover mezelf had het mijn familie niet veel moeite gekost om me te overtuigen om weer dienst te nemen. Wat zou het komende jaar brengen? Eindeloos oefenen, marsen, exercities en wachtlopen. Dat zeker. Maar zeker ook avontuur. Eén en ander hing echter van Napoleon af. Als hij roemloos ten onder ging zou er een tijd van vrede aanbreken. Die was hard nodig, maar zou niet veel avontuur brengen. En dan waren er natuurlijk nog de kameraden. Mijn tweede familie. Dat familie aspect is voor een buitenstaander altijd moeilijk te begrijpen. Het komt door het feit dat een soldaat zeer langdurig en zeer intensief met zijn collega's optrekt. Dat alleen al creëert een band die bijna gelijk is aan familie. Als er zich dan ook nog spannende en gevaarlijke situaties voordoen waar je gezamenlijk doorheen gaat dan ontstaat er een band die zelfs verder gaat dan familie. Dan zou je zelfs je leven geven om je kameraden te redden. En je weet dat de anderen ook hun leven voor jou zouden geven als dat nodigt mocht blijken. Er ontstaat een absoluut vertouwen in elkaar. Het smeden van zo'n band kost tijd. Dat kost zeker een jaar binnen een legereenheid. Een dusdanige band was zich aan het vormen binnen het 3de regiment. En die band is versterkt na de schermutselingen op weg naar Den Haag. Deze band was ook precies de reden dat veel manschappen gehoor hadden gegeven aan Sonne zijn oproep. De meeste mannen misten simpelweg hun kameraden. En nu stond ik weer op het punt de meeste van hun te begroeten!

'Kom op Evert, het is alweer een tijdje geleden dat de kerkklok zes uur sloeg. We moeten nu gaan anders zijn we er niet om zeven uur' zei Joseph. 'Rustig aan Joseph, we zijn er binnen één minuut'. En ik keek uit het raam naar het militie depot. Als echte rijke heren hadden we die nacht een kamer genomen in de 'de zwarte koningin'. Als ik uit het raam keek kon ik het depot zien liggen. Het bestond uit een grote hoeveelheid houten barakken netjes gerangschikt in de omliggende velden. Daar midden in lag een groot stenen gebouw. Dat was duidelijk het oudste gedeelte van het complex en zal vast de oude Zoutman kazerne zijn. Het was ook het gebouw waar het bordje met "12de militie" op de poort hing. Schijnbaar hadden we geluk en werden we niet ergens in een houten barak gestopt. Dit stenen gebouw bestond uit een groot geplaveid exercitieterrein met aan drie kanten daarvan hoge bebouwing van drie verdiepingen. De gebouwen vormden aan deze drie kanten één geheel. Daarbij waren het linker en rechtergebouw identiek en was het noordelijke gebouw wat meer gedecoreerd; dat was duidelijk het hoofdgebouw. De vierde kant was open en was afgesloten door een groot ijzeren hek met sierlijke punten. In het midden daarvan was de ingang die bestond uit twee grote ijzeren draaihekken. Er stond een klein wachthuisje aan de buitenkant van het hek voor de wacht. Het gehele complex leek wel wat op een versterkte boerderij, maar dan veel groter en imposanter. De gebouwen waren gebouwd in die typische Franse stijl van een jaar of vijftig geleden. Over het algemeen recht toe recht aan met hier en daar een sierlijk ornament of een sierlijke dwarsligger boven een raam of deur. Het gehele complex maakte een sombere indruk en er was duidelijk veel achterstallig onderhoud. Het was ooit zandkleurig gepleisterd geweest maar er waren nu grote gaten ontstaan en daardoor waren op veel plekken de bakstenen te zien. Bovendien was de zandkleur verschoten tot een grauw grijze kleur. Her en der was het glas in de ramen kapot en het dak van het meest linker gebouw vertoonde een groot gat. Uit de schoorsteen van het hoofdgebouw kwam rook. Twee mannen stonden voor de ingang van het hoofdgebouw te praten. Er stond een wacht voor de poort. Hij was gewapend met een oud jachtgeweer en had geen uniform aan. Zoals ik al eerder geconstateerd had maakte het geheel een behoorlijk ongezellige indruk. Was dit het nieuwe Nederlandse leger in oprichting? Enkele minuten later stonden we buiten. Het was een frisse ochtend en we namen gelijktijdig een grote hap frisse lucht.

'Maaah. Evert, het ruikt een beetje naar de Veluwe, en dat doet me goed. Laten we nu die lui daar maar eens wakker schudden. Te beginnen bij die wachtpost. Hé makker, wakker worden. De Fransen komen er aan!'

'Huh? Wat?' stamelde de wachtpost. 'En groeten we een meerdere niet meer tegenwoordig? In het gelid sukkel!' 'Eh, ja natuurlijk meneer' de wacht bracht zijn hand naar zijn muts in iets wat vaag leek op een saluut. 'Nou, dat is al wat beter! Kun je ons nu aanmelden bij de wachtcommandant? Zeg maar dat Nijhauser en Bijl er zijn. Dan snapt hij het wel' zei Joseph. 'Nijhauser en Bijl…goed. Als jullie hier even wachten' zei de wachtpost.

'Eh, Joseph, denk je echt dat het handig is om ons zo te introduceren? Niet iedereen kent ons hier en ik wil niet meteen in de problemen komen..' 'Dit soort dingen moet je meteen goed aanpakken kerel. Zodat ze meteen weten met wie ze te doen hebben. Laat het nou maar aan mij over..'

Even was het stil.

Tomtomtom. Tomtomtom. Tomtomtom. Er klonken drie luide tromroffels over het exercitie terrein. Meteen gingen overal deuren open en mannen renden naar buiten, sommige vallend en struikelend. Bevelen klonken door elkaar. Soldaten werden afgeblaft en uitgescholden door andere soldaten. Dat waren waarschijnlijk onderofficieren. Het verschil was amper te zien want veruit de meeste mannen hadden geen uniform aan, ze droegen nog hun burgerkleren. Vervolgens kwamen toch enkele goed geüniformeerde mannen uit het hoofdgebouw. Officieren zo te zien.

'Mijn god Evert! Ze halen ons binnen als helden! Moet je dat zien. Dit had ik niet verwacht! Echt niet Evert, onze roem is ons vooruit gesneld' zei Joseph op een hoge triomfantelijke toon.

De wachtpost was intussen weer terug gekomen. 'Als de ochtend reveille achter de rug is kunnen jullie naar binnen. Er is dan waarschijnlijk wel een onderofficier die even tijd voor jullie heeft' zei hij.

'Ochtend reveille? Onderofficier die even tijd voor ons heeft?' vroeg Joseph. 'Maar ik dacht dat…' 'Hahaha, iets te vroeg gejuicht Joseph. Maar onze tijd komt nog wel jongen..' zei ik.

Op het plein stelde zich tien grote groepen op. Waarschijnlijk waren er dus tien compagnies. Onderofficieren stonden voor de groepen en melden de mannen klaar voor de dagtaak aan de officieren die daar weer voor stonden. In het midden van het plein stond de bataljons staf. Ik telde snel de koppen van één compagnie. Ongeveer vijfenzeventig man. Totaal stonden er dus zo'n zevenhonderd en vijftig soldaten op het plein. We waren duidelijk niet de eerste.

Intussen voegden zich meer oud collega's bij ons aan de poort. Ook zij moesten zich vandaag melden. Sommige hadden we al ontmoet in de stad. Anderen nog niet. Verschuur was daar, met zijn arm in een spalk en meteen allerlei grappen makend zoals gebruikelijk. Michiel Sonne was er natuurlijk. De eeuwige kluns Horren kwam aanlopen. Madoc was er ook, hij woonde vlak bij. De altijd flink negatieve De Jongh kwam al scheldend bij ons staan. Sondervang was er natuurlijk, maar zei verder niets. Dat was tenslotte ook zijn handelsmerk. Ten Hengel, de scherpschutter kwam bij ons staan. Hij had zijn eigen wapen meegebracht. Dat zou hij niet makkelijk inruilen voor een standaard geweer! En dan was er natuurlijk sergeant Eringaard. In totaal meldde zich zo'n twintig man. Sommige mannen had ik lang niet gezien, en het was een vrolijk weerzien. We gooiden wat verwensingen naar elkaar's hoofd en termen als vet varken, drek, dunne poep, strontvlek, klootoog en dergelijke vlogen over en weer. Kortom, we waren weer bij elkaar en het koste verrassend weinig moeite om het 'leger sfeertje' weer te creëren, en om het taalgebruik daaraan aan te passen natuurlijk. Ik voelde me blij en wat licht in mijn hoofd. Ik had mijn 'familie' gemist.

Sergeant Eringaard nam als vanzelf de leiding. De ochtend reveille was inmiddels afgelopen en we liepen achter de schildwacht aan naar een deur in de linkervleugel van het complex. De deur werd opengetrokken en de schildwacht vertelde ons dat we binnen moesten wachten. We kwamen binnen in een vrij grote zaal die verder geheel leeg was op één klein bureau en bijbehorende stoel na. Daarachter zat een dunne man met een klein rond brilletje. Hij had geen uniform aan. Op de tafel lag een groot boek. Ik herkende het direct als een stamboek. Een stamboek is een boek waar elke militair in opgeschreven wordt. Buiten persoonlijke details word ook de voorgaande militaire loopbaan er in vastgelegd, alsmede opgelopen wonden en dergelijke. Eventuele bevorderingen of degraderingen en de datum en manier van uit dienst gaan worden er later ook in vastgelegd. Een stamboek is het geheugen van een eenheid en word bijgehouden door een soldaat-schrijver. Aan de hand van het stamboek worden ook de wedde of salarissen uitbetaald en kreeg het onderdeel op zijn beurt het benodigde geld van het ministerie van oorlog.

Plotseling ging er een deur achterin de zaal open. Een kleine wat gezette man kwam de ruimte binnen. Hij was al wat ouder dus het kon een officier zijn. Maar zonder uniform kon je dat nooit zeker weten, dus het gepraat verstomde. 'Goedemorgen mannen. Mijn naam is Wilson, ik ben de chirurgijn van het 12de bataljon. Voordat we jullie bij het onderdeel kunnen inschrijven vereist het leger dat ik eerst een medische inspectie doe. We kunnen natuurlijk niet zomaar elke klootviool toelaten, dus dit moet grondig gebeuren. Allemaal uitkleden!'

Een licht gemompel en gevloek steeg op uit de groep. 'Eh, meneer de dokter, is dat echt nodig? We zijn allemaal veteranen..' zei Eringaard. 'Nou mannen, geen gedonderjaag. Gewoon uitkleden tot op de blote snikkel! En tempo graag ik heb nog meer te doen' zei Wilson.

Nadat we ons hadden uitgekleed moesten we in een rij gaan staan en kwam Wilson ons één voor één inspecteren. Ik moest heen en weer lopen in de hal, m'n armen een paar keer boven mijn hoofd brengen en mijn mond open doen terwijl Wilson mijn gebit kennelijk inspecteerde. Daarna inspecteerde hij mijn edele delen op ziektes en beestjes. Luizen en wat vlooien hadden we natuurlijk bijna allemaal, maar ziektes hadden ze niet graag in het leger. Zeker besmettelijke niet. Zo ging Wilson de hele rij langs. Als laatste ondervroeg hij Verschuur over zijn arm. Maar toen Verschuur zei dat hij was neergeschoten door een Poolse lancier, moest Wilson lachen. Hij melde Verschuur dat hij er geen sodemieter van geloofde maar dat hij ook niet wilde weten wat er dan wél was gebeurt. We werden allemaal goedgekeurd voor dienst. Vervolgens werden we naar een wasruimte gebracht waar we onszelf eerst moesten wassen. Enkele jongens moesten met de dokter mee voor een speciale behandeling. Ze hadden schijnbaar een niet gewenste ziekte. Eén jongen had zoveel luizen dat ze zijn haar afknipten en zijn hoofd met talkpoeder insmeerde. Dat hielp wel wat tegen luizen. De enige andere remedie tegen luizen en vlooien was je goed wassen, en ook je kleren af en toe eens uitboenen. Maar de meeste jongens hadden maar één stel kleren, en als het dan buiten koud was ga je niet even je kleren wassen. Dat was altijd een dilemma. Ik had zelf wel wat meer kleren en ik had het dus redelijk onder controle. Als we na onze wasbeurt schone kleren hadden aangetrokken, of nog beter een uniform, dan had de hele procedure nog zin gehad. Maar nu moesten we dezelfde kleren weer aan, omdat er schijnbaar nog geen uniformen waren.

We moesten ons nu inschrijven in het stamboek. De soldaat schrijver vroeg me naar mijn geboorte datum, de namen van mijn ouders en voorgaande carrière. Ondertussen moest ik tegen een muur gaan staan. Daar was met streepjes een meetlat getekend. Die was verdeeld in voeten, duimen en streken. Net zoals bij het derde vreemdelingen regiment was ik nog altijd vijf voet, zes duim en twee streek lang. Dat is omgerekend één meter en drie en zeventig centimeter. De soldaat schrijver noteerde mijn maat en schreef ook op hoe ik er uit zag. Dat was natuurlijk zeer aantrekkelijk, maar hij was meer geïnteresseerd in mijn kleur haar, ogen en vorm van mijn gezicht. Dat noteerden ze altijd in stamboeken en ik heb nooit helemaal begrepen waarom. Veel goeds kan het echter niet zijn geweest. Konden je ze dan herkennen als je gesneuveld was? Of als je deserteerde?

Iedereen werd in het boek geschreven. En dat nam wel even tijd. We lachten wat om onze leeftijden. Dat is meestal niet iets waar je bij stil staat, maar omdat iedereen natuurlijk al zijn gegevens moest vertellen kwamen we dit soort dingen nu allemaal van elkaar te weten. Zo was Sondervang de oudste, hij was al veertig. Verschuur was al zes en dertig en Madoc vijf en dertig. Joseph en Eringaard waren allebei even oud, beide zes en twintig. Ik was even oud als Ten Hengel, allebei twintig. En alleen Horren en Sonne waren nog jonger, beide negentien.

Nadat we eindelijk waren ingeschreven ging de soldaat schrijver een officier halen. Hij kwam terug met twee personen, beide in een mooi uniform. Eén was een oude man met grijs haar. De andere was sergeant-majoor Woesthof!

We liepen allemaal op Woesthof af en schudden hem één voor één hartelijk de hand. We hadden niet gedacht hem hier nu al te zien. Al hadden we daar stiekem natuurlijk wel op gehoopt. Maar we hadden niets meer van hem vernomen sinds we vorig jaar afscheid van elkaar genomen hadden. Nadat de rust enigszins was weergekeerd nam de oudere man het woord.

'Sergeant-majoor het lijkt erop dat u deze burgers al langer kent. Heeft u nog iets over hun te melden voordat ik verder ga?' 'Zeker, kapitein, zeker. Deze ongure bende hier zijn stuk voor stuk veteranen van het 3de regiment vreemdelingen. Sommige van hun ken ik al enkele jaren en ze zijn volslagen nutteloos. Je kunt ze misschien nog net gebruiken om latrines mee te graven!' zei Woesthof met een glimlach van oor tot oor. 'Ach zo, sergeant-majoor. Ik begrijp het. Maar ervaren latrine gravers kunnen we goed gebruiken bij het 12de, zeker in uw compagnie is het niet? zei de kapitein. 'Tja kapitein, ik had nog liever een kudde ezels gehad, maar het is niet anders. We zullen het er mee moeten doen' zei Woesthof.

'Heel goed. Heel goed sergeant-majoor. Welnu heren, mijn naam is kapitein Croes. Ik ben de commandant van het 12de zolang onze hoogste baas, de luitenant-kolonel, er niet is. Hij is weg om onze uitrusting te organiseren. Jullie zijn zojuist ingeschreven voor zes jaar trouwe dienst aan koning en vaderland. Wat jullie hiervoor ook gedaan hebben of in welke legers jullie ook gediend hebben, jullie zijn nu in dienst van het nieuwe leger der Nederlanden. Jullie eigen leger. Nederland en België zijn weer vrij, en het is nu aan jullie om dat zo te houden. De Nederlandse burgers gaan er van uit dat jullie hun zullen beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Het lijkt misschien nu rustig in de landen om ons heen, maar er kan van alles gebeuren. Napoleon heeft een behoorlijke chaos achtergelaten. Dat zie je in ons eigen land, maar dat is ook zo in de ons omringende landen. Zonder beschermend leger kunnen ook andere landen zomaar weer op het idee komen om zich de Nederlanden toe te eigenen. En dat gaat ons niet nog een keer overkomen. De vorige overheersing duurde bijna achttien jaar. De bescherming van de Nederlanden gaat dus nu op jullie schouders rusten. Natuurlijk niet enkel op die van jullie. Naast ons 12de militie bataljon richten we nog vier en veertig andere militie bataljons op in heel Nederland en België. Daarnaast worden er ook nog zestien linie infanterie bataljons en vijf jager bataljons opgericht. Deze infanterie zal worden ondersteund door tien batterijen artillerie en zeven regimenten cavalerie. Alles bij elkaar een behoorlijk leger van zo'n zestig duizend man. Ons eigen 12de zal een veld sterkte hebben van maximaal zevenhonderd twee en tachtig man. Daarnaast zal er nog een depot compagnie zijn van honderd en zestig man. We hebben hier in de kazerne nu al meer dan acht honderd en twintig man dus we zijn al bijna op sterkte. Doordat het hele leger pas net word opgericht is het nog een behoorlijke puinhoop. Zoals jullie gezien hebben zijn er nog bijna geen uniformen. Er zijn ook nog geen wapens, er is geen munitie en ook geen verdere uitrusting. Zelfs de kazerne zijn we nog aan het verbouwen. Jullie soldij zal vijf stuivers per dag bedragen voor zeven dagen per week. In totaal is dat één en negentig gulden en 5 stuivers per jaar. Ik neem aan dat jullie weten dat er twintig stuivers in een gulden gaan. Daarvan moet je dan wel meestal zelf voedsel betalen en soms een vergoeding voor onderdak. Doorgaans is dat twee stuivers per dag. Als we de kazerne verlaten en elders gaan bivakkeren gelden er andere regelingen. Maar daar komen we later wel op. Jullie krijgen binnenkort een uniform en uitrustingstukken van het leger. Maar reparaties aan je uniform dien je zelf te betalen, wees er dus zuinig op. Als je onderdelen van je uitrusting kwijt raakt moet je ook zelf betalen voor de vervanging van het stuk. Dit geld niet voor wapens en uitrustingstukken van leer zoals patroontassen en dergelijke. Om één en ander bij te houden heeft elke soldaat een zogenaamd "kleding en reparatiefonds". Dat fonds wordt voor elke soldaat bijgehouden door de Foerier van de compagnie. Het fonds houd precies bij wat je financieel gezien nog schuldig bent of nog krijgt van het leger. Eén en ander komt straks ook te staan in je persoonlijke zakboekje. Dan kun je zelf kijken wat de stand van zaken is. Als je kunt lezen natuurlijk. Dat boekje krijg je binnenkort uitgereikt.

In principe betalen we elke 5de dag uit, te beginnen met de 1st van de maand. Als er geld in de bataljons kas zit natuurlijk, en als je geen schulden hebt die eerst worden afgetrokken. Als je op verlof gaat of in het ziekenhuis terechtkomt betalen we geen soldij. Voorlopig hebben we nog geen geld om de soldij uit te betalen. We verstrekken echter dan nog wel gratis eten en onderdak.

We hebben geen verlof binnen het leger. Als je toch naar je liefje moet omdat je niet langer kunt wachten om haar een eh… nou ja jullie snappen het wel! Dan moet je verlof aanvragen bij de compagnies commandant. Die zal het meestal afkeuren. Dus je moet wel met een goede reden komen. En dan nog zal hij het meestal afkeuren. Na zestien April van elk jaar worden er helemaal geen verloven meer afgegeven. Dat is campagne tijd. Als de winter zich weer aandient zijn we meestal wat milder in het toekennen van de verloven.

We hebben hier chirurgijn Wilson die veel kan, maar voor sommige zaken zul je hem moeten betalen. We hebben ook nog niet genoeg officieren. Er zijn momenteel enkel nog oude rotten zoals ikzelf. De meeste van ons waren al lang al met pensioen maar ze hebben ons nu weer opgeroepen om het nieuwe leger op te zetten en te trainen. Wij zullen dat met harde hand, in oude stijl, doen. Dus jullie zijn gewaarschuwd. Ik neem aan dat ik veteranen als jullie daar verder niet veel over hoef te vertellen. Jullie compagnies officieren zullen jullie dat verder wel duidelijk maken. Als jullie eenmaal getraind zijn zullen andere, jongere, officieren het van ons over nemen. Hopelijk hebben we dan ook de uitrusting om van jullie echte vechtjassen te maken. Het 12de bestaat momenteel uit tien compagnies. Deze tien zullen we binnenkort tot zes omvormen, want dat gaat de nieuwe richtlijn van het ministerie worden, later dit jaar. Maar voorlopig voeg ik jullie toe aan sergeant-majoor Woesthof en zijn 7de compagnie.'

'Dank u kapitein. Met u permissie zal ik deze zooi nu meenemen en ze hun slaapzaal wijzen' zei Woesthof terwijl hij salueerde.

Aldus volgen we Woesthof naar buiten. We staken het plein over en gingen een deur binnen aan de rechterkant van het complex. Daar liepen we een trap op naar de tweede verdieping. Er was een lange gang en op de eerste deur stond met krijt geschreven '1/7'.

'Welnu heren, ik maak van jullie het eerste peloton van de zevende compagnie. En dit is jullie slaapzaal' zei Woesthof. Hij trok de deur open en we stonden in een grote zaal. En die was volkomen leeg. Maar dan ook helemaal leeg. Er lag nog geen snippertje papier. De meeste ramen waren kapot en hier en daar zat er zelfs geen glas meer in. Alles was smerig en grijs. De muren waren van steen maar overal was het pleisterwerk naar beneden gekomen. De vloer was van hout en ergens achterin de zaal zat een groot gat. Het plafond was van ruw hout en had duidelijk waterschade opgelopen. Vlak bij mijn voet lag een dode muis.

'Eh, sergeant-majoor…als dit onze slaapzaal is, waar gaan we dan slapen?' vroeg Joseph. 'Welnu, jullie krijgen straks een strozak, en er komt straks een kar met vers stro. Jullie kunnen dan de zakken vullen en er een bed van maken. Meer kan ik helaas niet bieden. Wel zal ik wat gereedschap ter beschikking stellen, dan kunnen jullie de ramen repareren. Waar het glas er uit is moeten jullie de gaten maar dicht maken met hout of katoen, als jullie dat kunnen vinden. Water is er niet op deze verdieping, behalve dan als het hard regent want er zit volgens mij een gat in het dak recht boven jullie hoofd. We keken allemaal onhoog en daar zat inderdaad een groot gat in het plafond. We konden zo de zolderverdieping zien en ook daar zagen we daglicht. Op de begane grond is een soort van keuken. Daar is een deur naar buiten en daar vinden jullie een waterput. Daar hebben we trouwens ook wat latrines gegraven met wat houten planken als afscheiding. Kunnen jullie tenminste een beetje privé de dunne poep laten lopen. Er licht daar ook een stapel hout. Daar kun je wat weghalen om er wat simpele meubels van te maken. De wasruimte hebben jullie al gezien. Dezelfde ruimte gebruiken we ook om kleren te wassen en dergelijke. Zeep hebben we niet, daar moet je zelf voor zorgen. In de ochtend hebben we brood en een kop thee, als je er nog iets bij wil moet je dat zelf regelen. In de avond hebben we warm eten, en dat eten we op de slaapzaal op want er is geen eetzaal. We hebben geen borden, bekers of bestek. Daar moet je zelf maar iets op vinden. De ochtend reveille is om zeven uur, dus dat valt mee. De dienst is afgelopen om vijf uur in de middag. Per één april veranderen deze tijden, dan staan we om zes uur op en stoppen we om vier uur. Om zeven uur zal de wacht jullie uit jullie bed schoppen. Kort daarop hoor je de tamboers de "La Diane" spelen. Dan weet je dat je er echt uit moet en je moet wassen en aankleden. Voor diegene die niet weten wat wassen is, dat doe je met water en de eerste die ik vind stinken lazer ik persoonlijk in de paardendrinkbak. Dus wees gewaarschuwd. Om half acht kondigen de tamboers het appél aan met drie korte roffels op hun trommels. Dan kom je als de donder naar beneden en stel je je op met je compagnie.

Als je geen wacht hebt mag je in de avond van de kazerne af. Op zondag krijg je meestal wat meer vrije tijd, als je tenminste geen wachtdienst hebt of als we geen speciale oefeningen doen. Elke zondagochtend en zondagavond is iedereen wel altijd voor het appél present. Verder hebben we nog geen kapitein om de compagnie te leiden, dus dat doe ik voorlopig samen met een jonge 1st luitenant. Vandaag hebben jullie de tijd om de boel hier een beetje in te richten. Maar morgen verwacht ik jullie op het appél. Ik zal straks de 1st luitenant langsturen om kennis te maken.'

Daarna trok Woesthof de deur achter zich dicht en was weg.

'Godallemachtig wat een klerezooi!' riep De Jongh uit. 'Ze denken toch niet dat ik zes jaar in dit rattenhol ga bivakkeren! Dit is toch al te gek. We kunnen net zo goed buiten gaan slapen, dan hebben we meer voorzieningen. Er staat niet eens een kachel in dit hok!' zei De Jongh er nog achteraan. 'Tja veel soeps is het niet. Gelukkig hebben we allemaal onze oude Franse ransel met spulletjes en deken meegenomen' zei ik, terwijl ik rondkeek naar de anderen. Ja, maar we hebben inderdaad geen kachel en geen bed en geen meubels. Maar er zijn ook positieve kanten. Misschien moeten we kijken naar wat we wel hebben. Zo hebben we een gat in de vloer en een lekkage in het dak' zei Verschuur hard lachend. 'Nou ja mannen, laten we het beste er maar van maken' zei Eringaard. 'Laten we wat geld bij elkaar leggen en de taken verdelen. Bijl en Nijhauser, jullie proberen het dak te maken. De Jongh en Madoc, jullie proberen het gat in de vloer dicht te maken. Kijk ook meteen of jullie wat gaten en kieren in de muren dicht kunnen stoppen. Dan houden we het misschien nog een beetje muisvrij. Ten Hengel en Horren, jullie sprokkelen wat rotzooi bij elkaar om de ramen dicht te maken. Horren, kijk uit dat je niet door het gat in de vloer naar beneden sodemietert of dat je je opensnijd aan het glas. Sondervang en Sonne, jullie kijken of je uit de stapel hout bij de latrines nog wat geschikt materiaal kunt vissen om een tafel en een paar banken van te maken. De overige mannen verdelen zich over de groepjes. Ik ga zelf met Verschuur de stad in om te kijken of we een klein kacheltje kunnen kopen en een pan om water in te koken. Zijn er mannen zonder bord en mok?' Twee jongens hadden niets bij zich. 'Goed, dan kopen we dat voor jullie. We zullen ook nog wat thee en brood meebrengen' zei Woesthof.

Aldus gingen we allemaal aan het werk. Joseph en ikzelf onderzochten eerst de zolderverdieping en het gat in het dak. Van binnenuit konden we het gat met hout dichtspijkeren. Maar daarmee lagen de pannen aan de buitenkant nog niet op zijn plaats. Dan moesten we echt het dak op. Wat erg hoog was. Ik stelde Joseph voor om er om te tossen wie het dak op ging. Helaas voor Joseph was hij de klos. Luid vloekend kroop hij toen via een dakkapel naar buiten en repareerde het gat met wat extra pannen die we hadden gevonden. 'Hé Joseph, zulke hoge gebouwen hebben ze zeker niet in Garderen hé? Ik wed dat ze niet eens pannen op de daken hebben is het niet? riep ik door de dakkapel naar buiten. 'Ja ja erg grappig Evert. Ik weet echt wel dat je net vals speelde bij het tossen. Maar ik heb het maar zo gelaten. Je hebt gewoon niet eens het lef om op zo'n dak te staan. Komt denk ik omdat je zo'n zwak stadsmannetje bent. Niks gewend die lui' riep Joseph terug. 'Stadsmannetje! Ik denk dat ik het raam van de dakkapel maar dicht doe, het begint hier behoorlijk te tochten!' 'Als je dat flikt Evert dan….' 'Ho ho heren, wat gebeurt er allemaal daar op het dak'? onderbrak een bekende stem ons gesprek. 'Nou? Wat doen jullie daar allemaal?' herhaalde de stem. 'Bent u dat, Luitenant Cantzlaar?' riep ik naar beneden. 'Ja, niet de melkboer!' 'Een momentje alstublieft luitenant, soldaat Nijhauser probeert het dak te repareren, maar hij komt natuurlijk van de Veluwe dus u begrijpt…' 'Soldaat Bijl wilde zeggen dat hij zelf het dak niet op durfde, maar ik ben al klaar. We komen naar beneden' zei Joseph.

Even later stonden we beneden bij de luitenant en salueerden formeel. De luitenant had een gloednieuwe donker blauwe uniform rok aan. Zijn oranje kraag, mouwen en sjerp waren van dure oranje laken stof. Op zijn rechter schouder had hij een kleine zilveren epaulet met één gouden streep op de bovenkant en kleine naar beneden hangende franjes. De rok had witte achterpand omslagen. Ik zag dat op de negen knopen aan de voorkant N.M. stond. Nationale Militie dus. Verder had hij een gewone grijze broek met zwarte schoenen. Hij droeg geen hoofddeksel.

We gingen naar de slaapzaal waar iedereen zich intussen weer verzameld had. Er werd nog druk gewerkt. 'Geeft acht! Peloton!' riep ik hard voordat de luitenant de zaal betrad. Iedereen sprong in de houding. Voeten netjes naast elkaar, handen strak naar beneden aan de zoom van de broek. Luitenant Cantzlaar was pas achttien, maar desalniettemin wel een officier. Iedereen salueerde naar de luitenant en bleef in de houding staan. Niemand sprak, want je spreekt pas tegen een officier als je iets gevraagd wordt. 'Rust! heren.' Iedereen nam een normale positie aan. 'Het is goed jullie allemaal weer te zien. De sergeant-majoor had me al verteld dat jullie hier waren en jullie ervaring kunnen we goed gebruiken. Sonne, ik kreeg je bericht vorig jaar en besloot om hier ook dienst te nemen. Ik vond het altijd prettig om met jullie te werken. Ik hoop dat we dat kunnen blijven doen. Hebben jullie verder geen klachten over de legering hier? En zijn er nog verdere vragen?' 'Zeker niet luitenant, we zijn heel tevreden!' zei Eringaard. Iedereen dacht precies het tegenovergestelde maar dat zeg je natuurlijk niet tegen een officier. Klagen kan nog wel tegen een sergeant-majoor, maar hoger zeker niet. Het was dan aan de sergeant-majoor om de klacht in bedekte termen en zeer voorzichtig door te spelen aan een officier. 'Hm, luitenant, krijgen we onze oude rangen weer terug? Ik bedoel, ik was korporaal bij het 3de regiment. Wordt ik dat nu ook hier bij het 12de?' vroeg Joseph. 'Dat hoeft niet perse. We geven nog geen rangen uit, want het hele bataljon moet eerst van tien naar zes compagnies omgevormd worden. Pas daarna gaan we rangen toekennen. Maar informeel kunnen we ze voorlopig wel aanhouden. Als er verder geen vragen zijn ga ik terug naar het hoofdgebouw, want ik heb nog veel te doen'. 'Wij zullen uw kostbare tijd niet verder verspillen luitenant' zei Eringaard terwijl hij een stram saluut bracht.

De luitenant verdween weer naar beneden en we speculeerden er druk op los wat die drukke werkzaamheden dan wel waren. Zoals in elk leger hadden de officieren maar bar weinig te doen als we in een kazerne zaten. De mannen werden overdag beziggehouden door de onderofficieren, het schrijfwerk en de administratie werd meestal door een soldaat-schrijver gedaan. Het enige wat de officieren deden was dagelijkse rapportjes schrijven aan hogere officieren en problemen oplossen als die er waren. Maar als een probleem bij een officier terecht kwam dan was het ook een ernstig probleem. Alle kleine foutjes, strubbelingen en vergrijpen werden altijd zoveel mogelijk door de onderofficieren opgelost en zodoende in de doofpot gestopt. Met luitenant Cantzlaar was het soms anders. Hij was nog jong en zat vol energie. Je kon zien dat hij het liefst allerlei oefeningen met de mannen mee zou doen. Maar de officierencode stond dat gewoon niet toe. Er moest ten alle tijde een duidelijke afstand zijn tussen officieren en minderen. Ik heb er vaak over nagedacht wat de achterliggende gedachte daar van was. Natuurlijk was het zo dat officieren vaak tot rijke en adellijke families behoorden, en daardoor was er al een duidelijk verschil. Maar dit verschil was in het Franse leger niet zo groot geweest. In Frankrijk waren tijdens de revolutie tenslotte veel adellijke mensen onthoofd. Er waren er dan ook niet genoeg over om alle officiersposities van het leger op te vullen. Daarom had Napoleon bepaald dat in principe iedereen officier kon worden. Je werd gewoon beoordeeld op capaciteiten. Veel hoge officieren in het Franse leger waren dan ook als gewoon soldaat begonnen. Maar ondanks dat was er ook in het Franse leger een duidelijke scheidingslijn. En die werd ook met strenge discipline in ere gehouden. Ik was me op een gegeven moment gaan realiseren dat die afstand een eigenschap was van elk leger. En dat die afstand er enkel was om bij de gewone soldaat ontzag te creëren voor de officieren. En met dat ontzag kwam onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. En met die gehoorzaamheid werden oorlogen gewonnen. Op het slagveld was geen tijd voor discussie. Het enige wat per leger of land verschilde was de manier om het ontzag er in te houden. De Britten deden dat met zweepslagen, de Russen simpelweg met executies en de Fransen hadden een vergevorderd systeem van rechtspraak en allerlei taakstraffen. Ik vroeg me nu ook af welk systeem het Nederlandse leger zou kiezen.

Het was intussen al bijna vijf uur geworden en weldra konden we ons eten gaan halen. Alle klusjes waren intussen gedaan. We hadden nu een kleine tafel, en vijf banken. We hadden een klein hout kacheltje en een ketel. Het kacheltje was te klein om de hele ruimte te verwarmen, maar we konden er wel om heen zitten en er thee op koken. Nadeel was dat er wel een raam open moest staan om de rook er uit te laten en dat we goed moesten opletten dat er niets anders in de fik vloog. Het was een open kachel dus af en toe sprongen er vonken uit. Alle gaten, kieren en ramen waren dicht gemaakt, dus dat was ook geregeld. Horren had zich niet gesneden aan het glas maar had natuurlijk wel hard met een hamer op zijn duim geslagen. Hij had zijn duim nu in een beker met koud water om de zwelling tegen te gaan. We hadden allemaal een strozak gevuld en ik had die van mij in de uiterste hoek van de zaal neergelegd. Daar had ik tenminste nog een beetje privacy. Ondanks veel bezwaren van mijn kant had Joseph zijn strozak toch naast die van mij gelegd. Van drie plankjes had ik een heel klein tafeltje gemaakt wat nu tussen ons in stond. Daar konden we een kaarsje op vastsmelten en dan hadden we nog een beetje licht. Er waren verder geen lantaarns in de gebouwen dus het zou binnen werkelijk aarde donker worden. Buiten waren wel een paar lantaarns. Al met al zouden we het met kleine kaarsjes moeten doen. Ik had veel aandacht besteed aan het vullen van mijn strozak. Hij moet niet te vol zijn anders gaat het stro er doorheen prikken. Er moet ook niet te weinig in zitten anders lig je met je kont op de grond. Normaal gesproken gebruik ik mijn ransel als kussen, maar omdat we hier lang gaan blijven heb ik die nu uitgepakt. Ik doe nu mijn reserve kleren in mijn trui. Het geheel rol ik dan op zodat er een lekker kussen ontstaat. In mijn ransel had ik ook een dunne deken meegenomen, dus dat zou wat warmte geven. Helaas had ik mijn Franse dikke overjas verloren bij Bergen op Zoom. Anders had ik het waarschijnlijk echt lekker warm gehad gedurende de nachten welke gingen komen. Het was nog altijd pas maart. Dus ik denk dat ik mijn kleren s'nachts maar aan moet houden.

Buiten klonk de tromroffel van de avondreveille. We hingen allemaal uit de ramen om te kijken wat er gebeurde. Net zoals die ochtend verzamelde alle mannen zich op het schemerige binnenplein en werden de compagnies afgemeld voor dienst. Ik kon kapitein Thomson niet vinden, waarschijnlijk was hij nog met andere dingen bezig. De oude kapitein Croes stond in het midden van het plein en elke compagnies commandant meldde aan hem dat zijn compagnie klaar was voor verdere orders. Kapitein Croes gaf een oude sergeant-majoor het bevel om het gehele bataljon voor deze dag te ontslaan van verdere dienst. De sergeant-majoor riep vervolgens; 'Bataljooooon…..rechtsom….keeeeeert!'. Op het bevel "keert" draaide elke soldaat zich geheel om, deed één stap naar voren, en was vervolgens vrij om weg te lopen. We konden duidelijk zien dat velen nog niet veel begrepen van de verschillende orders. Sommige draaiden verkeerd om, andere vergaten te stappen, en sommige stapten de verkeerde kant uit. Ergens aan de overkant botste twee jongens tegen elkaar en vielen op de grond. Een lachsalvo volgde, gevolgd door enkele vloeken van onderofficieren.

Daarna was het etenstijd. Het bleek dat de compagnies één voor één naar de keuken mochten om hun eten op te halen. Vandaag mocht dan compagnie één als eerste, morgen compagnie twee, en zo verder. Waarschijnlijk was er aan het eind van de rit weinig meer te eten. Nadat een compagnie geweest was kwam er een koksmaat naar buiten die aangaf dat de volgende compagnie kon komen. Toen de 6de aan de beurt was pakten wij alvast onze bekers en borden en gingen naar beneden. Daar verzamelden we ons rondom sergeant-majoor Woesthof en maakten toen voor het eerst kennis met de rest van de 7de compagnie. Daar waren een aantal bekenden bij, maar ook veel onbekenden. Het waren vooral jonge jongens maar er waren ook wat oudere veteranen. De jonge jongens waren de dienstplichtigen, de oudere mannen hadden waarschijnlijk vrijwillig dienst genomen of deden vervangende dienstplicht net als ikzelf. Het was een mooi bij elkaar geraapt zootje. Veel van de jonge jongens gebruikten een plankje hout als bord, andere deelden één bord. Ze waren duidelijk niet voorbereid op het militaire leven en hadden waarschijnlijk geen enkele uitrusting. In het leger moest je inventief zijn, en dat moesten ze duidelijk nog leren. Ongetwijfeld hadden ze ook niemand op de kamer achtergelaten om de spullen te bewaken. Als er op één tijdstip veel gestolen werd dan was het wel gedurende het ophalen van het eten. Dus het is altijd beter dat je al je spullen meeneemt of dat je een wacht achterlaat. Zodra wij dan weer op de kamer zijn kan de wacht naar beneden. De keuken was aan de rechterkant van het hoofdgebouw. Het was een grote ruimte waar zeker vijftien koks en koksmaatjes met het eten bezig waren. Twee grote ketels hingen boven vuren die branden in grote schoorstenen. Drie enorme tafels stonden in het midden van de ruimte en daar stonden nog andere potten en pannen. Eén tafel aan de zijkant was in gebruik als slachttafel. Daar werd het vee gedood en uitgebeend. Aan de rechterkant was een grote oven waar brood gebakken kon worden. Aan de linkerkant waren grote nissen waar allerlei voorraden lagen opgeslagen. Alles bij elkaar was het een drukte van belang. Het vergt natuurlijk ook nogal wat om eten te maken voor achthonderd man. In mijn beker kreeg ik thee met een scheut brandewijn, op mijn bord een soort bruine brei wat volgens de koksmaat stoofschotel was. Dat zeggen legerkoks meestal als ze alles bij elkaar gesodemieterd hadden wat nog over was van de vorige dagen. We gingen terug naar de kamer en aten in stilte. Dat was meestal het geval in het leger, want meestal had je honger, dus was er geen tijd om te praten. Na het eten spoelde we onze borden schoon in de wasruimte en deden wat water in onze eigen ketel voor nog een kop thee. Het duurde wel een uurtje voordat die kookte dus daar moesten we al vroeg mee beginnen. We hadden ons zelf aangeleerd dat het beter was om het water eerst te koken, dan kreeg je minder last van schijterei. Terwijl ons theewater opwarmde praten we wat met de jongens op de andere kamers van de gang. Sommige kwamen ook uit Amsterdam dus had ik iets om over te praten. De meeste onervaren jonge jongens hadden geen enkele uitrusting, geen dekens en geen overjas. Sommige jongens kwamen duidelijk uit arme gezinnen en hun gehele bezit bestond uit wat ze aan hadden. Ze hadden het in de nacht flink koud en ik gaf ze het advies om dan maar in de strozak te gaan liggen. Het kriebelt en steekt wel maar het is altijd nog beter dan het de hele nacht koud te hebben. Sommige andere jongens legde ik uit hoe ze een kussen konden maken van andere kleren, of dat zelfs een trui gevuld met stro wel dienst kon doen. In de kamer naast ons was de situatie erbarmelijk, ze waren nog niet op het idee gekomen om de ramen te repareren, of niemand had het hun simpelweg opgedragen. Samen met Joseph hielp ik ze om in ieder geval de grootste gaten dicht te maken. Maar het was nu bijna helemaal donker en we zagen al snel helemaal niets meer. In de kamer had niemand kaarsjes, dus het was pikdonker. En ijskoud. Sergeant-Majoor Woesthof had een kandelaar in zijn hand en kwam langs om te kijken of alles rustig was. Hij hoorde het getimmer en lawaai uit onze buurkamer en kwam naar ons toe. 'Korporaal Bijl en Nijhauser, kan ik jullie even spreken?' We liepen achter hem aan de gang op. Hij fluisterde op een zachte toon; 'luister jongens, zoals jullie zien is de huisvestingssituatie op de kazerne niet best. Het zal de officieren allemaal een worst wezen, hun kamers in het hoofdgebouw zijn helemaal opgeknapt. Dus we staan er alleen voor, zoals altijd in het leger wat dit soort dingen betreft. Als ik mijn bedenkingen aan de heren officieren duidelijk maak dan zeggen ze simpelweg dat dit nou typisch iets is voor een sergeant-majoor. Maar ik kan niet alles tegelijk, dus ik wil jullie vragen om waar mogelijk vooral de jonge jongens een beetje wegwijs te maken in de dagelijkse gang van zaken. Ik heb hetzelfde gevraagd aan Eringaard en Ten Hengel. Kunnen jullie dat doen? Dan heb ik mijn handen vrij om andere noodzakelijke dingen te doen.' 'Nou ja sergeant-majoor, zoals je ziet waren we daar al mee begonnen. Als we materiaal of gereedschap nodig hebben kunnen we het dan aan u vragen?' vroeg ik. 'Ik zal mijn best doen korporaal, maar ik kan niets beloven.'

Onze compagnie deelde vier kamers, en het koste ons nog een paar uur om in ieder geval de meeste ramen dicht te maken en de jonge jongens uit te leggen hoe ze het nog een beetje warm konden krijgen. Eringaard wees in iedere kamer een kameroudste aan die ons aanspreekpunt zou zijn.

De kerkklok buiten sloeg elf slagen toen we op onze strozak lagen. Ik was behoorlijk moe want het was een drukke dag geweest. Maar er restte me nog één ding te doen. Ik haalde de enveloppe van Johanna uit mijn ransel en maakte hem voorzichtig open. Er zat iets hards in, dat had ik natuurlijk al lang gevoeld.

'Wat ben je aan het doen Evert?' vroeg Joseph toen hij het papier hoorde scheuren. 'Dat gaat je geen donder aan Joseph, ga maar lekker slapen je zal wel moe zijn. Zo hard werken ze natuurlijk niet op de Veluwe'. 'Mmm, ja hoor Evert natuurlijk' mompelde Joseph.

In de envelop zat een kettinkje met leren hanger. Aan de rechterkant van de hanger zat een klein pennetje en toen realiseerde ik me pas dat het een heel klein doosje was dat open kon. Wat zou daar in godsnaam inzetten? Ik beefde licht toen ik het open maakte. Een portret. Er zat een heel klein geschilderd portret in van Johanna. Geschilderd op de achterkant van de deksel van het doosje. Wow! En zo viel ik slaap. Het was de eerste nacht in het nieuwe leger der Nederlanden. En er zouden er nog vele volgen.