Familienamen

                                                                                                                             

A | B | C |  D E F | G | H I J | K | L | M | N O | P Q | R | S | T U | V | W X Y Z

Andere R-bladzijden R | Ro | Ru

 

 

Terug naar intro 

Het grootste deel van onderstaande info is een selectie uit: Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003).

Ro De, Dero(o), (de) Roo, De Rho, Derho, (de) Rode, De Rood(e), Rood(en), De Roy(e), De Roij(e), De Rooij, De Rooy, De Roey

Bijnaam naar de rode haarkleur.

 

Robaeys Van, Van Robais, Van Robays, Van Robaijs, Verbaeys, Verba(e)ijs, Verbays(t)

Naam uit de plaatsnaam Roubaix (Robeke) (Nord).

 

Robbé, Robet, -ey, Rob(e), Robbe(n), Robb, Robs, Roob, Roop, Rop(pe), Rope, Rops, Rube(n), Ro(e)ben, Roebben, Roub, Roub(b)en, Rubes, Rueb

Patroniem afgeleid van de voornaam Robert, Robrecht.

 

Robbroeck Van, Robbroeckx, Robroeks, Roobroeck, -brouck, Roebroeck, Roebroeks, Roëbroëks, Roubroeks

Naam uit de plaatsnaam Robroek (rood broek, rood moeras) in Steenhuffel (Vlaams-Brabant) en Roebroeck in Aubel (Luik).

 

Robesyn, -sijn, -cyn, -sin, -cin, Robbesyn(e), -sin, -cin, Robensyn, -sijn

Patroniem, knuffelvorm op -ecin van de voornaam Robert.

 

Robin(s), Robbins, Rob(b)ijn(s), Rob(b)yn(s), Robeyn(s), -eijns, -ein, Rabijns, -yns, Rob(b)en(s), Roeb(b)en, Roubin, -en(s), Roubben, Ruebens, Reuben(s), Rubin(d), Ruben(s), Rubben(s)

Patroniem, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Robrecht.

 

Robrecht(s), Rob(b)erecht(s), Robbrecht, Reubrecht, Ruebrecht(s), Rub(b)(e)recht, Rubbregt, Robert(e), -er,-er(t)s, -ertz, -eir, -eerts, -eers(t), -eet(s), Derobert, Robber(t)s, -eets, Roubert, Robard, -art, -aer(t), -a(s),-az, -at, Robba, Roeba(e)rt, Rubert, Rubbers, Roberti(e), -y, -o, Ruberti, -o

Patroniem uit de Germaanse voornaam Hrôth-berht: roem-schitterend.

 

Rochus, Rochtus, Rochus, Roc(t)us, Rochu(t)

Patroniem, verlatijnste vorm een een Germaanse stam: rud-ger, hrôk, ...

 

Rock(s), Rok(s), Ro(c)kx, Rox, Roo(c)kx, Roox, Rouck, Roe(ck)x, Roux, Roque(s), Rook(e), Roke, Rocq(ue), Roch(e), Rotse, Rouch(e), Ruche, Ruck, Rucq, Rucs

1. Patroniem, knuffelnaam van de Germaanse voornaam Rutger,

of van de Germaanse voornaam Rocco, Roche (dit komende van hrôk wat weer roek of raaf betekent).

2. Zie ook Roek

 

Rock (de), Roque(s), Rocq(ue), Rok(e), Rook(e), Rockelé, Rockel(e), Roclée, Rocle(e), Roch(e), Rotse

1. Kan een bijnaam zijn uit het kledingstuk (maker, drager).

2. Ook een afgeleide van de plaatsnaam Larocque/Laroche of uit roch: rots/steen.

 

Rode (van), Van Rhode, (van) Roo, Van Ro(e), (van) Rhoon, Van Rooy(en), Van Roij(en), Van Roy(e), Van Royen, Van Roie, Van Roei, Van Roeij(en), Van Roey(en), Van de Ro(e)y, Van de(r) Roy, Van de Roij, Van de(n) Roye

Familienaam afgeleid van een zeer veel voorkomende plaatsnaam 'rode' = van bomen ontdane grond.

 

Rodemans, Rooman(s), Roman(s), Roemans, Rooymans, Rooijmans, Roeymans, Roeimans, Roy(e)mans, Roij(e)mans, Roumans

Naam afgeleid van Van Rode: zie bij Rode.

 

Rodeyns, -eijns, -yns, -ijns

Bijnaam en patroniem gecombineerd: rode Hein.

Familienaam afgeleid van de plaatsnaam 'Rodijk' (= ro (evt. van rood/ gerooid of een vereenvoudigde voornaam) en dijk (= duidelijk)).

 

Roef(s), De Roef, De Rouf

1. Familienaam uit het Middelnederlandse roef: dak, zoldering. Beroepsbijnaam.

2. Patroniem uit de Germaanse Roelof: hrôth-wulf.

 

Roe(c)k (de), (de) Rou(c)k(e), (de) Roe(ck)x, Roe(ck)x, Roux, De R(e)uck, De Rui(y)ck,

De Ruy(c)k, De Ruijck, Deruyck, De Ruycke, De Roock, (de) Rook(e)

1. Bijnaam afgeleid van de vogelnaam: roek, zwarte kraai. Wellicht een bijnaam gegeven omwille van de zwarte haarkleur of donkere huid.

2. In Zeeland en Antwerpen is een roeke, rouc de naam voor veldwachter of gerechtsdienaar. In dit geval een beroepsnaam.

2. Zie ook Rock(s).

 

Roekaert(s), -aers, Roeckaerts, Roukaerts, Rockaerts, Rocart, Rocca(s), Rochart, Rocha(t), Rouchard, Rouqua(e)rt, Rucart, Ruchard, Rotsaert(s), -art, Rootsaert, Rutsaert

Patroniem naar de Germaanse voornaam Rochardus (hrôk-hard).

 

Roekeloos

Bijnaam voor een roekeloos, zorgeloos, durvend, gewetenloos of zelfs lichtzinnig persoon.

 

Roeken(s), Roeckens, Roukens, Ro(c)kens, Roeykens, Roeygens, Ruykens

1. Patroniem uit de knuffelvorm van een van de vormen van de Germaanse voornaam Rutger, ... : hrôth-gêr.

2. Roe(c)ken is later ook afgeleid uit Roe(c)k.

 

Roekhout, Rockhaut, Rouckhaut, -hout, Roukout, Van Roechoudt

Familienaam uit de plaatsnaam Roekhout in Oombergen (Oost-Vlaanderen).

 

Roel, Roell(e), Roël(l), Roëell, Roels(e), Rouls, Röll, Rolle, Royls, Roll(s), Roehl, Röhl, Rohl, Reul, Rul, Ruyl, Ruijl, Rul(l)e, Rülle, Ruel(l), Ruëll

Patroniem uit de Germaanse voornaam Roeland (Hrodland: roem-land).

 

Roeland, an(d)t, -and(t)s, -an(t)s, -as, Roclandt, Rouland, -ant, -ent, Rol(l)and, Rolans, -andi, -o, Roolant, -andt(s), Reuland, Ruellan(d), Ru(h)land, Rüland, Rullan

Familienaam uit de Germaanse voornaam hrôth-land.

 

Roelen(s), Roelin, Roulens, Rolen(s), Rollens, (de) Rolin, Rollin, Roulin, Rol(l)ain, Reulen(s), Rulen(s), Ruel(l)ens, Rullens, Rielens

Patroniem, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Roeland (hrôth-land) of Roelof (hrôth-wulf).

 

Roessel Van

Wellicht familienaam uit de plaatsnaam Rossel (Noordrijn-Westfalen).

 

Roest (de), (de) Roost, Rost

1. Wellicht naam uit het Middelnederlandse roest: roestig. Bijnaam naar de haarkleur.

2. Verkorte vorm van Van (de) Roost: zie bij Roost.

3. Of naam uit de plaatsnaam Roux in Henegouwen, in Avins (Luik), in Buzet en Frasnez-lez-Gosselies (Henegouwen), in Gembloers (Namen) of uit de plaatsnaam Le Roux (Namen).

 

Roetink, -ynck, -ing, Ruytings, -inx, Ruytincx

Patroniem uit de Germaanse voornaam Rutger of een andere hrôth(:roem)-naam.

 

Roets, Roedts, Ro(d)ts, Ruts, Ruth(s), Ruyts

1. Patroniem, knuffelvorm uit een Germaanse hrôth-nnaam.

2. Zie ook bij Raedt De.

 

Roeyaert(s), Roeijaerts, Royaert, Roijaards, Royeaerd, Roeyhaert

Patroniem uit de Germaanse voornaam: hrôth-hard.

 

Roeyen, Roeijen, Rooijen, Royen(s), Roijen(s), Ra(e)yen, Raijen

Patroniem, knuffelvorm van Royer of een andere hrôth-naam.

 

Roeyenacker, Roonacker, Rooiakkers, Rooyakkers, -a(c)kers, Rooijakkers, -ackers, Roijakkers, Roijackers, Royackers

Naam uit de plaatsnaam Rooiakker/Roeyenacker: rode akker of gerooid land. Naam uit het Waasland, Gierle (Antwerpen) of nog elders.

 

Roeykens, Ro(e)ygens, Ruykens

Patroniem uit Royer, Roeier of een andere hrôth-naam. Zie Roeken(s).

 

Roger(s), Deroggé, Rodger(s), Rodgerson, Rogie(r), -iers(t), -i(e)st, -irst, Rauger, Rougier, Rogy, Derogy, Roegier(s), -i(e)s(t), Roeges, Rugers, Ruijgers, Rojer

Patroniem uit de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam ruth-gêr.

 

Rogge(n), Rogghe(n), Rog(h)

1. Patroniem, verkorte vorm van de Germaanse voornaam Rutger, Rugger.

2.Bijnaam naar de huisnaam (vis). 1585 Jacob Claesz Roch in de Gulden Roch - Amsterdam (Troch).

3. Beroepsnaam voor de (roggebrood)bakker.

 

Rogman(s), Rogemans, Roggeman(s), Rogguemans, Rochman(s), Roc(k)mans, Roockmans

Patroniem via Roger uit de Germaanse voornaam Rutger: hrôth-ger.

 

Rollier(s), Roliers, Rolli, Rol(l)y, Roelly, Roul(l)ier, Rouill(i)er, Rouilly, Rouly, Raulier, -iez

1. Beroepsnaam uit het Middelfranse roulier: voerman.

2. Ook uit de plaatsnaam Roly (Namen).

 

Roman: zie Rodemans en Romanus.

 

Romanus, -o, Roman(d), -ant, -ang, -ans, Romahn, -ann, Roumans, -ant, Romaen, Rooman(s), Reuman, Ro(u)main, -eijns, -eins, -yn(s), -ijn

Patroniem uit de Latijnse voornaam Romanus: Romein.

 

Rombaut(s), Rombout(s), -baudt, -bau(x), -beau(x), -beaut, -boux, Rumbaut

Patroniem uit de Germaanse voornaam hrôm-bald.

Rome, Rom, Room(s), Roems

1. Patroniem, verkorte vorm van Romboud (Lind.).

2. Mogelijk ook uit het Middelnederlandse rome: room. Beroepsbijnaam van de roombereider.

 

Rommelaere (de), Rommelaar, Romelart, Rommelacre

Bijnaam voor een luidruchtig iemand.

 

Rommen(s), Romens, Roemen, Roumen, Rummens, Rumen, Romme(s), Rommès

Patroniem uit een Germaanse voornaam, zoals Rom(hrôm)boud, Romond, Romoud.

 

Van Rompaey(e), Van Rompa(e)ij, Van Rompay(e), Van Romphey, Van Rompu(y), -uij, (van) Rompa

Familienaam afgeleid van de plaatsnaam (te) Rompade, Rompaey: ruim pad.

 

Ronckers, Runker

Bijnaam voor een ronker (een snurker).

 

De Rond(e), De Ron

Bijnaam voor een rond iemand of een rondborstig iemand.

 

Rongé, Ronger, Rongy, De Rong(h)é, De Rong(h)e, Ronge(n), Rung(e)

1. Patroniem uit Rogier (Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Rutger(hrôth-ger)).

2. Familienaam uit het Middelnederlandse ronge, runge: sport van een wagenladder. Beroepsbijnaam van de wagenmaker.

 

Ronse (van), (van) Ronsse, Ronsman(s), Roensman, -maens, Ronsseman

Familienaam afgeleid van de plaatsnaam 'Ronse' in Oost-Vlaanderen.

 

Ronsman(s), Roensmans, -maens, Rosseman

Naam uit de plaatsnaam Ronse (Oost-Vlaanderen).

 

Roodhans, Roothans

Afgeleide van de Duitse familienaam Rothans: rode (wellicht haarkleur) Hans (Johannes).

 

Roodnat

Naam uit rood (naar de haarkleur) + een voornaam (Nathan, Nathanaël of Natalis).

 

Roofthoofd: zie Roothoofd.

 

Roolvink, Roel(e)vink, Roelink, Rolvink, Rolink

Saksische patroniem uit de Germaanse voornaam Roel(f) (hrôth).

 

Van Roosbroeck

Familienaam uit de plaatsnaam Roosbroeck/Ruysbroeck, op diverse plaatsen (Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, Antwerpen).

 

Roose(n)s

1. Familienaam uit de Oudnederlandse naam voor riet (naar woonplaats - lichaamsvorm).

2. Zie Raas.

 

Roosloot, Rosloot

Naam uit de waternaam Roosloot in Bergen (Noord-Holland).

 

Roost Van (de), Van der Oost, Van der Oest, (van der) Roost, (van de(r)) Roest, Van der Rost, Van der Hoost, Van Droost, Vero(o)st, Verhoost(e), Verroest, Verroust, Verrosste, Verho(e)st, Verhoëst

Familienaam uit de plaatsnaam Roost/Roest: plaats waar veel riet groeit.

Er is een site Roost in Haacht (Vlaams-Brabant). Roest in Noord-Brabant, Roost/Rosoux in Luxemburg en Rost in Nederlands-Limburg.

 

Roothaer(t), Rootert, Rothardt

Patroniem uit de Germaanse voornaam hrôth-hard.

In het Duitse taalgebied kunnen ze heel soms teruggaan op de veel voorkomende plaatsnaam Roth.

 

Roothoof(t)(d)(s), Roedhooft,Rood(t)hooft, Roof(t)hooft, Roofthoofd, ...

Bijnaam, afkomstig van een rode haardos.

 

Rore De, Derore, Roere, Roers, Ruers, Derhore, De Rhore

Naam uit het Middelnederlandse ro(e)der, rueder: wijnroeier of rooier. Beroepsnaam

 

Rorije (van de)

Familienaam naar de plaatsnaam Rorije (boerderijnaam in Heerde (Nederland) in 1700). Rorije, roer: rietland, riet. Info van Rene Rorije.

 

Roselaer(s), -laar, Rozelaer, Rooselaar, -laer(e), -laers, -leer(s), -leir, Roeseler, Roozelaer, -leer, Roosseleers, Rosselaar

Beroepsnaam voor de kweker of naar plaatsnaam in de buurt van...

 

Rosier(s), Rozier(s), Derosier, Rosy, Rosi(e), Rozie, Rosir, Rousie(s), Rousy, Rouzier, Rouzi, Resier, Rossier, Rossi(e), Roussier, -is, Roussy, Russy

1. Naam uit de Middelnederlandse en Oudfranse plaatsnaam rosier: rozengaard.

2. Of uit het Oudfranse rosier: maker van weefrieten, rietmaker.

3. Jongere vormen mogelijk uit Rogier, zie bij Roger(s)..

 

Roskam, -kams, -kamp, Rohskamp, Rosskamp(f), Roscam(ps), Oskam(p)

Beroepsnaam van de paardenkammer (stalknecht) of bijnaam naar de gelijknamige huisnaam.

Of naam uit de plaatsnaam Roskam (Nederland), Roscamp (Rijnland - Duitsland).

 

Rosmeulen

Familienaam uit de plaatsnaam Rosmalen (Noord-Brabant) of Rosmeer (Limburg).

 

Rossel, Rosel(l), Roselt, Rozel, Rooseels, Roussel, Rossels, Rosselle, Roselle(n), Rosseel(s), Roseel, Rosielle, Rousseel, Roussel(le), Rouselle, Roussiel, Ross(e)au, Rossi(e)au, Ros(s)ias, Roseau(x), Rosaux, Rousseau(x), Rouceau, Rouzaud, Roussiau(x), Roussieau, Roussia, Lerousseaux, Rousso, Rossay, Ros(s)eeuw, Rousse(e)u(w), Ros(i)ieuw, Rouseu, Rouzeeuw, Rossau(w), Rossou(w), Russel, -ell(e), Russiaux, Russo, Reselle, ...

Bijnaam voor een roodharige. In het Oudfrans is rossel een afgeleide van ros, roodkleurig.

 

Rosselet, Roselé, Roseleth, Rousselet, -elot, Ruslet

Bijnaam uit rossel: roodharig.

 

Rossem Van, Van Rossen, Van Rossom(me), (van) Rossum, Van Russum, Van Rassem

Familienaam uit de plaatsnaam Rossem in Wolvertem (Vlaams-Brabant), Rossem in Noorderwijk (Antwerpen) of Rossum (een paar plaatsen in Nederland)

 

Rossenfosse: zie Rossinfosse

 

Rossignol, Rosignoil, Lorsignol, -on, Lossignol, Rossignon, Rossill(i)on, Rosillon(g), Rosillo, Rosio, Rosil(l)ong, Rosseljong, Oselioen, Rossion, Roussillon, Rossigneux, Rosseneu, Rossenu(e), Ossieur

1. Familienaam uit het Oudfranse los(se)ignol: nachtegaal. Bijnaam voor iemand die bv. zeer mooie muziek maakte.

2. Vooral voor Rossi(gn)on is de bron wellicht de plaatsnaam Rossignol (Pr. Luxemburg).

 

Rossinfosse, Rossenfosse

Familienaam uit de plaatsnaam Rossenfosse of Rassenfosse op diverse plaatsen in de provincie Luik.

 

Rosteleur, (de) Rot(t)eleur, Derotteleur, Resteleur

Afgeleid van de plaatsnaam Roteleu in Masnuy-St.-Pierre.

1194 Rosteleu - Obigies(Henegouwen).

 

Rothem Van, Van Rott(h)em, Van Rotten, Van Ro(o)ten

Familienaam uit de plaatsnaam Rotem (Limburg), of de gelijknamige plaatsnaam in Halen en Bilzen (Limburg), of uit Rothem (Nederlands-Limburg).

Rote, rot(te) is een dorpsdeel, een buurtschap.

 

Rotsaert(s), -art, Rootsaert, Rutsaert

Varianten van Roekaert(s), zie verder daar.

 

Rot(t)ier(s), Rot(t)hier, Rotti(e), Rot(t)y, Rottij, Rothy, Ruthy, Routier

1.Patroniem naar de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam 'hrôth-hari' (=roem-eer).

2.Bijnaam naar het Middelnederlandse rot(h)ier: vagebond, deugniet.

 

(de) Rouck, De Roek, Roeck

1. Bijnaam naar roek of kraai. Bijnaam naar de zwarte haarkleur.

2. In sommige Vlaamse gebieden was een roek, een gerechtsdienaar. Wellicht naar de kleur van de kleding.

 

Roufart, Rouffaer(t), -ard, -a(rt), Roeffaers, -aert(s), -a(rt)

Patroniem uit de Germaanse voornaam Roef - Roelf - Roelof (dit uit Rudolf: hrôth-wulf).

 

Rouwenhorst, Ruhorst, Rouwhorst, Roenhorst

Plaatsnaam afkomstig van een hoogte (horst) begroeid met ruw struikgewas (rouw-ruw).

 

Rou(w)voet, Ravoet, Revoet

Bijnaam uit het Middelnederlandse ruvoetich: iemand met ruige, rauwe voeten.

 

Rover(e) (de), De Roover(e), Den Roover, Derooven, Ro(o)vers, Roevers, (de) Ruyver, De Ruijver, De Reuver, Reuvers, Ruvers

1. Beroepsnaam van de dakdekker, uit het Middelnederlandse roeven: van een dak of zoldering voorzien.

2. Bijnaam voor een jager, maar ook voor een rover, plunderaar.

 

Royer(s), Roijer(s), Roeiers, Roeyers, Rooyers

Patroniem uit de Brabantse vorm van de Germaanse voornaam hrôth-hari.

Andere R-bladzijden R | Ro | Ru

 A | B | C |  D E F | G | H I J | K | L | M | N O | P Q | R | S | T U | V | W X Y Z

Wil je de betekenis van jouw familienaam kennen ? Stuur een mailtje!  

Er zijn slechts drie voorwaarden:

- vermeld in je mailtje waarom je het wil weten,

- beperk je tot één of een paar namen.

- vermeld ook even hoe je op mijn site terecht kwam.

 

Soms moet je even geduld hebben: er zijn nogal wat aanvragen.

Kijk a.u.b. eerst of de gezochte naam er niet opstaat (bv. De Grote bij Groot, Verbeeck bij Beek en bv. Vranckx bij Frank). Zo bespaar je mij heel wat werk.

 

Literatuur:

De betekenis van toponymische samenstellingen (J .Van Loon - Onomastica neerlandica 1981)

Etymologisch woordenboek der Nederlandsche Taal (J. Vercoullie - Van Rysselberghe & Rombout 1925)

Huizinga's complete lijst van namen (A.Huizinga - Tirion 1998)

Middelnederlandsch handwoordenboek (J. Verdam -  Uit. Martinus Nijhoff 1949)

Middelnederlandse spraakkunst ( Dr. A. Van Loey - Wolters-Noordhoff 1980)

Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226) (Maurits Gysseling - Belg. interuniversitair centrum voor neerlandistiek 1960)

Vondelingen en hun naamgeving (L.De Man - Onomastica neerlandica 1956)

Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003)