Familienamen

                                                                       

A | B | C |  D E F | G | H I J | K | L | M | N O | P Q | R | S | T U | V | W X Y Z

Andere P-bladzijden P | Pi | Pr

 

 

Terug naar intro 

Het grootste deel van onderstaande info is een selectie uit: Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003).

Praet (van), (van) Prat, Verpraet

1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam praat. Dit komt van het Latijnse pratum = wei(land), meers.

2. Zie ook volgende.

 
Praet(s), Praat(s)
1. Bijnaam voor een prater, iemand die veel praats heeft.

2. Zie ook vorige.

 

Pranger, Prange(n), Prenger, Sprang(h)ers, Spanger, Spreng(h)ers, Sprenger

1. Beroepsnaam voor een worstelaar. Uit het Middelnederlandse prangen: worstelen, vechten.

2. Of uit het Duitse Branger, Pranger. Dit uit het Middelhoogduits brangen: pronken, opscheppen.

 

Prater(e) De, De Praeter(e), Depraet(r)e, De Preeter(e), De Preter(e), De Pretre, De Prêtre, De Prettere, De Preiter(e), Depreiter(e), De Praiter(e), De Preytere, Depreytere, De Pruyter, De Proetere

1. Familienaam uit het Middelnederlandse prater, preter (uit pratum: weide): weideopzichter, boswachter.

2. Soms is De Prater: babbelaar.

 

Preem

1. Zie Priem(s).

2. De Blankenbergse familie Preem stamt af van ene Breems (in de 18 eeuw geboren in Adinkerke).

 

Prekel De

Familienaam uit het Middelnederlandse prekel: werktuig (prikker) van palingstekers en turfstekers. Een beroepsbijnaam.

 

Prenger: zie Pranger.

 

Préseau(x), Preseaux, Présiaux, Presiaux, Pressia

Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Préseau (Nord) of Pressiat (Ain).

 

Present

Naam uit het Oudfranse présent: present, geschenk, gave.

Bijnaam voor de brenger, verkoper, die zichzelf zag als, die begiftigd was met, ....

 

Preudhomme, Preud'Homme, (de) Preud'homme, Preudhoms, Preud'homs, Prudhomme, Prud'Homme, Prud'homme, Preudom(s), Prudhon, Prudon, -um, Predhomme, Pred'homme, Pred(h)om, Prod(h)omme, Prodan, Deprédomme, Pred(h)om, Prod(h)omme, Prodan, Deprédomme, Prond'homme, Pardon, Perdon, Purdon

Naam uit het Franse preu d'homme: eerlijk en wijs man. Bijnaam.

 

Prick, Pricken, Prikken, De Prieck, (de) Prijck, (de) Pryck, De Pruyck, (de) Pruij(c)k, Prique, Pryke

1. Bijnaam uit het Middelnederlandse pric(ke): visnaam, een mager iemand.

2. Bijnaam uit het Middelnederlandse pric(ke): klein muntje, waardeloos iemand.

3. Mogelijk zelfs beroepsbijnaam voor de pruikenmaker.

 

Prieels, Prië(e)ls, Priels, Préels, Preëels

Plaatsnaam uit het Middelnederlandse pradeel, prayeel,, prieel. Dit uit het Latijnse pratellum: weide, boomgaard, lusthof, tuin.

 

Priem(s), Prieme(n), Prime(n), Prim(s), Prym, Pryen, Preem, Pre(e)nen

1. Beroepsnaam van de schoenmaker naar het Middelnederlandse priem : schoenmakersels.

2. Patroniem uit de voornaam Priamus.

 

Prijcker De, De Prycker

Familienaam uit het Middelnederlandse priken: juichen, pralen, pronken, ophef maken. Of uit het Middelnederlandse priker: muzikant met een snaarinstrument.

Bijnaam of beroepsnaam.

 

Prins (de), (de) Prinse, (de) Prince, Prins(s)en(s), Prince(n), Prinz, Prync, Printz, Leprince

Bijnaam uit een bepaalde karaktereigenschap of een huisnaam.

 

Proost (de), (de) Prost, Pro(o)sten, (de) Proft, Proos, Proest, Proes(s), Prös(s), Proehs, Probst, Props(t), Provo(o)st, Le Provost, Provo(t), Provou, Provos(te), Prouvo(s)t, Prouvosq, Pruvo(o)st, Pruvot, Pruûost, Pruuost, Pruwast, Prevos(t), -vo(t), -vots, -voo(t), -voz, Pré-, Le Prevost, Preuvot, Preveas, Pervost, Pervoot, Privot, Privoo, Proust

Uit het Middelnederlandse provest, proo(f)st, het Oudfranse provost, prevost, het Duitse Probst. Allemaal afkomstig uit het Latijnse prepositus: proost, hoofd van een kathedraal,kapittel, kloostervoogd, maar ...

meestal een gerechtelijk ambtenaar, voorzitter van de schepenbank, baljuw. Beroepsnaam.

 

Provenier, Prevenier, -eers, Pr(e)uveneers, Prévinaire

Naam uit het Middelnederlandse proven(den)are: iemand die prebende bezit. Iemand, die opgenomen in een proveniershuis (komende uit een geestelijk goed) recht heeft op bepaalde voordelen, uitdelingen. M.a.w. huisvesting en verzorging kan bekomen. 

 

Provensal, Provincia(e)l, Provenzano

Naam van iemand die afkomstig was uit de Provence.

1663  Provinciael Dominicus - Schriek (M.V.).

 

Pruijck: zie Prick.

 

Publie

Schrijfvariant van het Zuidfranse Publier/Publié/Pubellier, het Franse Peuplier: populier. Plaatsnaam.

 

Puffelen Van

Zeer merkwaardige familienaam waarvan de oorsprong onduidelijk is.

Is mogelijk afgeleid uit (ge)peupel: volk.

Of uit een plaats Puffel(en) die dan ergens in de buurt van Rotterdam moet liggen.

Of uit een stopwoord dat regelmatig door de stamvader gebruikt werd.

Of...

 

Pulles

1.Van Pulle: familienaam naar de plaats van herkomst.

2.Afgeleid van het Middelnederlandse pulle: kruik. Beroepsnaam voor een kannengieter.

3.Afgeleid van het Middelnederlanse puls: roerstok. Beroepsnaam van een pulser: iemand die met een roerstok de vis opjoeg.

 

(de) Punder

Beroepsnaam. Punder is een variant van het Middelnederlandse ponder: weger, schatter.

 

Putseys, -eijs, Putzey(s), -eys(s)e, -eis(t), -ys, -eijs, Pudzeis, Pitzeys, Pitseys, Puzey, Putsage

Familienaam afkomstig van de plaats Poucet of Pousset (allebei in Luik).

 

Put(te) Van de(n), Van de Peut(te), Van de Pitte, Van de Putt, (van der) Put, Van de(r) Putte(n), Van Put(te), Van der Potte, Vandrepot(t)e, Vantrepot(t)e, Vandeputte, Put, Puth, Puts

1. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Put, Pit, Puth (dit bij Sittard).

2. Beroepsbijnaam voor de eigenaar van een waterput, de aanlegger van putten.

 

Puttaert, -art, -Putard

1. Beroepsnaam van de waterputter.

2. Variant van Van de Putte, zie bij Put.

 

Putteman(s), Putman(s), Peuteman(s), Peut(te)man, Pitteman(s), Pitman

1. Afgeleide van Van de(n) Putte, Van Putte (plaatsnaam) .

2. Afgeleide van een waterput : beroepsnaam van iemand die met waterputten of –leidingen bezig is.

Puydt De, Depuydt, De Puijdt, De Puyt, De Puidt, Puyt(s)

Bijnaam uit het Middelnederlandse puut: kikker.

Bijnaam voor een mager, een luidruchtig of een huppelend iemand.

 

Puyenbroe(c)k (van), (van) Puijenbroe(c)k, Van Puyenbrou(c)k, Van Puyembroeck, Van Puymbroe(c)k, -brou(e)ck, Van Puijmbroeck, Van Puinbroek, Van Puynbroeck, Vampuymbrock

Familienaam uit de plaatsnaam Puit/denbroek: moeras met kikkers.

Op diverse plaatsen in Vlaanderen.

 

Puylaert, Puijlaert

Familienaam uit de plaatsnaam Pu(i)laer, dit uit het Middelnederlandse Puunlaar in Belsele (Oost-Vlaanderen.

 

Puysselaer De, -eir(e), -eyr, Puyseleir, De Peusseleir

Beroepsnaam uit puislager: puid(t)enslager, iemand die kikkers slaat op de billen te verkopen.

 

Puystjens, Puystiens, Puijstjens, Pustjens, Peuskens, Peustjens, Peusgen, Peushgens, Pöschkens, Peyskens, Peiskens, Peskens

Patroniem, Limburgse vormen van Paesken, Poesken. Deze zijn dan weer afgeleid van Paschalis.

 

Puyvelde Van, Van Puijvelde

Familienaam uit de plaatsnaam Puivelde (kikkerveld) in Belsele (Oost-Vlaanderen).

 

Pyck(e), Pijck(e), Peyck, Pik, Piek, Pique, Picq(ue), Piec(k), Piecq(ue), Lepique

Familienaam uit het Middelnederlandse pike: piek of lans met een platte ijzeren punt. Beroepsbijnaam voor de wapensmid of de piekenier.

Het is mogelijk ook een bijnaam voor iemand (uit het Westvlaamse pijk) die wrokkig, niet sociaal is.

 

Pyl, Pijl(s), Pyle, Pyls, Piel(s), Pielke, Pieltjes

Beroepsbijnaam van een boogschutter of een pijlenmaker.

 

Pyliser, Pyl(l)yser, Pijlijser, Pil(l)yser, -yzer, Pilijser

Familienaam uit het Middelnederlandse piliser: ijzer of staal gebruikt voor pijl of pijlpunt. Beroepsbijnaam van de pijlenmaker of boogschutter.

 

Pypaert, Pijpaert, Pipar(t), Piepar, Pipa

Naam uit het werkwoord pipen: pijpen, fluiten. Beroepsnaam van de fluiter, de (stads)speelman.

 

Pyper De, De Pijper(e), De Pypere, De Peyper, De Peijper, De Puyper, Pieper(s), Piper(s), -ere, Pijpers, P(e)ypers, Peijpers

Beroepsnaam van de 'pijper', de fluitspeler, trompetter, speelman, stadsmuzikant.

 

Quaden(s), Quaaden

1. Vorm van (de) Quae: bijnaam voor een kwaad, boos, misdadig iemand.

2. Naam uit de plaatsnaam Quaden in Paderborn (Noordrijn-Westfalen).

 

Quaethoven (van), (van) Caethoven,Kaethoven

Naam uit de plaatsnaam Kwaadhoven in Hasselt (Limburg).

 

Quagebeur, Qua(e)g(h)ebeur, Quaegghebeur, Quaeybeur, Quaegnebeur

Bijnaam naar een karaktertrek: kwade gebuur.

 

Quast(en), Quasters

Uit het Middelnederlandse quast: kwast, badkwast, takkenbosje, rijsbosje, plumeau. Beroepsnaam voor de kwastenmaker of de badmeester (die de baders bewerkt met een rijsbosje).

 

Quataert, Quaetaert

Naam uit quaet: boos, kwaad, slecht. Bijnaam.

 

Quatanne(n)s, -anens, -annes, Quatennens, Quatennent, Quatannews, Quattanens

Bijnaam + patroniem uit Quaet Hannin: kwade Jan.

 

Quat(h)em Van, Vanquathem, Van Quaet(h)em, Van Queathem

Naam uit de plaatsnaam Quaethem in Lichtervelde, Kwatem in Herne (Vlaams-Brabant) of Kwaadham in Gent en Aarschot.

 

 

Questel, -iau(x), Quoistiaux, Quetel, Quétaut, Quetaut

Familienaam uit het Oudfranse Questel: kist, kast, koffer.

Beroepsnaam.

 

(de) Quid(t)

Variant van De Kwik: bijnaam voor iemand die levendig/vlug is.

 

Quinten(s), Quintin(g), -ijn, -e(y)n, Quintyn, Quointin, Quentin, Quantin, Quintiens, Quintgens, Kwinten(s)

Patroniem uit de Latijnse heiligennaam Quintinus.

 

Quinzebilles, Kinsabil, -bel, Keynsabyl, Keysabil, -byl

Het Oudfranse bille: geldstuk.

Bijnaam uit 'quinze billes': vijftien ballen, muntstukken.

Andere talen hebben vergelijkbare bijnamen: Tienpond, Hondermarcq, Fünfzehnschilling.

 

Quirin, -ing, -ain, Querin, Quiriny, Quireyns, -eijns, Quirynen, -eynen, -(e)ijnen, Guirynen, Quoiron

Patroniem uit de Latijns heiligennaam Quirinus.

 

Quist

Familienaam uit Tholen, ontleend aan de veldnaam 't Quistken, een stuk grond waarover getwist werd.

 

Quisthou(d)t, Quishou(d)t, Kwisthout

Bijnaam voor een timmerman (of ...) die kwistig omspringt met hout, die hout verkwist.

 

Quistwater, Quisqua(e)ter, Quitsquater

Bijnaam voor een waterverspiller.

 

Quitelier, Quittelier(s), Quintelier, Quittebier

Familienaam uit het Oudfranse cuintel, afgeleid uit colte, cuilte, coute: matras, kussen, sprei, gestikte deken. Beroepsnaam van het Oudfranse coultillier, cotiller: dekenstikker, matrassenmaker.

 

Quix: zie Kwik.

 

Quizenaerts: zie Cuisenaire.

Andere P-bladzijden P | Pi | Pr

 A | B | C |  D E F | G | H I J | K | L | M | N O | P Q | R | S | T U | V | W X Y Z

Wil je de betekenis van jouw familienaam kennen ? Stuur een mailtje!  

Er zijn slechts drie voorwaarden:

- vermeld in je mailtje waarom je het wil weten,

- beperk je tot één of een paar namen.

- vermeld ook even hoe je op mijn site terecht kwam.

 

Soms moet je even geduld hebben: er zijn nogal wat aanvragen.

Kijk a.u.b. eerst of de gezochte naam er niet opstaat (bv. De Grote bij Groot, Verbeeck bij Beek en bv. Vranckx bij Frank). Zo bespaar je mij heel wat werk.

 

Literatuur:

De betekenis van toponymische samenstellingen (J .Van Loon - Onomastica neerlandica 1981)

Etymologisch woordenboek der Nederlandsche Taal (J. Vercoullie - Van Rysselberghe & Rombout 1925)

Huizinga's complete lijst van namen (A.Huizinga - Tirion 1998)

Middelnederlandsch handwoordenboek (J. Verdam -  Uit. Martinus Nijhoff 1949)

Middelnederlandse spraakkunst ( Dr. A. Van Loey - Wolters-Noordhoff 1980)

Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226) (Maurits Gysseling - Belg. interuniversitair centrum voor neerlandistiek 1960)

Vondelingen en hun naamgeving (L.De Man - Onomastica neerlandica 1956)

Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003)