|
|

Jan was een uur te laat, maar hij was er. Toen
ik zijn vermoeide ogen zag, dacht ik dat hij gewoon zijn 'ding'
zou komen ophalen. Niets daarvan. Hij wandelde rustig binnen,
drukte de hand van Clodowaldo uit Matanzas alsof hij hem al jaren
kende, en vleide zich neer in de meest comfortabele zetel die
pas anderhalf uur later weer ter beschikking zou zijn. Het 'ding'
was niet eens ter sprake gekomen.
Hoe ik aan het 'ding' kwam, kan ik me niet meer
herinneren. Vermoedelijk was het met een Cubareiziger meegekomen
of was het via de diplomatieke koffer bezorgd. Dat is wel vaker
het lot van soortgelijke dingen. Het enige wat ik me nog herinner,
is dat de grote bruine omslag naar petroleum rook. (Al het papier
dat in Havana wordt vervaardigd, ruikt naar petroleum). In de
ongesloten omslag trof ik een voor mij bestemde begeleidende brief
aan en het 'ding' zelf. Waaruit bestond het 'ding'? Het was een
Cubaans sigarenkistje: Romeo y Julieta Cedros de Luxe No 3. Aan
de onderkant was een kleinere omslag gekleefd met de uitdrukkelijke
vermelding van de bestemming: Jan Hoet, Gent, Bélgica.
Niemand zou enige redenen hebben gehad om aan te
nemen dat de beloftevolle verpakking niet overeenstemde met de
inhoud: sigaren uit Pinar del Río, score AA, zeer mooi dekblad,
egale kleur, geen nerven, een gemakkelijke trek, weinig prikkelend
op de tong, vinnige smaak, 'een prachtige dame voor dag en nacht'
zou Willy Geullaume zeggen. Echt iets voor Hoet dus. Toch had
ik diezelfde avond reeds een vreemd voorgevoel. Wie maanden op
zo'n doosje genot zit te wachten wil toch minstens weten of de
lading compleet en ongeschonden is. Zelfs als we aannemen dat
Jan helemaal niets verwachtte en dat het kistje als een geschenk
uit de hemel viel, dan zou je toch verwachten dat hij zijn even
verrukte omstanders een exemplaartje aanbiedt. Neen, ik vertrouwde
het 'ding' niet helemaal.
Toen ik een tijdje later het programma van Documenta
IX in handen kreeg, zag ik dat er een Cubaans kunstenaar op de
lijst voorkwam: Ricardo Brey. Op de vraag met welke criteria hij
de lijst had samengesteld, antwoordde Hoet dat het puur subjectieve
gronden waren geweest. Ik geloofde daar niets van. Hoet haalde
Ricardo Brey voor de periode van zijn opdracht naar Gent, maar
Ricardo is er niet meer weg te slaan. Een groot deel van het plastische
werk van Brey draait rond vliegen. Later kondigde Hoet plotseling
aan dat hij een dichtbundel zou uitgeven.
Kijk, iedereen mag zijn mening hebben, maar als
een 56-jarige kunstorganisator plots tienerstreken begint uit
te halen, moet er iets vreselijks aan de hand zijn. Toen hij met
Rendez(-)vous op de proppen kwam, was ik ervan overtuigd dat het
'ding' een vreemde werking had uitgeoefend op de Vlaamse kunstpaus.
In navolging van het zuiverste Cubaanse fetisjisme vroeg hij alle
Gentenaars hun lievelingsvoorwerp in bruikleen aan zijn Museum
af te staan. Tot overmaat van ramp daagde Johan Anthierens hem
tijdens een televisiedebat uit een trip naar Cuba te maken. De
werking van het 'ding' had een hoogtepunt bereikt. Hoet ging naar
Cuba en na zijn terugkeer werd Arte por Cuba boven de doopvont
gehouden, een solidariteitscampagne ten gunste van het regime.
Dat het 'ding' nog een tijdje zou nawerken, bleek uit het feit
dat Hoet zich kandidaat stelde voor de gemeenteraadsverkiezingen.
Natuurlijk piekerde ik nog lang over de mogelijke
inhoud van het kistje. Ik voelde me tenslotte medeplichtig. Misschien
bevatte het een lievelingsvoorwerp van een suikerrietkapper uit
Camagüey, een paar dode vliegen van Brey of de rituele overblijfselen
van een magiër uit Hanabanilla. Toch hou ik er nog rekening mee
dat het cederhouten doosje gewoon vijfentwintig havannas verborg,
vijfentwintig onschuldige dametjes voor dag en nacht, wachtend
op de onuitputtelijke adem van Jan Hoet.
© Huib Billiet
|
|
|