De fiets en
het staatshoofd
‘Als de imperialistas ons geen petroleum meer gunnen dan
rijden we maar met de fiets. Het stinkt niet, het maakt geen lawaai
en we blijven in conditie.’
Op een ochtend in april voegt het Cubaanse staatshoofd de daad
bij zijn woord. Hij kan beschikken over een exemplaar dat uit
Chinese onderdelen op het eiland is geassembleerd. Als het staatshoofd
de Avenida de Independencia oprijdt, heeft hij de traptechniek
al aardig onder de knie.
‘Rechts houden, comandante!’ hoort hij het hoofd van
de escorte roepen die hem op het wiel volgt.
Op de Plaza de la Revolución haalt het staatshoofd even
de olijfgroene pet van het hoofd en salueert hij het beeld van
José Martí. Vervolgens ontwijkt hij handig een enorme
put in de Avenida Simón Bolívar. De eerste druppeltjes
verschijnen op zijn voorhoofd.
Ongeveer vijftig meter vóór de hoek van de Avenida
de Bélgica steekt het staatshoofd zijn linkerarm uit. Met
een veel te wijde boog draait hij in. Enkele toeristen springen
verschrikt opzij. De revolutionaire vloek van de fietser gaat
verloren in het gejoel van enkele inheemse meisjes die de Italiaanse
toeristen vergezellen.
Nu volgt een wat lastiger stuk, lichtjes omhoog. Het staatshoofd
gaat met zijn volle gewicht op de trappers staan en luistert ingespannen
naar het krakende kader. De druppels banen zich een weg door snor-
en baardharen.
Een gestrekte rechterarm zorgt voor paniek bij de escorte. Met
piepende remmen houden de jeeps halt.
‘No, comandante!, niet daarlangs, dat is een...’
Het staatshoofd is al om de hoek en daalt iets sneller nu de nauwe
Obispostraat in. Na zo'n dertig meter wordt hij zich bewust van
de vergissing. Een Plymouth van het bouwjaar 1950 schuift pruttelend
vanuit de tegenovergestelde richting door de eenrichtingsstraat.
De chauffeur houdt zijn hand op de claxon en rukt de automobiel
over de stoeprand. De wijkbewoners komen nieuwsgierig uit hun
huizen.
Carmelina verlaat op datzelfde moment de kathedraal. Ze draagt
een korte, nauw aansluitende jurk. Ongeveer in het centrum van
het kleine plein, in het verlengde van de hoek waar de straat
Obispo begint, ligt een bankbriefje van tien dollar. Doorweekt
van het zweet raast het staatshoofd inmiddels de straat af. Een
menigte rent hem lopend, fietsend en juichend achterna. Met overdreven
snelheid zwiert de fietser zich het plein op, net op het moment
dat Carmelina zich voorover buigt om het bankje op te rapen. De
fietsbel doet het niet, een remkabel breekt door. Het staatshoofd
raakt het meisje net niet.
‘Dat loopt lekker,’ roept hij.
Carmelina komt overeind, duwt onhandig haar jurk naar beneden
en antwoordt trots: ‘Gracias.’
In de Avenida del Puerto kondigt een knap het begin van een lekke
band aan. Het staatshoofd steekt de arm in de hoogte. Clodowaldo
springt met zijn fiets uit de menigte en biedt zijn Belgisch rijwiel
trots ter vervanging aan. Het staatshoofd stemt in. Na een minuut
is zijn snelheid opgelopen tot veertig kilometer per uur. Hij
geniet. Hij haalt zich het stratenplan voor de geest en berekent
de afstand naar het Castillo de la Punta. Een irriterende zadelpijn
verplicht hem rechtop te fietsen. Hij kan de zee al ruiken.
Enkele betogers hebben zich aan het Castillo verzameld. Twee
kunstenaars ontrollen een enorme spandoek en houden hem parallel
met de zeedijk. Op het doek staat een levensgrote straat geschilderd
met het naambordje: ‘vrijheid’. De straat is zo realistisch
uitgevoerd dat niemand het verschil merkt, zelfs niet het staatshoofd.
Hij heeft beslist de nieuwe straat als een toprenner in te rijden.
* * *
Vijf dagen later vissen twee guardias van de kustwacht van Miami
iets uit de zee op dat op een Belgische fiets lijkt. Een derde,
met een stompje havanna tussen de lippen, neemt de lijst van Cubaanse
vluchtelingen die het leven lieten in een poging de overkant te
bereiken. Met een stomp potlood voegt hij er een streepje aan
toe en gooit voldaan zijn stompje tussen de schuimende golven.
© Huib Billiet
|