Componisten uit de
oudheid worden meestal voorgesteld met de citer in de hand, of
de aulos aan de lippen, zelden met de schrijfkoker in de hand.
De Grieken kenden wel een soort muziekletterschrift; tijdens de
klassieke beschaving werd dit vooral als geheugensteun gebruikt.
Muziekdruk
Neumen en noten
Het ontstaan van een systematisch 'wenkenschrift', het
neumatisch schrift (van het Griekse neuma (teken) en neuo (wenk), wordt
in de negende eeuw gesitueerd. Met bepaalde tekens werden de voornaamste
toonschreden aangegeven. In de tiende eeuw begon men in het zuiden van
Europa de neumen uit elkaar te zetten, zodat hun positie op de drager
meer met de toonhoogte overeenstemde. Op het einde van die eeuw werd ook
een eerste lijn ingevoerd, het begin van de notenbalk.
Een
belangrijk moment in de ontwikkeling van het neumenschrift werd rond 1030
bereikt. Guido van Arezzo plaatste notentekens op, of tussen verschillende
lijnen. De vierlijnige notenbalk en de benamingen van de noten worden
aan deze benedictijnse monnik toegeschreven. De ontwikkeling van de verschillende
regionale neumenschriften leidde tot twee vormen: het hoefnagelschrift
en het quadraatnotenschrift. Rond 1225 ontstond het mensuraal notenschrift
(mensura = maat, gemeten). Hierin werd door middel van extra tekens (lijntjes
en vlaggetjes) voor het eerst een zelfstandig muzikaal ritme in het notenbeeld
voorgesteld. De tijdsduur was af te lezen van de vorm van de noten. De
zogenaamde zwarte notatie (gevulde vierkantjes of ruitjes) werd door de
witte, of open notatie vervangen. In de zestiende en zeventiende eeuw
verscheen ook de ronde notenvorm.
De ontwikkeling van het notenschrift werd sedert 1600 in
sterke mate door het streven naar vereenvoudiging in de schrijfwijze beïnvloed.
De notentekens hebben deels ook om druktechnische redenen grafische veranderingen
ondergaan. Het aantal lijnen bleef variëren tot het einde van
de 18de eeuw, toen de notenbalk met vijf lijnen definitief ingang vond.
Druk in fasen
Kort na de uitvinding van de boekdrukkunst ging
men op zoek naar methoden voor het drukken van muziek. In theoretische
boeken en liturgische werken werd plaats opengelaten voor de muziekbeelden,
die er later met de hand aan toegevoegd werden. Hierna kwamen drukkers
op het idee alvast de notenbalken te drukken, waarna de noten en tekens
met de hand, of met stempels werden aangevuld. Deze werkwijze vinden we
terug in de Psalterium van Johan Fust en Pieter Schöffer (Mainz,
1457). De drukker Konrad Fyner uit Eslingen had zes jaar tevoren het omgekeerde
procédé toegepast. In 1479 verkreeg Georg Reyser een privilege.
Hij
bleef tot het einde van die eeuw werkzaam. Reyser neemt in de muziektypografie
een belangrijke plaats in. Hij is een van de eersten die Gotische, Duitse
en hoefnagelvormige neumen met losse notentypen drukte. De notenbalken
werden met een metaalblok afgedrukt. Dit procédé vereiste
twee drukgangen, maar had het voordeel van tweekleurendruk. Volgens de
musicoloog Alexander H. King is het oudste bekende voorbeeld hiervan een
in een Brits museum aanwezig Graduale dat drukker, noch jaartal vermeldt,
maar dat omstreeks 1473 in Zuid-Duitsland gedrukt zou zijn. Een andere
bron, het in 1880 uitgegeven boek van Alphonse Goovaerts: Histoire et
bibliographie de la typographie musicale dans les Pays-Bas schrijft het
voorrecht van de eerste muziekdruk met dit procédé toe aan
Jean Gerson, die in 1473 het Collectorium Super Magnificat drukte.
De
Italiaan Ottavio dei Petrucci, een belangrijke drukker van polyfonische
muziek, werkte tot 1520. Van hem zijn in totaal 59 muziekdrukken bekend,
waarvan 32 met godsdienstige en 27 met wereldlijke muziek. De door Petrucci
toegepaste methode bestond uit drie fasen. Eerst werden de notenbalken
gedrukt, vervolgens de noten en ten slotte de tekst en eventueel versierde
initialen. Deze drukker gebruikte metalen typen. De uiterste nauwkeurigheid
waarmee deze druk-in-fasen werd uitgevoerd, maakt
zijn werk tot een hoogtepunt van deze techniek; het is in de muziekdrukkunstgeschiedenis
onovertroffen.
Eenmalige druk
In 1487 introduceerde een Italiaan een procédé
van enkelvoudige druk met houten blokken waarin de bladzijde in haar geheel
was gesneden. Door de ruwere werkwijze stond het resultaat achter op het
systeem van de druk-in-fasen. Het gaf de Italiaan wel het voordeel vlugger
de weg te vinden naar de toepassing van de kopergravure voor de muziekdruk,
die reeds vanaf 1516 werd toegepast. Van de blokdruk voor muziek zijn
enkele schitterende voorbeelden bekend, onder andere van Ugo de Rugeriis
en Gafurius.
In Frankrijk begon de drukker-uitgever Pierre Attaignant
in 1528 met muziekdruk in een fase. Deze methode was vermoedelijk een
vondst van de lettergieter Pierre Haultin. Bij dit procédé
werd van afzonderlijke typen gebruik gemaakt, waarbij balkfragmenten werden
samengevoegd. Op die manier ontstond een volledige notenbalk, maar de
samenvoeging was zelden volmaakt. De lezer werd altijd met een mozaïekachtig
geheel geconfronteerd. In 1755 zou de Duitse drukker-uitgever Breitkopf
de methode van Haultin verfijnen door de typen in zeer kleine onderdelen
te splitsen, zodat een grotere verscheidenheid van samenstellen mogelijk
was. Kon hij voordien een type slechts gewoon en omgekeerd gebruiken (een
E werd dan een F), nu schiep hij meer mogelijkheden door in het typje
slechts drie lijnen van de balk op te nemen en de beide andere lijnen
naar wens erboven en/of eronder toe te voegen.
Het geheel werd een soort legpuzzel.
Nederlanden
De vroegste muziekdruk verschenen in 1515, in de Nederlanden,
bevatte twee motetten van Benedictus de Opitiis. De druk werd uitgevoerd
door Jan de Gheet, van wie verder niets bekend is. Hij liet elke bladzijde
in hout graveren.
De eerste drukker die het systeem van de dubbele drukwijze
in onze streken toepaste, was Christoffel van Remunde uit Eindhoven. Hij
vestigde zich in Antwerpen vanaf 1524. Hij drukte enkel liturgische boeken.
De oudste bekende niet-liturgische muziekdruk in de Nederlanden is "een
devoot ende profitelijck boeckxken, inhoudende veel gheestelijcke liedekens
ende leysenen". Dit verscheen in Antwerpen in 1539 bij Simon Cock.
Tielemans Susato was de eerste drukker van polyfonische werken, die bij
ons het systeem van Haultin toepaste. Susato was afkomstig uit Keulen
en vestigde zich in Antwerpen. Hij oogstte veel succes met zijn werken.
Vanaf 1545 kreeg hij een mededinger, Peter Phalesius. Deze was drukker
te Antwerpen en uitgever van muziek van Vlamingen die werkzaam waren buiten
de Nederlanden.
Christoffel Plantin bekleedt in de Antwerpse muziekwereld
een aparte plaats. Hij publiceerde liturgische werken, missalen, gradualen
en antiphonaria. Slechts af en toe drukte hij polyfonische werken, en
wel dan wanneer de componist ze zelf financierde. Het waren bijna allemaal
dure luxe-uitgaven. Dank zij Susato, Phalesius, Plantin en enkele minder
bekende ateliers heeft de muziekuitgave in de
Nederlanden zeer verdienstelijke drukken verwezenlijkt.
Tabulaturen
Een heel aparte muzieknotatie was de tabulatuur. Dit schrift
werd vooral voor toets- en snaarinstrumenten toegepast. Het notenschrift
werd voorzien van een complex cijfer- en letterschrift, wat bij drukwerk
bijzondere typografische vereisten met zich zou meebrengen. Bij de luittabulatuur
voorzag men geen notenbalk, maar lijnen die een projectie gaven van het
snarengeheel. Er bestond een grote diversiteit tabulaturen per
instrument en per land. Ottavio dei Petrucci zou de eerste gedrukte luittabulatuur
met verschillende drukgangen gerealiseerd hebben.
Gravure
Tegen het einde van de zestiende eeuw ging men voor muziek
meer en meer de diepdrukgravure toepassen. Het invoegen van hulplijnen
en bindbogen kon probleemloos gebeuren, maar een nadeel was de hardheid
van het koper en de hoge technische en muzikale kennis die men aan de
graveurs stelde. De eerste graveerplaten waren die van Petrucci te Venetië.
In de zeventiende eeuw vielen op vele plaatsen in Europa de wetsbepalingen
van de muziekdruk samen met die van de kopergravure. Er waren drukkerijen
(onder meer deze van Pierre Ballard) die de oude systemen bleven gebruiken.
Andere gingen over op de gravuretechniek en ontliepen op die manier de
wettelijke bepalingen van het drukkersmonopolie, die officieel tot aan
de Franse Revolutie bleven bestaan.
Vermoedelijk werd tussen 1750 en 1770 te Parijs meer muziek
uitgegeven dan in de rest van Europa. In 1782 telde men er 44 muziekuitgeverijen,
waaraan een totaal van 53 componisten verbonden was. Daarnaast waren er
31 graveurs, 19 kopiisten, 17 'gewone' drukkers en 11 drukkers van kopergravures.
In Duitsland was het Leipzig, waar zich de meeste uitgeverijen en notensnijderijen
bevonden. Een Duitse drukkerij die in 1719 te Leipzig op bescheiden voet
was begonnen, de firma Breitkopf & Zoon, kwam
breidde zich langzaam uit. In 1795 associeerde ze zich met Härtel
en werd een hoofdkwartier van het Duitse muziekleven.
Stempeltechniek
Vanaf 1725 werd het graveren door notenslagen met staalstempels
vervangen. Bij deze techniek werden de noten, of beter nootonderdelen
in een loden plaat 'geslagen'. Breitkopf verbeterde de gegoten tekens:
alle onderdelen van een noot, de kop, de stok, de vlag en het onderliggende
balkfragment werden als losse typen vervaardigd. In de Nederlanden nam
de Haarlemse drukker Johan Enschedé dit systeem over. Enkele van
zijn zetsels bestonden uit 450 losse stukjes. Later werd deze drukker
bekend met een uitgave van een belangrijke vioolmethode.
Bij het 'stempelslaan' werden met een vijftandige
'rastral' eerst de notenbalklijnen getrokken. Daarna werd de verdeling
van de noten op de lijnen aangetekend. Na het merken droeg de plaat een
verwarde overvloed van hulplijnen. Vervolgens werden alle tekens en noten
met staalstempels in de plaat geslagen. Elke staalstempel vereiste zijn
speciale slag. De maatstrepen, de notenvlaggen en de balkhulplijnen werden
met de hand ingestoken. Dit vereiste een grote handigheid en trefzekerheid
van de graveur. Wanneer het gezamelijke ontwerp op deze manier overgebracht
was, moesten nog de hulplijnen en eventuele scherpe kanten van de plaat
verwijderd worden. Er werd in spiegelbeeld gewerkt, evenals bij de handzetters
voor gewoon drukwerk. Aan een klaviersonate van Van Beethoven
(29 notenbladzijden) werkte een graveur zo'n vier weken.
Hedendaagse techniek
Voor muziekdruk zijn herhaaldelijk eenmalige technieken
ontworpen. Zo probeerde Eugène Duverger in 1826 een procédé
uit met gipsafdrukken. De muzieknotenschriftmachine van Andreo Ferretto
in 1930 bleef eveneens een experiment. De evolutie in de drukindustrie,
de revolutionaire mogelijkheden van de fotografie en het offsetprocédé
hadden spoedig ook hun toepassing in de muziekdrukkerij. De sterke verspreiding
van populaire bladmuziek in de twintigste eeuw werkte eenvoudigere en
productievere methoden in de hand om muziek te reproduceren.
Het lood en het koper verdwenen uit de ateliers.
De stempels voor notenslagen werden vervangen door hout- of metaalstempeltjes,
of kleefnoten; de noten konden zo rechtstreeks op een witte papieren
drager of op een transparante film worden aangebracht. Inmiddels
zijn de in dit artikel vermelde procédés voor de
pre-press van muziek door de elektronica en de computertechnologie
ingehaald
|