- HUIB BILLIET ADRIAANSEN


 

Componisten uit de oudheid worden meestal voorgesteld met de citer in de hand, of de aulos aan de lippen, zelden met de schrijfkoker in de hand. De Grieken kenden wel een soort muziekletterschrift; tijdens de klassieke beschaving werd dit vooral als geheugensteun gebruikt.

 

Muziekdruk

Neumen en noten

Het ontstaan van een systematisch 'wenkenschrift', het neumatisch schrift (van het Griekse neuma (teken) en neuo (wenk), wordt in de negende eeuw gesitueerd. Met bepaalde tekens werden de voornaamste toonschreden aangegeven. In de tiende eeuw begon men in het zuiden van Europa de neumen uit elkaar te zetten, zodat hun positie op de drager meer met de toonhoogte overeenstemde. Op het einde van die eeuw werd ook een eerste lijn ingevoerd, het begin van de notenbalk.

Een belangrijk moment in de ontwikkeling van het neumenschrift werd rond 1030 bereikt. Guido van Arezzo plaatste notentekens op, of tussen verschillende lijnen. De vierlijnige notenbalk en de benamingen van de noten worden aan deze benedictijnse monnik toegeschreven. De ontwikkeling van de verschillende regionale neumenschriften leidde tot twee vormen: het hoefnagelschrift en het quadraatnotenschrift. Rond 1225 ontstond het mensuraal notenschrift (mensura = maat, gemeten). Hierin werd door middel van extra tekens (lijntjes en vlaggetjes) voor het eerst een zelfstandig muzikaal ritme in het notenbeeld voorgesteld. De tijdsduur was af te lezen van de vorm van de noten. De zogenaamde zwarte notatie (gevulde vierkantjes of ruitjes) werd door de witte, of open notatie vervangen. In de zestiende en zeventiende eeuw verscheen ook de ronde notenvorm.

De ontwikkeling van het notenschrift werd sedert 1600 in sterke mate door het streven naar vereenvoudiging in de schrijfwijze beïnvloed. De notentekens hebben deels ook om druktechnische redenen grafische veranderingen ondergaan. Het aantal lijnen bleef variëren tot het einde van de 18de eeuw, toen de notenbalk met vijf lijnen definitief ingang vond.

Druk in fasen

Kort na de uitvinding van de boekdrukkunst ging men op zoek naar methoden voor het drukken van muziek. In theoretische boeken en liturgische werken werd plaats opengelaten voor de muziekbeelden, die er later met de hand aan toegevoegd werden. Hierna kwamen drukkers op het idee alvast de notenbalken te drukken, waarna de noten en tekens met de hand, of met stempels werden aangevuld. Deze werkwijze vinden we terug in de Psalterium van Johan Fust en Pieter Schöffer (Mainz, 1457). De drukker Konrad Fyner uit Eslingen had zes jaar tevoren het omgekeerde procédé toegepast. In 1479 verkreeg Georg Reyser een privilege. Hij bleef tot het einde van die eeuw werkzaam. Reyser neemt in de muziektypografie een belangrijke plaats in. Hij is een van de eersten die Gotische, Duitse en hoefnagelvormige neumen met losse notentypen drukte. De notenbalken werden met een metaalblok afgedrukt. Dit procédé vereiste twee drukgangen, maar had het voordeel van tweekleurendruk. Volgens de musicoloog Alexander H. King is het oudste bekende voorbeeld hiervan een in een Brits museum aanwezig Graduale dat drukker, noch jaartal vermeldt, maar dat omstreeks 1473 in Zuid-Duitsland gedrukt zou zijn. Een andere bron, het in 1880 uitgegeven boek van Alphonse Goovaerts: Histoire et bibliographie de la typographie musicale dans les Pays-Bas schrijft het voorrecht van de eerste muziekdruk met dit procédé toe aan Jean Gerson, die in 1473 het Collectorium Super Magnificat drukte.

De Italiaan Ottavio dei Petrucci, een belangrijke drukker van polyfonische muziek, werkte tot 1520. Van hem zijn in totaal 59 muziekdrukken bekend, waarvan 32 met godsdienstige en 27 met wereldlijke muziek. De door Petrucci toegepaste methode bestond uit drie fasen. Eerst werden de notenbalken gedrukt, vervolgens de noten en ten slotte de tekst en eventueel versierde initialen. Deze drukker gebruikte metalen typen. De uiterste nauwkeurigheid waarmee deze druk-in-fasen werd uitgevoerd, maakt zijn werk tot een hoogtepunt van deze techniek; het is in de muziekdrukkunstgeschiedenis onovertroffen.

Eenmalige druk

In 1487 introduceerde een Italiaan een procédé van enkelvoudige druk met houten blokken waarin de bladzijde in haar geheel was gesneden. Door de ruwere werkwijze stond het resultaat achter op het systeem van de druk-in-fasen. Het gaf de Italiaan wel het voordeel vlugger de weg te vinden naar de toepassing van de kopergravure voor de muziekdruk, die reeds vanaf 1516 werd toegepast. Van de blokdruk voor muziek zijn enkele schitterende voorbeelden bekend, onder andere van Ugo de Rugeriis en Gafurius.

In Frankrijk begon de drukker-uitgever Pierre Attaignant in 1528 met muziekdruk in een fase. Deze methode was vermoedelijk een vondst van de lettergieter Pierre Haultin. Bij dit procédé werd van afzonderlijke typen gebruik gemaakt, waarbij balkfragmenten werden samengevoegd. Op die manier ontstond een volledige notenbalk, maar de samenvoeging was zelden volmaakt. De lezer werd altijd met een mozaïekachtig geheel geconfronteerd. In 1755 zou de Duitse drukker-uitgever Breitkopf de methode van Haultin verfijnen door de typen in zeer kleine onderdelen te splitsen, zodat een grotere verscheidenheid van samenstellen mogelijk was. Kon hij voordien een type slechts gewoon en omgekeerd gebruiken (een E werd dan een F), nu schiep hij meer mogelijkheden door in het typje slechts drie lijnen van de balk op te nemen en de beide andere lijnen naar wens erboven en/of eronder toe te voegen. Het geheel werd een soort legpuzzel.

Nederlanden

De vroegste muziekdruk verschenen in 1515, in de Nederlanden, bevatte twee motetten van Benedictus de Opitiis. De druk werd uitgevoerd door Jan de Gheet, van wie verder niets bekend is. Hij liet elke bladzijde in hout graveren.

De eerste drukker die het systeem van de dubbele drukwijze in onze streken toepaste, was Christoffel van Remunde uit Eindhoven. Hij vestigde zich in Antwerpen vanaf 1524. Hij drukte enkel liturgische boeken. De oudste bekende niet-liturgische muziekdruk in de Nederlanden is "een devoot ende profitelijck boeckxken, inhoudende veel gheestelijcke liedekens ende leysenen". Dit verscheen in Antwerpen in 1539 bij Simon Cock. Tielemans Susato was de eerste drukker van polyfonische werken, die bij ons het systeem van Haultin toepaste. Susato was afkomstig uit Keulen en vestigde zich in Antwerpen. Hij oogstte veel succes met zijn werken. Vanaf 1545 kreeg hij een mededinger, Peter Phalesius. Deze was drukker te Antwerpen en uitgever van muziek van Vlamingen die werkzaam waren buiten de Nederlanden.

Christoffel Plantin bekleedt in de Antwerpse muziekwereld een aparte plaats. Hij publiceerde liturgische werken, missalen, gradualen en antiphonaria. Slechts af en toe drukte hij polyfonische werken, en wel dan wanneer de componist ze zelf financierde. Het waren bijna allemaal dure luxe-uitgaven. Dank zij Susato, Phalesius, Plantin en enkele minder bekende ateliers heeft de muziekuitgave in de Nederlanden zeer verdienstelijke drukken verwezenlijkt.

Tabulaturen

Een heel aparte muzieknotatie was de tabulatuur. Dit schrift werd vooral voor toets- en snaarinstrumenten toegepast. Het notenschrift werd voorzien van een complex cijfer- en letterschrift, wat bij drukwerk bijzondere typografische vereisten met zich zou meebrengen. Bij de luittabulatuur voorzag men geen notenbalk, maar lijnen die een projectie gaven van het snarengeheel. Er bestond een grote diversiteit tabulaturen per instrument en per land. Ottavio dei Petrucci zou de eerste gedrukte luittabulatuur met verschillende drukgangen gerealiseerd hebben.

Gravure

Tegen het einde van de zestiende eeuw ging men voor muziek meer en meer de diepdrukgravure toepassen. Het invoegen van hulplijnen en bindbogen kon probleemloos gebeuren, maar een nadeel was de hardheid van het koper en de hoge technische en muzikale kennis die men aan de graveurs stelde. De eerste graveerplaten waren die van Petrucci te Venetië. In de zeventiende eeuw vielen op vele plaatsen in Europa de wetsbepalingen van de muziekdruk samen met die van de kopergravure. Er waren drukkerijen (onder meer deze van Pierre Ballard) die de oude systemen bleven gebruiken. Andere gingen over op de gravuretechniek en ontliepen op die manier de wettelijke bepalingen van het drukkersmonopolie, die officieel tot aan de Franse Revolutie bleven bestaan.

Vermoedelijk werd tussen 1750 en 1770 te Parijs meer muziek uitgegeven dan in de rest van Europa. In 1782 telde men er 44 muziekuitgeverijen, waaraan een totaal van 53 componisten verbonden was. Daarnaast waren er 31 graveurs, 19 kopiisten, 17 'gewone' drukkers en 11 drukkers van kopergravures. In Duitsland was het Leipzig, waar zich de meeste uitgeverijen en notensnijderijen bevonden. Een Duitse drukkerij die in 1719 te Leipzig op bescheiden voet was begonnen, de firma Breitkopf & Zoon, kwam breidde zich langzaam uit. In 1795 associeerde ze zich met Härtel en werd een hoofdkwartier van het Duitse muziekleven.

Stempeltechniek

Vanaf 1725 werd het graveren door notenslagen met staalstempels vervangen. Bij deze techniek werden de noten, of beter nootonderdelen in een loden plaat 'geslagen'. Breitkopf verbeterde de gegoten tekens: alle onderdelen van een noot, de kop, de stok, de vlag en het onderliggende balkfragment werden als losse typen vervaardigd. In de Nederlanden nam de Haarlemse drukker Johan Enschedé dit systeem over. Enkele van zijn zetsels bestonden uit 450 losse stukjes. Later werd deze drukker bekend met een uitgave van een belangrijke vioolmethode.

Bij het 'stempelslaan' werden met een vijftandige 'rastral' eerst de notenbalklijnen getrokken. Daarna werd de verdeling van de noten op de lijnen aangetekend. Na het merken droeg de plaat een verwarde overvloed van hulplijnen. Vervolgens werden alle tekens en noten met staalstempels in de plaat geslagen. Elke staalstempel vereiste zijn speciale slag. De maatstrepen, de notenvlaggen en de balkhulplijnen werden met de hand ingestoken. Dit vereiste een grote handigheid en trefzekerheid van de graveur. Wanneer het gezamelijke ontwerp op deze manier overgebracht was, moesten nog de hulplijnen en eventuele scherpe kanten van de plaat verwijderd worden. Er werd in spiegelbeeld gewerkt, evenals bij de handzetters voor gewoon drukwerk. Aan een klaviersonate van Van Beethoven (29 notenbladzijden) werkte een graveur zo'n vier weken.

Hedendaagse techniek

Voor muziekdruk zijn herhaaldelijk eenmalige technieken ontworpen. Zo probeerde Eugène Duverger in 1826 een procédé uit met gipsafdrukken. De muzieknotenschriftmachine van Andreo Ferretto in 1930 bleef eveneens een experiment. De evolutie in de drukindustrie, de revolutionaire mogelijkheden van de fotografie en het offsetprocédé hadden spoedig ook hun toepassing in de muziekdrukkerij. De sterke verspreiding van populaire bladmuziek in de twintigste eeuw werkte eenvoudigere en productievere methoden in de hand om muziek te reproduceren.

Het lood en het koper verdwenen uit de ateliers. De stempels voor notenslagen werden vervangen door hout- of metaalstempeltjes, of kleefnoten; de noten konden zo rechtstreeks op een witte papieren drager of op een transparante film worden aangebracht. Inmiddels zijn de in dit artikel vermelde procédés voor de pre-press van muziek door de elektronica en de computertechnologie ingehaald

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neumen en noten
Druk in fasen
Eenmalige druk
Nederlanden
Tabulaturen
Gravure
Stempeltechniek
Hedendaagse technieken