| |
|
|
| |
Over
de staart van de Q
Huib Billiet Adriaansen
Opgedragen aan
mijn broer, JacQues,
de oudste. |
Een kleine wandeling door de lettergeschiedenis,
aan de hand, of beter, aan de staart van de Q. Zo kan ik deze
tekst het best omschrijven. Waarom die ene letter van het alfabet
afzonderen? Die speelt in onze woordenschat toch geen sleutelrol?
Geen andere letter is zo unaniem als overbodig bestempeld. Wij
zouden zijn onafscheidelijke volgletter u zelfs uitspreken als
die er niet stond. En brengt de dwarsligger in het scrabblespel
niet meer kopzorgen dan plezier?
Ik heb mijn interesse voor letter zeventien van
ons abc aan Hendrik van den Keere te danken. Deze Gentse lettermaker
uit de zestiende eeuw is verantwoordelijk voor één
van de mooiste lange Qstaarten uit de vroege drukkunst. Ik vroeg
mij af hoe dat precies met de staart zat en hoe er over dat letterdetail
werd nagedacht. En waarom Q vandaag zo kortgestaart is.
In boeken en artikelen over letterkunst en typografie
hebben de rondingen van S, het oog van 'e', de hals van 'g' en
de benen van M altijd veel aantrek, allemaal dingen die uiteraard
van doorslaggevende orde zijn voor de het letterkarakter en de
letterherkenning. Het meest gracieuze onderdeel van Q is onderbelicht
gebleven. In dit artikel laat ik daar graag het licht op schijnen.
|
|
Knopen ontwarren
In deze tekst zoem ik in op Q maar
de daarvan afgeleide q laat ik niet links liggen. Kleine q is
een staartletter. Hij steekt uit naar beneden. Hoofdletters doen
dat doorgaans niet, behalve Q. Het is dus een buitenbeentje en
dat kunnen we hier letterlijk nemen. Q wordt soms cirkelletter
genoemd, hoewel het letteroog (binnenvorm van een gesloten letter)
niet altijd perfect rond is. Het streepje of boogje dat de basislijn
naar onder overschrijdt heet descender. Been kan ook, maar voor
een bevallig krullende staart van grote Q vind ik dat wat houterig.
In essentie bestaat Q dus uit een
min of meer rond letteroog en een aanhangsel. Zo zag zijn verre
Semitische voorvader er ook uit. Het verhaal doet de ronde dat
het teken voor 'aap' heeft gestaan. Dat is meegenomen voor mijn
verhaal over een letterstaart. Q kan echter ook teruggaan op een
Egyptische hiëroglyfe voor 'hoofd' of voor 'knoop'. Zelden
is aan dat soort kwesties kop of staart vast te knopen.
Neem nu de klank van de letter Q.
Voor de Feniciërs de plofklank k/q. Voor de Grieken de klank
kw/kwh, tenminste in hun oude alfabet, want later doet zich een
klankverschuiving voor naar p/ph. Daar hebben de Grieken al een
teken voor, namelijk phi. Zij laten Q links liggen in het voordeel
van K. De Etrusken die midden-Italië bevolken, behouden Q
uit het oude Griekse alfabet, altijd vergezeld van U. Zij geven
deze dubbelletter door aan de Romeinen. Dat gebeurt niet zonder
tegenstand.
Er wordt gefluisterd dat de consul-dichter
Licinius Calvus en de auteurs Cato en Terence Q van de hand wezen.
De spellingsdeskundige Nigidius Figulus gebruikte de letter liever
niet. Ook Quintillianus worstelde ermee. Allen hielden kennelijk
meer van C, een letter die al langer met de k-klank verbonden
was. Q wekte dus tegenzin, maar om één of andere
reden werd de voorkeur van de tegenstanders niet gedeeld. De staartletter
kreeg uiteindelijk zijn plaats in ons Latijn en bleef tot vandaag
samen met u.
|
|
| |
| Egyptische
hiëroglyfe, Noord-Semitische letter, Fenisische letter
en Etruskische versie. |
|
|
| |
| Geschilderde
capitalis rustica, 1ste eeuw,
capitalis quadrata,
capitalis elegans en
geschreven capitalis rustica, 6de eeuw. |
|
|
De gebeitelde Q
In de Romeinse tijd gebeurt iets van
kapitale betekenis. De staart van Q neemt een vlucht vooruit.
Ongeletterde slaven tikken met hun beitels langs de lijnen die
vooraf door een tekstschrijver op steen zijn aangebracht.
|
| Inscriptie
op de Titusboog in Rome
(Foto Vincent Ramos, 2005). |
Romeinen houden van meetkundige orde
en symmetrie. Dat zien we aan de vormen van de letterparen EF,
CG, MN en OQ.
De stenen letters van de capitalis
monumentalis – wij spreken over hoofdletters – lijken
ontworpen te zijn binnen de grenzen van een denkbeeldig vierkant.
O past perfect, maar aan Q hangt een staart. Die valt buiten het
vierkant en niet zomaar een beetje. Hij komt terecht tussen de
tekstregels, onder de volgletter. Gebeitelde Qstaarten liggen
bijna horizontaal of buigen met een curve door.
De gebeitelde Q uit de Romeinse tijd
vinden we terug op brokken steen in musea, maar ook op zuilen
en triomfbogen in open lucht. Dat is een unieke setting voor een
letter. Naarmate de dag verstrijkt is het alsof het letteroog
roteert, alsof de Qstaart vibreert.
 |
| Inscriptie
Pompei (internetbron: Eurotypo 2008). |
Q lijkt tot leven te komen door het
spel van een wijzigende schaduw. En dat is precies wat letters
gedurende de schriftevolutie te wachten staat. Over Romeinse hoofdletters
kun je zeggen dat ze eeuwigheidswaarde hebben omwille van hun
schoonheid, hun regelmaat en hun evenwicht, maar wij gebruiken
ook lettervormen die niet schatplichtig zijn aan kapwerk in steen.
Letters leiden een gevarieerder leven op de voorbehandelde en
gedroogde huid van kalveren en schapen, op perkament. De streken
van een penseel of de halen van een schuin gehouden uiteinde van
een rietpen en een ganzenveer maken een breed verschil. Ook voor
een letterstaart.
|
|
|
|
|
| Als
we meten vanaf het aanzetpunt tot het eindpunt merken
we dat de staarten even lang zijn als de diameter
van het letteroog of de zijde van het denkbeeldige
vierkant. Sommige staarten zijn zelfs nog langer.
Ze reikten tot aan de tweede volgletter. |
|
|
| |
| De
staart van Q wijst in de leesrichting. Dat lijkt logisch,
maar het had ook anders gekund. Er zijn immers talloze
voorbeelden van q-letters met een naar links wijzende
staart. Indien de Romeinse lettermakers maar even
hadden geaarzeld, dan zag onze hoofdletter Q er nu
heel anders uit. |
|
|
|
|
Een schat aan Qvormen
Vijftien eeuwen lettergeschiedenis
heeft een gamma aan lettergedaanten voortgebracht. Ze kregen namen
als capitalis quadrata, capitalis elegans en capitalis rustica,
uncialen en halfuncialen. Q kreeg het gezelschap van q. Beide
vormen kwamen door elkaar in één tekst voor. Ze
kegen merovingische, westgotische en Keltische trekken. Bepaalde
Qvormen werden aangeleerd in kloosterscholen, anderen hadden een
kort bestaan als vinding van een individu. Het geraamte van het
teken krulde zich in alle mogelijke bochten en kreeg body met
even zovele kalligrafische verbredingen en vernauwingen.
| |
| Uit
een Karolingisch manuscript. |
Vandaag zijn wij vertrouwd met een
Q die een gesloten letteroog heeft en een staart die naar rechts
wijst en een kleine q die een strakke vorm heeft. Dat was ooit
anders. Wat dacht je van een staart die verticaal hangt of geagiteerd
naar links zwenkt? Sommige Q’s hadden aan één
staart niet genoeg. De letterogen waren rond of hoekig, met of
zonder versiering. Soms hield Q zijn staart op afstand of nam
hem op in het letteroog. Q kon ook de vorm aannemen van C die
in de armen viel van zijn volgletter v. Soms slorpte Q zijn volgletter
in één vorm op, waarbij v volledig in het letteroog
terechtkwam.
Onze huidige kleine letters zijn het
resultaat van een schiftingsproces. Wat q betreft, brengt te weinig
staart verwarring met de letter o. Een dubbele staart is verspilling
en schrijft niet vlot. Een qstaart die naar links wijst brengt
verwarring met de ‘p’ en de ‘g’ en zet
de lezer op het verkeerde been met uitschuivers als ‘antipuariaat’
en ‘eguatoriaal’. De al te asymmetrische of scheefgetrokken
modellen zijn onaantrekkelijk. De hoekige vormen zijn van korte
duur of halen de esthetische norm niet.
Eén bepaalde harmonische abcvorm
gaat in de renaissance schitteren: de zogenaamde humanistische
letter.
| |
Oud humanistisch
schrift, Italië, 15de eeuw. |
Die ontstaat uit een misverstand.
Italiaanse intellectuelen hebben in de veertiende eeuw een onmatige
bewondering voor de antieke wereld. Zij ontdekken de klassieke
literatuur via middeleeuwse kopieën en zien in het handschrift
een antieke letter. In werkelijkheid zijn de teksten geschreven
in wat wij nu de Karolingische minuscel noemen. Het Karolingisch
eenheidsschrift evolueerde naar een vorm waaruit enerzijds een
primitieve gotische letter ontstond en anderzijds de humanistische
minuscel. De gotische letter zal de voorkeur genieten ten noorden
van de Alpen. De humanistische minuskel komt eerst in trek in
Italië. Later geeft hij de toon aan in heel de westerse wereld.
Italiaanse schoonschrijvers houden ook van een hellend handschrift
(cursief) en van sierlijke letterstaarten. In het gedistingeerde
kanselierschrift neemt zelfs kleine q de vorm aan van de Romeinse
capitalis, met een lange, golvende staart dus.
| |
Fragment uit 'La
Operina da imparare di scrivire littera cancellercha' van
Ludovico Arighi, 1522. |
|
|
| |


*
*

*
*



*
*
*


*

|
| Selectie
letters q en Q uit de handschriftperiode.
(Met dank aan Gustaaf
van den Abeele voor het hertekenen van de met een * aangeduide
letters). |
|
| Elk
schrijverstemperament heeft zo zijn eigen qvariant. Die
wijzigt soms met de leeftijd. De staart van Leonardo da
Vinci is wispelturig: eerst met een kleine curve neerhangend,
later een ronde boog waarvan het eindpunt de hoogte bereikt
waar de staart begint, en daarna een curve die een heel
stuk boven het startpunt van de staart eindigt. En in spiegelbeeld. |
|
|
| |
| Hertekend
initiaal uit Geronymus' commentaar op Jeremiah, jaar 1100. |
| |
| Hertekende
Angelsaksische initiaalletter, 7de eeuw. |
 |
| Visigotische
Q uit de 'Codice Emilianense 46', Spanje, jaar 964. |
|
Draak van een staart
Bartolomeo Sanvito uit Padua was kalligraaf en kopiist.
Hij ontwierp ook initialen, versierde beginletters. Die bestonden
natuurlijk al langer. We vinden ze terug in de middeleeuwse volumineuze
psalmboeken en Bijbels, waar ze het begin van een hoofdstuk of
van een paragraaf markeren.
Q kan hier een gestileerde letter zijn of een illustratie
bij een tekstpassage, zoals over het monster in Jesaja of over
de zeeslang in Job. De draak wordt frequent voor Q gebruikt. Dat
wezen kan volledig de staart van de letter vormen. Soms zien we
de letter als twee draken die elkaar in de staart of in de hals
bijten of worden bevochten door de aartsengel Michael. De staart
kan een krokodil zijn, of een vos met een slang in de muil.
 |
Uit het boek 'Moralia in Job', 12de eeuw
(www.coindet.com/realisations2.htm).
|
De initialen van Bartolomeo zijn zachtaardiger.
Hij wil Q groot en toch de lange staart behouden. Dus prikt hij
de staart door het vierkant met de afbeelding van de letter en
laat hem er langs de achterkant weer uitkomen. In een andere initiaal
breekt hij de staart gewoon af, maar hij legt het afgebroken stuk
zichtbaar neer in het tafereeltje. Een vondst. Hier evoceert Bartolomeo
iets van de landelijkheid, gezien door de ogen van Vergilius.
Een sater wordt op de Q (en op handen) gedragen.
| |
| Initiaalletter
uit een bekommentarieerde tekst
van Vergilius, getekend door
Bartolomeo Sanvito de Padova, Rome,
tussen 1483 en 1485. |
Dacht de tekenaar misschien aan Titivillus? Deze middeleeuwse
duivel werd door monniken in het leven geroepen. Hij waart rond
in de kloosterbibliotheken op zoek naar slachtoffers. Wie in slaap
valt, een spelfout begaat of teveel het woord ‘quoniam’
of een ander q-eufemisme voor het schaamdeel laat vallen, komt
op Titivillus’ lijstje dat bij het laatste oordeel van pas
zal komen. Zouden we de afgebroken staart als een allegorie van
de foutencultuur kunnen zien?
En zou ook ik een kandidaat zijn op Titivillus’
lijstje omdat ik in dit artikel de letter Q schaamteloos van zijn
context afzonder? |
|
 |
| Initiaal
uit 'De eucharista contra Petrum Martyrem Vermilium', 16de
eeuw. |
|
| Q-initiaal
uit Sint Gregorius, 'Moralia in Job', rond 1100. Gemeentelijke
bibliotheek Dijon. |
 |
| Karolingische
initiaal, Frankrijk, 755
(Bron: Internet: Art Illustration Gaspard.) |
|
| Initiaal
uit 'De Oficiis' van Marcus Tullius Cicero, manuscript uit
1498, toegeschreven aan Bartolomeo Sanvito, Rome. |
|
|
|
| Prismatische
Q van de kalligraaf Felice Feliciano, 1463. |
|
Q met passer en lat
“De letter Q op een Koerdische affiche leidt
tot een veroordeling door Turkse rechters”. Als we de vorige
zin lezen, vinden we de inhoud misschien choquant, maar we staan
wellicht niet stil bij het feit dat de hoofdletters op een heel
andere manier vorm kregen dan de kleine letters. Onze kleine letters
zijn het resultaat van een langdurige modellering van de handschriftletter;
een humanistisch streven naar een nieuwe esthetiek. De vormen
van onze hoofdletters echter, gaan rechtstreeks terug op de antieke,
gebeitelde Romeinse inscripties. Dat wil niet zeggen dat er niet
over de vorm werd nagedacht.
De capitalis monumentalis beleeft een wedergeboorte
in Italië vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw.
| |
| Hertekende Q uit een
inscriptie van Leon Battista Alberti (Firenze) op een geometrisch
basisschema uit een traktaat van Fra Giocondo da Verona,
eind 15de, begin 16de eeuw. |
De traktaten over letterconstructies volgen elkaar
op en meteen hebben wij hier de eerste voorbeelden van serieuze
letterbestudering met mathematische hulpmiddelen. De kalligraaf
Felice Feliciano zet de toon met zijn geometrische module van
vierkant en cirkel en van een verhouding 10:1 die al door Pythagoras
als perfect werd beschouwd. De wiskundige Fra Luca de Pacioli
neemt de letterconstructie op in zijn filosofisch traktaat over
de gulden verhoudingen. Ook de Duitse meetkundige en graveur Albrecht
Dürer draagt zijn steentje bij. De Franse taalkundige en
drukker Geofroy Tory zoekt inspiratie in de verhoudingen van het
menselijke lichaam en betrekt zelfs de Griekse godin Io bij de
zaak. Allen gaan met veel wiskundige ijver tewerk om met cirkels
Qcurven te tekenen met gebruikmaking van passer en T-lat.
| |
Hertekende
Q uit 'Champ Fleury' van Geoffroy Tory, 1529. |
De lettercreaties wekken bewondering, maar de zuiver
rationele vormen vertonen ook schaduwkanten. Al in de tweede helft
van de zestiende eeuw plaatst Giovan Francesco Cresci, schrijfmeester
van de Vaticaanse bibliotheek, er vraagtekens bij. Is het oog
niet belangrijker dan wiskundige perfectie? Kunnen staartcurven
niet wat subtieler? Cresci voelt dan al aan wat de onderzoeker
Edward Catich in volle twintigste eeuw voor het eerst aantoont.
De prachtige vormen van de Romeinse letters zijn niet alleen bepaald
door de beitelslag. Voor de steenkapper aan het werk ging, werden
de teksten vooraf vaak met een penseel geschilderd. Dat verklaart
de natuurlijkheid en de kwaliteit van de letterstaarten die moeilijk
te kopiëren zijn met een passer, zonder aanvullingen of retouches
met de vrije hand.
| |
Letter van Giovan Francesco Cresci,
tweede helft van de 16de eeuw.
|
Het praktische nut van de rationele letterreeksen
uit de renaissance voor de ambachtelijke vervaardiging van druklettertjes
is miniem geweest. Kalligrafen en lettersnijders uit de beginperiode
van de drukkunst betrouwen meer op het oog en het gevoel. Zij
gaan uit van oude handgeschreven teksten, niet van de grote gebeitelde
modellen of mathematische constructies. Immers, de letterarchitecten
nemen een loopje met een kalligrafie hoofdregel: een consequent
aangehouden penstand. Die zorgt ervoor dat de schaduwovergangen
(vernauwingen en verdikkingen) bij alle letters eenvormig zijn.
Of de rationele letterreeksen geen leven hebben
en kouder zijn dan de stenen voorbeelden op de Romeinse zuil van
Trajanus, zoals Jacques André schrijft, is vatbaar voor
discussie. Over één ding bestaat echter geen twijfel.
Alle gemodelleerde Q's hebben een staart om u tegen te zeggen.
|
|
| |
| Q
uit 'Divina Proportione' van Luca Pacioli, 1509. |
| |
| Letter
uit 'Underweisung der Messung mit dem Zirckel und Richtscheit'
van Albrecht Dürer, 1525. |
| |
| Staartconstructie
van de Q uit 'Opera del modo de fare le littere maiuscole
antique', Francesco Torniello da Novara, Milaan, 1517. |
|
|
|
| Bij
centraal-Europese drukkers zoals Fust en Schöffer,
Conrad Sweynheym, Arnold Pannartz en Zainer Gunther, zien
we nog een zekere twijfel tussen de gotische hoofdletter
en de 'klassieke' hoofdletter. Hier twee verschillende Q-vormen
op één pagina uit een werk van Peter Schoeffer,
Mainz, 1473. |
|
Gotische Qvormen
De oude druktechniek bestaat erin losse letterblokjes
of letterstaafjes samen te voegen tot woorden, regels en pagina’s.
Voor de letters in het pionierswerk van Johann Gutenberg staat
het formele gotische schrift model. Hij wil precies hetzelfde
beeld als het handschrift. De drukker kan zich niet voorstellen
een volstrekt nieuw lettertype te ontwerpen. De vorm van de gotische
kleine q en zijn horizontale en verticale spiegelbeelden p, d
en b, is tot zijn essentie herleid.
| |
Fragment uit de
Psalter van Fust en Schöffer, gotische drukletters,
1457, Mainz. |
De verticale, wat hoekige gotische lettervormen
zijn mogelijk ontstaan uit de noodzaak compacter en bijna zonder
curven te schrijven. Niet verwonderlijk dat de gotische hoofdletter
Q zijn staart behoorlijk intrekt.
In navolging van de oude manuscripten worden de
pagina’s wel verlucht met afzonderlijke Q-letters die in
alles verschillen met de gotische broodletter. Het gaat om grotere,
met de hand getekende lombarden. Deze paragraaftekens van weleer
groeien nu uit tot initialen met hoofdletterfunctie. Lombarden
hebben dikke staarten met fijne uiteinden. Ze kruipen tussen de
tekstregels door, maar het liefst hangen ze links van het letteroog
in de paginamarge, waar ze in de randversiering kunnen opgaan.
| |
Pagina uit 'De Re
diplomatica' van Jean Mabillon, een eerste systematisering
van veertiende en vijftiendeeeuwse schriftletters en initialen,
1681. |
|
|
|
| Uit
het lettertype 'Cloister Black ATF, getekend door Morris
Fuller Benton en Joseph Phinney, 1904. |
|
| Uit
het lettertype 'Klingspor' van Rudolf Koch, 1925. |
|
| Uit
het lettertype 'Blackswanbf' van Bomparte's Font, 2007. |
|
| |
| Hertekende
lombarde initiaal uit een muziekhandschrift. |
|
| |
| Lombarde
uit 'Summa Bartholomaei Pisani', omstreeks 1475. |
|
|
| |















|
| Selectie
vormen van Qstaarten uit de periode van de wiegdrukken (vóór
1501). |
| |
| Qstaarten
van achtereenvolgens Christopher Van Dyck, Hendrik van den
Keere, Claude Garamond, François Guyot, François
Gryphe en Antoine Augereau. |
|
Krulschilfers
In Zuid-Italië houden de drukkers niet zo van
het donkere gotische letterweefsel. Teveel verbonden met de middeleeuwen.
Na ruim twintig jaar experimenteren, breken zij baan met een meer
open, ronde drukletter; rechtopstaand (romein) of licht hellend
(cursief).
| |
| Fragment uit 'Laertius',
gedrukt met de romain van Nicholas Jenson, Venetië, 1475. |
Hoofdletter Q behoudt hier zijn Romeinse vorm, maar
de staartvorm wordt een compromis. In vergelijking met de vrije
zwierigheden van het handschrift wordt de bewegingsvrijheid van
de Qstaart ingeperkt door de kleine ruimte tussen de tekstregels.
Een al te doorbuigende staart kan niet. Langer dan twee volgletters
is uitzonderlijk.
De lange Qstaart maakt opgang in Parijs. Ook daar
voelen de drukkers iets voor een meer luchtige lettervorm, naast
de gotische typen die zolang de manuscripten en de eerste drukken
hebben gekenmerkt. Q’s met een korte staart worden niet
verworpen. Maar een drukker die aan vernieuwing toe is, of met
zijn tijd mee wil zijn, laat prompt een langestaartversie snijden.
| |
Letter Q toegeschreven
aan Claude Garamond, 1564. |
Dat gaat ongeveer als volgt. In het midden van de
uitpunt van een staafje ongehard staal drukt de lettersnijder
eerst een tegenstempeltje (een negatief van het binnenste van
het letteroog). Daarna snijdt hij met een fijne burijn vanaf de
buitenrand het overtollige zachte staal weg, krulschilfer per
krulschilfer van zo’n 0,01 mm dik. De letter in spiegelbeeld
wordt in een koperen matrijs geslagen en dat zal de gietvorm zijn
voor een grote hoeveelheid loden letters.
De letter Q met lange staart en vaste volgletter
brengt enkele specifieke problemen met zich mee. Om een te grote
ruimte tussen Q en u te vermijden, kan het lettergeheel ‘Qu’
op één enkel staafje gesneden en gegoten worden.
Een andere oplossing bestaat erin op één staafje
de Q met het eerste stukje van de staart te snijden, en op een
ander staafje de letter u met het resterende staartdeel.
In de jaren twintig en dertig van de zestiende eeuw
zien we nog zowel drukletters Q met een korte staart als met een
lange staart door elkaar in eenzelfde gedrukte tekst. Soms bieden
lettergieters beide vormen aan en laten de keuze aan de drukkers.
Maar vlug tekent zich een trend af van Qstaarten die minstens
tot onder de volgletter u reiken. We zien dit in de schitterende
uitgaven van klassieke schrijvers en auteurs van religieuze en
wereldlijke teksten (in Latijn weliswaar). De lange staartbogen
van de frequente voornaamwoorden als Quis, Quid, Quam en Quod
springen meteen in het oog. Ze lijken het woord bijeen te houden.
Het is een krachtig logo van de drukkunst uit die periode.
In de tweede helft van de zestiende eeuw is de lange
staart bon ton, ook bij de succesrijke drukkers buiten Frankrijk,
zoals de Antwerpse Plantin-drukkerij die nu de toon aangeeft.
De lettercatalogus spreekt boekdelen. Het grootste aantal Q’s
met lange staart vinden we in de creaties van Claude Garamond
en Robert Granjon. Deze laatste snijdt ook een versie die beter
bij cursieve tekst past. Hier maakt de staart eerst een kaligrafisch
ommetje om zich vervolgens weer te krullen in de leesrichting.
| |
| Cursieve
letter Q van Jean Jannon uit 1642. |
Een variant daarvan, die al een lang leven heeft
geleid in het sierlijke handschrift, wordt vaak als alternatief
aangeboden. Deze Q vertoont een open letteroog waardoor hij meer
op het cijfer 2 lijkt.
Robert Granjon zoekt ook naar mogelijkheden om handschrifttekst
met losse typen te drukken. De eerste civilité-letterreeks
met een heel aparte hoofdletter Q is van zijn hand. |
|
| |
| Originele
stempels van Claude Garamond (Museum Plantin Moretus, Antwerpen). |
| |
| Zeldzaam
voorbeeld van afzonderlijk gegoten Qstaart uit een letterreeks
van Simon de Collines, eerste helft 16de eeuw. |
| |
| Om
een te grote spatie tussen de Q en de u te vermijden wordt
het geheel uit twee staafjes samengesteld. |
|
| In
hout gesneden initialen uit de eerste bloeitijd van de drukkunst.
Boven: initiaal van Hans Holbein, 1526, initiaal uit 'De
Humani Corporis Fabrica' van Vesalius, 1543 en initiaal
uit het atellier van Johan Schöffer in Mainz, begin
16de eeuw. |
| |
| Herinterpretatie
van een Garamond Q cursief. |
| |
| Cursieve
Q van Otto Fabler. |
| |
| Schriftletter
Q Arrighi BQ van Berthold Types. |
| |
Q uit de civilité-letter.
Robert Granjon ontwierp zijn eerste reeks in 1557. |
|
| |
Koninklijke Q
Is er een verband tussen Qstaarten en pruiken? Lodewijk
XIV bemoeit zich in elk geval met de letterkwestie. De Eeuw van
de Verlichting luidt voor de typografie een periode in van de
regel, het voorschrift en de standaarden. Het letterstelsel moet
maar eens op punt gezet worden. Maar eerst droomt de vorst van
een Koninklijke drukletter, de zogenaamde ‘Romain du roi’.
In de laatste jaren van de zeventiende eeuw komen
enkele geleerden bijeen voor een groots werk over de beroepen
en ambachten. Ze beginnen met het ambacht dat alle andere bewaart:
de drukkunst. Om het werk te illustreren worden kopergravures
gemaakt met letterconstructies die model zullen staan voor de
vervaardiging van losse druklettertjes.
| |
| Hertekende voorstelling uit de reeks
kopergravures in het kader van de 'Description des métiers',
1695-1718, in opdracht van Lodewijk XIV. |
Het project loopt jaren vertraging op door staatsstrubbelingen,
maar ook door academische en andere, minder verheven polemieken.
De tussenkomsten van de graveur en verantwoordelijke voor de koninklijke
lettergieterij Philippe Grandjean wordt gecontesteerd. Die krijgt
het aan de stok met enkele collega’s en die voelen zich
op hun staart getrapt. Maar uiteindelijk buigen de leden van de
Académie des Sciences zich broederlijk over de gloednieuwe
microscopen om de letters uit het verleden te analyseren. Ze geven
hun nieuwe letters vorm op een dambordachtige achtergrond van
duizenden kleine vierkantjes. In het ideaal dat ze voor ogen staat,
blijft de lengte van de Qstaart eerder beperkt. De vorm is rationeel
en economisch. Dan gaat de Grandjean met zijn letterstaafjes aan
de slag. Voor hem is wiskundige perfectie ondergeschikt aan de
natuurlijke letterwelvingen. Een vlot leesbare tekstregel vereist
immers optische aanpassingen aan de lettertekens. Maar op een
afdruk van zijn Q blijkt dat hij nog een beetje meer op de staart
heeft beknibbeld. |
|
|
| Cursieve
Q uit de reeks gravures in opdracht van Lodewijk XIV en
de letter die in 1695 model stond voor de lettersnijder. |
| |
| Letterstempel
uit de reeks 'Romain du Roi', gesneden in 1699. |
|
|
| |
| Letterstempel
met Q van John Baskerville (1706-1775). |
| |
| Lettermodel
naar Firmin Didot (1764-1836). |
| |
| Lettermodel
naar Giambatista Bodoni (1740-1813). |
| |
| Q
uit de Linotype Monticello, getekend door C. H. Griffith
in 1946 naar een model van James Ronaldson uit 1812. |
|
Hoe lang nog?
Als koerante boekdrukletter heeft Q met een heel
lange staart het twee eeuwen lang volgehouden. Niet slecht voor
een letteraanhangsel. Daniel Updike meent te weten waarom. Gerespecteerde
drukkers beschikten over een lettercatalogus of letterproef. Daarin
drukten zij in elk type een neptekst af die begon met de beginregels
van een redevoering van Cicero: “Quousque tandem abutere,
Catilina, patientia nostra” (Hoelang nog, Catilina zal je
mijn geduld op de proef stellen). De eerste letter werd groot
afgedrukt en de drukkers leken met elkaar te wedijveren in staartlengtes.
Waren de staarten nooit zo lang heel lang gebleven indien Cicero’s
voordracht tegen de samenzweerder Catilina met een ander woord
was begonnen?
Een nieuwe generatie ontwerpers houdt meer van een
verticale letter-as en nog kortere descenders. Een lange Qstaart
past niet in het concept van de ‘modern face’. Statig,
koel en hooghartig zal die nieuwe letter genoemd worden. De staart
behoudt zijn gracieus karakter, maar in enkele creaties krult
hij gedeeltelijk in het letteroog zodat hij minder een aanhangsel
lijkt.
Vanaf het midden van de negentiende eeuw wint de
schreefloze drukletter terrein. Het is een letter die geen schreven,
of fijne dwarse uiteinden heeft. Voor de letter l volstaat een
naakte verticale streep. De klassieke drukletter Q krijgt het
gezelschap van een variant zonder schaduwcontrast, een variant
met een stokstijf staartje zonder boog noch krul, en een variant
waarbij de staart zich meer in dan buiten het letteroog bevindt.
De grens van de versobering is bereikt. Hier gaat Q weer op zijn
antieke voorvader lijken.
| |
Letter
Futura, getekend door Paul Renner, 1927. |
Vanaf de late negentiende eeuw wordt het letterontwerp gekenmerkt
door rariteit, humor en fantasie. De grote vormvariatie die Q
gedurende de eeuwen van zijn schriftevolutie in zijn geraamte
kende, ondergaat de letter op het vlak van zijn aankleding, zijn
versiering. Uiteraard zijn fantasieletters niet bedoeld voor leesteksten.
Bij de oude initialen werd de illustratie nog aan
de letter opgehangen of rond de letter vormgegeven. In de letteralfabetten
en de publicitaire gelegenheidsletters die uit de grenzeloze verbeelding
van de ontwerpers voortkomen, is de letter zelf illustratie geworden.
| |
Pagina uit een alfabetboekje van John Leighton, 19de
eeuw.
|
Om vandaag decoratieve en illustratieve Q’s
te zien in de vorm van logo’s en blikvangers, moeten we
kunstzinnige publiciteit doorbladeren, door websites over letters
surfen, of gewoon onze ogen openhouden op straat. Letten we bij
het zien van mijn letter niet altijd een beetje op zijn staart,
met stille hoop dat er iets origineels mee aan de hand is?
| |
Gefotografeerde Qvorm uit een letterfont
gebaseerd op architectuur in Barcelona, Liesa Rienermann.
|
|
|
| |
| Q-letter
uit het menselijk alfabet van Hemeleerst-van-Houter, 1870. |
| |
| Q
uit de letterreeks Alphabet diabolique, 1837. |
| |
| Letter
getekend door Anna Simons, 1921. |
| |
| Voorbeelden
van publicitaire Qletters. |
|
|
| |







|
| Selectie
Q-letters die op de markt kwamen onder de naam Garamond.
Achtereenvolgens van International Typeface Corporation
(ITC), Adobe Systems, Simoncini, Berthold, Stempel en twee
op de Garamondletter gebaseerde Q's onder de naam Sabon
en Granjon. |
|
Een staart om te imponeren
In handschrift, kalligrafie en publiciteit is Q
met lange staart nooit weggeweest. In ons courant boekwerk zien
we de lange Qstaart niet meer. De twintigste eeuw kent nochtans
een bloei van heruitgaven van klassieke boekletters. De tekenaars
gaan uit van eeuwenoude gedrukte originelen. Geen sinecure. De
onduidelijke details plaatsen hen voor ontelbare keuzes. Wat is
de precieze helling van de letter? Hoe verhoudt zich de schaduwdikte
van oog en staart? Wat is de exacte staartcurve en waar precies
zit de staart aan het letteroog vast?
Maar toch is de keuze tussen een behoorlijke Qstaart
die tot onder één of meer volgletters reikt of een
Qstaart die dat niet doet van een heel andere orde. Bij enkele
hertekeningen werd de lange staart behouden, maar bij een meerderheid
van imitaties van boekletters uit de zestiende en zeventiende
eeuw blijkt dat de tekenaars een stukje van de originele staart
hebben verdonkeremaand. Hier is geen sprake van hertekening, zelfs
niet van herinterpretatie.
De Q's uit de tientallen letterreeksen die onder
de naam Garamond op de markt zijn gebracht maakt een en ander
duidelijk. We tellen er al gauw meer dan veertig. Sommige zijn
gebaseerd op originelen van Garamond. Anderen dragen wel de naam
Garamond, maar zijn gebaseerd op originelen van tijdgenoten. Een
derde reeks draagt een andere naam, maar zijn wel gebaseerd op
originelen van Garamond. Bij al deze letters is een lange staart
hoogst uitzonderlijk, terwijl dat nu juist het kenmerk was van
het origineel.
Toen Frank Heine in 2003 zijn letterreeks 'Tribute'
uitbracht, gaf hij trots aan dat hij zich baseerde op de oude
letters van de Franse lettersnijder François Guyot. Maar
de zeer originele lange Qstaart (een staart die beslist kan wedijveren
met die van Hendrik van den Keere) is gewoon vervangen door een
'modern face' uit de 19de eeuw. De moderne visie over drukletters,
namelijk het streven naar harmonie tussen letterogen en de naar
boven en beneden uitstekende stokken en staarten, haalt het hier
van de traditie.
Zelfs in de creatie van nieuwe letterreeksen, zonder
het oogmerk een bepaald oud type te imiteren, blijkt Q een delicate
klip om te ronden. Er zijn voorbeelden van gerespecteerde letterontwerpers
die zich bijna verontschuldigen voor hun keuze Q te voorzien van
een behoorlijke staart, die ze in een herziene versie ervan dan
ook inkorten. De lange staart zou beschouwd kunnen worden als
overdreven, iets om enkel te imponeren, een gebrek aan subtiliteit,
een beter niet te herhalen jeugdzonde. “Het is lieflijk,
maar de hoofdletter Q is echt onaanvaardbaar voor uitgave”
schrijft een kritische lezer over de Garamond-remake van Ross
Mills uit 1994.
| |
Gedigitaliseerde
interpretatie van een Q van Hendrik van den Keere, door
de Dutch Type Library, 1994. |
Voor leestekst is ons oog gewoon aan een korte staart.
Iets anders zou ons vertrouwd letterbeeld vlug in verwarring brengen,
behalve als het om teksten over lettergeschiedenis gaat, historische
herdrukken, typografisch gelegenheidsdrukwerk, of uitgaven voor
lettersnoepers zoals u en ik.
|
|
| |
| Enkele
letters uit een origineel van Francesco Griffo (1499) en
daaronder de hertekende versie van George Malin, uitgebracht
onder de naam Dante in 1955. |
| |
| Letters
Q uit de reeks 'Lutetia', ontworpen door Jan Van Krimpen,
eerste uit 1923-1924 en de herziene versie uit 1929. |
| |
|
Qu-oplossingen van de reeks 'Pradell' ontworpen naar de
stempels van Eudald Pradell door Andreu
Balius in 2001-2003. |
|
| |
|
|
Bibliografie
André, Jacques en
Girou, Denis: Father Truchet, the typographic
Point, the Romain du roi, and tilings, TUGboat, vol. 20,
1999 (Internet).
André, Jacques: De Pacioli à
Truchet, Trois siècles de géométrie pour
les caractères, juli 2007 (Internet).
Armin U. Stylow: Los inicios de la epigrafía
latina en la Bética, Coloquio sobre Roma y el nacimiento
de la cultura epigráfica en occidente : [Zaragoza, 4 a
6 de noviembre de 1992 : actas] / coord. por Francisco Beltrán
Lloris, 1995 pags. 219-238, (Internet).
Avrin, Leila: Scribes, script and books,
the Book Arts from Antiquity to the Renaissance, Chicago/London,
1991.
Bonnetty, M. A.: Le kophs des langues sémitiques,
Annales de philosophie chrétienne, Dictionnaire de diplomatique,
Paris, 1837.
Brown, Frank Chouteau: Letters & Lettering,
a treatise with 200 examples, Bates & Guild Company,
Boston, 1921.
Cappelli, Adriano: The elements of abbreviation
in Medieval Latin palaeography, University of Kansas, 1982.
Carter, Harry: Orígenes de la tipografía,
Punzones, matrices y tipos de imprenta, Madrid, 1999
Casas, José Gonzalo de las: Anales
de la paleografía española, Madrid, 1857.
Chadwick, Whitney: Woman, art and Society,
London, 1991.
Ciapponi, Lucia: "A Fragmentary Treatise
on Epigraphic Alphabets by Fra Giocondo da Verona", in: Renaissance
Quarterly, vol. 32, No. 1, Spring, 1979, pp. 18-40.
Dowding, Geoffrey: An introduction to the
history of printing types: an illustrated summary of the main
stages in the development of types design from 1440 up to the
present day an aid to type face identification, Wace, London,1961.
Dreyfus, John: Reproductions of fifteen type
specimen sheets issued between the sixteenth and eighteenth centuries,
London: Bowes and Bowes, 1963.
Frost Abbott, Frank: “The Evolution of
the Modern forms of the Letters of Our Alphabet: With a Plea for
Pure Palaeography”, in: Modern Philology, vol.
2, no 3 (Jan, 1905), pp. 307-319.
Gray, Nicolete: A history of lettering: creative
experiment and letter identity, Phaidon, Oxford, 1986.
Gray, Nicolette: "The Newberry alphabet
and the revival of the roman capital in fifteenth-century Italy",
in: Typography papers, 6, 2005.
Haebler, Konrad: Typenrepertorium der Wiegendrucke,
abt I en III, Rudolf Haupt, Leipzig, 1909.
Jammes, André: La réforme de
la typographie royale sous Louis XIV, Le Grandjean, Librairie
Paul Jammes, Paris, MCMLXI.
Kapr, Albert: Deutsche schriftkunst, Versuch
einer neuen historischen Darstellung, Verlag der Kunst, Dresden,
1959.
Kemp, William: “Latomus, F. Gryphe, Augereau
and the Aldine Romans in Paris, 1531-33”, in The Library,
1991.
Kuiper, Willem: Lombarden, paragraaf- en
semiparagraaf-tekens in Middelnederlandse epische teksten,
Dbnl, 2003 (Internet).
Labitte, Alphonse: Les manuscripts et l’art
de les orner, Charles Mendel, Paris, 1893.
Lapacherie, Jean-Gérard en Lehmann,
Anna: “Typographic Characters: Tension Beteween
Text and Drawing”, in Yale French Studies, n°
84, Boundaries: Writing & Drawing, 1994.
Lawson, Alexander: Anatomy of a typeface,
Boston, 2005.
Letterproef bij de introductie van DTL PARADOX een ontwerp van
Gerard Unger, Dutch Type Library, april 2002.
Lo Celso, Alejandro: "A discussion on Type
Design Revivalism", MA in Typeface Design, Department
of Typography & Graphic Communication, The University of Reading,
UK, May 2000 (Internet).
Mardersteig, Giovanni: “Leon Battista Alberti
and the revival of the roman inscriptional letter in the fifteenth
century”, in Typography papers, 6, 2005.
Marinoni, Augusto: “The literary Works
of Leonardo da Vinci”, in: The Art Bulletin, vol.
61, n° 4, dec., 1979.
Meiss, Millard: Andrea Manegna as illuminator,
Glückstadt, 1957.
Morison, Stanley: "Pacioli’s classic
Roman alphabet", Dover Publications, in., New York, 1994.
Nach, John R.: In defence of the roman letter,
EJF Newsletter (Internet)
Nordenfalk, Carl: “Italian Romanesque Illumination”,
in The Burlington Magazine, vol. 112, N° 807 (Jun.,
1970), pp. 401-403.
Pacioli, Luca: Divina proportione, nach der Venezianischen
Ausgabe vom Jahre 1509 neu hrsg, Graezser, Wien, 1889.
Peeters, Jan: Algemene historisch gefundeerde
grafische esthetica, Higro, Gent, 1969.
Smeijers, Fred: Counterpunch, making type
in the sixteenth century, designing typefaces now, Hyphen
Press, London, 1996.
Sperling, Christine: "Leon Battista Alberti’s
Inscriptions on the Holy Sepulchre in the Capella Rucellai, San
Pancrazio, Florence", in: Journal of the Warburg and
Courtauld Institutes, Vol. 52 (1989), pp. 221-228.
Stiff, Paul: "Brunelleschi’s epitaph
and the design of public letters in fifteenth-century Florence",
in Typography papers, 6, 2005.
Ullman, B.L., Ancient Writing and its influence,
London, 1933.
Updike, Daniel: Printing types, their history,
forms, and use, Belknap press of Harvard University Press,
Cambridge, 1962.
Vaines, Dom de: Dictionnaire raisonné
de diplomatique, Lacombe, Paris, 1774.
Van Krimpen, Jan: Over het ontwerpen en bedenken
van drukletters, De Buitenkant, Amsterdam, 1990.
Vervliet, Hendrik: “Roman types by Robert
Granjon”, in: De Gulden Passer,1998-1999, 5-76.
Vervliet, Hendrik: “Simon de Collines,
punchcutter 1518-1546”, in: De Gulden Passer, 2003.
Wardrop, James: The script of humanism, Some
Aspects of Humanistic Script 1460-1560, Oxford, 1963.
Zapf, Hermann: «Typographie des caractères
romains de la Renaissance», in Cahiers GUTenberg,
n° 37-38, décembre, 2000 (Internet).
Zapf, Hermann: Manuale typographicum,
Z-presse, Frankfurt/New York, MCMLXVIII.
|
 |
|
 |
 |
|
 |
 |
 |
 |
|