|
|

Het woord tumbao is de verkorting van het voltooide
deelwoord tumbado. Dat is op zijn beurt afgeleid van het werkwoord
tumbar (slaan) en het woord tumba (trom). Onder muzikanten en
in handboeken voor slagwerk is tumbao een basispatroon dat op
een trom wordt gespeeld. Het woord werd in de jaren dertig in
kringen van populaire muziek geïntroduceerd. Na eeuwenlang
als achterlijk en vulgair beschouwd te zijn, deed de trom zelf
zijn intrede in het dansorkest.
Tumbao als bas- en basisritme
Cubaanse auteurs schrijven het woord tumbao meestal tussen aanhalingstekens,
of in cursief. Ze doen dat omdat Cubanen het woord ook buiten
de strikt muzikale sfeer gebruiken (Zie verder). Rond 1937 veranderden
de muzikanten van het orkest van Antonio Arcaño een en
ander aan het laatste deel van hun dansnummers. De bassist speelde
voor de lol een ritmische figuur die ongebruikelijk was, terwijl
de pianist een gesyncopeerde begeleidingsstijl aanhield. De muzikanten
waren opgetogen over de ‘vondst’. Ze noemden het tumbao.
In een interview uit 1946 heeft de orkestleider Antonio Arcaño
het over de bas “die het tumbao voor zijn rekening neemt”.
Het is niet moeilijk klank- en ritmeovereenkomsten te horen tussen een
basisritme dat op een trom wordt gespeeld, en een basisritme van een contrabas,
zeker bij iemand als Orestes López die de reputatie had zijn bas
als trom te gebruiken.
De benaming tumbao werd uitgebreid tot de hele ritmesectie. Dat was in
het Cubaanse orkest de piano, de trom, kleine slaginstrumenten en twee,
op een statief geplaatste, platte cilindrische trommels, de timbales.
Voor het ritme dat de timbalero met stokken op de zijkant van de instrumenten
slaat, hebben Cubanen een eigen woord: cáscara. Dit wordt op zijn
beurt met het tumbao in verband gebracht in de oude uitdrukking “si
no hay cáscara, no hay tumbao“ Letterlijk betekent het: als
er geen cáscara is, kan er geen tumbao zijn, maar hier wordt bedoeld:
als er geen geld is, is er geen handel.
Tumbao zonder trommen
In de bloeiperiode van de grote Cubaanse dansorkesten (jaren
40 en 50 van vorige eeuw) waren nog kleinere ensembles aan het
werk die vooral sonmuziek uitvoerden. (De son wordt wel eens de
parel van de Cubaanse muziek genoemd). Angel Quintero Rivera verleent
het oude sonritme het karakter van een tumbao. Zelfs in groepjes
waar slechts twee gitaren werden gebruikt, zoals het befaamde
Trío Matamoros, sprak men over tumbao. Dat was in essentie
een melodisch-harmonische beweging, voortgebracht op de laag klinkende
snaren van de gitaar, gecombineerd met percussie op de klankkast.
Het bijzondere effect wordt verkregen door de snelle opeenvolging
van enerzijds het kloppen met de gestrekte vingers op de klankkast
(dicht bij de opening), en anderzijds glissandi met de nagelzijde
van de vingers in omgekeerde richting (dus van de hoog klinkende
snaren naar de laag klinkende).
Tumbao en swing
Isabelle Lemaire noemt het tumbao datgene wat aan de Cubaanse muziek
zijn soepele aandrift geeft. Daarmee geeft ze terecht aan dat tumbao behalve
een ritmische partij voor trom, piano, gitaar of bas, ook een meer algemene
betekenis heeft. Het gaat immers ook om een gevoel, een appreciatie, net
zoals ‘swing’ in jazzmuziek of canyengue in tango. Een nummer
kan al of niet een tumbaokarakter hebben. Het al dan niet ‘swingen’
van muziek hangt van veel factoren af. Wat de Cubaanse dansmuziek betreft,
vormt ritmiek zeker een belangrijk element. Maar er is meer nodig.
Wanneer we het tumbao in de dansmuziek van het orkest van Antonio
Arcaño vergelijken met de wulpsheid en de cadans van de
oudere contradanza en danzón, is het woord ‘swing’
niet zo’n goede keuze. De dansmuziek van Antonio Arcaño
wordt uitgevoerd in een op het gewoon stappen afgestemd tempo.
Na een harmonisch rijke passage, ontstaat in het laatste deel
een ruimte, een leegte, wanneer enkel de bas en de rest van de
ritmesectie verder spelen. De solisten krijgen daarin letterlijk
alle ruimte, waardoor ze een eigen tempo rubato kunnen ontwikkelen,
geen ‘floreos’ meer, zoals in de oude danzones uit
de negentiende eeuw, maar ‘roerselen van de ziel’.
Tumbao in je lijf
In zijn bijdrage over Benny Moré, één van
de meest succesvolle artiesten uit de Cubaanse muziekgeschiedenis,
brengt Gonzalo Rubiera dat element ook ter sprake. Hij stelt dat
wanneer ritme door een artiest diep wordt aangevoeld, hij het
kan manipuleren met de expressieve elementen van de agogiek en
tempo rubato. Deze dingen hebben enkel waarde wanneer ze op beheerste
wijze en met esthetisch doel worden toegepast. De interpretatie
van ritme hangt dus af van de intuïtie, de gevoeligheid of
het talent van de artiest. Ritmische gratie verwerft men niet,
stelt Rubiera, men heeft het of men heeft het niet. En hij besluit:
“Dat is bij hem [bij Benny Moré] zo stereotiep dat
men zou kunnen stellen dat het ritme heel zijn lichaam plaagt.”
Dat brengt ons bij nog een andere dimensie van het woord tumbao,
namelijk fysieke beweging. Op Cuba wordt met tumbao een cadansachtige
manier van bewegen en lopen aangeduid. Deze betekenis blijkt uit
de uitdrukking: “Esa negra tiene tumbao”, dat meisje
heeft tumbao, ze loopt op een opmerkelijke manier, met gratie,
met pit, met zwier. Maar het hoeft niet altijd zo bedoeld te zijn,
en het is geen alleenrecht voor vrouwen. In een oud volksliedje
vinden we: “Traigo un tumbao que no puedo aguantar”
(ik ben zo dronken dat ik niet meer gewoon kan lopen).
Zoals vele andere Cubaanse woorden, wordt tumbao ook buiten het eiland
gebruikt. In een artikel over de artiest Jorge Moreno uit Miami wordt
aan tumbao gerefereerd: “lleva en su cuerpo ese tumbao que nació
en una remota montaña del Oriente cubano.” (hij heeft in
zijn lijf dat tumbao, dat ontstond in een ver verwijderd gebergte uit
de oostelijke provincie van Cuba.)
Het woord tumbao wordt tenslotte ook uitgebreid tot gedraging, karakter
in het algemeen. In een Peruaanse krant werd het machogedrag van de politie
met tumbao aangeduid, en het opmerkelijke gedrag van de Colombiaanse atlete
Mabel Mosquera ging onder dezelfde benaming over de tongen.
Huib Billiet
|
|
|