
Over valse piano's en
ontstemde studenten
Opgedragen aan mijn petekind Kasper.
De fijnbesnaarde.
Als jonge tiener overnachtte ik eens in het huis van mijn grootmoeder.
Voor het inslapen trok een deuntje op de radio mijn aandacht.
Ik wilde het zelf kunnen spelen, en wel op de juiste toonhoogte,
precies zoals ik het hoorde. Een instrument had ik niet bij de
hand. Hoe kon ik verhinderen dat de grondtoon (tonica) van het
deuntje tegen de volgende ochtend uit mijn geheugen gewist zou
zijn? Ik vond niet meteen een gelijkklinkend voorwerp en kwam
toen op het idee water in een drinkglas te gieten tot de tonica
in de klank van het glas hoorbaar was. ’s Ochtends tikte
ik op het glas en haastte me met de klank in mijn hoofd naar mijn
piano thuis.
Uit deze herinnering blijkt dat ik niet de gave heb van een absoluut
gehoor (uit het niets de hoogte van een toon herkennen) en, dat
ik naïef was. Water verdampt immers. Al veertig jaar maak
ik muziek. Ik zit altijd op het vinkentouw om toonhoogtes te vangen,
zelfs van schijnbaar onmuzikale dingen zoals traptreden, dichtslaande
autodeuren of vallende druppels. In de jaren dat ik nog voor het
voetlicht trad, kreeg ik voor het optreden de gitaren van anderen
in de handen gestopt om ze te stemmen. (Al zal dit ook wel geweest
zijn om mij de mond te snoeren.) De grammofoonplaat van Jan De
Wilde die ik na ons beiden optreden cadeau kreeg, is een aandenken.
Op de binnenhoes staat in zijn kriebelhandschrift: “O mi
o mij, ik wou dat ik kon stemmen zoals jij”.
De aanleiding voor deze tekst is misnoegen over een valse piano
in een klaslokaal. Na een onderbreking van veertig jaar wijd ik
mij weer aan de muziekstudie. Ik wil nu wel eens begrijpen wat
ik al die jaren ‘op het gehoor’ heb proberen uitrichten.
In feite is een valse piano een niemendalletje. Een stemmer neemt
de wrevel zo weg. Als hij opdaagt tenminste. Dat deed hij naar
mijn zin niet vlug genoeg. Het maakte me kregelig. Mijn mening
was helder: valse piano’s zijn ontoelaatbaar. Ze moeten
niet alleen gestemd zijn, maar juist gestemd zijn. Hieronder zet
ik deze kwestie in een wat breder perspectief.
Ik leg meteen ook de vinger op enkele zwakke toetsen van mijn
eigen radicale standpunt.
Snaren knippen
Zelfs gestemde piano’s klinken vals. Dat is niet de schuld
van de stemmer. Het komt door de manier waarop toetsinstrumenten
in elkaar zitten. De oude Grieken kenden geen piano’s maar
men ontdekte wel al dat er iets bijzonders aan de hand was met
toonafstanden (intervallen). Pythagoras was van mening dat de
mooiste trillingen voortkwamen uit onschendbare wiskundige verhoudingen.
Trillende snaren leverden eenvoudige, reine frequentieverhoudingen
op zoals 1:2 voor het octaaf en 2:3 voor de kwint. Het werd echter
vlug duidelijk dat daar iets merkwaardigs mee aan de hand was.
Een eenvoudige proef maakt dit duidelijk. Neem twee identieke
lange snaren die dezelfde toon voortbrengen. Laten we veronderstellen
een zeer lage do. Knip een van de snaren precies in twee. Als
je één snaarhelft daarvan aan het trillen brengt,
klinkt ze een octaaf hoger dan de toon van de hele snaar. Knip
die snaarhelft weer in twee en ga zo door tot je een stukje overhoudt
dat zeven octaven hoger klinkt dan de klank van oorspronkelijke
lange snaar. Doe vervolgens hetzelfde met de andere snaar, maar
nu met stukjes die telkens een kwint hoger klinken, en wel tot
je bij de twaalfde kwint belandt. (Pythagoras knipte geen snaren
door. Hij deed de proef anders, maar het resultaat is hetzelfde).
Op basis van de zuivere intervalverhoudingen zou een stapeling
van zeven octaven en een stapeling van twaalf kwinten de cirkel
rond moeten maken. Met andere woorden, het resultaat zou dezelfde
toon moeten opleveren. Dat is niet het geval en indien we nog
verder zouden stapelen zou het verschil zelfs nog groter worden.
Octaven zijn gebaseerd op meervouden van 2 en kwinten op meervouden
van 3. Hoe meer je ook vermenigvuldigt, het levert nooit identieke
getallen op. De getallenkunde van het gehoor vertoont dus dezelfde
eigenschap als bij de wiskunde en de meetkunde: je kunt niet zonder
oneindige getallen. Stapeling van intervallen maakt geen gesloten
cirkel, maar leidt tot een oneindige spiraal.
Nu hoeft dit geen probleem te zijn bij eenstemmige gezangen,
of bij muziek waarin een beperkt aantal intervallen gebruikt wordt.
Bij een instrument zoals de viool maakt de bewegende vinger het
mogelijk een zuivere toonafstand te treffen. Wie zich echter in
zijn hoofd haalt een instrument te bouwen zoals de
piano, waarbij de tonen aan afzonderlijke, vaste toetsen worden
toegewezen, moet wel de woede van de goden over zich heen roepen.
Allemaal ‘gehoor-washed’
Maar, zul je opperen, een gelijkaardige stapeling van zeven octaven
en van twaalf kwinten, vertrekkend van eenzelfde toets op een
gestemde piano levert wél dezelfde toon op. Dat klopt,
maar het is alleen maar mogelijk omdat de stemmer de natuurlijke
verhoudingen een beetje naar zijn hand heeft gezet. Roekeloos
als ik soms ben, probeerde ik op een piano eens een stemming uit
waarbij ik elke toon afzonderlijk stemde aan de hand van een digitaal
stemapparaatje voor gitaren. Het resultaat was geweldig, maar
dan in rampzalige zin. Nooit was mijn respect voor pianostemmers
groter dan toen.
Een pianostemmer spant niet alleen de ontstemde snaren aan tot
ze weer hun vereiste toonhoogte (frequentie) hebben. Hij stelt
de twaalf tonen binnen het octaaf lichtelijk bij tot alle intervallen
redelijk klinken. Deze ingreep is bekend onder de naam ‘gelijkzwevende
temperatuur’. De klanktovenaar doet echter nog meer. Hij
zorgt ervoor dat over het hele bereik van het klavier geen vreselijk
storende wauwauwau geluiden meer te horen zijn. Een trillende
snaar brengt behalve zijn basistoon ook nog een reeks boventonen
voort. De eerste voegen helderheid en glans toe; onder de hogere
zijn er die een uitgesproken ruigheid en scherpte teweegbrengen.
(De adjectieven zijn uiteraard relatief.) Het doel van de pianostemmer
is beheersing van het samenspel tussen de, door de trillende snaren
voortgebrachte basistonen en boventonen, en hun onderlinge, meetrillende
combinatietonen.
Piano’s stemmen berust dus altijd op een compromis. Het
resultaat is dat de stemming ondubbelzinnig vast ligt, maar toch
nog in een toestand van relatieve valsheid. Natuurlijk zijn wij
allemaal aan deze valse toestand gewend geraakt. Verder in de
tekst zal ik het dus niet meer over deze onontkoombare valsheid
van gestemde piano’s hebben. We
gaan ervan uit dat een gestemde piano ‘juist’ klinkt
en een ongestemde of ontstemde piano vals.
Ondraaglijke valsheid
Van zodra de pianostemmer de deur uit is, begint er in het pianohuis,
onttrokken aan ons oog, een strijd, zelfs indien niemand de piano
nog zou aanraken. Al na drie dagen laten de bassnaren verschillen
van 1/20ste van een toon horen. De hevigheid van die strijd wordt
bepaald door de kwaliteit van de piano zelf. Slechte piano’s
ontstemmen vlugger. “Niemand hoort graag een valse noot,
kies daarom voor de juiste piano” lees ik in een advertentie.
De instrumenten die de pianobouwer Johann Silbermann onder de
maat klinken vond, kwamen niet in de handel terecht. Hij ging
ze zelf met een bijl te lijf.
Temperatuur en luchtvochtigheid zijn geduchte aanvallers in de
strijd. De vochtigheid wijzigt door de centrale verwarming, door
zoninval, door regenweer en orkanen. Een jaar na het stemmen zijn
de toonhoogtes van de basnoten ongeveer een kwart toon, en die
van de hoogste tonen een tiende van een toon gezakt. De tonen
in het midden van de piano vallen (voorlopig) nog mee.
Huispiano’s worden gekoesterd. Wie echt om zijn instrument
geeft stelt de temperatuur bij. Er wordt een luchtbevochtiger
in de kamer geplaatst, of een vochthoudende staaf in de klankkast
gelegd. (Sommigen gebruiken zelfs een vochtig doek.) Piano’s
in klaslokalen genieten niet dezelfde verzorging. Deuren en vensters
gaan voortdurend open en dicht, of ze blijven open staan. De verwarming
wordt centraal geregeld. Piano’s worden verplaatst naar
een ander lokaal. En dan heb ik het nog niet over de klamme handen
van de leerlingen of de warmbloedigheid van de leraar.
Behalve door de temperatuur en de vochtigheid raakt een piano
meer of minder vlug ontstemd door er op te spelen. De frequentie
van het spelen en de manier waarop hebben een invloed op het ontstemmen.
Piano’s in klaslokalen hebben het hard te verduren. Het
doelwit is veelal het middenbereik van het klavier. Hyperactieve
studenten meppen op de toetsen. Trillers of boogie woogies willen
maar niet lukken. Zachtaardige studenten bivakkeren op het rechterpedaal.
Het verhoogt het geluidsvolume en het speelgenot, maar het brengt
ook alle snaren in opschudding.
Vreemde zwevingen kondigen na een tijdje de alarmfase aan. Het
lekker ‘rollen’ van tertsen en sexten en het vreedzaam
‘deinen’ van kwarten en kwinten verdwijnt. We worden
opgeschrikt door microtonen (één van de minstens
vijfentwintig tonen die tussen twee nabijgelegen toetsen onbereikbaar
blijven). Met een beetje geluk kun je nog ergens een ongeschonden
octaafje vinden, maar de ergerlijke toonladders zijn op den duur
niet meer te vermijden. En dan begint de piano te huilen. Moduleren
(overgaan van een toonsoort naar een andere)
zit er niet meer in zonder hartenpijnen van de pianist en opgetrokken
wenkbrauwen van de toehoorder.
Wanneer is ontstemd vals genoeg?
Vóór de opwarming van de aarde was de vuistregel
voor het stemmen van piano’s twee keer per jaar. Een keer
in het najaar en dan weer in het voorjaar. Tegenwoordig zijn de
seizoensovergangen minder duidelijk afgetekend, maar het stemadvies
is ongewijzigd. Sommige stemmers raden aan bij extreme weersomstandigheden,
zoals een flinke vorstperiode, “gewoon even te laten gaan”.
De oude stemming zou dan vanzelf terugkeren bij het invallen van
de dooi. Ikzelf heb nog nooit het geduld gehad om dit verschijnsel
af te wachten.
Mijn echtgenote houdt van muziek. Ze zingt mooi en heeft gevoel
voor ritme. Ze stoort zich aan vals zingen en vals spelen. Toch
zou zij altijd iets langer wachten om de piano te laten stemmen.
Een rondvraag bij enkele medestudenten bracht aan het licht dat
ik niet de enige was die mij ergerde aan de valse piano in de
klas, maar ook dat de mate van ergernis erg verschilde.
Iedereen is in staat om ongewone klanken te onderscheiden. Baby’s
van zes maanden oud reageren op foute noten in de majeur en mineur
toonladers. Kinderen vanaf acht jaar maken het onderscheid tussen
welluidende en wringende samenklanken. Volwassenen merken het
verschil op tussen een zuivere kwint en een licht bijgestelde
kwint in gelijkzwevende stemming. Maar onze klankgevoeligheid
is erg verschillend en afhankelijk van onze gehoororganen, onze
opvoeding en omgeving. Het gehoororgaan is geen passief orgaan.
Het bezit een vermogen geluidsgolven van geheel nieuwe frequentie
te maken. Het wijzigt de klank van geluid ingrijpend. Het voegt
zelfs nieuwe tonen toe die niet aanwezig zijn in de uitwendige
prikkel. Daardoor onderscheiden we bijvoorbeeld met grote vanzelfsprekendheid
basnoten op een nietig transistorradiootje of via de hoorn van
de oude grammofoon, en het verklaart ook waarom onze gehoororganen
alle instrumenten van een symfonisch orkest uit elkaar kunnen
houden.
Klankgevoeligheid blijft dus individueel en subjectief. De blinde
zanger Jules De Corte was in staat om te horen of een piano vals
stond door bij het binnengaan van een kamer (waar de piano stond)
met zijn handen te klappen. Hij ging voort op de resonanties.
Niet zelden worden pianostemmers verwelkomd met de woorden “ik
denk dat het nog zal meevallen”. Het feit dat wij afwijkingen
horen, zegt niets over de mate van innerlijke weerstand die ze
opwekken. Pianostemmers zullen bevestigen dat valse
piano’s behoorlijk lang als acceptabel beschouwd worden.
Als je maar lang genoeg op een ontstemde piano speelt, hoor je
het niet meer.
Help, ik krijg mijn piano niet vals
Voor de luisteraar is een valse piano vaak een bron van ergernis
en ongenoegen, maar soms wordt er ook plezier aan beleefd. Zeker
als het instrument bijvoorbeeld in een oude kroeg of een saloon
in de Far West staat, in de omgeving van de bar en omgeven door
dronken toehoorders. Wie zou zich kunnen storen aan de valse pianoklanken
in de slapstick-acts van Laurel en Hardy? Als onderdeel van soundtracks,
games en theatervoorstellingen maken valse klanken gevoelens intenser.
Ze versterken het ongemakkelijke gevoel bij bloedstollende scènes.
Valse piano’s kunnen ook troostvolle vrienden zijn. “Hoe
fraai kon de moeder van de circustweeling op een valse piano spelen”
merkte een theaterrecensent eens op. Valse pianoklanken vergroten
het gevoel van medelijden met personages die diep in nesten zitten.
Hier kunnen we niet anders dan instemmen met het feit dat de stemmer
niet is komen opdagen. Een valse piano heeft ook iets naïef.
Bekijk maar eens de filmpjes op Youtube waar kinderen (meestal
heel jonge) met veel overtuiging hun stukjes ten beste geven.
Uit de commentaren blijkt dat de valse piano de gunstige beoordeling
niet in de weg staat. Integendeel.
Ook muzikanten zelf beleven genoegen aan valse piano’s.
Franz Liszt was er zo een. Naar het schijnt exciteerde de afwezigheid
van de vertrouwde snaarspanning zijn creatief vermogen. Hij kwam
erdoor in een onontgonnen muzikaal universum terecht. Er ging
een zekere gratie vanuit omdat de vreemde klanken en klankkleuren
op een geheel toevallige manier tot stand waren gekomen. Een valse
piano doet iets met de dynamiek. Als een piano maar op de ‘juiste’
manier vals wordt, kan er een aangename punch vanuit gaan. Dat
sommige pianisten hun werken veel inniger op ontstemde piano’s
kunnen vertolken dan op gestemde, blijkt uit het feit dat een
stemmer op Aruba gedurende jaren geen cent verdiende, hoewel er
vijftienhonderd piano’s op het eiland waren. De pianisten
hielden het liever vals.
In hun zoektocht naar nieuwe klankkleuren hebben componisten
uit de twintigste eeuw zelf ingegrepen in de stemming van de piano.
Ze prepareerden het instrument (door bouten, schroeven en munten
tussen de snaren te steken) of kozen voor een oude stemming die
sinds de barokperiode in de vergetelheid was geraakt. Ze creëerden
nieuwe stemmingen waarbij ze het octaaf in dertien tot veertien
tonen verdeelden. Maar hier zijn we ver verwijderd van ons onderwerp.
Deze componisten beoogden immers niet meer de uitvoering van een
klassiek repertoire. Voor hen klonk de piano niet vals, maar juist.
In de beginjaren van de jazz kende de piano veel tegenstand.
Eenmaal gestemd, laat het instrument geen manipulatie van de toonhoogte
toe, en dat was en is juist wezenlijk voor de jazzsolisten. Het
gebruik van de zogenaamde blue note is daar een antwoord op. Misschien
was de honky tonk ook zo’n noodoplossing. Deze pianostijl
is een vinding van de late jaren veertig, toen de ragtime ‘herontdekt’
werd. Overtuigend bewijs dat die muziek op valse piano’s
werd gespeeld, is er niet. De teruggevonden instrumenten die door
de pioniers waren bespeeld, waren natuurlijk erg oud en ze stonden
vals omdat ze ondertussen niet meer gestemd waren. Met de jaren
werden honky tonk en ongestemde piano synoniem. Een ander soort
valsheid werd bereikt door te sleutelden aan de hamertjes van
de piano. Het vilt dempt het scherp rinkelende geluid van de snaar.
Duimspijkers (punaises) op de hamertjes bevestigen geeft niet
alleen een metaalachtige klank. Het vergroot de kans dat er een
groter aantal ‘ruige’ boventonen klinken.
Het bewust ontstemmen van piano’s (al dan niet met het
doel honky tonk te spelen) kent zijn aanhangers. Keyboards hebben
meestal een soort honky tonk keuzetoets, maar wie alleen over
een akoestische piano beschikt, zit wel eens met de handen
in het haar. Aan het bewust ontstemmen van piano’s worden
op het Internet hele forums gewijd.
Blind spelen en doof luisteren
Er zijn veel manieren om een pianostudent te kwellen. Hem verplichten
vals te spelen is er maar één van. (Een andere is
scheermesjes tussen de toetsen steken om te oefenen in trefzekerheid).
Het besef dat zelfs gestemde piano’s vals staan, dat klankgevoeligheid
relatief is, en dat valse pianoklanken soms van pas komen, kan
mijn ergernis maar een beetje temperen. Mijn oren willen in de
klas maar moeilijk de wanklanken accepteren van de muziekstukken
die ik thuis welluidend heb ingestudeerd.
De objectieve verklaringen waarom piano’s in muziekacademies
veroordeeld zijn tot een min of meer lange periode van ontstemdheid
zijn begrijpelijk. De piano’s zijn niet altijd van een voortreffelijke
kwaliteit. Een pianostemmer die dagenlang bezig is tientallen
instrumenten te stemmen kost veel geld en de financiële middelen
zijn altijd ontoereikend. Maar, zo wil ik mij graag afvragen,
zouden er niet toch ook pedagogische argumenten te bedenken zijn
die valse piano’s soms rechtvaardigen? Zeker niet bij pianobegeleiding
in de prille notenleer, in de zangklas of tijdens een openbaar
examen. Dat lijkt me zondermeer academisch ontoelaatbaar. Maar
in de pianoklas ligt het misschien een beetje anders.
Niet proberen kijken naar de toetsen is een nuttige oefening.
Zou dit niet ook gelden voor het niet proberen horen van de klanken?
Dit lijkt minder paradoxaal als we piano spelen beschouwen als
een zuiver manuele handeling die gericht is op het verwerven van
toetsroutine. En dan maakt het weinig uit of het instrument vals
klinkt of niet. Er hoeft zelfs helemaal niets te klinken. Het
gaat om de visuele beelden van elk akkoord, elk glissando of elke
cadens. Misschien heeft het wel ergens een voordeel om vals te
spelen en het niet te horen, maar ondertussen wel te luisteren
naar de briljante klankverhoudingen die we in ons hoofd hebben
opgeslagen. Al moet dergelijke auditieve (kracht)oefening nu ook
weer niet al te lang duren.
Huib Billiet
|