- HUIB BILLIET ADRIAANSEN


 
   

Over valse piano's en
ontstemde studenten


Opgedragen aan mijn petekind Kasper.
De fijnbesnaarde.


Als jonge tiener overnachtte ik eens in het huis van mijn grootmoeder. Voor het inslapen trok een deuntje op de radio mijn aandacht. Ik wilde het zelf kunnen spelen, en wel op de juiste toonhoogte, precies zoals ik het hoorde. Een instrument had ik niet bij de hand. Hoe kon ik verhinderen dat de grondtoon (tonica) van het deuntje tegen de volgende ochtend uit mijn geheugen gewist zou zijn? Ik vond niet meteen een gelijkklinkend voorwerp en kwam toen op het idee water in een drinkglas te gieten tot de tonica in de klank van het glas hoorbaar was. ’s Ochtends tikte ik op het glas en haastte me met de klank in mijn hoofd naar mijn piano thuis.

Uit deze herinnering blijkt dat ik niet de gave heb van een absoluut gehoor (uit het niets de hoogte van een toon herkennen) en, dat ik naïef was. Water verdampt immers. Al veertig jaar maak ik muziek. Ik zit altijd op het vinkentouw om toonhoogtes te vangen, zelfs van schijnbaar onmuzikale dingen zoals traptreden, dichtslaande autodeuren of vallende druppels. In de jaren dat ik nog voor het voetlicht trad, kreeg ik voor het optreden de gitaren van anderen in de handen gestopt om ze te stemmen. (Al zal dit ook wel geweest zijn om mij de mond te snoeren.) De grammofoonplaat van Jan De Wilde die ik na ons beiden optreden cadeau kreeg, is een aandenken. Op de binnenhoes staat in zijn kriebelhandschrift: “O mi o mij, ik wou dat ik kon stemmen zoals jij”.

De aanleiding voor deze tekst is misnoegen over een valse piano in een klaslokaal. Na een onderbreking van veertig jaar wijd ik mij weer aan de muziekstudie. Ik wil nu wel eens begrijpen wat ik al die jaren ‘op het gehoor’ heb proberen uitrichten. In feite is een valse piano een niemendalletje. Een stemmer neemt de wrevel zo weg. Als hij opdaagt tenminste. Dat deed hij naar mijn zin niet vlug genoeg. Het maakte me kregelig. Mijn mening was helder: valse piano’s zijn ontoelaatbaar. Ze moeten niet alleen gestemd zijn, maar juist gestemd zijn. Hieronder zet ik deze kwestie in een wat breder perspectief. Ik leg meteen ook de vinger op enkele zwakke toetsen van mijn eigen radicale standpunt.

Snaren knippen

Zelfs gestemde piano’s klinken vals. Dat is niet de schuld van de stemmer. Het komt door de manier waarop toetsinstrumenten in elkaar zitten. De oude Grieken kenden geen piano’s maar men ontdekte wel al dat er iets bijzonders aan de hand was met toonafstanden (intervallen). Pythagoras was van mening dat de mooiste trillingen voortkwamen uit onschendbare wiskundige verhoudingen. Trillende snaren leverden eenvoudige, reine frequentieverhoudingen op zoals 1:2 voor het octaaf en 2:3 voor de kwint. Het werd echter vlug duidelijk dat daar iets merkwaardigs mee aan de hand was.

Een eenvoudige proef maakt dit duidelijk. Neem twee identieke lange snaren die dezelfde toon voortbrengen. Laten we veronderstellen een zeer lage do. Knip een van de snaren precies in twee. Als je één snaarhelft daarvan aan het trillen brengt, klinkt ze een octaaf hoger dan de toon van de hele snaar. Knip die snaarhelft weer in twee en ga zo door tot je een stukje overhoudt dat zeven octaven hoger klinkt dan de klank van oorspronkelijke lange snaar. Doe vervolgens hetzelfde met de andere snaar, maar nu met stukjes die telkens een kwint hoger klinken, en wel tot je bij de twaalfde kwint belandt. (Pythagoras knipte geen snaren door. Hij deed de proef anders, maar het resultaat is hetzelfde).

Op basis van de zuivere intervalverhoudingen zou een stapeling van zeven octaven en een stapeling van twaalf kwinten de cirkel rond moeten maken. Met andere woorden, het resultaat zou dezelfde toon moeten opleveren. Dat is niet het geval en indien we nog verder zouden stapelen zou het verschil zelfs nog groter worden. Octaven zijn gebaseerd op meervouden van 2 en kwinten op meervouden van 3. Hoe meer je ook vermenigvuldigt, het levert nooit identieke getallen op. De getallenkunde van het gehoor vertoont dus dezelfde eigenschap als bij de wiskunde en de meetkunde: je kunt niet zonder oneindige getallen. Stapeling van intervallen maakt geen gesloten cirkel, maar leidt tot een oneindige spiraal.

Nu hoeft dit geen probleem te zijn bij eenstemmige gezangen, of bij muziek waarin een beperkt aantal intervallen gebruikt wordt. Bij een instrument zoals de viool maakt de bewegende vinger het mogelijk een zuivere toonafstand te treffen. Wie zich echter in zijn hoofd haalt een instrument te bouwen zoals de piano, waarbij de tonen aan afzonderlijke, vaste toetsen worden toegewezen, moet wel de woede van de goden over zich heen roepen.

Allemaal ‘gehoor-washed’

Maar, zul je opperen, een gelijkaardige stapeling van zeven octaven en van twaalf kwinten, vertrekkend van eenzelfde toets op een gestemde piano levert wél dezelfde toon op. Dat klopt, maar het is alleen maar mogelijk omdat de stemmer de natuurlijke verhoudingen een beetje naar zijn hand heeft gezet. Roekeloos als ik soms ben, probeerde ik op een piano eens een stemming uit waarbij ik elke toon afzonderlijk stemde aan de hand van een digitaal stemapparaatje voor gitaren. Het resultaat was geweldig, maar dan in rampzalige zin. Nooit was mijn respect voor pianostemmers groter dan toen.
Een pianostemmer spant niet alleen de ontstemde snaren aan tot ze weer hun vereiste toonhoogte (frequentie) hebben. Hij stelt de twaalf tonen binnen het octaaf lichtelijk bij tot alle intervallen redelijk klinken. Deze ingreep is bekend onder de naam ‘gelijkzwevende temperatuur’. De klanktovenaar doet echter nog meer. Hij zorgt ervoor dat over het hele bereik van het klavier geen vreselijk storende wauwauwau geluiden meer te horen zijn. Een trillende snaar brengt behalve zijn basistoon ook nog een reeks boventonen voort. De eerste voegen helderheid en glans toe; onder de hogere zijn er die een uitgesproken ruigheid en scherpte teweegbrengen. (De adjectieven zijn uiteraard relatief.) Het doel van de pianostemmer is beheersing van het samenspel tussen de, door de trillende snaren voortgebrachte basistonen en boventonen, en hun onderlinge, meetrillende combinatietonen.

Piano’s stemmen berust dus altijd op een compromis. Het resultaat is dat de stemming ondubbelzinnig vast ligt, maar toch nog in een toestand van relatieve valsheid. Natuurlijk zijn wij allemaal aan deze valse toestand gewend geraakt. Verder in de tekst zal ik het dus niet meer over deze onontkoombare valsheid van gestemde piano’s hebben. We gaan ervan uit dat een gestemde piano ‘juist’ klinkt en een ongestemde of ontstemde piano vals.

Ondraaglijke valsheid

Van zodra de pianostemmer de deur uit is, begint er in het pianohuis, onttrokken aan ons oog, een strijd, zelfs indien niemand de piano nog zou aanraken. Al na drie dagen laten de bassnaren verschillen van 1/20ste van een toon horen. De hevigheid van die strijd wordt bepaald door de kwaliteit van de piano zelf. Slechte piano’s ontstemmen vlugger. “Niemand hoort graag een valse noot, kies daarom voor de juiste piano” lees ik in een advertentie. De instrumenten die de pianobouwer Johann Silbermann onder de maat klinken vond, kwamen niet in de handel terecht. Hij ging ze zelf met een bijl te lijf.
Temperatuur en luchtvochtigheid zijn geduchte aanvallers in de strijd. De vochtigheid wijzigt door de centrale verwarming, door zoninval, door regenweer en orkanen. Een jaar na het stemmen zijn de toonhoogtes van de basnoten ongeveer een kwart toon, en die van de hoogste tonen een tiende van een toon gezakt. De tonen in het midden van de piano vallen (voorlopig) nog mee.

Huispiano’s worden gekoesterd. Wie echt om zijn instrument geeft stelt de temperatuur bij. Er wordt een luchtbevochtiger in de kamer geplaatst, of een vochthoudende staaf in de klankkast gelegd. (Sommigen gebruiken zelfs een vochtig doek.) Piano’s in klaslokalen genieten niet dezelfde verzorging. Deuren en vensters gaan voortdurend open en dicht, of ze blijven open staan. De verwarming wordt centraal geregeld. Piano’s worden verplaatst naar een ander lokaal. En dan heb ik het nog niet over de klamme handen van de leerlingen of de warmbloedigheid van de leraar.

Behalve door de temperatuur en de vochtigheid raakt een piano meer of minder vlug ontstemd door er op te spelen. De frequentie van het spelen en de manier waarop hebben een invloed op het ontstemmen. Piano’s in klaslokalen hebben het hard te verduren. Het doelwit is veelal het middenbereik van het klavier. Hyperactieve studenten meppen op de toetsen. Trillers of boogie woogies willen maar niet lukken. Zachtaardige studenten bivakkeren op het rechterpedaal. Het verhoogt het geluidsvolume en het speelgenot, maar het brengt ook alle snaren in opschudding.
Vreemde zwevingen kondigen na een tijdje de alarmfase aan. Het lekker ‘rollen’ van tertsen en sexten en het vreedzaam ‘deinen’ van kwarten en kwinten verdwijnt. We worden opgeschrikt door microtonen (één van de minstens vijfentwintig tonen die tussen twee nabijgelegen toetsen onbereikbaar blijven). Met een beetje geluk kun je nog ergens een ongeschonden octaafje vinden, maar de ergerlijke toonladders zijn op den duur niet meer te vermijden. En dan begint de piano te huilen. Moduleren (overgaan van een toonsoort naar een andere) zit er niet meer in zonder hartenpijnen van de pianist en opgetrokken wenkbrauwen van de toehoorder.

Wanneer is ontstemd vals genoeg?

Vóór de opwarming van de aarde was de vuistregel voor het stemmen van piano’s twee keer per jaar. Een keer in het najaar en dan weer in het voorjaar. Tegenwoordig zijn de seizoensovergangen minder duidelijk afgetekend, maar het stemadvies is ongewijzigd. Sommige stemmers raden aan bij extreme weersomstandigheden, zoals een flinke vorstperiode, “gewoon even te laten gaan”. De oude stemming zou dan vanzelf terugkeren bij het invallen van de dooi. Ikzelf heb nog nooit het geduld gehad om dit verschijnsel af te wachten.

Mijn echtgenote houdt van muziek. Ze zingt mooi en heeft gevoel voor ritme. Ze stoort zich aan vals zingen en vals spelen. Toch zou zij altijd iets langer wachten om de piano te laten stemmen. Een rondvraag bij enkele medestudenten bracht aan het licht dat ik niet de enige was die mij ergerde aan de valse piano in de klas, maar ook dat de mate van ergernis erg verschilde.

Iedereen is in staat om ongewone klanken te onderscheiden. Baby’s van zes maanden oud reageren op foute noten in de majeur en mineur toonladers. Kinderen vanaf acht jaar maken het onderscheid tussen welluidende en wringende samenklanken. Volwassenen merken het verschil op tussen een zuivere kwint en een licht bijgestelde kwint in gelijkzwevende stemming. Maar onze klankgevoeligheid is erg verschillend en afhankelijk van onze gehoororganen, onze opvoeding en omgeving. Het gehoororgaan is geen passief orgaan. Het bezit een vermogen geluidsgolven van geheel nieuwe frequentie te maken. Het wijzigt de klank van geluid ingrijpend. Het voegt zelfs nieuwe tonen toe die niet aanwezig zijn in de uitwendige prikkel. Daardoor onderscheiden we bijvoorbeeld met grote vanzelfsprekendheid basnoten op een nietig transistorradiootje of via de hoorn van de oude grammofoon, en het verklaart ook waarom onze gehoororganen alle instrumenten van een symfonisch orkest uit elkaar kunnen houden.

Klankgevoeligheid blijft dus individueel en subjectief. De blinde zanger Jules De Corte was in staat om te horen of een piano vals stond door bij het binnengaan van een kamer (waar de piano stond) met zijn handen te klappen. Hij ging voort op de resonanties. Niet zelden worden pianostemmers verwelkomd met de woorden “ik denk dat het nog zal meevallen”. Het feit dat wij afwijkingen horen, zegt niets over de mate van innerlijke weerstand die ze opwekken. Pianostemmers zullen bevestigen dat valse piano’s behoorlijk lang als acceptabel beschouwd worden. Als je maar lang genoeg op een ontstemde piano speelt, hoor je het niet meer.

Help, ik krijg mijn piano niet vals

Voor de luisteraar is een valse piano vaak een bron van ergernis en ongenoegen, maar soms wordt er ook plezier aan beleefd. Zeker als het instrument bijvoorbeeld in een oude kroeg of een saloon in de Far West staat, in de omgeving van de bar en omgeven door dronken toehoorders. Wie zou zich kunnen storen aan de valse pianoklanken in de slapstick-acts van Laurel en Hardy? Als onderdeel van soundtracks, games en theatervoorstellingen maken valse klanken gevoelens intenser. Ze versterken het ongemakkelijke gevoel bij bloedstollende scènes. Valse piano’s kunnen ook troostvolle vrienden zijn. “Hoe fraai kon de moeder van de circustweeling op een valse piano spelen” merkte een theaterrecensent eens op. Valse pianoklanken vergroten het gevoel van medelijden met personages die diep in nesten zitten. Hier kunnen we niet anders dan instemmen met het feit dat de stemmer niet is komen opdagen. Een valse piano heeft ook iets naïef. Bekijk maar eens de filmpjes op Youtube waar kinderen (meestal heel jonge) met veel overtuiging hun stukjes ten beste geven. Uit de commentaren blijkt dat de valse piano de gunstige beoordeling niet in de weg staat. Integendeel.

Ook muzikanten zelf beleven genoegen aan valse piano’s. Franz Liszt was er zo een. Naar het schijnt exciteerde de afwezigheid van de vertrouwde snaarspanning zijn creatief vermogen. Hij kwam erdoor in een onontgonnen muzikaal universum terecht. Er ging een zekere gratie vanuit omdat de vreemde klanken en klankkleuren op een geheel toevallige manier tot stand waren gekomen. Een valse piano doet iets met de dynamiek. Als een piano maar op de ‘juiste’ manier vals wordt, kan er een aangename punch vanuit gaan. Dat sommige pianisten hun werken veel inniger op ontstemde piano’s kunnen vertolken dan op gestemde, blijkt uit het feit dat een stemmer op Aruba gedurende jaren geen cent verdiende, hoewel er vijftienhonderd piano’s op het eiland waren. De pianisten hielden het liever vals.

In hun zoektocht naar nieuwe klankkleuren hebben componisten uit de twintigste eeuw zelf ingegrepen in de stemming van de piano. Ze prepareerden het instrument (door bouten, schroeven en munten tussen de snaren te steken) of kozen voor een oude stemming die sinds de barokperiode in de vergetelheid was geraakt. Ze creëerden nieuwe stemmingen waarbij ze het octaaf in dertien tot veertien tonen verdeelden. Maar hier zijn we ver verwijderd van ons onderwerp. Deze componisten beoogden immers niet meer de uitvoering van een klassiek repertoire. Voor hen klonk de piano niet vals, maar juist.

In de beginjaren van de jazz kende de piano veel tegenstand. Eenmaal gestemd, laat het instrument geen manipulatie van de toonhoogte toe, en dat was en is juist wezenlijk voor de jazzsolisten. Het gebruik van de zogenaamde blue note is daar een antwoord op. Misschien was de honky tonk ook zo’n noodoplossing. Deze pianostijl is een vinding van de late jaren veertig, toen de ragtime ‘herontdekt’ werd. Overtuigend bewijs dat die muziek op valse piano’s werd gespeeld, is er niet. De teruggevonden instrumenten die door de pioniers waren bespeeld, waren natuurlijk erg oud en ze stonden vals omdat ze ondertussen niet meer gestemd waren. Met de jaren werden honky tonk en ongestemde piano synoniem. Een ander soort valsheid werd bereikt door te sleutelden aan de hamertjes van de piano. Het vilt dempt het scherp rinkelende geluid van de snaar. Duimspijkers (punaises) op de hamertjes bevestigen geeft niet alleen een metaalachtige klank. Het vergroot de kans dat er een groter aantal ‘ruige’ boventonen klinken.

Het bewust ontstemmen van piano’s (al dan niet met het doel honky tonk te spelen) kent zijn aanhangers. Keyboards hebben meestal een soort honky tonk keuzetoets, maar wie alleen over een akoestische piano beschikt, zit wel eens met de handen in het haar. Aan het bewust ontstemmen van piano’s worden op het Internet hele forums gewijd.

Blind spelen en doof luisteren

Er zijn veel manieren om een pianostudent te kwellen. Hem verplichten vals te spelen is er maar één van. (Een andere is scheermesjes tussen de toetsen steken om te oefenen in trefzekerheid). Het besef dat zelfs gestemde piano’s vals staan, dat klankgevoeligheid relatief is, en dat valse pianoklanken soms van pas komen, kan mijn ergernis maar een beetje temperen. Mijn oren willen in de klas maar moeilijk de wanklanken accepteren van de muziekstukken die ik thuis welluidend heb ingestudeerd.

De objectieve verklaringen waarom piano’s in muziekacademies veroordeeld zijn tot een min of meer lange periode van ontstemdheid zijn begrijpelijk. De piano’s zijn niet altijd van een voortreffelijke kwaliteit. Een pianostemmer die dagenlang bezig is tientallen instrumenten te stemmen kost veel geld en de financiële middelen zijn altijd ontoereikend. Maar, zo wil ik mij graag afvragen, zouden er niet toch ook pedagogische argumenten te bedenken zijn die valse piano’s soms rechtvaardigen? Zeker niet bij pianobegeleiding in de prille notenleer, in de zangklas of tijdens een openbaar examen. Dat lijkt me zondermeer academisch ontoelaatbaar. Maar in de pianoklas ligt het misschien een beetje anders.

Niet proberen kijken naar de toetsen is een nuttige oefening. Zou dit niet ook gelden voor het niet proberen horen van de klanken? Dit lijkt minder paradoxaal als we piano spelen beschouwen als een zuiver manuele handeling die gericht is op het verwerven van toetsroutine. En dan maakt het weinig uit of het instrument vals klinkt of niet. Er hoeft zelfs helemaal niets te klinken. Het gaat om de visuele beelden van elk akkoord, elk glissando of elke cadens. Misschien heeft het wel ergens een voordeel om vals te spelen en het niet te horen, maar ondertussen wel te luisteren naar de briljante klankverhoudingen die we in ons hoofd hebben opgeslagen. Al moet dergelijke auditieve (kracht)oefening nu ook weer niet al te lang duren.

Huib Billiet