home           andere artikels

Lezing in St.-Martens-Latem

Wolter Keers


Uit een lezing van 12 januari 1972.

Allereerst wil ik met je afspreken, dat we onder geen voorwaarde, hier in deze zaal, iets aannemen op gezag. Als je iets niet begrijpt, slik het dan vooral niet, omdat het hier gezegd wordt door een meneer die je misschien wel aardig vindt, of die al zoveel jaren ervaring schijnt te hebben; daar heb je niets aan. Zomin als ik of iemand anders voor je kan eten, zomin kan ik of iemand anders voor je begrijpen; je hebt er alleen iets aan wanneer je zelf ziet dat iets waar is, en pas wanneer je er volkomen van overtuigd bent, aan alle kanten er naar gekeken hebt en zegt: ja, zo is het en niets anders, dan kun je het aanvaarden. Maar nooit op gezag, nooit op geloof.

'Een zak vol eigenschappen'
Wanneer iemand je zou vragen een beschrijving van jezelf te geven en je krijgt een paar uur tijd om dit op te schrijven, dan zou je wellicht een lange lijst met kenmerken van jezelf maken. Wanneer we nu na afloop die lijst zouden doornemen, dan zou je hoogst waarschijnlijk ontdekken dat die lijst niets vertelt over wie je wezenlijk bent, maar dat ze uitsluitend een opsomming is van eigenschappen. Het zou m.a.w. een beschrijving zijn van de buitenkant, maar niet van diegene die deze eigenschappen bezit. En bij die ontdekking zou je alweer zien dat je je dus vereenzelvigt met een aantal eigenschappen. Wij vereenzelvigen ons zozeer dat we menen dat we die eigenschappen zijn. Over de drempel van dat bijgeloof komt onze wetenschap niet heen, zomin als onze godsdienst of onze filosofie.

Wanneer de theoloog ons vertelt dat de mens die sterfelijk is, God niet kan begrijpen die eeuwig is, dan bedoelt de theoloog met zijn woord 'mens' die waslijst met eigenschappen, maar hij weet niet wat een mens wezenlijk is. Toch zou het hem tot nadenken moeten stemmen dat Johannes in zijn eerste brief in het nieuwe testament schrijft dat "wij God zullen zien zoals Hij is."(1)kaar broederlijk hand in hand bestaan en allemaal permanent zijn. Eén geweldig grote soort psychische gehaktbal. Op al die kleine fragmentjes projecteren we duur, wat ze niet hebben en gelijktijdigheid, hoewel ze nooit gelijktijdig zijn. Daar maken we een plaatje van en dat plaatje noemen we met onze naam en zeggen: dat ben ik.

Het is begonnen toen we klein waren; ze hebben mij gezegd: wat ben jij een grote jongen! Dat betekende dat dit ding (het lichaam) al veel gegroeid was sinds de wieg. Maar men zei niet: wat is dat lichaam al groot, men zei: wat ben jij groot, en men vertelde mij dus dat ik dat lichaam was. En toen men mij zei: wat ben je slim, of dom, of flink, of laf, vertelde men mij dat ik al deze dingen was. Zo ben ik mij gaan identificeren met al die plaatjes, die steeds maar weer terugkwamen en tenslotte duurzaam geworden zijn, althans in mijn verbeelding, niet in werkelijkheid. En zo is dat beeld ontstaan in afspraak met mijn omgeving: dat ben ik. En dat hebben we allemaal geslikt. Daar is de ramp begonnen, want een beeld is natuurlijk iets heel beperkts en dus iets heel kwetsbaars.

Wanneer men met enige kracht iets zegt of iets doet, dat niet in overeenstemming is met dat plaatje, dan reageer ik alsof ik pijn heb, alsof ik bedreigd word. Ik heb geen ogenblik in de gaten dat het alleen maar een plaatje is dat wordt aangevallen. Door de vereenzelviging met het plaatje ben ik tot de overtuiging gekomen dat ik een klein nietig menselijk wezen ben, een nietig denkertje in deze grote wereld, een ploeteraartje, och wat een armzalig ding. Iets dat onmogelijk God kan kennen.

Het ik-gevoel.
Het is toch volmaakt duidelijk dat alleen dat wat nooit van mij gescheiden kan worden, recht heeft op de naam 'ik'. Al die gedachten verdwijnen ieder ogenblik. Eén gedachte gaat ten koste van de hele rest van de schepping. We kunnen maar één gedachte tegelijk hebben, het mentale kan maar gevuld worden met één beeld tegelijk. Ik kan niet tegelijk aan mijn tante denken en aan de politiek van president Roosevelt. Al die eigenschapen, al die denkbeelden verdwijnen ieder ogenblik. Hoe kan dit dan ikzelf zijn?

De enige reden waarom ik aan de ketting lig, waarom ik ongelukkig ben, is dat ik een deel van de wereld 'ik' noem. En omdat ik een aantal gedachten, gevoelens en zintuigwaarnemingen dientengevolge 'mijn' gedachten, gevoelens, waarnemingen noem. Ik zou hoogstens kunnen zeggen : de door mij gekende gedachten, gevoelens, waarnemingen.

Dit alles gaat op van het ogenblik dat we wakker worden tot het ogenblik dat we gaan slapen, de hele dag lang. Het gaat ook op in de droom. Ook in de droom vereenzelvig ik mij met een beeld, met een heel ander lichaam. Ik kan dromen dat ik een paard ben, of een olifant, of Napoleon. Ik schep mij droomzintuigen, volkomen analoog aan de zintuigen in de wakende toestand. Maar ook hier ben ik, of ik dat wil of niet, volkomen moeiteloos, elk moment de kenner van iedere situatie. En heel die droomwereld, dat droomlichaam, die droomgedachten, die droomgevoelens, en ook dat ik-gevoel in de droom zijn het gekende, het object.

We weten allemaal: dromen zijn bedrog; die droom is nu niet aanwezig en dus ben ik niet dat ik-gevoel in de droom. Maar waarom zou ik dan wel het ik-gevoel zijn in de wakende toestand? Want ook dàt is iets wat mij ieder ogenblik verlaat. Wanneer ik zeg: ik ga naar de kruidenier om een pond kaas te kopen, waar is dan dat ik-gevoel? Dan is daar een kaas-gevoel, nietwaar?

Het is een van de illusies van het ascetisme dat wij aan de dingen zouden gehecht zijn. Als ik ergens aan gehecht zou moeten zijn, dan is het aan mijn ego. Maar een pond kaas is genoeg om het volkomen te vergeten. Al die dingen worden van mij gescheiden, zo gemakkelijk als veertjes worden weggeblazen door de wind. Mijn ego blijkt niet zwaarder te zijn dan een pond kaas.

Een van de bekendste Indische grootmeesters van de laatste jaren, hij is nu twintig jaar geleden gestorven, Shri Ramana Maharshi, zei: "er is maar één werkelijk groot obstakel dat je op je pad kunt plaatsen, dat is te denken dat het vreselijk moeilijk is."

Het grote obstakel is te denken dat het een lange weg is. Het is duidelijk dat het nooit een lange weg kan zijn van mijzelf naar dat ene iets dat nooit van mijzelf gescheiden kan worden. Daar is helemaal geen weg. De ellende is dat wij altijd maar geleerd hebben een weg te gaan. We hebben geleerd dat het geluk dààr is. We zijn allemaal door die puberteit heengegaan, waar dat geluk aan de horizon lag of net even daar voorbij. Wij zijn zo gewend op reis te gaan, ons geluk te zoeken buiten ons, in de dingen of in de gedachten (wat ook nog buiten ons is) dat we niet meer thuis kunnen blijven. Thuis zijn, alleen maar ikzelf zijn, lijkt op het eerste gezicht een afschuwelijke leegte, en wij zijn zo gewend aan lawaai, dat we - in de woorden van Jean Klein - die leegte onmiddellijk willen meubileren. We zetten de televisie aan, we lezen, we gaan naar de film, we gaan bij de buren praten over niets. Wij zijn zo ontwend aan onszelf dat we denken dat als je al die dingen weghaalt, dat er dan niet Ikzelf overblijft, maar dat er dan niets overblijft. Dat is de tragedie van de menselijke positie: het bijgeloof dat het geluk ligt in de dingen.

Wat is een object, wat is de wereld?
Wat zijn de 'dingen'? Dingen zijn niets anders dan zintuig-waarnemingen. Wat ieder van ons de wereld noemt, is een opeenvolging van verschijnselen, van plaatjes (en van geluiden, geuren,..) die verschijnen en weer verdwijnen.

Bovendien bestaat een object, een ding voor ieder van ons slechts als het wordt gekend. Het kan best zijn dat er geluiden zijn ook als ik niet luister, maar voor mij bestaat het dan niet. Je kent allemaal die ervaring dat je gespannen in een boek zit te lezen, dan kunnen honderd auto's voorbij rijden, vliegtuigen overkomen, er kan zelfs gebeld worden of bij de buren gaat iemand piano spelen, ik merk daar niets van, want ik zit gespannen mijn detective te lezen.

Een object, de wereld bestaat alleen voor mij als zij gekend wordt. Het is niet genoeg dat geluidsgolven op mij afkomen en mijn trommelvlies in beweging brengen, dan bestaat een geluid voor mij nog niet. Het bestaat pas wanneer het wordt tot gedachte.

Wanneer ik naar een concert ga en ik luister aandachtig naar die muziek, dan heb ik tijdens het hele concert vaag mijn voorbuurman gezien. Maar zou iemand mij plots vragen wat de kleur is van het pak dat hij aan heeft, dan weet ik het niet. Het is niet tot gedachte geworden.

Voor ieder levend wezen is dat wat hij de wereld noemt een serie indrukken in de geest en niets anders. En al die indrukken, al die plaatjes zijn denkvormen, of het nu gehoor-plaatjes of kijk-plaatjes of tast-plaatjes zijn. Buiten het denken, buiten de geest kunnen wij niet gaan. Of er daarbuiten iets bestaat dat heeft geen levend wezen ooit geweten en dat zal geen mens ooit weten. Niemand kan buiten zichzelf treden, buiten zijn eigen geest, buiten zijn eigen kennen. Ik ben dat kennen en daar kan ik niet buiten treden.

Daarnet zei ik al dat dit een koersverandering van 180° inhoudt.

Vóór ik dit weet, ben ik een meneer of een mevrouw die ergens over deze aardbol wandelt. En nu zie ik dat de wereld uitsluitend een serie indrukken is in mijn geest. Het is niet z dat ik in de wereld leef, maar de wereld is iets dat zich in Mij komt vertonen. Het klinkt vreemd op het eerste gehoor dat Ik groter ben dan de wereld. Want wij zijn zo geweldig gewend om ons met het lichaam te vereenzelvigen, dat wij denken dat wij stofjes zijn. Maar in feite zijn we heel iets anders. Anders zou Johannes nooit kunnen zeggen dat wij het Oneindige eens zullen zien zoals het wezenlijk is. Dat kan alleen maar wanneer wijzelf oneindig zijn.

Niet Ik leef in de wereld, de wereld komt zich in Mij manifesteren.

De wereld is een aaneenschakeling van zintuigwaarnemingen, van gedachten - want een zintuigwaarneming bestaat voor mij niet, tenzij hij gedachte is. De wereld is dus een lange reeks gedachten.

Wat is een gedachte?
De vraag dringt zich op: wat is een gedachte? Dit is weer iets dat je verteld moet worden, wat je niet zelf zult ontdekken en waarbij je zeer scherp moet kijken.

Als ik 's ochtends wakker wordt, vr zich een gedachte presenteert, wat is er dan? In negen op tien gevallen zal iemand, die deze vraag krijgt antwoorden: toen was er nog niets. Maar hoe kan er in het niets een gedachte geboren worden?

Vóórdat een gedachte zich manifesteerde was er het Bewustzijn, het Bewuste, dit kennende Ikzelf, dat wij zullen zien als het eeuwig tegenwoordige element in iedere gedachte. Dat kennende Ikzelf was daar, nog zonder vorm en dus ook zonder tijd, zonder ruimte.

In dit kennende, bewuste Ikzelf, in deze Bewustzijns-essentie kan zich een gedachte manifesteren. Nooit in het niets.

Als ik aan een olifant denk en ogenblikkelijk dat beeld voor mij oprijst, waaruit bestaat dan dat beeld?

Het is een beeld in mijn eigen geest, het bestaat uit niets anders dan uit mijn eigen geest. Mijn eigen bewustzijn is de grondstof waaruit die olifant, die gedachte bestaat. Zoals dat krukje van hout is, de vloer van steen en een golf in de zee van water is, zo bestaat die gedachte uit het bewustzijn, dat ik ben. Ikzelf, dat kennende element (die 'kennendheid') is de grondstof waaruit de gedachte gemaakt is. En een aantal van die gedachten is wat ik tot nu toe de wereld heb genoemd. Ikzelf ben dus de grondstof van dat wat ik de wereld noem. De wereld is niets anders dan Ikzelf in een bepaalde -buiten het lichaam geprojecteerde- vorm.

En hier komen we weer terug bij de brieven van Johannes en de christelijke traditie.

Want als het waar is wat de bijbel zegt, dat God de wereld schiep, wat was er dan vóór dat Hij het heelal schiep? Als Hij de wereld schiep, dan was Hij daar vóór die werelden er waren. Er was niets buiten Hem. En als dat zó is, waaruit schiep hij dan die werelden? Het antwoord: 'uit niets' kan geen ogenblik stand houden, want wààr in de alomtegenwoordige Godheid zou men een plekje 'niets' kunnen vinden? Het 'niets' is een hol woord, het heeft geen betekenis; 'niets' betekent de afwezigheid van een object.

Er is maar één mogelijkheid: als het waar is dat God de werelden schiep, dan schiep Hij die uit zichzelf. Dan was Hij de grondstof waaruit het heelal ontstond.

En wat vind ik nu?

Wanneer ik van mijzelf, de meneer, de mevrouw in St.Martens Latem, alle daarop geprojecteerde eigenschappen afhaal, dan blijft daar over die Ene Essentie, die Kennendheid, die de grondstof is van wat hij of zij de wereld noemt.

Kijk, op dit punt vloeit die oude traditionele leer uit India volmaakt samen met de uitspraak van de apostel Johannes.

Dit weten dat de Ene Realiteit, die de grondslag is aan al het gekende, niets anders is dan de Ene in wezen goddelijke Geest, is een weten dat aan de basis ligt van onze beschaving, zo goed als aan die van India, van China en van andere landen. Mensen die deze vereenzelviging, dat bijgeloof dat zij dingen zijn, volmaakt zijn kwijtgeraakt, als gevolg waarvan dit Oneindige weer zijn vormloze vorm geopenbaard heeft, zijn het nooit ook maar een milligram met elkaar oneens, of zij nu uit een christelijke, een hindoe, een boeddhistische, een taoïstische of wat voor traditie ook komen.



Het Ene en onherleidbare Beginsel.
Socrates zegt dat filosofie het zoeken is naar dit Ene en onherleidbare Beginsel der dingen. Beginsel: dat waaruit het begint. Wel, of men nu uit een christelijke of uit een hindoe-traditie komt, er is maar één onherleidbaar Beginsel. Of men dat nu het Absolute noemt, of God, of Brahman, of Tao, of Oorspronkelijk Gezicht zijn bijzaken.

De Ervaring is één. Wij allen zijn één Ervaring, want er is maar één oorspronkelijk, onherleidbaar Beginsel: dat bén Ik. Dat is de grondstof waaruit al die andere dingen zijn gevormd. Als dingen verschijnen zij en verdwijnen zij. Het beginsel zelf blijft met Mij, in de wakende toestand, in de droomtoestand en zelfs in de diepe slaap, wanneer er geen vorm is, geen woorden zijn, geen gedachten, geen wereld die zich presenteert. Toch is daar dat ene onherleidbare Beginsel als een diep volkomen vervuld zijn van een vrede die alle verstand te boven gaat. Dat ben Ik wezenlijk. Dat is het oer-Ik, het onveranderlijke Ik dat overblijft wanneer het bijgeloof geleidelijk aan verdwijnt dat ik allerlei andere dingen ben.

Om dat bijgeloof en alle ellende dat het met zich meebrengt kwijt te raken, hoef ik maar één ding te leren. In de woorden van de oude schrijfster, Nobelprijs-winnares Selma Lagerlöf: 'het enige dat nodig is zijn ogen die Gods heerlijkheid kunnen zien.' Mijn leermeester zei eens tegen een vriend die een bril droeg: 'Neem je bril af en kijk eens behoorlijk'. Leren kijken. De Waarheid onderscheiden. Dan valt de onwaarheid vanzelf van ons af, en wat overblijft is dat ene onherleidbare Oerbeginsel, waaruit de werelden zijn voortgekomen en ook de illusie dat Ik een meneer of een mevrouw ben vanavond in St.Martens Latem.


Terugkeren naar zien-homepage of naar andere artikels