|
Vraag:
Als men zo begint te denken, is er dan geen groot gevaar om tot
onverschilligheid te komen?
W.K. : Nee. Onverschilligheid is een vorm van afweer. Als ik onverschillig
ben dan hoef ik me niet met jou te bemoeien, dan zeg ik “Zoek het zelf maar
uit!”.
Onverschilligheid is een soort muur die ik om mij heen optrek. In feite is het
niet goed durven te kijken.
Maar iemand die begrepen heeft dat geluk niet in dingen zit, jaagt deze dingen
ook niet meer na. Daar treedt dan inderdaad een zekere onverschilligheid op.
Maar dit wordt honderdvoudig gecompenseerd, doordat men dichter gekomen is bij
de bron van de werkelijke dingen.
Want, wat is tenslotte de juiste inspiratie voor een relatie tussen ons? Dat is
de liefde zelf. Wanneer ik de Liefde zelf ben, dan heb ik niets meer aan jou te
verdienen; dan hoef ik ook niet door jou aardig gevonden te worden, om toch van
je te houden. De liefde zelf is de kracht die het lichaam en het denken en
voelen de juiste dingen laat doen. De dingen gaan zichzelf doen, in harmonie met
de Harmonie zelf die ik ben.
Zodra ik dat dus ontdek, dan is alles wat passiviteit en luiheid is verdwenen.
Dan mag het onverschillig lijken wanneer ik mij niet inzet om bijvoorbeeld een
nieuwe auto te kopen. Maar in werkelijkheid is die onverschilligheid er alleen
maar aan de oppervlakte.
Het is een verschil in waarde-bepaling. Ik weet nu dat de werkelijke waarde
ergens anders ligt. En ik heb ontdekt dat ik niet van iemand houd vanwege zijn
mooie haren, maar vanwege de liefde in die persoon, die in feite één is met de
liefde in mij. Er zijn niet twee liefdes. Er is één liefde waarin zich
ogenschijnlijk personen manifesteren.
Dus is die onverschilligheid, voor zover als die er is, er alleen aan de oppervlakte,
van binnenuit gefundeerd door een diepe zelfherkenning.
Net zoals die luiheid ook maar ogenschijnlijk is. Luiheid is iets van het
lichaam. Het lichaam op zichzelf is een loom en log ding, vlees en botten. Maar
gezien als, laat ik zeggen, verlengstuk van het Bewuste, wordt het leven een
dans, zelfs al zit men in een stoel. Er is van zwaarte, van loomheid, van
logheid, enz. niets meer over.
Nee, er is geen onverschilligheid. Maar wanneer ik nog de dingen in de wereld
zoek, en een ander doet dat niet, dan kan ik wel denken natuurlijk dat die ander
onverschillig is.
Het kan ook zijn dat we, in bepaalde gevallen, minder onder de indruk zijn voor
het lijden van iemand. Dit kan het geval zijn, wanneer we zien dat het lijden
iets is dat de mens zelf voedt. Dit is niet altijd zo: als er een windhoos komt
die je huis laat instorten en je verliest je man en je kinderen, dat is iets
anders. Maar dikwijls is het lijden van de mensheid voor een groot deel lijden
dat die mensheid zelf voedt en zelf ook zoekt.
Er zijn maar weinig mensen die er werkelijk uit willen komen, heel weinig!
Daarom moet men zich niet laten intimideren. Het criterium is altijd: wat doet
die mens met dat lijden? Wil hij er echt uit of zoekt hij bijvoorbeeld
medelijden? Dan zoekt hij dus compensatie. Wel, ga daar niet op in, want anders
sterk je hem alleen maar in zijn lijden.
Maar, voor wie werkelijk je hulp vraagt eruit te komen, is dit een andere
kwestie; daar kan inderdaad medelijden zijn, omdat je begint bij het punt waar
die andere zich bevindt. En van dat medelijden uit laat je hem geleidelijk zien
wie hij is.
Het lijden is altijd op het niveau van de persoonlijkheid. Wanneer de
persoonlijkheid verdwijnt, verdwijnt ook het lijden.
Voor lijden hebben we altijd de wereld nodig. Je lijdt altijd onder iets, onder
het verlies van iemand of van iets, of uit angst ergens voor. Maar altijd is het
in verband met iets uit de wereld.
Daarom is een mogelijkheid om werkelijk uit het lijden te komen te zien
wat die wereld is. Niet in de termen van een ander stukje wereld, nee, maar in
de termen van de Werkelijkheid. Zien dat de wereld niets anders is dan een
weerspiegeling van mijzelf. Dan verliest het lijden zijn zin. Want het lijden
kan een manier zijn om de persoonlijkheid in stand te houden. Er zijn mensen die
veel liever door blijven lijden dan in een onbekende situatie terecht te komen.
Vraag: Als je het leven zo
bekijkt, welke zin heeft dan ons handelen? Heeft het dan nog enige zin om actief
te zijn?
W.K.: De vraag doet zich niet voor in de praktijk en de vraag doet zich ook
niet voor bij, laat ik maar zeggen, de filosofische kant. Het is een vraag die
even in ons opkomt, wanneer we denken: ‘O hemel, wat moet er nu? ‘
De herkenning van het Ik betekent het herkennen van die Ene Essentie waarin zich
het handelen manifesteert. Want wie handelt, wie doet, wie denkt? Het lichaam
handelt, het lichaam loopt, zwemt, fietst, zit, staat; de zintuigen
functioneren; het denken en voelen, daar zit beweging in. Het feit alleen al dat
ik dit kan constateren, dat ik dit kan zien, betekent dat ik buiten die beweging
sta en dat ik niet diegene ben die denkt of voelt of handelt. Ik ben er steeds
de Kenner van, anders zou ik die dingen niet in mijn herinnering kunnen
oproepen.
Het gaat er dus niet om of ik dan nog wel actief zal zijn. Het gaat erom te
herkennen dat ik nooit actief geweest ben. Het lichaam, de zintuigen, denken
en voelen waren actief, maar Ik niet .
Een zin die steeds weer terug komt in de shastras, in de klassieke
hindoeliteratuur, is de zin: “I am not the doer; I am not the enjoyer” (ik
ben niet de ‘doener’, ik ben niet de genieter). Ik ben niet degene die
handelend optreedt, die actief of die passief is. Actief en passief zijn
denkwijzen.
Het ‘niet-handelen’ waar vooral de Chinezen steeds op terug keren
(“wu-wei”) is het tegengestelde van lui zijn. Lui kun je zijn als je je
identificeert met een log, zwaar lichaam, dat bijvoorbeeld moe is. Maar
‘niet-handelen’ is niet geïdentificeerd zijn met alles wat doet, wat actief
is, en wat dus objectief is. Laat de dingen zichzelf doen, laat de dingen
spontaan zichzelf doen.
Ook al hebben we het steeds zo geleerd dat het ik was die handelde en
dacht en voelde. Nu, in het juiste perspectief gezien, zie ik: het was niet ik
die wandelde, het was het lichaam dat wandelde. Het was niet ik die dacht, maar
de gedachten manifesteerden zich.
Na afloop van een gedachte zeg ik wel: ik heb gedacht. Maar terwijl die gedachte
er was, terwijl ze zich manifesteerde was er geen enkel idee dat ik het was die
deze gedachte produceerde, of dat ik een gedachte aan het denken was. Pas na
afloop, door een aangekweekt automatisme, is er een principe dat de
auteursrechten opeist voor wat er
gebeurde, terwijl het principe afwezig was.
We staan in het gewone leven ook niet toe, dat iemand de auteursrechten opeist
voor een boek dat hij nooit geschreven heeft; dat hij bij definitie nooit
geschreven kan hebben, want hij is zelf een figuur die in het boek voorkomt!
Wel, dat is één van de functies van het ego: het principe dat na afloop van
een waarneming, na afloop van een lichamelijke handeling, na afloop van een
gedachte of een gevoel, volkomen uit de lucht gegrepen komt zeggen, ik heb
gedacht, gevoeld, gezien, gehoord, gelopen, gezwommen... Maar dat ‘ik’ was
er helemaal niet tijdens die handeling.
Wanneer we het dus zien in het juiste perspectief, zien wat object is en wat
subject is, dan zien we dat het handelen, het waarnemen, het denken en voelen,
dingen zijn die zich op een volkomen onpersoonlijke manier laten waarnemen,
precies zoals wolken voorbij drijven in de lucht. Eigenlijk is het even dwaas
om, wanneer je naar de wolken staat te kijken, te zeggen: ‘ik ben aan het
wolken’, als het is om te zeggen: ‘ik ben aan het denken’.
Het lichaam zal dus blijven lopen, zwemmen, fietsen, als tevoren; de gedachten
zullen blijven komen; de gevoelens zullen blijven stromen, waarschijnlijk veel
meer als tevoren; alleen zal je niet meer denken dat jij de actieve ben, want je
weet nu dat die actieve meneer of mevrouw, die je ervan gemaakt hebt door deze
dwaze combinatie, geen enkele waarheid vertegenwoordigt. Daar was de Ik-ervaring
omdat de Ik-ervaring steeds tegenwoordig is. Maar die Ik-ervaring had ik
vastgeklonken aan al die handelingen, al die waarnemingen, al de rollen die ik
in het leven speel: de huismoeder, de chauffeur, de professor, de huisvader, ga
maar door; we hebben daar allemaal touwtjes aan vastgeknoopt en gezegd: ik, ik,
ik, ik, ik.
Maar in feite kun je gemakkelijk zien, daar hoef je geen filosoof voor te zijn,
dat die touwtjes ten onrechte zijn. De relatie tussen Ik en deze handelingen is
altijd weer: dat die dingen zich in mij, in het Bewustzijn, in het Bewuste laten
waarnemen. Ik ben daar volkomen activiteitloos in.
Ik bent altijd en moeiteloos de Kenner. Al ben ik zo hondsmoe, zo bekaf dat ik
me niet kan uitkleden omdat ik van vermoeidheid het bed intuimel, dan nog ben ik
volkomen moeiteloos de kenner van die situatie. Er is dus niet iets dat we
moeten leren om de Kenner te zijn, iets dat we moeten verwerven of iets
dergelijks. Nee, ik moet alleen herkennen dat ik niet anders kan zijn. Zomin als
het water op kan houden nat te zijn, zomin als vuur op kan houden heet te zijn,
zomin kan wie dan ook van ons, ook maar één ogenblik ophouden om die
‘Kennendheid’ te zijn, waarin zich de dingen manifesteren.
Al deze vragen kunnen worden opgelost of lossen zichzelf op, wanneer we kijken
in het juiste perspectief. Dan doet de handeling zichzelf. Ik weet dat ik niet
een handelend wezen ben, ik weet dat ik niet een passief wezen ben. Ik ben dat
waarin zich die ideeën van actief en passief manifesteren. Ik ben die
Bewustzijns-essentie, die Kennendheid waaruit ze bestaan. Dit geldt voor
iedereen en voor alles, onafhankelijk van de vorm waarin het zich aandient. Dit
is de Ene Essentie die alles en allen gemeen hebben.
|