HOE LEES JE DE WET? (Lucas, 10,26)

Luc Anckaert

 

De parabel van de Barmhartige Samaritaan is voor velen een geliefkoosde tekst. De vraag die er wordt gesteld heeft betrekking op het verwerven van het eeuwige leven: "Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?" Het eerste antwoord van Jezus luidt: "Wat staat er geschreven in de wet?"

Wanneer we onder de korst van de vertaling graven naar de Griekse termen, lezen we als antwoord echter: "poos anaginooskeis", wat letterlijk kan vertaald worden als: "Hoe lees je de wet?" Het gaat met andere woorden niet over de objectieve kennis van de wet of de tekst maar wel over de houding die we aannemen ten opzichte van de wet of de tekst. Een ‘rechte’ houding leidt tot het menselijke leven, een ‘kromme’ houding tot de dierlijke dood. Het antwoord van Jezus zette ons op het spoor van de geduldige lectuur van enkele grote verhalen. Een eerste oertekst in onze cultuur over de wet is een fragment van Franz Kafka. De tekst evoceert het probleem van het bedrog (Täuschung) die onze houding tot de tekst of de wet kan vertekenen. Een tweede stap in deze lectuur is een worsteling met het verhaal van Adam en Eva die geconfronteerd worden met de boom van het goede kennen en het kwade kennen. Men vindt hierover enkele voorlopige suggesties in voetnoot 7. Verdere mogelijke stappen zijn teksten van Plato (De Staat), Nietzsche, Rosenzweig, Ricoeur en Freud. Het betreft hier uiteraard een zeer selectieve keuze. De tekst die ter lezing wordt aangeboden is een eerste, voorlopig afgewerkt fragment van dit onderzoek.

 

Een fragment van Franz Kafka

 

Voor de wet staat een deurwachter.
Bij deze deurwachter komt een landman en verzoekt om toegang tot de wet.
Maar de deurwachter zegt, dat hij hem nu de toegang niet kan verlenen.
De man overlegt bij zichzelf en vraagt daarna, of hij dus later zal mogen binnentreden.
"Het is mogelijk", zegt de deurwachter, "maar nu niet".
Omdat de poort tot de wet zoals steeds openstaat en de deurwachter terzijde stapt, bukt de man zich, om door de poort naar het inwendige
[ van de wet] te kijken.
Wanneer de deurwachter dit opmerkt, lacht hij en zegt:
"Wanneer het je zo aanlokt, probeer dan toch, ondanks mijn verbod binnen te treden.
Maar weet:
ik ben machtig. En ik ben slechts de laagste deurwachter.
Van zaal tot zaal staan er echter deurwachters, de ene machtiger dan de andere.
Reeds de aanblik van de derde kan zelfs
ik niet eenmaal verdragen."
Dergelijke moeilijkheden had de landman niet verwacht, de wet moet toch voor iedereen en altijd toegankelijk zijn, denkt hij,
maar wanneer hij nu de deurwachter in zijn pelsmantel nauwkeuriger bekijkt, zijn grote spitsneus, de lange, dunne, zwarte, tartaarse baard,
besluit hij toch, liever te wachten, tot hij verlof krijgt om binnen te treden.
De deurwachter geeft hem een krukje en laat hem naast de deur plaatsnemen.
Daar zit hij dagen en jaren.
Hij maakt vele verzoeken om binnengelaten te worden en vermoeit de deurwachter met zijn smeekbeden.
De deurwachter neemt hem regelmatig kleine verhoren af, vraagt hem naar zijn plaats van herkomst en naar veel andere dingen, het zijn echter ongeïnteresseerde vragen, zoals grote heren ze stellen, en tot slot zegt hij hem steeds opnieuw, dat hij hem nog niet kan binnenlaten.
De man, die zich voor zijn reis met veel heeft toegerust, gebruikt alles, hoe waardevol het ook is, om de deurwachter voor zich in te nemen.
Deze neemt weliswaar alles aan, maar zegt erbij:
"Ik neem het alleen maar aan, opdat jij niet zou geloven, ook maar iets nagelaten te hebben."
Gedurende de vele jaren observeert de man de deurwachter haast ononderbroken.
Hij vergeet de andere deurwachters, en de eerste schijnt hem de enige hindernis voor de toegang tot de wet te zijn.
Hij vervloekt het ongelukkige toeval uit de eerste jaren luid, later, als hij oud wordt, bromt hij alleen nog wat voor zich uit.
Hij wordt kinds, en omdat hij gedurende de jarenlange studie van de deurwachter ook de vlooien in zijn pelskraag leerde kennen, vraagt hij ook de vlooien, hem te helpen en de deurwachter te overtuigen.
Tenslotte wordt het licht van zijn ogen zwak, en hij weet niet, of het rondom hem werkelijk donker wordt dan wel of alleen zijn ogen hem misleiden.
Wel neemt hij nu in het donker een glans waar, die onstuitbaar uit de deur van de wet breekt.
Nu leeft hij niet lang meer.
Voor zijn dood verzamelen zich in zijn hoofd alle ervaringen van de gehele tijd tot één vraag, die hij tot nu toe aan de deurwachter niet gesteld heeft.
Hij wenkt naar hem, omdat hij zijn verstarrende lichaam niet meer kan oprichten.
De deurwachter moet zich diep over hem neerbuigen, want de verschillen in grootte hebben zich zeer sterk in het nadeel van de man gewijzigd.
"Wat wil je nu nog weten?" vraagt de deurwachter, "jij bent onverzadigbaar."
"
Iedereen streeft toch naar de wet", zegt de man, "hoe komt het, dat er gedurende de verschillende jaren niemand behalve ik toegang gevraagd heeft?"
De deurwachter weet, dat de man aan het einde gekomen is, en om zijn verwijderende gehoor nog te bereiken, brult hij hem toe:
"Hier kon niemand toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu heen en sluit haar af."

Nota bij de vertaling

Kafka schreef zijn teksten met een grote nauwgezetheid waardoor elk woord en elk leesteken een betekenis heeft. Ik heb dan ook geprobeerd de Duitse tekst zo letterlijk mogelijk te vertalen. Dit betekent dat sommige zinswendingen tegen ons eigen taalaanvoelen ingaan. Leestekens worden ook soms niet correct gebruikt. Bij de vertaling heb ik me gedeeltelijk gebaseerd op de Querido-vertaling en deze bijgesteld. De Duitse tekst kan men lezen in de Fischer-uitgave maar ook op internet (o.a. http://gutenberg.aol.de/kafka/prozess/prozess.htm).

Daarenboven heb ik markeringen in de tekst aangebracht. Omdat mijn interpretatie cirkelt rond het gebruik van de voornaamwoorden, heb ik de relevante voornaamwoorden vetjes afgedrukt. Ook bijzonder belangrijke woorden staan vetjes. De uitspraken in de indirecte rede staan cursief. De onderlijnde zinsdelen verwijzen naar andere onderlijnde zinsdelen. Een enkele maal gebruik ik vierkante haakjes voor een verduidelijkende toevoeging.

 

Franz Kafka en de wet. Een herlezing van de tekst Vor dem Gesetz

De joods-Praagse literator Franz Kafka (1883-1924) heeft een merkwaardig oeuvre geschreven. Zijn boeken worden steeds opnieuw gelezen, bepaalde romans worden verfilmd en er verschijnen veel studies. Zoals bekend schreef Kafka drie romans - Het Proces, Het Slot en America - , een aantal kortverhalen, een uitvoerige correspondentie en dagboeknotities.

De joodse achtergrond is latent aanwezig. Dit betekent dat men Kafka’s oeuvre kan genieten zonder hier rekening mee te houden. Nochtans krijgen bepaalde teksten een specifieke signatuur wanneer men zich van dit parergon bewust is. Het nodigt ondermeer uit tot de relectuur van een centrale bladzijde uit de Procesroman. De passage is tevens een cruciale tekst binnen het gehele oeuvre van Kafka. Het korte fragment Vor dem Gesetz kan traag worden herlezen binnen het raamwerk van de alteriteitsrelatie. Misschien oscilleert de joodse identiteit precies rond de onmogelijke relatie met het ‘on-eindige’ of het andere dan het eindige. Emil Fackenheim merkt op dat het jodendom kan begrepen worden als de confrontatie van de eindige menselijke existentie met het ‘on-eindige’. Jean-François Lyotard spreekt over het ‘on-menselijke’ dat zowel een hoogte- als een dieptedimensie vertoont.

Vor dem Gesetz in zijn con-text

De openingszinnen van de Slotroman reiken een sleutel aan om de draagwijdte van het fragment Vor dem Gesetz te vermoeden:

  • Het was laat in de avond toen K. aankwam. Het dorp lag diep onder de sneeuw. Van de berg waarop het slot stond was niets te zien, hij was omgeven door mist en duisternis; zelfs niet het zwakste schijnsel duidde aan waar het grote slot lag. Lange tijd stond K. stil op de houten brug die van de grote weg naar het dorp leidde, en keek omhoog in de schijnbare leegte.
  • De eerste woorden evoceren het element waarbinnen de kafkaiaanse queeste wordt geplaatst: "het was laat in de avond". Zoals bij de sabbat wordt het begin in de avond gesitueerd. Ook het eerste scheppingsverhaal begint met het tohuwabohu of de indifferentie waarin geen onderscheiden kunnen worden gemaakt. In de joodse mystiek wordt dit verbonden met het motief van de sjebirat ha-kelim of het breken van de vaten (Luria). Initieel is er een verbrokkelde werkelijkheid van scherven. Binnen deze traditie heeft Franz Kafka op indringende wijze de desolate vertwijfeling in een gefragmenteerde en volkomen relatieve leefwereld opgeroepen. Elk zinsperspectief botst op de ontoegankelijkheid van de werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt op een driedimensionele wijze gerepresenteerd. De mens K., het dorp en het slot vormen zowel de actanten als de scène.

    Kafka’s tijdgenoot, de wijsgeer en theoloog Franz Rosenzweig, schreef over dit literaire meesterwerk de volgende zin: "Ik heb nog nooit een boek gelezen dat mij zo sterk aan de Bijbel herinnert als zijn roman Het Slot." Voor Rosenzweig symboliseert de figuur K. de mens, het dorp de wereld en het slot God. Zowel Rosenzweig als Kafka delen de zelfde grondervaring. Het denken van Rosenzweig werpt daarenboven een merkwaardig licht op de literatuur van Kafka.

    Waar Rosenzweig de brokstukken van de moderne ervaring echter begrijpt als de fundamenten waarop nieuwe verbindingen tussen God, de wereld en de mens kunnen worden gebouwd, thematiseert Kafka de onoverbrugbare gespletenheid van de werkelijkheid. De fragmentatie dringt zich met een dwingende noodzakelijkheid op. De mens K. staat stil op een houten brug die hem naar de wereld van het dorp zou moeten leiden. Het slot zelf is omgeven door mist en duisternis. De landmeter K., die vaste coördinaten wil verankeren, wordt geparalyseerd door de geslotenheid van het slot. K., het dorp en het slot blijven zonder verbindingen naast elkaar bestaan. Het houten bruggetje is een initiële illusie en wanneer de hoofdfiguur het verlaat, gaat hij "op zoek naar een onderkomen voor de nacht." In zijn roman verhaalt Kafka over de ontoegankelijkheid van de alteriteit als levensgeheim. Het is het verhaal van de mislukte verbinding.

    De parabel Vor dem Gesetz werd geschreven in december 1914 en opgenomen in de verhalenbundel Een plattelandsdokter. De tekst werd gerecontextualiseerd in Das Prozeß dat postuum werd gepubliceerd. In de procesroman wordt de tekst ingelast als een scharnierpunt in het voorlaatste hoofdstuk, dit is het laatste hoofdstuk voor het laatste. De ontmoeting met de gevangenisaalmoezenier wordt er beschreven. De parabel evoceert de onmogelijkheid binnen te treden in de wet.

    Voor de inlas wordt de confrontatie van K. met de wet en het oordeel verhaald. In het eerste hoofdstuk werd K. door twee heren onder arrest geplaatst. Gedurende de volgende hoofdstukken gaat hij onophoudelijk op zoek naar de wet die zijn gehele leven beheerst. Vooral de ongrijpbaarheid van het oordeel, de rechtbank en het proces worden erin uitgedrukt. K. wordt steeds opnieuw geconfronteerd met deuren en drempels die een perspectief zouden moeten bieden op de wet die zijn leven bepaalt, op zijn levenswet. Nooit slaagt hij erin dit gegeven te bereiken. De onoverschrijdbare grens of drempel beheerst zijn leven. De tekst van Kafka lijkt een herhaling te zijn van de beroemde paradox van Zeno: een afstand kan niet worden overbrugd tenzij eerst de helft van de afstand wordt afgelegd, deze eerste helft kan niet worden overbrugd tenzij... De paralyserende beweging van uitstel gaat door tot in het oneindige. Elke deur opent een nieuwe ruimte die leidt naar een nieuwe deur. Er blijkt voor de zoekende mens geen enkel ankerpunt.

    Na de inlas wordt beschreven hoe K. op de vooravond van zijn 31° jaar, het moment waarop ook Jezus van Nazareth werd geëxecuteerd, wordt weggeleid door de twee heren:

  • Maar tegen K.’s keel legden zich de handen van de ene heer, terwijl de ander hem het mes in zijn hart stootte en daar twee keer omdraaide. Met brekende ogen zag K. nog hoe de heren, vlak voor zijn gezicht, wang aan wang tegen elkaar aangeleund, het einde gadesloegen. ‘Als een hond!’ zei hij, het was alsof de schaamte hem zou overleven.
  • De ultieme mislukking de wet te bereiken wordt gevolgd door de dood, zelfs de dierlijke dood. K. valt vanuit het menselijke leven terug in de dierlijke dood. Ook Freud begrijpt de thanatos als de regressieve destructiedrift. Deze drift komt tot rust wanneer een lagere levensvorm een hogere levensvorm vervangt. Het lijkt een herhaling van de lotgevallen van Gregor Samsa (De gedaantewisseling).

    De inlas zelf wordt geplaatst in de directe context van een mislukte ontmoeting. K. zou op verzoek van zijn bankdirecteur een Italiaanse zakenvriend rondleiden in de stad. Ze waren afgesproken elkaar te treffen in de domkerk. Wegens een toeval vindt de rondleiding niet plaats. K. bevindt zich in de dom maar de Italiaan komt niet. Wel ontmoet hij er een geestelijke, een gevangenisaalmoezenier. Deze representeert zowel de wet als de religie. Er ontspint zich een gesprek.

  • K. wachtte beneden aan de trap op hem. De geestelijke stak hem al van een der bovenste treden, terwijl hij nog naar beneden liep, zijn hand toe. ‘Heb je even tijd voor mij?’ vroeg K. ‘Zoveel tijd als je nodig hebt,’ zei de geestelijke en overhandigde K. de kleine lamp, zodat hij haar zou dragen. Ook van dichtbij week een zekere plechtigheid niet uit zijn wezen. ‘Je bent heel vriendelijk voor me,’ zei K. Ze liepen naast elkaar in het donkere zijschip heen en weer. ‘Je bent een uitzondering onder al degenen, die aan de rechtbank verbonden zijn. Ik stel meer vertrouwen in jou dan in wie ook van de anderen, hoeveel ik er ook ken. Met jou kan ik openhartig praten.’ ‘Laat je niet misleiden,’ zei de geestelijke. ‘Waarin zou ik mij zelf misleiden?, vroeg K. ‘Je misleidt je zelf met betrekking tot de rechtbank,’ zei de geestelijke, ‘in de inleidende geschriften tot de wet staat over de misleiding geschreven:
  • Een drietal elementen uit dit gesprek verdienen verdere aandacht. Vooreerst vraagt K.: "Heb je even tijd voor mij?" De tijd wordt aangeduid als een belangrijk thema in het verhaal. In de parabel treedt er een spanning op tussen de pregnante actualiteit van de dialoog en de monotone tijd die wordt uitgerokken tot een eindeloze uitvergroting van het nu-moment. Binnen dit oneindige nu blijkt elke beweging onmogelijk te zijn. Vervolgens krijgt K. na het bevestigende antwoord van de geestelijke een kleine lamp aangereikt. De geestelijke schenkt tijd, zoveel als nodig, en reikt daarmee een lamp aan die K. zelf dient te dragen. In de openingszin van het Slot heerste de donkere avond over de oriëntatieloze landmeter. Nu bevindt K. zich in het donkere zijschip van de domkerk maar hij krijgt een lichtpunt aangereikt. Tenslotte wordt het centrale thema van het verhaal aangebracht: de misleiding (Täuschung). De misleiding is fundamenteel en heeft betrekking op de rechtbank: wat is de plaats van het oordeel ten opzichte van de menselijke vrijheid? Welke plaats kan men toekennen aan de wet? En over deze misvatting staat er iets geschreven in de inleidende schriften tot de wet. Na deze zin volgt een dubbele punt waarna de parabel wordt geciteerd en opgenomen in de context.

    Tekstlezing

    Voor de wet staat een deurwachter.

    2a. Bij deze deurwachter komt een landman

    De actanten van het verhaal worden onmiddellijk tegenover elkaar gesitueerd. De wet wordt voorgesteld als een gebouw met een poort. Het motief van het binnentreden en de deur, voortdurend aanwezig in het Proces, bereikt haar hoogtepunt. De wet verwijst uiteraard niet meteen naar een juridische codex. Indien men beseft dat Kafka een geseculariseerde jood was, kan men onder de Wet de Thora begrijpen, de wettekst die het joodse leven structureert. Deze extratekstuele interpretatie wordt versterkt door het feit dat er reeds gesproken was over ‘de inleidende schriften tot de wet’ en dat er na de parabel sprake is van de ‘eerbied voor de Schrift’. Dit kan gekoppeld worden aan de ‘talmoedische’ commentaren van de kapelaan op de parabel. Thora kan worden vertaald met Weisung (Rosenzweig), de levenswet voor de gedesoriënteerde mens. Ook Rosenzweig verbindt de ontdekking van het levensgeheim met een poort. De slotzin van zijn hoofdwerk luidt: "Wohinaus aber öffnen sich die Flügel des Tors? Du weißt es nicht? Ins Leben." Intratekstuele connotaties suggereren nog een ander betekenisveld. De wet kan begrepen worden als het crux waar verschillende lijnen van Kafka’s ijzeren logica elkaar treffen. Kafka’s teksten worden getekend door het steeds opnieuw mislukkende toetreden tot de quintessens van het leven. Hierdoor ontstaat een paralyserende retardatiebeweging. De quintessens is een steeds wijkend veld van losgeslagen metaforen waarbij de funderende betekenis ontglipt. Een eerste metafoor is de vader die verwijst naar de ongrijpbare oorsprong van het leven (Brief aan de vader); een tweede metafoor de vrouw die steeds opnieuw vernederd wordt tot een lustdier (Frieda in Het Slot) of een middel tot macht (Leni in Het Proces); een derde metafoor is de dood. De eerste woorden van de tekst Vor dem Gesetz resoneren parallel in de woorden Vor seinem Tode. Elkeen dient zijn eigen dood op zich te nemen. In deze act van assumptie wordt het gehele leven en de gehele identiteit verzameld. De mens is met de woorden van Heidegger immers een Sein-zum-Tode. Wanneer we de drie metaforen samenbrengen ontstaat een tijdelijke structurering van het menselijke verlangen: de verleden oorsprong, de onbereikbare andere in de toekomst en de actuele waarheid van het eigen leven in de confrontatie met de dood.

    Voor de wet staat de deurwachter. Over deze deurwachter vernemen we slechts enkele details. De man draagt blijkbaar een bontjas met vlooien in de kraag, hij heeft een grote, scherpe neus en een lange, dunne, zwarte, tartaarse baard. Deze beschrijvende elementen verwijzen naar een bepaalde, niet zo sympathieke standaardtypologie of karikatuur van een joodse man. De deurwachter wordt gezien door de ogen van een ander. In elk geval zal hij functioneren als een obstakel of hindernis. De relatie tussen de Wet en de deurwachter wordt statisch beschreven: de deurwachter staat voor de wet.

    De landman (Mann vom Lande of adam ha-eretz) is uiteraard een verdubbeling van Joseph K. Het initiaal K. duidt op een innerlijke leegte. De hoofdfiguur is leeggezogen en draagt zelfs geen naam meer. Dit betekent dat de identiteit zoek is. In een belangrijke tekst schrijft Rosenzweig dat de mens in periodes van onmenselijkheid zichzelf blijft door zijn naam: "Ich ganz gemeines Privatsubjekt, Ich Vor- und Zuname, Ich Staub und Asche, Ich bin noch da." Hiermee herneemt hij het bijbelse respons op de persoonlijke aanspreking door God die steeds begint met de naam: hinne ne (hier ben ik). In Het slot werd er gesproken over een landmeter. Ook hij is een buitenstaander die elke oriëntatie kwijt is. De landmeter zoekt een structuur in de samenleving maar stoot op de ontoegankelijkheid van het slot. Aan de innerlijke leegheid beantwoordt er een uitwendige oriëntatieloosheid. In het beroemde fragment Der tolle Mensch beschrijft Nietzsche hoe het doden van het goddelijke leidt tot een gelijkaardige oriëntatieloosheid: "In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets?" In tegenstelling tot de eerste relatie wordt de verhouding tussen de landman en de wachter dynamisch beschreven: de man stapt zelf op de wachter af en laat hierdoor een onmiddellijke relatie tot de wet uit het zicht verdwijnen. De relatie tot de wet wordt bemiddeld door de Türhuter.

    Uitgaande van enkele inzichten van Rosenzweig over de fundamentele relaties in de werkelijkheid is het niet onmogelijk de drie actanten van het verhaal te correleren aan de drie grammaticale persoonsvormen. De landman is de eerste grammaticale persoon, de ik-figuur; de wet de tweede persoon, het intersubjectieve jij; de wachter de derde persoon, het objectieve obstakel.

    2b. en verzoekt om toegang tot de wet.

    De man vraagt op eigen initiatief toegang tot de wet. Hij wil een relatie installeren tussen zichzelf en de wet. Deze relatie is niet van meet af aan gegeven. In de vorige zinnen was er enkel sprake van een relatie tussen de wet en de Türhuter en van een relatie tussen de man en de Türhuter. De relatie tot het structurerende principe van het leven is geen feitelijk of natuurlijk gegeven, maar een dynamisch verlangen. In lijn 33 wordt er gesproken over streben en verlangen. De wet is vergelijkbaar met de uitstaande Messiasverwachting. Abraham Heschel benadrukt dat er eerst een aardse gerechtigheid (of een ‘rechte’ verhouding tot de wet) moet bestaan die de materiële troon kan vormen voor de shekina of goddelijke inwoning. Binnenaards kan de shekina begrepen worden als de vervulling van het levensgeheim.

    Merkwaardig is dat de man die de fundamentele relatie wil instaureren, zichzelf richt tot de Türhuter. De persoonlijke relatie tot het levensgeheim wordt onmiddellijk omgebogen. Dit is een betekenis van de fundamentele Täuschung. Er wordt een perspectief ingenomen waarbij de aandacht verschuift van de quintessens naar het mogelijke obstakel. Het initiatief gaat hierbij uit van de eerste persoon die met een stereotyperende verwachting naar de ander kijkt. Deze andere zal hierdoor progressief verschijnen als een derde persoon, een obstakel. Dit uit zich stilistisch in het vermijden van de dialoog in de directe rede. Het antwoord van de deurwachter wordt weergegeven in de indirecte rede. Op de vraag van de man kan de deurwachter niet in eigen naam als een ik antwoorden. Door het gebruik van de indirecte rede kan de deurwachter worden aangeduid in de derde persoonsvorm.

    3. Maar de deurwachter zegt, dat hij hem nu de toegang niet kan verlenen.

    De deurwachter spreekt slechts tweemaal in de indirecte rede. De tweede maal (regel 18) vormt een bijna letterlijke herhaling: daß er ihn noch nicht einlassen könne. De andere woorden van de deurwachter worden in de directe rede weergegeven. De man daarentegen spreekt voortdurend in de indirecte rede, behalve in regel 33. Deze uitzonderingen verdienen derhalve bijzondere aandacht.

    Vanuit het antwoord van de wachter kunnen er twee sporen worden ontwikkeld. Vooreerst kan de klemtoon worden gelegd op het temporele aspect. Dit roept de suggestie op dat de man later misschien wel zal kunnen binnentreden:

    4. De man overlegt bij zichzelf en vraagt daarna, of hij dus later zal mogen binnentreden.

    De toegang tot het levensgeheim zou in dit geval een kwestie van tijd en uitstel kunnen zijn. Het nu-moment wordt verschoven naar de toekomst. Ten tweede kan de klemtoon worden gelegd op de vorm van de persoonlijke ontmoeting. Vanuit de vraag van de man wordt de wachter gepresenteerd in de objectiviteit van de derde persoonsvorm. Rosenzweig schrijft op een centrale bladzijde van zijn werk dat de verlossing gebeurt wanneer "das Ich zum Er Du sagen lernt." De gesloten subjectiviteit van de mens wordt ‘ge-open-baard’ wanneer men de andere mens als een persoon of een doel op zich en niet als een object of een middel beschouwt. Deze werkelijkheid kan enkel in het nu-moment gebeuren. Wanneer ze als een doelstelling naar de toekomst toe wordt geprojecteerd, gaat haar actuele betekenis per definitie verloren. De landman kiest echter voor de eerste mogelijkheid. Hierdoor neemt het obstakelkarakter van de wachter voortdurend toe. De aandacht voor het levensgeheim zelf komt hierdoor op de tweede plaats te staan. Desondanks barreert de wachter deze temporele interpretatie:

    5. "Het is mogelijk", zegt de deurwachter, "maar nu niet".

    Binnen dit geobjectiveerde relatiepatroon verschijnt het primaat van het oog:

    6. Omdat de poort tot de wet zoals steeds openstaat en de deurwachter terzijde stapt, bukt de man zich, om door de poort naar het inwendige [ van de wet] te kijken.

    De metafoor van het zien en het licht verwijst in de westerse traditie naar de kennis. Zien heeft fundamenteel te maken met het in-zien, het afbeelden en representeren of aanwezig stellen. De gehele werkelijkheid wordt verzameld in een oneindig groot nu-moment. De theoria wordt begrepen als de hoogste vorm van menselijke kennis (Aristoteles). De westerse cultuur streeft naar inzichtelijkheid of transparantie. Het door Plato en Aristoteles geïnitieerde primaat van het oog vindt zijn correlaat in twee actuele gedachten. De kennis wordt verbonden met macht. Het dikwijls verkeerd begrepen adagium van Bacon heeft niet alleen betrekking op de macht tegenover de natuur en de dingen. De macht wordt ook uitgeoefend op de mensen. In zijn briljante studie over het gevangeniswezen, Surveiller et punir, spreekt Michel Foucault over het panopticon. Het is een observatiesysteem van totale transparantie. De macht oefent zich uit in het subtiele spel van zien en gezien worden. Dit panopticon is een fundamenteel paradigma in onze westerse cultuur. Daarnaast sluit de kennis principieel het andere uit. Dit andere is precies hetgene niet-objectiveerbaar is. De joodse auteur Levinas spreekt in Totalité et Infini over de synopsis. Het is de blik die onmiddellijk alles in een totalitaire synthese samenbrengt. Een synoptische blik schakelt de alteriteit uit en herleidt het andere tot het objectieve.

    Het luisteren naar het woord is tegengesteld aan het zien. Zoals bekend is de joodse traditie een cultuur van het oor. Dagelijks bidden de vrome joden het Sjema Israël. Ook staat er geschreven dat niemand ooit God gezien heeft en het ikonoklasme is zowel het verbod op afbeeldingen van God en van de mensen. Het luisteren heeft een fundamenteel andere structuur dan het zien. Het woord wordt uitgesproken door de ander. Waar men in het zien zelf het initiatief neemt om greep te krijgen op de dingen, is men in het luisteren fundamenteel afhankelijk. Ook de tijdsbeleving is anders. Het zien betekent het bevriezen van de actualiteit. In het beeld wordt de aanwezigheid vastgehouden waardoor een principiële herhaalbaarheid en verdubbeling ontstaat. Hierdoor is het uitstel steeds mogelijk. Het luisteren daarentegen is getekend door vergankelijkheid en vluchtigheid. De actualiteit van de tijd is beslissend. De materialiteit van de stemklank is te ijl om geobjectiveerd te kunnen worden in een beeld. De stem kan alleen gehoord worden als een intersubjectieve werkelijkheid. De stem verdraagt geen objectiverend beeld.

    De man van buiten wordt na de eerste objectivering van de deurwachter, verleid tot het zien. Hij wil door de poort deur naar het innerlijke geheim van de wet kijken. Precies op het moment dat hij bezwijkt onder de verleiding van het oog, wordt hij een eerste maal kleiner. De groeiende objectivering gaat gepaard met een verschrompelende menselijkheid. Het kleiner worden van de man betekent omgekeerd het steeds groter worden van de wet die als een verbod verschijnt en van de wachter die een onneembare hindernis wordt. Het verbod wordt steeds sterker en er ontstaat een spiegelsituatie. In plaats van één wachter worden er plotseling drie opgeroepen. Dit paroxysme van het verdubbelende inzicht draagt zijn eigen grens in zich. De aanblik wordt ondraaglijk:

    7. Wanneer de deurwachter dit opmerkt, lacht hij en zegt:

    8. "Wanneer het je zo aanlokt, probeer dan toch, ondanks mijn verbod binnen te treden.

    9. Maar weet: ik ben machtig. En ik ben slechts de laagste deurwachter.

    10. Van zaal tot zaal staan er echter deurwachters, de ene machtiger dan de andere.

    11. Reeds de aanblik van de derde kan zelfs ik niet eenmaal verdragen."

    De man blijft echter gefixeerd door het primaat van het oog waardoor een objectieve interpretatie van de wet ontstaat:

    12. Dergelijke moeilijkheden had de landman niet verwacht, de wet moet toch voor iedereen en altijd toegankelijk zijn, denkt hij,

    De wet is voor iedereen altijd toegankelijk, zij is een theoretisch inzicht dat elkeen kan verwerven. Onder het primaat van de theoretische rede wordt iedereen gelijkgeschakeld en het geheim van elkeens leven is het zelfde (panoptische blik). Ook Levinas maakt de band tussen het zelfde (le même) en het synoptische denken. De tijdsbeleving van het nu-moment (kairos) wordt daarenboven uitgerokken tot een eeuwig verlammend nu. Dit alles gebeurt in de sfeer van het denken. Vanuit deze theoretiserende houding wordt de fysionomie van de wachter beschreven. Zoals reeds opgemerkt verschijnt de wachter als de karikatuur van een joods man:

    maar wanneer hij nu de deurwachter in zijn pelsmantel nauwkeuriger bekijkt, zijn grote spitsneus, de lange, dunne, zwarte, tartaarse baard,
    besluit hij toch, liever te wachten, tot hij verlof krijgt om binnen te treden.

    Een bepaald type religieuze jood, als pars pro toto van een joodse levenswijze, wordt voorgesteld als obstakel voor de toegang tot de wet. Vanuit een religieus perspectief zou men eerder verwachten in de religie een richtingwijzer voor de toegang tot het levensgeheim te vinden (Weisung). Er dient echter gesteld te worden dat de wachter enkel onder de theoretische blik van de man verschijnt als obstakel. De wachter (of hier de religie) is een obstakel wanneer hij niet wordt beschouwd als een intersubjectieve realiteit maar als een verlammende objectiviteit. In het vervolg van de tekst lezen we over het mededogen van de wachter. De man wordt steeds kleiner en zit uiteindelijk op een stoeltje.

    15. De deurwachter geeft hem een krukje en laat hem naast de deur plaatsnemen.

    Daar zit hij dagen en jaren.

    Hij maakt vele verzoeken om binnengelaten te worden en vermoeit de deurwachter met zijn smeekbeden.

    De deurwachter neemt hem regelmatig kleine verhoren af, vraagt hem naar zijn plaats van herkomst en naar veel andere dingen, het zijn echter ongeïnteresseerde vragen, zoals grote heren ze stellen, en tot slot zegt hij hem steeds opnieuw, dat hij hem nog niet kan binnenlaten.

    In de inclusie die gevormd wordt door de tweede uitspraak in de indirecte rede wordt het verlammende van de situatie bevestigd. De theoretiserende blik fixeert de situatie: de man blijft ineenkrimpen, het obstakel wordt alsmaar groter (große Herren), de wachter verschijnt nog steeds als een derde persoon en de toegang tot de wet blijft verzegeld.

    De man, die zich voor zijn reis met veel heeft toegerust, gebruikt alles, hoe waardevol het ook is, om de deurwachter voor zich in te nemen.

    Deze neemt weliswaar alles aan, maar zegt erbij:

    "Ik neem het alleen maar aan, opdat jij niet zou geloven, ook maar iets nagelaten te hebben."

    Gedurende de vele jaren observeert de man de deurwachter haast ononderbroken.

    Op dit moment van het verhaal is de aandacht voor de toegangspoort tot de wet totaal verdwenen. Het perspectief van de man is gericht op de wachter, het oorspronkelijke verlangen naar de levenswet is vergeten. Er ontstaat een fascinatie voor het verbod. Dit wordt versterkt door de mislukkende omkooppogingen.

    Hij vergeet de andere deurwachters, en de eerste schijnt hem de enige hindernis voor de toegang tot de wet te zijn.

    Hij vervloekt het ongelukkige toeval uit de eerste jaren luid, later, als hij oud wordt, bromt hij alleen nog wat voor zich uit.

    Het overheersende van het verbod wordt nogmaals benadrukt door het feit dat de wachter de unieke hindernis vormt. De andere wachters zijn uit het blikveld verdwenen. De obsessie wordt zodanig sterk dat de man zelfs de vlooien wil omkopen. Gedurende deze kinderachtige bezigheid wordt hij nog kleiner en zelfs kinds.

    Hij wordt kinds, en omdat hij gedurende de jarenlange studie van de deurwachter ook de vlooien in zijn pelskraag leerde kennen, vraagt hij ook de vlooien, hem te helpen en de deurwachter te overtuigen.

    Hierna gebeurt er een belangrijke wende in het verhaal. De thematiek van de misleiding uit de inleidende dialoog (Täuschung) wordt opnieuw opgenomen:

    Tenslotte wordt het licht van zijn ogen zwak, en hij weet niet, of het rondom hem werkelijk donker wordt dan wel of alleen zijn ogen hem misleiden.

    Wel neemt hij nu in het donker een glans waar, die onstuitbaar uit de deur van de wet breekt.

    Het licht dat vanuit de ogen van de man een objectief perspectief werpt op de werkelijkheid waardoor deze kan gezien worden, verduistert. Op dit eigenste moment stroomt er vanuit de wet een glans naar de man toe. Dit paradoxale lichtspel leidt tot de vraag van de Täuschung: hebben de ogen de man bedrogen? Heeft hij met andere woorden een verkeerd perspectief op de werkelijkheid ontwikkeld waardoor de blindheid ontstaat voor het andere dan zichzelf?

    De omkering van licht en duisternis vormt het scharnierpunt van de tekst. Tegenover de duisternis van de ogen staat een onweerstaanbare glans. Kafka neemt een belangrijke thematiek uit de Oedipous-tragedie op. Toen Oedipous doordrong tot zijn donkere levensgeheim en inzicht kreeg in de vadermoord en de incestueuze relatie met de moeder, stak hij zichzelf de ogen uit. Het inzien van het geheim leidt tot blindheid. De ‘ziener’ Teiresias daarentegen doorgrondde het geheim van Oedipous en was reeds van in het begin van de tragedie blind.

    De oorspronkelijke vraag luidde of de buitenman ooit de wet zou binnentreden. Voor de landman betekent het falende inzicht het einde van het leven dat tot op heden werd begrepen als het wachten in de tijd. De duisternis van de ogen duidt het einde van deze mogelijkheid aan. De landman ziet het letterlijk niet meer zitten. De derde persoon fascineert zodanig dat de persoonlijke verhouding tot de wet vergeten wordt. Dit vormde nochtans het tweede spoor naar de wet. De onmogelijkheid van het eerste perspectief leidt tot een concentratiepunt in het verhaal.

    Nu leeft hij niet lang meer.

    Voor zijn dood verzamelen zich in zijn hoofd alle ervaringen van de gehele tijd tot één vraag, die hij tot nu toe aan de deurwachter niet gesteld heeft.

    Hij wenkt naar hem, omdat hij zijn verstarrende lichaam niet meer kan oprichten.

    De deurwachter moet zich diep over hem neerbuigen, want de verschillen in grootte hebben zich zeer sterk in het nadeel van de man gewijzigd.

    "Wat wil je nu nog weten?" vraagt de deurwachter, "jij bent onverzadigbaar."

    Nadat de zich steeds uitrekkende tijd wordt gebruskeerd door de mogelijkheid van de dood, wordt de ultieme vraag mogelijk. Deze wordt zorgvuldig en geduldig op drievoudige wijze ingeleid. De opening van de zin Vor seinem Tode vormt stilistisch een inclusie met de opening van de parabel. Het staan voor de wet wordt geconcretiseerd als het staan voor de eigen dood. Het is opvallend dat het lidwoord uit de openingszin wordt vervangen door een bezittelijk voornaamwoord. De dood kan hierdoor onmogelijk nog begrepen worden als een objectief gegeven. De dood is steeds een bestaansmogelijkheid. De assumptie van de eigen dood als negativiteit of grens betekent de beaming van de eindigheid van het eigen leven. Dit ja tegen het eindige leven in de actuele tijd is een voorwaarde voor elke relatie met een alteriteit. Ten tweede wordt de uitgestelde tijd geconcentreerd tot één actuele vraag. Wanneer de man deze vraag op de lippen neemt, spreekt hij voor de eerste maal in de directe rede. In de ogen van de dood neemt hij als het ware de verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan op en spreekt in eigen naam. Tenslotte wordt het spel van groot en klein een laatste maal herhaald. Daarna wordt de vraag gesteld:

    "Iedereen streeft toch naar de wet", zegt de man, "hoe komt het, dat er gedurende de verschillende jaren niemand behalve ik toegang gevraagd heeft?"

    Behalve de perspectiefverwisseling - namelijk het spreken in eigen naam - schijnt de situatie geblokkeerd te blijven. De man herhaalt een gedachte die reeds vroeger werd geformuleerd, namelijk dat de wet voor iedereen en altijd toegankelijk moet zijn. Daarenboven wordt de tijd nog steeds gezien als een oneindige tijd. Er is nog altijd sprake van vele jaren. Nochtans is de betovering van het objectiverende denken door de radicale perspectiefwissel blijkbaar doorbroken. De man ziet de relatie tot de wet, het verlangen en de dood als zijn relatie tot zijn wet, zijn verlangen en zijn dood. Dit kan enkel doordat hij zichzelf als een ik beschouwt en in eigen naam spreekt.

    De deurwachter weet, dat de man aan het einde gekomen is, en om zijn verwijderende gehoor nog te bereiken, brult hij hem toe:

    "Hier kon niemand toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu heen en sluit haar af."

    Op het moment dat het ten volle doordringt dat de poort tot de wet geen onpersoonlijk object of obstakel maar een persoonlijk geschenk is, wordt de poort gesloten. K. heeft het decisieve nu-moment gemist. Het is blijkbaar te laat. Na dit onthutsende slot worden er verschillende talmoedische interpretaties voorgesteld. Daarna sterft K. als een hond.

    Besluit: eindigheid en alteriteit

    Het verhaal van Kafka kan gelezen worden als de mislukte confrontatie met het mysterie aan gene zijde van de vrijheid. De fundamentele relatie van de menselijke vrijheid is gericht op de/het andere als persoon, niet als object. De confrontatie met dit intersubjectieve geheim maakt het menselijke leven mogelijk. Ze is gelijkaardig aan de assumptie van de eigen dood als de erkenning van het eigen eindige en persoonlijke bestaan. Rosenzweig citeert een talmoedische tekst: "Gar sehr, so lehren unsre Alten, gar sehr - das ist der Tod." Bij Rosenzweig vormt dit citaat de laatste zin van de beschrijving van de wereld (objectiviteit) zoals ingesteld door de schepping en hierdoor de overgang naar de beschrijving van de openbaring die fundamenteel intersubjectief is. Misschien is de assumptie van de eigen eindigheid, de confrontatie met de dood die elke deur sluit, de mogelijkheid tot intersubjectiviteit. Onder het regime van de dood verschijnt de objectiviteit als verleden tijd. De actualiteit van het bestaan of het intersubjectieve perspectief is enkel mogelijk wanneer het objectiverende perspectief naar het verleden is verschoven. Ook Abraham moest imaginaire objecten breken om het leven van Israël mogelijk te maken.

    Terug naar inhoudstafel - Vorige pagina - Terug naar startpagina