MARIEKE LEMIENGRE OP DE PRAATSTOEL.

Marieke heeft een zus, Joke en een broer Lieven. Studeert geneeskunde te Gent.

 

Marieke, hoe heb jij Jonge Kerk leren kennen?

Mijn ouders zijn getrouwd in Jonge Kerk, en ik ben er ook gedoopt. Daarna is ons gezin er een hele tijd niet meer gekomen, tot het vormsel van mijn zus Joke. (zij is een jaar ouder dan ik)

Dus eigenlijk zijn jullie van de tweede generatie?

Ja, als kind gingen we mee met onze ouders.

Aanvankelijk (toen ik in het 5e of 6e leerjaar zat) vond ik het allemaal nogal moeilijk wat er allemaal gezegd en gedaan werd in de vieringen, maar omdat we met enkele leeftijdsgenoten waren, bleef ik toch komen naar de vieringen.

Omdat de vieringen nogal ‘moeilijk’ waren voor ons, is toen het voorstel gekomen om te starten met een tienergroep.

In dat groepje kwamen we geregeld samen met priester Jos en enkele begeleidende jongvolwassenen om gewoon wat te praten, voor een spel of om een viering voor te bereiden.

Ik herinner me nog goed onze eerste viering. Het thema was toen ‘de scheve tafel’. Die tafel moest de tegenstellingen tussen de rijke en de arme kant van de wereld symboliseren. We hebben dat toen heel praktisch voorgesteld met een ‘scheef altaar’. Op die creatieve manier werden we ons bewust van de situatie in de wereld.

Met een aantal mensen uit die tienergroep en met enkele mensen van buiten Jonge Kerk zijn we dit jaar gestart met een studentengroepje. Net als vroeger in de tienergroep komen we ook samen om uit te wisselen. Af en toe bereiden we ook een viering voor, maar dat is niet het hoofddoel van die groep. Hoe ons studentengroepje zal evolueren, weten we nog niet zo precies. We zijn nog maar net gestart en het idee moet nog wat groeien.

Tot nu toe hebben we al een aantal vieringen voorbereid, toch staat vast dat ons groepje een andere soort groep is dan een leefgroep.

Ik hoor nu opnieuw een nieuw woord:‘leefgroepen’… ?

Er zijn een aantal van die leefgroepen in Jonge Kerk. Het zijn groepen die geregeld samenkomen om een viering voor te bereiden. Meestal wordt aan die voorbereiding een maaltijd gekoppeld, zodat je er ook de kans krijgt om elkaar beter te leren kennen en ervaringen te delen.

Die groepen wisselen jaarlijks en worden samengesteld door loting. Je wordt dus aan elkaar ‘gegeven’.

In de studentengroep hebben we wel uitdrukkelijker voor elkaar gekozen.

Wordt dat ‘voor elkaar kiezen’ gethematiseerd in Jonge Kerk?

Ja, ik denk wel dat het in Jonge Kerk belangrijk is dat je niet steeds voor elkaar kiest. Een leefgroep wordt ieder jaar opnieuw ‘geloot’. Beide soort groepen hebben voor- en nadelen.

In een leefgroep ben je ‘gegeven’ en probeer je samen te leven met soms zeer verschillende mensen. Dat is ook niet altijd gemakkelijk, maar ik denk wel dat zoiets zijn eigen waarde heeft.

In de studentengroep hebben we,zoals gezegd, wel uitdrukkelijker voor elkaar gekozen. De groep blijft ook langer samen dan een jaar. Daardoor kun je elkaar wel beter leren kennen en kan er een groter vertrouwen groeien, zodat je ook heel persoonlijke ervaringen met elkaar kan delen.

De studentengroep zal me niet beletten om volgend jaar eventueel ook in een leefgroep te gaan. Ik vind een leefgroep zeker ook heel zinvol.

Je sprak daarnet over de eerste viering die jullie hadden voorbereid met de tienergroep. Zijn er zo nog andere sterke momenten die je zijn bijgebleven?

Wat ik mij nog herinner, was de paaswake van het jaar waarin ik mijn vormsel deed. Ik ben gevormd op Schiervelde, maar in de viering van de Paasnacht in Jonge Kerk staan de jongeren die dat jaar gevormd worden, centraal.

De viering was toen opgebouwd rond het verhaal van de vuuroven (Daniël 3).

Wij werden toen gevraagd in de vuuroven gaan zitten, met allemaal kaarsjes rond ons, daar heb ik nog veel herinneringen aan. Ik vind het toch prachtig dat wij, al op die jonge leeftijd ‘belangrijk’ waren en actief betrokken werden in de vieringen.

Ook de liedavonden zijn ieder jaar sterke momenten. Ik zing al enkele jaren mee. Toen we wat jonger waren, mochten we vaak een toneeltje doen. Dat vonden wij heel plezierig. We hoorden er zo echt bij.

Wat natuurlijk altijd zal bijblijven is onze inleefreis naar Kameroen. Afgelopen vakantie zijn wij voor vijf weken naar Kameroen geweest met de tienergroep. We logeerden er bij pater Dany. Toen zijn vondelingentehuis pas gestart was, is hij eens naar Jonge Kerk gekomen om ons wat te vertellen over zijn werk. Kameroen was dan voor ons nog een heel verre droom. Ik herinner me nog de steen die hij had meegebracht. Die ging de kapel rond, en iedereen mocht er een wens in ‘inspreken’.

Ook een aantal huwelijksvieringen van mensen uit Jonge Kerk, … en het planningsweekend.

Iets over het ‘studentenleven’ nu… zit jij op kot in Gent ?

Ja, we zitten met drie op kot, samen in een huis.

Weten je medestudenten dat jij in Jonge Kerk bent? Zien buitenstaanders dat jij gelovig bent?

Ik denk van niet, ik heb daar nog niet zoveel over verteld. Buitenstaanders hebben daar over het algemeen weinig interesse voor. Ik heb wel vertel over mijn reis naar Kameroen, wat me daar getroffen heeft. Dat is iets dat hen wel aanspreekt. Zich inzetten voor de 3de wereld, voor projecten die mensen in nood helpen, dat is iets dat zij ook wel belangrijk vinden.

Het feit dat je gelovig bent is tegenwoordig niet meer iets om ‘complexen’ over te hebben, je wordt er niet voor bekeken, maar er is gewoonweg geen echte interesse voor. Ik kan dat ergens wel begrijpen hoor, als ik eens naar een ‘gewone’ kerk ga, dan kan mij dat ook niet onmiddellijk boeien.

 

Je hebt er geen last van dat er veel ‘negatiefs’ verteld wordt over de Kerk?

Och, eigenlijk interesseert de Kerk als instituut mij niet zo! Ik heb er zelf soms wel moeite mee, als ik zie welk beeld het kerkinstituut zelf naar buiten brengt. Ik denk bijvoorbeeld aan de uitspraken en het optreden van de paus, waar ik me zelf ook niet echt in herken. Ik kan dan ook wel begrijpen dat de ‘jeugd’ daar geen interesse voor heeft.

Heb jij een tekst die je raakt, een tekst waarvan je leeft… ?

Tsja, … er zijn er natuurlijk zoveel !

Wat ik wel een sterke tekst vind, is ‘Onze Vader verborgen’ (H. Oosterhuis). We hebben dat heel vaak gezongen in Kameroen en daardoor heeft dit lied voor mij natuurlijk nog een extra dimensie. Uw naam, Jahwe, wat betekent ‘ik zal er zijn’, wordt zichtbaar in ons. Ik versta daaronder dat God er is waar mensen samen zijn, en dat wij ‘er moeten zijn’ voor elkaar. Een paradijswereld wordt erin beschreven: bomen tot in de hemel, water, schoonheid en brood, gerechtigheid en genade. Wapens zijn er niet nodig om de vrede te bewaren, mensen hebben er elkaar lief en vormen er een hechte gemeenschap, waarin iedereen zijn plaats heeft. Kinderen mogen er plezier maken en ravotten, zoveel ze maar willen. Niemand wordt er onrecht aangedaan, mens noch dier. Je kunt nu wel zeggen : zo’n wereld is ondenkbaar, helemaal niet realistisch, dus stop met dat gezwans. Ik vind het toch mooi om te dromen van zo’n wereld en ernaar te streven hier en daar een stukje van die wereld waar te maken. Deze realistische kijk wordt even later ook bezongen. Het is een soort van hulpkreet: alsjeblieft God, ‘doof de hel in ons hoofd, leg uw woord op ons hart, breek het ijzer met handen, breek de macht van het kwaad’. Ik geloof erin dat waar mensen samen zijn, elkaar steunen en liefhebben, het ijzer dat geplooid kan worden en de macht van het kwaad die ingeperkt kan worden. De slotzin ‘Van U is de toekomst, kome wat komt’, kun je op verschillende manieren interpreteren. Je kunt zeggen, God, jij hebt iets voor met onze wereld, jij weet wat er zal gebeuren en tja, kome wat komt, wij zullen het wel ondergaan en er het beste van maken. Je kunt ook denken, van U, uw wereld is de toekomst, laat ons er met heel veel mensenhanden aan werken. We weten dat we veel tegenkanting zullen hebben, dat de weg naar Uw paradijs niet door iedereen als positief aanvaard zal worden, maar we gaan ervoor. Kome wat komt.

‘God’, wie of wat is dat voor jou?

Dat is wel een moeilijke vraag. Ik zie God niet echt als een persoon. Als mensen samenzijn en het leven delen ervaar ik ‘God’. Het is een soort schim. In mensen die er zijn voor jou, God als ‘ik ben er voor jou’.

In de studentengroep hebben we daar ook al over gepraat. Ik denk dat beeld bij de meeste van onze leeftijdsgenoten nog wat moet groeien. Ons kinderlijk geloof in die Vader, die daar ergens tussen de wolken rondzweeft en naar ons kijkt, is aan het verdwijnen. Nu moet een nieuw beeld in de plaats komen. Ik ben er nog niet uit welke plaats die onzichtbare God in mijn leven zal hebben, of wat hij later precies voor mij zal betekenen.

En ‘bidden’, wat betekent dat voor jou?

‘Bidden’ zoals het traditioneel wordt voorgesteld, doe ik zelden. Ik begrijp er ook de zin niet echt van. Indien je met een probleem zit, heb je toch meer hulp aan iemand die bij je zit en tenminste iets terug zegt. Misschien heeft het wel te maken met mijn hele godsbeeld; als ik God niet zie als een persoon, kan ik moeilijk tot hem bidden. In de voorbeden wordt vaak voor mensen gebeden. Ik vind dat aan de ene kant wel positief. Aan de andere kant is het misschien zinvoller om die mensen eens op te zoeken of een kaartje te schrijven. Ik vind het bijvoorbeeld zinvoller om pater Dany een brief te schrijven, dan voor hem te bidden. Schrijven is ook een manier om je ‘verbonden’ te weten.

Wat voor mij wel gemakkelijker is, is samen zingen en vieren.

En Jezus, wie is dat voor jou?

Een heel mooie figuur, die mensen bewust heeft gemaakt over wat er aan het gebeuren is in de wereld. Of hij nu echt heeft bestaan of niet, dat doet er voor mij minder toe. In het middelbaar werd daar in de godsdienstlessen nogal veel over gediscussieerd.

Stel nu dat er ‘bewezen’ wordt dat alles niet echt is gebeurd, daarmee verandert de waarde van het verhaal van Jezus voor mij niet. Het blijft volgens mij belangrijk om de bijbel te lezen, omdat die verhalen nog altijd actualiteitswaarde hebben: ook nu is er nog steeds uitbuiting, ook nu is er nog onrecht. En de bijbel zet ons aan het denken over hoe we daarmee kunnen omgaan.

En als brood wordt gebroken en uitgedeeld, welke betekenis heeft dat voor jou?

Een ‘mis’ is een uurtje per week eens stilvallen, rustig nadenken.

Het brood is symbool voor leven delen, samen praten, naar elkaar luisteren.

De bijbellezingen zijn een oproep tot ‘bewust’ worden, je niet neerleggen bij wantoestanden. Af en toe moet je wat tijd nemen om je hiermee te confronteren.

 

Heb je naast JK nog andere ‘plaatsen’ (bv. jeugdbeweging)?

Ja, ik ben twee jaar leidster geweest bij vKSJ, en daarvoor was ik ook bij de Chiro. Ik ben hiermee gestopt door mijn studies, met spijt in het hart natuurlijk. Ik ben van het principe: als je iets doet, doe het goed en zorg dat de mensen op jou kunnen rekenen. Met dat semestersysteem is dat voor mij niet mogelijk. Ik kijk wel met een heel tevreden blik terug naar mijn ‘jeugdbewegingjaren’. Kinderen zijn fantastische wezentjes, met wie je zoveel kunt doen. In leiding staan is een groot leerproces: je moet leren samenwerken met je medeleiding, de verantwoordelijkheid nemen om iets te organiseren, maar ook voor je gastjes. Die kinderen kijken naar je op, je bent hun voorbeeld. Je leert spreken voor een grote groep mensen. Je mag ook fouten maken; het ene spel lukt, het andere niet, maar dat is niet zo erg. Zo lang de kinderen zich maar amuseren.

Was dat ook een plek waar het ‘Jezusverhaal’ ter sprake kan komen, of is dat iets anders?

Bij de ‘K’ van vKSJ mag je ook niet te veel voorstellen, toch niet bij ons in Roeselare. Bij vKSJ West (de provinciale koepel) is dat wel anders: op startdag of opflakkering voor de leiding is er iedere keer een K-moment. Op kamp hebben we wel een soort bezinning op de avond van het kampvuur. Dat is altijd een heel mooi moment: elke groep komt dan naar voor met een verhaal over wat bij hen belangrijk geweest is op kamp. Dan voel je echt wel de verbondenheid tussen de verschillende takken.

De vraag is natuurlijk of het nodig is om ook met de jeugdbeweging vaak stil te staan bij de bijbel. Volgens mij heb je daar een heel gelovige leidingsgroep voor nodig, en waar je die nog kunt vinden…

Toch worden op de een of andere manier wel ‘christelijke waarden’, als ik ze zo mag noemen, doorgegeven. Als leiding zet je toch in voor andere mensen, zonder dat je er ‘geldelijk’ voor vergoed wordt. Dat is vandaag de dag helemaal niet meer vanzelfsprekend. Je krijgt er natuurlijk wel heel veel voldoening van, denk maar aan een kind dat je komt zeggen: ‘het was supertof vandaag’ of je krijgt een kerstkaartje van één van je gastjes ‘voor mijn allerliefste leidster’. Ik vind het belangrijk dat kinderen naar een jeugdbeweging gaan: ze leren er samenwerken met andere kinderen (groepjes die niet goed samenwerken verliezen dikwijls in een spel), ze leren er delen en naar elkaar luisteren. In de oudere takken worden ook vaak discussiespelen gedaan: ik vind dat belangrijk, want zo leer je nadenken over bepaalde zaken en er een mening over vormen. Men zegt wel eens dat de kinderen en jongeren steeds agressiever en individualistischer worden. Daar is wel wat van aan, en een jeugdbeweging speelt zeker een rol in het ombuigen van die agressiviteit en individualiteit.

In die zin blijft de ‘K’ zeker wel in de jeugdbeweging zweven.

.Ik zou graag nog eens iets horen over jullie reis naar Kameroen!

Dat was een prachtige ervaring!

We waren vijf weken vlakbij Yaoundé, de hoofdstad van Kameroen, te gast bij pater Dany, een scheutist. Pater Dany heeft daar een vondelingentehuis opgericht, voor verlaten kinderen. Dit tehuis wordt gesteund door Jonge Kerk.

We waren met 7 jongeren (ons tienergroepje) en drie begeleiders (Jos, Ilse en Beatrijs).

Wat hebben we daar allemaal gedaan? De eerste week was vooral een beetje wennen aan de nieuwe omgeving, de foyer, de lieve mensen, de stad, de warmte en de Afrikaanse cultuur. We werden er heel hartelijk ontvangen. Al snel voelden we er ons thuis. We hadden er heel goede contacten met de ‘mama’s’, de opvoedsters die er voor de kinderen zorgen. We hielpen hen en deden allerlei activiteiten en spelletjes met de kinderen, een soort vKSJ-kamp. We hebben ook heel veel gepraat met twee seminaristen, ook over ons geloof. Het was niet gemakkelijk om hen te vertellen hoe het gesteld is met de Kerk in Europa. In Kameroen is er een heel levendige kerkgemeenschap. Ze hadden moeite om te begrijpen waarom het geloof in het Westen zo verzwakt is. We hadden ook contact met de MEJ, de ‘Mouvement Eucharistique des Jeunes’. Het is een soort jeugdbeweging, maar dan echt wel uitdrukkelijk christelijk georiënteerd is: wanneer ze op kamp gingen werd er heel veel tijd besteed aan bijbelstudie en ‘geloven’. We werden door hen ook gevraagd op een debat over ‘Geloven in Kameroen en in België’. De meesten van hen zijn van plan naar het seminarie te gaan, of in een klooster binnen te treden. Als je dan zegt dat bij ons maar hier en daar iemand die keuze maakt, komt dat voor hen wel nogal shockerend over.

In die week gingen we ook mee op familiebezoeken, waar we heel gastvrij ontvangen werden. Het verschil tussen hoe wij hier in België de zwarten ontvangen, en hoe zij ons ontvingen, is kilometers groot. Dat geeft mij wel een wrang gevoel.

Vanuit de foyer in Yaoundé hebben we dan ook andere plaatsen bezocht. In Ngoja deden we een soort ‘bouwkamp’. In een kerkje hebben we een prachtige mozaïek gemaakt. Pater Dany maakte het ontwerp en met allerlei steentjes hebben wij zijn ontwerp dan overgebracht, gemetseld, op een wand van het kerkje. In Ngoya had ik ook een gesprek met een jongen die fysica studeerde. Toen ik hem vroeg welk beroep hij later zou uitoefenen zei hij ‘taxichauffeur’. Er is voor mensen, die gestudeerd hebben, toch geen werk. Wie les geeft wordt niet betaald! Toen dacht ik toch: ik heb hier alles zonder dat ik er iets voor moet doen, maar in Kameroen moeten mensen een enorme wilskracht hebben als ze verder willen geraken.

De derde week was een echte ‘uitrustweek’. We zijn toen samen met pater Dany en de twee seminaristen naar de zee geweest. We logeerden er in een huisje vlakbij de zee. Voor Émilien en Henry (de twee seminaristen) was dat een ongelofelijke ervaring want zij hadden zelfs nog nooit de zee gezien. Ook voor ons waren het zalige, deugddoende dagen. We hadden toen wat meer tijd om te schrijven en te babbelen met elkaar. We praatten over ons geloof, maar ook over de situatie in Kameroen, ook over politiek, en over hoe het er bij ons aan toe gaat.

Eén van onze diepste ervaringen in Kameroen was onze ontmoeting met de bosjesmannen, ook de pygmeeën of Baka genoemd. Zij leven helemaal afgesloten in het woud. Het was er heel rustig, maar het leven is er ook bijzonder hard. Er is daar niets: geen elektriciteit, geen watervoorziening, de mensen leven er van wat ze vinden in het woud.

Het was een confronterende ervaring. Wij zijn bijvoorbeeld gewoon om drie keer per dag te eten, … zij eten maar één keer. Zij eten met vijftien, wat wij thuis met vijf personen zouden opeten. We hebben daar eens ervaren wat het is om ‘honger’ te hebben. Dat was confronterend, … door de honger werden we soms boos en wrevelig.

Die bosjesmannen hebben heel mooie verhalen, ze hebben een heel fijne cultuur. We hoorden er hun versie van het ontstaan van het regenwoud, hoe ze op olifantenjacht gaan, hoe de huwelijksceremonie in elkaar zit.

We hebben daar ook eucharistie gevierd met pater Paul, bij wie we te gast waren. Hij leeft al jaren met hen samen en kent ook hun taal, het Baka. De mensen hebben er zelf de symbolen en verhalen van het christelijk geloof ‘herschreven’ naar hun cultuur toe. Ze hebben bijvoorbeeld zelf liederen gemaakt, die zijn echt heel mooi.

Alleen was het jammer dat we niet met de mensen zelf konden praten. Pater Paul of een andere tolk (er was één iemand die ook wat Frans kon) moest iedere keer vertalen. Dat maakte het gesprek niet makkelijk.

Het was echt een prachtige ervaring. Ik hoop echt om daar eens terug te komen.

Terug thuiskomen was ook niet gemakkelijk. Als je beseft wat wij hier allemaal hebben,…daar had ik het wel moeilijk mee! Toen we dan een kot gingen zoeken in Gent moest ik de hele tijd denken aan wat die mensen daar met het geld van de huur zouden kunnen doen. Dat is heel confronterend. Ik had ook heel moeilijk met al die ‘modebeestjes’, mensen die iedere week nieuwe kleren kopen om ‘in’ te zijn. In Kameroen is er gewoonweg geen ‘mode’, je draagt gewoon je kleren tot ze echt totaal versleten zijn.

Ik denk wel dat ik me nu ‘bewuster’ ben van de relativiteit van die zaken.

Ik ben er zeker van dat het een goede keuze was van Jonge Kerk om ons te ondersteunen voor de Kameroenreis.

Je sprak eerder in het gesprek over de ‘bijbelse liedavond’ als een ervaring die bijblijft. Wat vind je daar zo sterk aan?

De bijbels liedavond is jaarlijks één van de sterke momenten in Jonge Kerk. De laatste jaren is die groep ook veel ruimer geworden dan Jonge Kerk zelf: er zingen heel wat mensen mee die ooit in Jonge Kerk zijn geweest, en die brengen op hun beurt dan weer andere mensen mee.

Het mooie aan die liedavond vind ik dat mensen samen iets moois maken, zonder al te veel stress. Gewoon omdat ze graag samen zingen en de teksten zinvol vinden. Dat is iets waar ik enorm veel aan heb.

Tot slot: wil je nog iets kwijt over Jonge Kerk?

’t Is een plaats waar je thuis kan komen en kan praten met mensen, ook met mensen die wat ouder zijn en meer ervaring hebben.

Ach, dus je praat niet alleen met leeftijdsgenoten zoals in de studentengroep, maar ook met mensen die ouder zijn?

Ja, natuurlijk!

Ik vind wat je nu zegt heel belangrijk!

Je kunt er altijd terecht om eens te praten met iemand over wat je bezighoudt. Of als je een probleempje hebt en je zoek iemand die al meer ervaring heeft in die dingen, vind je wel altijd iemand die luistert.

En dat lukt ook? Ik kan me voorstellen dat het gemakkelijker is om te praten met leeftijdsgenoten. In Jonge Kerk kun je dus die ‘dwarsverbindingen’ wel leggen. Ik denk dat er weinig plaatsen zijn waar dit kan.

Ik heb daar geen problemen mee, met die ‘dwarsverbindingen’ waar jij over spreekt. Je kent die mensen ook al een tijdje hé. En vóór, maar vooral na de viering blijven we meestal nog een hele tijd praten. Ik vind dat eigenlijk normaal!

Als ik zo hoor vertellen over Jonge Kerk mag iedereen blijkbaar zijn ‘ding’ doen, wordt iedereen ‘au serieus’ genomen.

Ja, ik denk wel dat iedereen gewaardeerd wordt. Ik speel bijvoorbeeld blokfluit en wordt gevraagd om de liedjes te begeleiden en zo kan iedereen wel iets hé.

Terug naar inhoudstafel - Vorige pagina - Volgende pagina