PETER VANSWEEVELT OP DE PRAATSTOEL

 

Wanneer ben je in Jonge Kerk gekomen?

In het jaar 83. Iemand van mijn klas, Marnik Vanclooster, was lid van Jonge Kerk. Op een Carnavalviering zou hij Urbanus spelen. Hij nodigde mij uit te komen kijken. Ik ben naar de mis gegaan en nadien bleef ik gaan, wel niet zo regelmatig eerst, maar later elke week.

Wat bracht dit bij?

Op die leeftijd zoek je geestverwanten, vrienden! Je vindt die in de klas, maar waar nog? Ik zocht plaatsen waar je die geestverwanten kon vinden en ontmoeten. Tegelijk waren het mijn eerste ervaringen van uitgaan. (Zaterdagavond is uitgangsavond). Zo brak ik thuis uit op een voor mijn ouders toelaatbare manier, maar ook toelaatbaar voor mijn karakter en geweten.

Het sociale element was bepalend zoals een voetbalploeg of muziek spelen?

Zeker maar in Jonge Kerk minder beperkend dan alleen het spel. Een voetbalploeg centreert zich rond de sport; een muziekgroep rond muziek. Het centrum waarrond mensen zich in Jonge Kerk verzamelen reikt inhoudelijk veel verder. Je hebt liturgie, nadenken over studiekeuze, relaties in het algemeen. Ruime geestverwantschap vond ik daar.

Wat viel je op in Jonge Kerk naast godsdienstlessen, vieringen op school?

In het begin niks speciaals. Er is een drempel die moet overschreden worden om in een bestaande groep en een bepaalde manier van godsdienstbeleving binnen te komen.

Hoe overschrijd je die drempel?

Door een leuke activiteit zoals die Carnavalviering en door de mensen, die je al kent. Je maakt nieuwe vrienden via vroegere.

In Jonge Kerk heb je reflexie over het leven samen met liturgie vieren?

Liturgie was niet het eerste dat me aantrok. Wat na de viering gebeurde, was even belangrijk.We vierden in Sint Michiel, nadien in het college, in de parochiezaal waren er activiteiten.

Zijn er onvergetelijke gebeurtenissen?

Neen, toch niet uit het begin. Ik herinner me veeleer een sfeer van samenkomen met vrienden in "het vroede en in het zotte".

In de seminarietijd?

Om de twee weken waren we vrij! Toen ging ik de zaterdagavond naar Jonge Kerk. Toch vond ik het soms moeilijk, vooral in de Leuvense periode omdat ik moest kiezen tussen thuis en Jonge Kerk. Ik was al de hele week weg, en die ene avond die ik thuis was ging ik dan opnieuw weg. Niet dat mijn ouders me dat verweten, maar ik moest in het reine komen met mijn eigen keuzes daaromtrent.

Wat was je plaats in Jonge kerk?

Ik speelde orgel maar ik nam ook deel aan de viering. Ik was meer betrokken op het gebeuren dan nu als organist op mijn parochie, of op sommige gelegenheidsvieringen nu. Musiceren is ook een vorm van voorgaan, dus is dat –zonder te ‘stoefen’- een vrij belangrijke plaats. Behalve muziek, heb ik nooit veel meegewerkt aan groepen, zoals leefgroepen.

Wel was ik een jaar lang in het dagelijks bestuur.

Planningsdagen? Wat is dat?

Op het einde van de zomervakantie, komen we, meestal drie dagen, samen om het volgende ‘werk’-jaar voor te bereiden. De eerste twee dagen zijn bezinning. . Het dagelijks bestuur stak de eerste dagen in elkaar rond een thema: Vierde Wereld, groepsvorming, Kerk in de Wereld,... Er werd nieuwe inhoud aangeboden, nagedacht, samengeleefd. De derde dag werd er gepland vanuit de gegroeide inzichten tijdens de bezinning, en afspraken werden gemaakt vanuit de inspiratie op voorhand.

Heeft Jonge Kerk jou dingen bijgebracht, die je elders, op het seminarie, in de parochie niet kreeg?

Absoluut!

Ten eerste, de manier van bijbellezen en interpreteren, die verantwoord is en tegelijkertijd over het leven gaat. Oosterhuis drukt dit als volgt uit: " Gij die weet wat in mensen omgaat aan twijfel, drift, plezier, onzekerheid, angsten, overmoed". Dit is te lezen in de bijbelverhalen. Oosterhuis vertaalt de bijbelteksten op die wijze. De bijbel moet tegelijk met een kritische (wetenschappelijk-kritische) bril gelezen worden, maar ook naar het leven van de mens toe gaan. Hoe verschillend wij ook leven nu in vergelijking met vroeger, de meest fundamentele menselijke trekken zijn van alle tijden. Wil de bijbel een boek van alle tijden zijn, zullen we dit eruit moeten distilleren.

Ten tweede, het geloof, de godsdienst gaat ook over "hoe mensen met elkaar omgaan". Het geloof heeft in die zin steeds een maatschappelijke, zelfs politieke betekenis. Evenzeer geldt dit voor de directe relaties met buren, kinderen, vrienden. Hoe we met elkaar omgaan, is één van de belangrijke manieren, om het geloof te peilen.

Heb je Oosterhuis in Jonge Kerk leren kennen?

Hij staat ook in Zingt Jubilate. In Jonge Kerk heb ik meer diverse takken van zijn dichterschap leren kennen. Wat mij in Oosterhuis’ werk fascineert is dat het dagdagelijkse en het visionaire, dat onze "condition humaine" uitmaakt in zijn gedichten prachtig aan bod komen. Inhoudelijk bereikt hij, vind ik, op die manier de basis van ons menszijn én dus van het geloof. Maar ook als poëzie, als object van schoonheid, waardeer ik zijn gedichten ten zeerste: klank en ritme, maar vooral het gebruik en de verbindingen van metaforen, die de taal zichzelf doet overstijgen. Gemakkelijker gezegd: hij weet dingen te zeggen die we anders nooit gezegd zouden krijgen, zoals alle grote dichters doen.

Is er een viering die je voor je leven meedraagt?

Dit tafelgebed: "Gij die weet..." is mijn lijftekst geworden. Deze tekst sluit nauw aan met mijn relatie tot de mensen, mezelf en God, of tenminste, zoals ik het zou willen. En op de vraag ‘zijn er vieringen die je voor je leven meedraagt?’ wil ik antwoorden: ja, maar dàt is nu echt te intiem om zomaar te vertellen.

Je Godsbeeld?

Ik wil daar niet veel bij zeggen! Liturgie, de teksten zijn niet het enige. Geloven is ook doen. Vanuit mijn beroep als organist ben ik veel met liturgie bezig, maar toch denk ik dat gelovig handelen het belangrijkste is en niet de liturgie. Vader zijn is mijn belangrijkste roeping. In die zin is de vraag naar een godsbeeld niet zo relevant. Hoeveel woorden zou ik hieraan vuil maken zonder dat er iets gebeurt? Kijk eens naar mijn leven, hoe ik mijn tijd besteed, waaraan ik te veel en te weinig waarde hecht; dan zal je zien hoe mijn concrete, mijn echte godsbeeld is. Dat dit voldoende is of het enig mogelijke, dat zeg ik niet, maar het heeft ook geen zin te veel woorden te verspillen aan een theoretische of een onbereikbare god.

Je gelovig handelen dan?

God is God, en wij zijn mensen. De enige manier om over God te spreken, en gelovig te handelen is de menselijke. Gelovig handelen is juist wat op menselijkheid gericht is. Menselijkheid in al zijn facetten: intellectuele, culturele, sociale ontplooiing; de zorg voor wie niet mee kan daarin en voor iedereen die op een of andere manier uit de boot valt of dreigt te vallen. Kinderen zijn in die zin een kwetsbare groep. Daarmee kom ik op mijn gelovig handelen. Ook mijn relatie met Ann is op een gelovige wijze gekleurd.

Mysterie van man en vrouw? Bijbelse inkleuring?

Ik zou zeggen: trouw. Beladen woord! Trouw is (natuurlijk) niet alleen seksuele trouw. De seksuele trouw is naast een aantal algemene menselijke aspecten, het symbool van een ander soort trouw die je ‘zorg’ kunt noemen. Je zorgt voor elkaar, hoe de ander ook is, hoe de situaties ook veranderen, hoe het leven ook gunstig of nadelig uitvalt. Dat is wat in de trouwbelofte staat als de ‘goede en kwade dagen’. Eén van die kwade dagen is ook de seksuele ontrouw. Maar ook in gedachten probeer je voldoende tijd te maken voor de andere. Ruzie maken is ook een vorm van ontrouw, beter gezegd een moment waarop je niet de zorg voor elkaar opneemt. Let op de trouw en ontrouw is niet in balans te houden. Het is geen kwestie van geven en nemen, geen kwestie van evenwicht. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de zorg voor zieke kinderen, of de zorg voor elkaar bij ingrijpende gebeurtenissen in het leven.

4 eigen kinderen en 2 pleegkinderen?

Samen kinderen krijgen en 2 pleegkinderen. Zo is het geworden bij ons. Achteraf merk je dat je dit een roeping kan noemen. Ik studeerde filosofie en niemand vraagt me om te filosoferen.

Ik studeerde muziek en iedereen vraagt me om muziek te spelen. Als je dat roeping noemt, kan je deze ervaring vergelijken met de profeten. Aan Mozes wordt gevraagd te gaan spreken en hij antwoordt : "Ik kan niet spreken!". Toch moet hij het doen. Bescheiden vergelijking met een bijbelse werkelijkheid die ons bezig zijn met pleegkinderen verheldert. Ik ben geen opvoeder en toch word ik opgevorderd om kinderen op te voeden. Ik ben daar niet professioneel in en toch doe je het.

Had je kunnen "neen" zeggen?

Dat is een moeilijke vraag. Je kunt het vergelijken met een kind dat boven huilt. Je kunt dat even negeren maar uiteindelijk ga je naar boven. Op die manier heb ik ervaren dat op de vraag om 2 pleegkinderen op te nemen, ik niet neen kon zeggen.

Je bent ouder geworden en in een andere situatie terechtgekomen. Heb je nu de kerk gevonden, die je wilt zoals vroeger de Jonge Kerk?

Ik vind dit een egoïstische formulering van de vraag. Ik heb de Kerk niet nodig in de zin van "ik zou depressief worden" als ik dat niet zou hebben. Je hebt een gemeenschap, waarin je een verantwoordelijkheid krijgt, een taak. Dit kan eenvoudigweg zijn: de gelovige gemeenschap helpen dragen, zowel binnen als buiten het kerkgebouw. Voor mij ligt die verantwoordelijkheid op een ander vlak, namelijk muziek spelen in de parochie Sint Andries. Je moet daar iets mee doen in de kerk zoals ze nu is. Er is natuurlijk een verschil met Jonge Kerk. Een parochie is geënt op een ver verleden (900jaar). Je kunt in die traditie stappen, en verder vorm aan geven, wat bijsturen ( niet in de moraliserende betekenis) met o.a. de verworvenheden van de Jonge Kerk. Het repertorium kan je eenvoudig of moeilijk maken, de mensen veel of weinig laten zingen. Je gaat samen op weg. Ik moet de gevoeligheden van de mensen eerbiedigen, ook mijn eigen stempel drukken, ook eigen verantwoordelijkheid nemen.

Maar de eigenheid van de gemeenschap moet blijven geëerbiedigd worden, niet in de laatste plaats wat betreft de leeftijd van de kerkgangers. Andere parochies of groepen hebben een andere traditie met een verschillende repertorium. Mensen switchen: goed, maar laten wij elkaars eigenheid waarderen.

Is de doorsnedenreactie niet: het staat mij niet aan, dus ik haak af?

Het afbreken of switchen van parochies heeft te maken met: spreekt deze manier van vieren mij aan of niet? Er moet dus verscheidenheid zijn; dit is een rijkdom. Een minderheid van mensen kan gelijk hebben met een bepaalde voorkeur. Het kwantitatieve aspect is niet allerbelangrijkst. Ook in de politiek spelen de kleine partijen hun rol. Zo las ik onlangs dat er in België geen meerderheidspartijen meer zijn (30% is het hoogste).

Als je als parochie iets te bieden hebt, dan moet je dit blijven aanbieden. Maar als je een project aanbiedt op de parochie (en dat heb ik in Jonge Kerk geleerd) dan moet dit theoretisch doordacht zijn, exegetisch, liturgisch en pastoraal onderbouwd. Zoals in de planningsdagen van Jonge Kerk gebeurde: de planning gebeurt op basis van bezinning. Die onderbouw moet zo fundamenteel mogelijk zijn. Je kunt niet hier en daar iets pikken en er een cocktail van maken. Ook voor de liederenkeuze speelt dat een rol. We zingen liederen die jaren kunnen meegaan. De mode kan niet bepalend zijn. In die zin waren de planningsdagen in Jonge Kerk altijd belangrijk voor het ontwikkelen van een kader, godsdienstig, bijbels, levensnabij, waarin bepaalde initiatieven konden genomen worden.

Wie gaat dat blijven doen? Een eigen weg uitstippelen voor elke parochie?

Dat hoeft niet parochiaal te blijven. Het bisdom maakt federaties. Dit is een formele verandering waarmee je noodzakelijk in de problemen komt. Een andere organisatie moet hetzelfde werk blijven doen (en met minder volk). Beter is tegelijk met de federaties een vernieuwd liturgisch en pastoraal project voor te stellen.Zo blijft –ik geef een willekeurig en simpel voorbeeld- de preek het werk van de priester alleen. Dit is in een liturgie dat een gebeuren is van de hele gemeenschap toch niet meer denkbaar? De gemeenschap moet integendeel met eigen kritische zin en in overleg met verantwoordelijken (priesters of wie dan ook) zorgen voor hun specifieke spiritualiteit.

Hoe inhoudelijk verder werken?

Ik zou er niks op tegen hebben dat iemand zou rondgaan om les of, beter gezegd: bezinning, te geven, inspiratie aan te reiken. Het Bijbelhuis probeert dat te doen. Dit is een belangrijke motor in de vorming van de Kerk, door een gedegen reflectie aan te bieden.

Hoe moet het verhaal doorgaan met een verschrompeling van het personeel zoals het nu is?

Ik vrees dat op het bisdom de vragen wel gesteld worden in een kleine vergadering, waar er verder niks mee gebeurt. Het is natuurlijk belangrijk de vragen te stellen, maar nog belangrijker is er te pogen een theoretisch èn een beleidsmatig antwoord op te geven. Hoe jammer vond ik niet de boeken over de Vader, de Zoon en de Geest. Niet dat ze slecht zijn, allerminst. Maar op welke vragen van het huidige godsvolk bieden die een uitzicht? Op weinig, vrees ik.

Iets anders is te vragen een essay te schrijven over het priesterschap – in de onderstelling van de vanzelfsprekendheid dat het priesterambt in een crisis verkeert. Daar tijd voor te geven, desnoods twee mensen aanspreken en om samen de nieuwe en tegenstrijdige inzichten over het ambt te behandelen dat zou een eerste stap zijn. Dan kun je met dit gegeven twee dagen bezinnen en één dag plannen om de formule van Jonge Kerk over te nemen. De bezinning is niets als geen initiatieven hierop volgen. In de academische wereld kiest men, me dunkt, niet de juiste thema’s en er wordt van daaruit niet gehandeld. Het mystieke van het kloosterleven dat in is, zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot bezinning en planning. In die zin is de lopende opleiding voor gebedsbegeleiders goed maar te weinig in een geheel beleid gekaderd.

Zou er iets veranderen als de bisschop jou zou vragen om priester te worden?

In mijn situatie heb ik een voldoende verantwoordelijkheid om zonder officiële aanstelling een vruchtbare functie uit te oefenen in de parochie.

De jongeren van nu, zoeken die wat jij gevonden hebt in Jonge Kerk?

Er zijn minder jongeren die dat zoeken. Dat heeft volgens mij te maken met een andere tijdsgeest, maar ook met het feit dat ze niet, of nog niet, de kracht van de liturgie beseffen. Misschien omdat ze die kracht nog nooit gevoeld hebben. Ik wil ze niet afschrijven als inhoudsloos, maar de meesten zijn niet geïnteresseerd om in de kerk een taak op te nemen.

Zingen is zeer voedzaam. Is dit niet een unieke manier om met de verhalen in kennis te komen?

Ik denk het wel maar jongeren beseffen het niet. Wie zou het hen ook geleerd hebben? Als oudere heb je dus een zeker recht om liederen op te leggen die voor de lange duur bestemd zijn. Het is reeds voldoende gezegd, gebaseerd op inhoudelijke en in het geval van een lied ook poëtische en muzikale criteria. Wat dit betreft spreek ik graag over een langzaam werkend gif. Gif, in de goede betekenis van het woord. Zonder te forceren, beetje bij beetje wordt, zo hoop ik toch, een sterk religieus repertorium opgebouwd. In die zin heb ik verrassende ervaringen over de liederen die jongeren uiteindelijk (als het gif lang genoeg gewerkt heeft) uitkiezen om te zingen: "Jerousalaim - Het volk dat in duisternis gaat...".

Moet er niet meer gezongen worden? Moeten er niet meer plaatsen, waar dit aangeboden worden?

Er zijn al plaatsen. Jonge Kerk Brugge bijvoorbeeld. Ook in jeugdbewegingen worden veel serieuze gesprekken gevoerd, vinden geestverwanten elkaar. Het moet niet allemaal in het kerkgebouw gebeuren.

Maar over de liederen. ‘Welke liedjes zijn de moeite waard om gezongen te worden’, dat is de goede vraag. Niet alleen ‘welke liedjes zingen ze graag?’ Een paar smaakmakers kunnen er zonder problemen aan toegevoegd worden, maar een gefundeerde liederenkeuze is méér dan dat. Zonder twijfel is daarover nu veel discussie mogelijk. Wat is mooi? Wat betekent ‘de lange duur’,... Maar ik heb dan ook niet beweerd het laatste woord te hebben.

Bijkomende bedenkingen:

Het meervoudig voorgangerschap: in een viering is er niet één voorganger maar verschillende. Ze hebben dit proberen te systematiseren het welkom heten is een functie, bevoegdheid in schriftuitleg, iemand voor de muziek, voor het tafelgebeuren, voor de ontspanning nadien... Dit wordt gekoppeld aan de mogelijkheden en vereisten. Welkom heten kan iedereen, muziek spelen niet. Een voorlezer is ook niet voor iedereen weggelegd. Bijbelkennis voor de schriftuitleg. Meervoudig voorgangerschap. De tafelgemeenschap is voorbehouden aan de priester. Een aantal mensen worden door de gemeenschap aangeduid, mensen worden voorgebracht. Dit experiment is bestudeerbaar en mogelijks in de parochies over te nemen.

Terug naar inhoudstafel - Vorige pagina - Volgende pagina