LIEVEN GISTELINCK OP DE PRAATSTOEL.

Lieven Gistelinck is momenteel pastoor op de Konterdam in Oostende

Ik ben aangekomen in Roeselare in het jaar '72, na mijn legerdienst.

Het was toen nog de tijd dat jonge mensen, ook op de parochies, vroegen: 'mogen we nog wat doen, kunnen we nog wat doen? ‘

In Roeselare bestond toen ook al Jolitur. Dat was een groep voor jongerenliturgie die al vroeger opgericht was. Zuster Anna was daar als eerste bij betrokken. Dat was toen dat Paul Thoen, Marnix Sabbe, ikzelf en zuster Anna elkaar vonden. We zegden tot elkaar: 'het is toch jammer dat jonge mensen zo actief zijn op liturgisch en godsdienstig vlak op school en dat dit stopt eens ze in het hoger onderwijs zitten of aan de universiteit'. Er was ook op mijn parochie, Sint-Michiel een groep die missen organiseerde voor jongeren. Overal bestond dat zo'n beetje, op alle parochies. Men verloor echter die mensen uit het oog eens ze de stap zetten naar het hoger onderwijs.

Vanaf de start was het de bedoeling jongeren samen te brengen vanaf het laatste jaar humaniora. Zo zou men een jaar de tijd krijgen om zich in de groep te integreren. Om te starten wilden we zeer breed rekruteren. We zouden ook niet onmiddellijk starten met een groep rond liturgie. Dit zou te snel zijn. Het werd een voettocht waar heel breed via scholen en jeugdbewegingen werd voor uitgenodigd.

Algauw vroeg men immers dat het niet bij die voettocht zou blijven, deze vraag vulde de bedoeling in. Ondertussen had er zich toch een groep gevormd. Met hen zijn we dan vrij makkelijk gekomen tot de organisatie van eucharistievieringen. Het is -toen in die tijd- lange tijd een groep gebleven van een 80-tal personen. Meer zelfs. Dat was een hele goede groep. Heel mijn huis zat vol. Alle plaatsen zaten vol om besprekingen te houden: in de gang, in de keuken, overal. Wij wilden à la carte aan jongeren de kans geven om over geloof te spreken. Er was geen eucharistieviering zonder degelike voorbereiding. Dat was de sterkte: een groep vormen en in die groep geloof maar ook andere dingen tersprake durven brengen. Hen een forum bieden waar ze dit ter sprake konden brengen dat in de klasgroep, de jeugdbeweging of de vriendengroep niet meer bespreekbaar was.

Het was ook een zeer geëngageerde tijd. De jongeren, de jeugd, maar ook de volwassenen waren zeer sociaal bewogen. De ruggengraat, de eigenheid van de Jonge Kerk was vooral te vinden op religieus gebied. Jongeren wilden zich daar profileren. Men zette zich inderdaad overal in. Er was een groot engagement in Chiro en allerlei maatschappelijke groepen, ook aan de universiteit. Uit al die verschillende groepen kwamen mensen naar Jonge Kerk.

Desondanks bleef die nood om bij ons te komen omdat er bij ons religieuze dingen aan bod kwamen, heel strikt. Ik had een zanggroep, een hele goede groep, maar ook uit die groep kwamen enkele mensen naar de Jonge Kerk. Religiositeit en spiritualiteit kwamen er meer uitrukkelijk aan bod. Ook mensen die actief meewerkten met jongerenliturgie op de parochies kwamen de zateravond afgezakt naar het huis in de Zuidstraat. Dit leek duidelijk te beantwoorden aan een behoefte.

Deken Oost wilde ook een Jonge Kerk. Hij had me daar wel eens over gesproken. Sindsdien heeft die idee in mijn hoofd gespeeld. Hij dacht toen, zoals in vele groepen, aan missen maken die aantrekkelijk zijn voor de jongeren, met een orkestje, waar mooie teksten gelezen worden, waar men creatief kan zijn, maar dan in de parochiekerk voor een breed publiek. Hij was eigenlijk ontgoocheld dat het de richting uit ging van de Jonge Kerk. Toch is het echter een verdienste van Deken Oost dat hij op de conferenties altijd met waardering sprak over Jonge Kerk. Ook al kwam hij nooit en was het waarschijnlijk niet wat hij wilde.

Binnen de groep was er vrij vlug een akkoord om niets te ondernemen op de grote feestdagen. Juist om nog engagement toe te laten voor de parochie. Enkele mensen hebben altijd moeilijk kunnen kiezen tussen de parochie en Jonge Kerk.

Eenmaal gestart is de evolutie naar thematische vieringen snel gegaan. Ook snel deed zich de behoefte voelen naar meer planning. Om die reden vertrok men na één jaar reeds op planningsdag. Er werd geëxperimenteerd met de vorm, schrijfgesprekken, binnen brengen van de actualiteit, belangrijkst is wel het ontwikkelen van een eigen liedrepertorium waarbij Huub Oosterhuis de dichter was die ons leerde zingen.

Op die manier is alles begonnen, jonge mensen zijn gekomen en soms samen verder gegaan, priesters zijn gekomen en gegaan, maar blijkbaar is het experiment erin geslaagd zeer vitaal volwassen te worden.

Terug naar inhoudstafel - Vorige pagina - Volgende pagina