HOE OMGAAN MET BIJBELSE TEKSTEN?

 

Zoeken naar een gemeenschappelijk mensbeeld.

Uit mijn ervaring met de voorbereiding van vieringen in Jonge Kerk wil ik een - mijn inziens - belangrijke tussenschakel bij de actualisatie van bijbelteksten belichten. Ik wil dit niet theoretisch doen, maar aan de hand van concrete voorbeelden.

Toch vermeld ik mijn bron opdat dit het niet overkomt als zomaar een uitvindsel van enkele vrijschutters. De bijbelkenner die mij hierbij inspireert is de Franse jezuïet Paul Beauchamp, die jammer genoeg niet vertaald wordt in het Nederlands. Hij wijst erop dat de tussenschakel tussen de oorspronkelijke tekst en ons leven, zowel individueel als gemeenschappelijk, het mensbeeld is. We moeten dus eerst het gemeenschappelijk mensbeeld uit Jezus’ tijd en onze tijd zoeken. In een dom evolutionistisch denken gaat men ervan uit dat wij in de loop van de geschiedenis zo een vooruitgang gemaakt hebben dat er geen raakpunten meer kunnen zijn. Ik hoop dat de tekstbenaderingen die volgen het tegendeel aantonen.

Genezingsverhalen.

Neem nu de genezingsverhalen van Jezus uit het Tweede Testament. Is de zaak beslecht als we een scheidingslijn trekken tussen mensen die geloven dat Jezus stommen, blinden, bezetenen kon genezen en luisteraars die dit verwerpen? Is het geloof dan niet erg vrijblijvend als het enige dat van mij verwacht wordt is dat ik dit geloof? Wij focussen dan alle aandacht op de twee protagonisten uit die verhalen: Jezus en de zieke. De gemeenschap blijft uit het vizier. Het mensbeeld van Jezus’ tijd en het onze is nochtans sterk gemeenschapsvormend bepaald: je krijgt je persoon-zijn van de gemeenschap, of die neemt jouw persoonlijkheid af. Zelfs de geneeskunde herontdekt het belang van de omgeving bij de diagnose van het ziekzijn. Is de goede vraag niet welke ziekmakende factoren Jezus wilde uitschakelen om zo de gehandicapte of zieke te genezen? Zo kunnen wij in Zijn spoor dezelfde strijd aanbinden tegen deze microben.

Ik wil dit illustreren met de genezingen die elkaar in het evangelie van Marcus snel opvolgen in het hoofdstuk 5: de genezing van bezetene in het heidense land van Geraza, van de bloedvloeiende vrouw en van het dochtertje van Jaïrus.

Gemarginaliseerde zondebok.

Wat maakt een mens ziek of bezeten? De uitstoting, de marginalisatie. Met duidelijke sociografische details wordt dit bij het begin van het verhaal aangeduid: "hij verbleef tussen de graven, hij was in de bergen roepend en zich slaande met stenen". Zijn naam is Legioen: we zijn met velen. Vele invloeden en stemmen hebben zijn persoonlijkheid uiteengerukt. Hij leeft dus buiten de gemeenschap die met hem een spelletje speelt: ze binden hem met boeien en ketens, maar die blijken nooit sterk genoeg om hem blijvend te verlammen. Alsof in die tijd geen zware ketenen bestonden.

We kunnen hier twee vragen stellen: waaruit bestond zijn bezetenheid en welke rol speelt de gemeenschap in de ziekte van deze man? Alleen de tweede vraag kan ons helpen zijn ziektebeeld probleemloos over te brengen naar onze tijd. De inwoners van het gebied van Geraza hebben een zondebok nodig om hun schijnsolidariteit in stand te houden. Zij spelen het spel van hem geregeld te laten ontsnappen, zodat de geruchtenmolen en het tv-nieuws over de ontsnapping van Dutroux en het gedwongen ontslag van twee ministers dagenlang verslag kunnen uitbrengen.

In welke klas, in welke familiebijeenkomst, in welke vergadering wordt de schijnsolidariteit niet verkregen op de kap van de altijd dronken nonkel, de verkrachte dochter, de leerling die niet denkt of doet zoals de anderen. (Voor de filmliefhebbers verwijs ik naar de film Festen van Bo Winterberg).

De genezing door Jezus bestaat erin dit geweld tegen de zondebok onschadelijk te maken: de steniging en het drijven in de afgrond vanop een steile rots. De man stenigt zichzelf en nu zit hij gekleed en bij zinnen naast Jezus. De boze geesten vragen of ze spontaan in de varkens, voor de joden onreine dieren, mogen gaan en van de ingebeelde steile rots springen, want in dit landschap is geen afgrond te bespeuren.

Opnieuw de rol van de gemeenschap: ze waren zeer bevreesd en vroegen Jezus om weg te gaan uit hun gebied. Ze zijn niet gelukkig met de genezing, omdat ze hun zondebok kwijt zijn en nu naar een nieuw slachtoffer moeten zoeken. Wie weet word ik het niet? Ze vrezen de willekeur van een klas, een familie, een politiek bestel dat plots iemand als schuldige aanwijst.

De genezen man vraagt om Jezus te volgen, maar die staat het hem niet toe en stuurt hem terug naar de gemeenschap. Daar moet blijken of de gemeenschap genezen is van haar ziekelijke drang om samenhorigheidsgevoel te verwerven ten koste van een slachtoffer. Dit is het gemeenschappelijk mensbeeld. De Franse antropoloog René Girard ontmaskert dit gegeven in zijn boeken als een niet tijdsgebonden structurele factor in de geschiedenis van de cultuur

De samenleving helen.

Het volgende verhaal speelt zich opnieuw af bij de Joden. Daar wordt een vrouw die aan vloeiingen lijdt, beschouwd als onrein en dus uitgesloten om een hygiënisch-religieuze reden. Ze is niet enkel ziek maar ook zondig. De gemeenschap die ik van nu af graag een bende of troep zou noemen, stoot die mensen uit. Hoeveel mensen zijn niet ziek uit eenzaamheid en bellen hun huisdokter op als enige gesprekspartner? Ze nadert Jezus ongemerkt, raakt de slip van zijn mantel aan en is van haar kwaal genezen. Welke kwaal? Enkel haar vloeiingen? Waarom maakt Jezus zoveel misbaar? Alles was tussen hem en de vrouw gebeurd? Was dat niet het belangrijkste?

Kennelijk moet de rol van de massa beklemtoond worden. "Hij keerde zich om in de menigte, en zei: Wie heeft mijn kleed gegrepen?" De vrouw moet haar plaats terugkrijgen in een ziekmakende maatschappij die marginaliseert: aids-patiënten, melaatsen. Jezus wil de gemeenschap genezen van dwangbeelden. Wij kunnen - als zijn volgelingen - heelmeesters zijn, die de gemeenschap helen. Door vreemdelingen op te nemen of te verdedigen, door op te komen tegen racisme, die nieuwe ziekmakende factoren.

Een verbond kerven.

Ondertussen was Jezus bijna het dochtertje van Jaïrus vergeten. De overste van de synagoge was Hem komen smeken om zijn dochtertje te genezen. Waaraan leed het meisje?

Haar naam wordt niet vermeld: zij was dochter van … De afhankelijkheid van haar vader was te sterk. Bovendien zat ze in de klas van haar vader of moeder en daar moest zij het voorbeeld zijn. Hoelang kun je de rol van deugdzame dochter spelen zonder ziek te worden, zonder te revolteren met anorexie of boulimie? Het laatste woord van het verhaal is immers "geef het meisje te eten". (Opnieuw een knipoog naar de filmliefhebbers: ‘Kadosh’)

Er wordt gemeld dat het meisje gestorven is. In de bijbel is de dood altijd ruimer dan de biologische dood, zegt Huub Oosterhuis. Je kunt er stralend uitzien maar van binnen dood, wanhopig, schamper, ten dode toe gekwetst. Op huwbare leeftijd, twaalf jaar, wanneer het verbond moet gesneden worden met de ouders, is het meisje gewurgd door de goedbedachte, afhankelijke tederheid van haar vader. Jezus zegt: het meisje is niet dood, ze slaapt.

De rol van de gemeenschap - hier beperkt tot vader en moeder en de drie vrienden die Jezus het dichtst omgeven: Petrus, Jacobus en Johannes – is de beklemming van generaties die elkaar niet loslaten, van families waar de moeder spreekt over haar knappe dochter van 35 jaar en de vader de verloving van zijn zoon voor u verzwijgt.

Jezus wekt het meisje ten leven. Hij legt haar niet de handen op, zoals de vader gevraagd heeft, maar hij neemt haar bij de hand en zegt: meisje, sta op! Een handoplegging was in dit geval wellicht te beklemmend, te beschermend misschien.

Deze ziekmakende factor is van alle tijden, maar is zo moeilijk te beluisteren dat men een parabel van Matteüs (Mt 21,28-31) tot op heden niet correct vertaalt en zo de ziekmakende factor over het hoofd ziet. Ik vertaal de tekst in de tegenwoordige tijd en in de context van strijd en twist tussen Jezus en de hogepriesters over de bevoegdheid (Mat. 21,23-27)

"Maar wat denkt u hiervan: een mens heeft twee kinderen.
En hij gaat naar de eerste en zegt: Jongen, ga vandaag werken in de wijngaard.
(dus niet; kom voor vijf jaar werken in
mijn bedrijf)
Hij antwoordt: nee, ik wil niet!
Later bedenkt hij zich en gaat toch.
Dan gaat hij naar de tweede en zegt hetzelfde.
Deze antwoordt: goed, Heer.
Maar hij gaat niet.
Wie van de twee heeft de wil van
de vader gedaan?
Ze zeiden: de eerste."

De kernboodschap van deze korte parabel berust opnieuw op een antropologisch inzicht. Biologische relaties tussen mensen veranderen en ontwikkelen maar ten goede dankzij de weigering, het nemen van afstand, het snijden van het verbond. Het Nederlands vertaalt slecht het Hebreeuws: een verbond kerven of snijden en niet sluiten.

In het huis van Jaïrus was geen ruimte voor loslaten, voor het snijden van een verbond met zijn huwbare dochter en dit maakt ziek ten dode (knipoog naar de filosofie: Nietzsche). De biografieën van vele schrijvers illustreren dit structurerend principe van menswording, dat de psychoanalyse later in kaart heeft gebracht.

De eerste zoon weigert het voorstel van de mens maar zal later (2 maanden of 10 jaar later) zelf inzien dat het een goed voorstel is voor zijn eigen verdere leven. (huwen i.p.v. samenleven). De tweede zoon toont slaafse gehoorzaamheid. Er verandert echter niets in de relatie: hij blijft kind in plaats van zoon te worden.

Met wie huwen?

Antropologische inzichten gaan zeer ver terug in de geschiedenis. Daarom een laatste verhaal van het Eerste Testament of liever drie verhalen, met dezelfde boodschap: Genesis 12,10-20, Genesis 20,1-13 en Genesis 26, 1-11.

Abram moet uitwijken naar Egypte en uit schrik dat de farao zijn vrouw Saraï, mijn prinses, voor zijn harem zal opeisen en hem doden, vraagt hij aan zijn vrouw te vertellen dat zij zijn zuster is (het is maar een halve leugen want Saraï is de halfzuster van Abram). De leugen wordt ontdekt en de farao laat Saraï ongedeerd terugkeren. Is dit niet meer dan een episode uit een soapserie?

De antropologische inzichten over het uithuwelijken in de samenleving worden als tussenschakel toegepast tussen het verhaal en de actualisering ervan. Vermits dit verhaal aanhet begin van de geschiedenis van het uitverkoren volk staat, moet er iets belangrijks te beluisteren zijn.

De twee belangrijkste systemen voor het huwelijk zijn de endogamie (je huwt in eigen familie, volk, kleur) en de exogamie (je zoekt je toekomstige buiten je eigen familie, streek of taal).

Door zijn vrouw als zijn zus te laten doorgaan, biedt hij haar aan een vreemdeling, de farao of Abimelec aan en kiest dus voor exogamie. God verijdelt die band omdat het bij het ontstaan van een uitverkoren volk niet gunstig is de eigenheid van dit volk te vermengen met vreemde invloeden. Later zal Abraham voor zijn zoon Isaak een vrouw laten zoeken bij zijn familie door zijn knecht Eliezer. Ook Jacob zal huwen met de twee dochters van oom Laban, Lea en Rachel. Er zijn omstandigheden, zegt de bijbel, waar het nodig is dat je als geloofsgemeenschap op je eigen terrein terugvalt om je eigenheid niet te verliezen.

De bijbel zweert niet bij endogamie, want Jozef zal in Egypte als onderkoning met een Egyptische huwen. Ook Mozes zal een vreemde tot vrouw nemen, Sippora. Exogamie dus! Andere tekenen van de tijd wijzen op een noodzakelijke openheid op de wereld, missionering bijvoorbeeld, om als gelovige gemeenschap geloofwaardig over te komen.

Later in het Eerste Testament zal er voortdurend gelet worden op het juist aflezen van de tekenen van de tijd. Ruth, een Moabitische, huwt Boaz. Tobit daarentegen wil absoluut zijn zoon Tobias uithuwelijken aan zijn volksgenote Sara.

Met deze enkele voorbeelden wilde ik illustreren dat de tussenschakel, het mensbeeld, aan de bijbelse verhalen de openheid geeft of teruggeeft, die een moraliserende of individualistische lezing van de verhalen verkrampt heeft.

Psalmen.

In Jonge Kerk werd een lange weg afgelegd met de bedoeling het gemeenschapskarakter te beklemtonen. Iedereen zou er de nodige veiligheid moeten voelen om zijn of haar verhaal te doen. In dit boek zijn trouwens een aantal verhalen opgenomen.

In een maatschappij die ziek is van individualisme, kan de Kerk genezend werken door gemeenschap te stichten. Je mag er wel niet van uitgaan dat honderd mensen in een kerk bijeen vanzelf gemeenschap vormen.

Het is een belangrijk bijbels inzicht dat je geen mens bent maar WORDT: je bent niet getrouwd, je WORDT getrouwd; je bent geen gemeenschap, je WORDT het of je VERWORDT. Dit dynamisch mensbeeld doorzindert de hele bijbel.

Een treffend voorbeeld is het boek der psalmen. Het is bedoeld om uit het hoofd aan één stuk bemediteerd te worden, al murmelend of zingend, in gemeenschap. Je gaat er in de psalmen 1 tot 3 binnen als enkeling ("gelukkig de mens" - "gelukkig de koning") en je eindigt in de psalmen 145 tot 150 als een gemeenschap, die in harmonie met koor en orkest, onbeschroomd de lof van God zingt (‘alle levenden loven de Heer’). Onderweg ben je, als gelovige, belaagd door zieke bendes die je omsingelen (psalm 22), die je bespotten (psalm 1), die je tot in de modder duwen (psalm 42).

Dit toekomstvisioen verbeeldt de droom van een liturgische gemeenschap. De vormgeving zal voorlopig de kring zijn, waarin ieder zijn plaats vindt en zijn/haar verhaal kan doen. De voorganger of voorgangster zal de taak hebben mensen samen te brengen zonder onnodig op de voorgrond te treden. Er zal veel gezongen worden. Niet om het even wat, wel liederen die de boodschap van de bijbel krachtig samenballen. Technieken om minder verbale mensen te beluisteren zullen ingeschakeld worden. De tafel zal gedekt worden naar het voorbeeld van Jezus en ieder mag er deel aan hebben.

Zo hebben we het visioen 25 jaar gekoesterd in verscheidene experimenten die democratisch geëvalueerd werden.

Terug naar inhoudstafel - Vorige pagina - Volgende pagina