Weinig mensen weten dat er in Mechelen tot ongeveer 1830 aan de IJzerenleen een Sint Maartenkapel stond.
Die kapel stond er achter het huis met nummer 45 met op de gevel een gedenkplaat die ons vertelt dat in dat huis ooit de beroemde stadsbeiaardier Jef Denyn woonde samen met zijn vrouw en haar zuster, die er een winkel van garen en naaigerief uitbaatten.
De bovenzaal van de woningen 43-45 diende als vergaderzaal voor de Kleine of Jonge Voetbooggilde tot in 1640.
Daarna (1641-1797) gebruikte het Kramersambacht de zaal.
Dit gildehuis stond eertijds vóór de sinds 1830 verdwenen Sint-Maartenskapel, min of meer ter hoogte van de tweede ijzeren leuning, te tellen vanaf het Schepenhuis.
Vergeet niet dat Sint-Maarten, naast duiveluitdrijvingen, ook doden kon opwekken tot leven.
Iets waartoe ook onze Sint-Rumoldus (Rombouts) volgens zijn legende in staat was.
Er zijn trouwens weinig heiligen die doden tot leven kunnen opwekken.
Terloops: Sinterklaas kon dat ook o.a. met de drie jongetjes in de pekel.
Dit wil zeggen dat, in de ogen van de middeleeuwer, die heiligen heel krachtige voorsprekers waren bij God de Vader, om een gunst te verwerven.
Hun bedevaartplaatsen kregen dus een extra meerwaarde.
De Sint-Maartenkapel was toegankelijk via de hoofdingang van het gildehuis en stond achterin.
Men bewaarde er belangrijke relieken van de Heilige Martinus van Tours.
Die relikwieën waren : een groot bot uit de arm en een ander, kleiner bot.
Zij waren in een verguld schrijn gevat dat achter het altaar op een houten sokkel stond.
Vroeg al getuigen vele akten van een grote verering ter plaatse.
Bedevaarders zochten er genezing tegen de 'koorts' en dronken daartoe o.a. water van een put achter de kapel.
In 1566 en tijdens de Engelse furie (1580-1585) werd de kapel geplunderd door de Beeldenstormers en de Geuzen, maar vrome omwonenden konden de relieken redden.
Die relikwieën werden nadien meerdere malen door officieel gedelegeerden van de kerk als echt herkend en erkend.
In de loop der tijden nam men beetje bij beetje stukjes bot weg om die in andere reliekhouders, hier en elders, onder te brengen ter verering door gelovigen.
Door het decreet van 8 oktober 1805, uitgegeven in Parijs, verplaatste kardinaal-legaat Caprara de aan de Sint-Maartenskapel verleende aflaten naar de Sint-Romboutskathedraal, waar ondertussen ook de relieken naartoe waren gebracht, maar het mooiste moet nog komen :
In 1860 wou de aartsbisschop van Tours (F), Mgr. Guibert, de verering tot Sint-
Maarten, dè heilige bij uitstek van Tours, terug aanwakkeren.
Helaas waren tijdens de Franse Revolutie al de relieken èn het heiligdom van Martinus verdwenen en vernield…
Dus bouwde men ineens een nieuwe basiliek, toegewijd aan "Saint-Martin". Daarop startte de aartsbisschop van Tours onderhandelingen met onze Mechelse aartsbisschop Engelbert kardinaal Sterckx om van hem authentieke relikwieën te bekomen voor de basiliek in Tours.
Engelbert Sterckx ging in op dit verzoek en in 1866 zond hij de Fransen de kostelijke relieken, door hem voor echt verklaard.
Een officieel schrijven van 20 januari 1866 bevestigt vanuit Tours de ontvangst van die relieken.
In die Sint-Maartenskapel werden nog andere relieken bewaard , nl. die van de HH. Agatha, Theodora en Severinus.
Zij werden door kardinaal d' Alsace, een halve Mechelaar, door zijn Mechelse moeder, voor echt erkend en voorzien van zijn zegel.
Zoals gezegd bevinden die relieken uit de Sint-Maartenskapel zich vandaag in de Kapel van de Relieken in de zuidelijke kooromgang van de kathedraal van Mechelen.
In die kapel staat een borstbeeld van Sint-Maarten, voorgesteld als gemijterde bisschop.
In de vergulde reliekhouder zit een langwerpig bot met een ronding aan het uiteinde.
Een langwerpig glas beschermt dit stoffelijk overschot van de grote heilige van Tours.
Sinte Mette is ook nog aanwezig in Mechelens hoofdkerk in de noordelijke kooromgang, in de Kapel van Sint-Jan Berchmans, in een muurschildering, maar die is helaas moeilijk te onderscheiden.
Hopelijk kan een restauratie dat spoedig verhelpen.
Er bestaat ook een mooie houtsnede met de afbeelding van de heilige te paard , terwijl hij zijn mantel doormidden rijt om een helft aan een voor hem zittende sukkel te geven.
Die prent is afkomstig uit het klooster van de nonnen van Bethanië die de houtsnede in de 17de eeuw bezaten.
Zij was gemaakt naar aanleiding van de aankomst van de relieken van de Heilige Martinus in Mechelen.