(Voorlopige redactie.)

''Mijn moeder bekruist en snijdt het brood'' (dia circa 1961

"Veel later, als het te laat is,
Ontdekken ze het pas,
En als ze 's avonds op straat zijn en door 't verlichte raam
Een moeder zien staan met het broodmes in de hand,
Dan kropt plots in hun keel
Het heimwee, en de zoete weelde der herinnering
En bovenal de grote spijt van het toen niet te hebben geweten
En van toen niet te hebben bedankt.
Maar heeft ooit één moeder er op gedacht
Van te vragen om erkenning van wat ze ons gaf?
En als de herinnering komt,
- Och dat is 't afgezaagde en zo droevige lied -
Dan is de moeder reeds lang gestorven
Of zijn wijzelf te beschaamd geworden
Of te ver van haar weg om het haar te zeggen."
... ... ...
"Maar laat ons dit geen reden tot verbittering wezen.
Want er is geen blijvend en onafwendbaar leed in deze schone wereld,
En heeft u nooit getroffen het vreemde aandringen van de Apostel:
'Verheugen wij ons altijd in de Heer,
En ik zeg het u nog eens, verheugt u.'
Want God is de Vader
Die bukt over de schouder van zijn zoon om 't schoolwerk na te zien,
En vluchtig een letter aanvult, die vergeten was,
En de puntjes zet op de i's."
... ... ...
"En in de hemel is sedert eeuwen een grote kermis op touw;
Als onze Moeders veilig zullen aangekomen zijn,
Als alle goede Moedertjes der aarde in de hemel zullen zijn,
Zullen de engelen de korven bijeen brengen
Met de kruimels van het brood door de moeders gesneden,
En door de kinderen naar binnen gespeeld zonder 'dank u' te zeggen
En daarmee zal worden gebakken
Het allerbeste krentenbrood, dat ooit moederskind at,
Zoet als de glimlach der moeder, die in de schemerkeuken gloorde,
Rond en sterk als haar gebaar toen ze het mes opnam
Wit en gouden als haar liefde."
... ... ...
"Maar het schoonste van de geschiedenis moet nog komen;
Want als al die moederkens gezeten zijn
Met een gevleugelde lakei achter iedere stoel,
En ze de eerste hap bijten in dat wonderlijke brood,
Zullen zij zich al te zamen bezinnen,
Opspringen van hun plaats en weglopen uit de zaal,
Om hun kinderen te gaan halen."
"Dat zal een kostelijke herrie zijn:
De sterke vrouw scharrelt haar bengels vast en troont ze mee zonder verdere explicatie,
De jonge moeder staat op de drempel en roept naar het enig kind als toen het in de hof speelde,
En alles te samen is dat een geloop, en een geroep, en een gezoek om er de kluts bij te verliezen.
In de feestzaal staat de ceremoniemeester
Zeer beteuterd te kijken naar het fiasco van de goede orde,
En in duizend haasten sjouwen de lakeien
Stoelen en banken en tafels bij,
Want de wereld is in aantocht naar de feestzaal!"
... ... ...
"Onze onverbeterlijke moederkens snijden de boterhammen
Wij spelen ze binnen en weten niet waar we 't hebben van goedheid.
Maar het schoonste van het mirakel is dit:
De banden van onze tongen zijn gelost,
We vinden de dankwoorden zonder ze te zoeken,
De banden van onze zielen zijn gelost,
Wij zijn niet meer beschaamd, we zijn niet meer hoogmoedig,
We heffen onze ogen algeheel open naar haar toe,
En van eindelijk-bewust,
Van wonderlijk-bewuste kindergenot,
Vallen onze tranen op dat allerzoetste en allerheiligste brood van het hemelse Moederfestijn."

(Fragmenten uit "Vreugdelied om onze Moeders", december 1927, door Jeanne Vande Putte, uit de bundel "Mijn hart is niet hier".
"My heart is in the Highlands, my heart is not here.")




Terug naar de cataloog van "Memorabilia"
Terug naar de Startpagina