Ontstaan en de Mythe van de Flandriens
Cyriel Van Hauwaert ( Moorslede 16.12.1907 - Zellik 15.2.1974),
De Leeuw van Vlaanderen luidde met daverende internationale prestaties vanaf 1907 een nieuw bloeitijdperk in voor de wielersport. Zijn triomfen zorgden ervoor dat in heel ons land een ware wielerkoorts ontstond en België, samen met Frankrijk en Italië de derde wielernatie zou worden. In 1909 was hij de tweede West-Vlaming die Belgisch kampioen werd. Niet toevallig! Voor Van Hauwaert bezat de wielersport in België weinig of geen prestige. Een renner werd pas voor vol aanzien wanneer hij resultaten kon boeken in Franse wedstrijden. De grote fietsfabrikanten hadden daar al eigen ploegen, en dat terwijl er in ons land nog lang geen sprake was van rijwielmerken. De Franse firma's zorden voor materiaal, verzorging en helpers, de zogezegde gangmakers.
Jules Masselis Moorslede ( Ledegem 1886 - Roeselare 29-9-1965)
Winnaar van de Ronde van België 1910 en Bourges - Parijs 1918: Milaan -San Remo 2° in 1912 Bordeaux - Parijs 3° in 1911 Parijs-Roubaix 3° in 1909
Odiel De fraye (Rumbeke 1-12-1890 ...?
Winnaar Tour de France van 1912, van Koolskamp koerse of "Kampioenschap van Vlaanderen 1910", Kampioen van België 1911 en Milaan - San Remo 1913.
Hij zong één zomer ( uit de Vlaamse wielerkoningen van Paul Jacobs en Benjamin Van Doorne) Odiel Defraye zong maar één zomer zijn hooglied in de wielersport. Hij had in 1911 de aandacht getrokken door zijn zege in het nationaal kampioenschap, maar in 1912 won hij achtereenvolgens de Ronde van België en als - als eerste Belg - de Ronde van Frankrijk. In de aanhef van 1913 greep hij ook de bloemen in Milaan - San Remo. Er werden in zijn omgeving al in gedachten triomfbogen voor de superstar van morgen. Maar er kwam geen sportieve morgen voor Odiel Defraye. Hij won geen enkele koers meer. Tijdens de zijn voorbereiding op de Ronde van Frankrijk 1913 maakte hij een val en bezeerde zich ernstig aan het dijbeen. Hij was niet tijdig genezen; hij verzocht om thuis te blijven. Tevergeefs. De ploegdirectie was van mening dat de hoge investering van een kandidaat winnaar moest renderen. Hij vertrok ofschoon de wonde niet geheeld was, hij stond aan de voet van het hooggebergte zelfs op kop van de ranglijst, maar in de eerste bergrit stortte hij in elkaar. Het was het sportieve einde van een groot kampioen. Want Defraye had in de Ronde van Frankrijk 1912 vooral bij de Franse scribenten bewondering gewekt door zijn stijl en zijn veelzijdige aanleg. Hij was een betere klimmer dan Van Hauwaert, die in de grote ronde altijd serk van start ging ( hij won de eerste rit Parijs-Roubaix in 1908 en1909 en werd tweede in 1910, maar bracht het niet verder dan ereplaatsen: vijfde in 1909, vierde in 1910), en sommigen beweerden dat hij de knapste klimmer was die de ronde tot dan toe heeft gekend. Defraye werd na zijn triomf in Brussel - er waren bloemen gestrooid en talrijke muziekkorpsen liepen mee in de stoet- en in Iseghem als held gevierd .
Van ons "Vader Leon (1914-2002)" weten weten wij uit eerste hand dat het verbod om zelf te mogen koersen kwam door het feit dat hoezeer Odiel Defraye ook geëerd werd na zijn heroïsche overwinning in de Ronde van Frankrijk de tol van de roem zwaar om dragen werd voor de volksheld. Zijn moeder die zoals zoveel Iseghemaars hem adoreerden toen alles sportief goed ging, vielen hem beetje bij beetje af. De hoge welstand die Odiel met koersen verdiende had, en nadien de stap de terug moeten plaatsen in de maatschappij was een wijze levensles...!!.
Sponsors en aanbevelingen
De pioniersrol van de Moorsledenaar begon dus in 1907, toen hij naar de Franse hoofdstad trok, in de hoop te kunnen starten in Parijs-Roubaix. Hij had een aanbeveling op zak van de Ieperling Frans Hoflack, vertegenwoordiger van de rijwielfabriek La Française en medestichte van de Ieperse velodroom ( zie verder stichtingakte). De toenmalige vertaling van de aanbeveling luidde "Als ge dezen renner in uw dienst neemt, zult ge 't niet beklagen!"De directie vond het echter te gek om aan de onbekende Belg duurbetaalde gangmakers te koppelen. Van Hauwaert (foto) liet zich echter niet ompraten en startte met 'twee reservetubes, twee eieren en eene flesch limonade' Maar toen de coureurs allemaal al ver waren teruggeslagen, reed de West-Vlaming nog altijd in de kopgroep. Uiteindelijk kreeg hij toch een aantal gangmakers en eindigde in Roubaix als tweede. Dit verrassende resultaat was voor hem een overwinning waard. Hij had als eerste de ongenaakbare Fransen het vuur aan de schenen gelegd. Van Hauwaert kreeg een vast contract en won twee maanden later Bordeaux-Parijs.
De Vlaamse Leeuw in Frankrijk
Zijn tocht naar Frankrijk was zeker geen avontuurlijke bevlieging. Van Hauwaert die al op zijn veertiende in de Noord-Franse steenovens was moeten gaan werken, had een duidelijk doel voor ogen: arm Vlaanderen ontvluchten door met het wielrennen een dikbelegde boterham te verdienen. Zijn eerste maandsalaris bedroeg 3000fr., een som waarvoor de gemiddelde West-Vlaamse landarbeider jaren moest labeuren. In 1908 won hij Parijs-Roubaix. Hij werd in triomf rond de pist gedragen, terwijl de begeesterde en begeesterende Vlaamsche Leeuw door de lucht dreunde...In 1909 won hij Bordeaux-Parijs met 26 minuten voorsprong. Voor het Belgisch kampioenschap in het Naamse Keulmiée kwamen 60.000 toeschouwers opdagen. In deze afvallingswedstrij bleek uiteindelijk Van Hauwaert de sterkste.
De vonk sloeg over
Samen met de triomfen van Cyriel Van Hauwaert kwam er plots schot in de zaak. Overal werden in Vlaanderen wielerwedstrijden georganiseerd, waar vaak aanzienlijke prijzen te verdienen waren. Vele eenvoudige landarbeiders grepen naar de velo om er roem en rijkdom mee bij elkaar te fietsen.
De Flandriens
In de Franstalige pers sprak men van Les Flandriens, halve wilden, die in de hoofstad waren neergestreken. Hun ras begint bij de sterke opgang van het wielrennen in West-Vlaanderen dat vooral te maken had met de ophefmakende internationale successen van Cyriel Van Hauwaert in 1907 en 1908, en zijn sociale vooruitgang. Hij ruilde zijn arm boerenbestaan voor een succesrijke wielerloopbaan. De Moorsledenaar had met koersen een rijkelijk maandsalaris kunnen versieren. Hij was de eerste Vlaming die wielrennen tot dè sport van het volk maakte. Dat sprak tot de verbeelding. Vandaar dat vele jongens op het platteland, van zodra ze zich een fiets konden veroorloven, maar een wens hadden: coureur worden.
De West-Vlamingen, die meestal uit families van kleine landbouwers kwamen, waren beter bestand tegen het harde labeur dan de renners uit een stedelijk milieu, en behaalden dan ook al vroeg succesen. Onbemiddelde jongelui verkozen de zware inspanning op de weg om te ontsnappen aan armoede en werkloosheid.
Een geducht en berucht ras was geboren: dat van de Flandriens. Vlaamse renners met een uitzonderlijke koppigheid, moed en wilskracht, ruig van buiten maar zacht van binnen. Ze gingen tot het uiterste voor een betere toekomst. De populariteit van de Vlaamse wielersport werd nog aangezwengeld door de legendarische sportjournalist Karel Van Wijnendaele die met zijn kleurrijke verslagen het volk warm maakte voor de nog jonge wielrennerij.
De kranten en tijdschriften van toen
Brood en vermaak
De Gazette van Rousselaere -31.7.1909
Sport Maandag werd te Wyneghem Karelke Verbist, de sterkste velorijdere van Europa, die zoo jammerlijk in de Velodroom van Karreveld te Brussel verongelukte met meer dan koniklijke eere begraven. Meer dan honderd kroonen, vooral uit Duitschland gezonden, werden achter de lijkkoets gedragen, en duizenden vervulden de straten, zoodanig dat de gendarmen en policie het volk geen meester konden. Menigeen hoorde men snikken en vele tranen werden uit de oogenweggevaagd. Karel was vroeger metsersdiener; hij zou heden zaterdag trouwen en vaarwel zeggen aan zijn rijwiel; maar die 't gevaar bemint, vergaat er nog al dikwijls in. |
De Gazette van Rousselaere was het eerste blad dat verleden jaar de dwaasheid van het uitzinnig sportgeweld en de wieleroverdrijving hekelde, welke ons terugleiden naar den tijd dat het volk geen anderen kreet kenden dan: Brood en vermaak. Sedert zijn verscheidene bladen er insgelijks tegen opgekomen en woensdag lezen wij in het Handelsblad van Antwerpen het volgend maar al te gegrond artikel:
![]() |
|
Een nodig woord
Ons volk offert aan den tijdsgeest - net zooals alle andere volkeren- en het is dus niet om er kwaad van te spreken, aangezien de maalstroom ze allen op dezelfde wijze meesleept. Maar men mag, en moet veeleer, van tijd tot tijd, de menschen- en de schrijvers vanvan sportbladen in 't bijzonder - terugroepen tot het werkelijk besef der verhoudingen. Niemand meer dan wij heeft eerbied voor de hoedanigheden van kracht,volharding en uithoudingsvermogen, die een doodgewone metser op enige maanden (tekst afgeknipt) taal, geweld en kracht der spieren staat nog hoog aangeschreven, maar ...met het geestelijk verval was ook het einde de natie aangebrooken. Van al die helden van circussen of worstelparken heeft geen enkel zijn roem overleefd; doch de roem van Homeros, Herodotes of Xenophon, Sokrates, Plato of Aristoles, bij de Grieken; van Cicero, Horatius en Virgilius, van ovidius, Seneca of Plutarchus bij de Romeinen straalt na meer dan twintig eeuwen nog als een lichtbaak voor het menschdom. Grieken en Romeinen lazen niet meer en een volk dat niet meer leest, dat zijne letterkundigen niet meer eert, dat de namen van zijn schrijvers niet meer kent, is een volk dat zijn ondergang nabij is. Wat is er in ons land, sedert de sportoverdrijving, nog gelezen wordt, is zoo weinig, dat men het verstand zou moeten verloren hebben om niet te betreuren dat de gekende wielrijders na hunne dood met vier peerden worden getrokken en twee wagons kronen hun vergezellen. In dit land dat de naam van baron Lambermont niet kent en waar nederige helden, als Dr Wilders, gestorven voor de wetenschap, door enkele vrienden, ver van het gewoel, naar 't graf werd gevoerd. Ziedaar de reden waarom wij de sportbladen en sportschrijvers - het verstandige element, moeten wij gelooven, in een ontelbaar heir - is het beoordeelen der weerde en der beteekenis van een wielrijder, hoe gekend hij ook weze, beschuldigen van alle verhouding te buiten te gaan en den geest van het volk nog meer op het verkeerde spoor te leiden. Wanneer wij lezen dat een velorijder de afgod van het volk is, dan kunnen wij niet anders dan medelijden gevoelen voor dat volk; en dan is het de plicht van allen, die door hun verstand het volk kunnen voorlichten, in te gaan tegen alle overdrijving en vooral tegen de verheerlijking van sportbeoefenaars boven alles wat nog op de wereld bestaat. Dat heten wij effenaf verval en achteruitgang- en wij oordelen het onze plicht dat luid te zeggen.
|