Voeren: landschap en natuur

 

Landschappelijk doet de Voerstreek erg on-Vlaams aan. Ze sluit helemaal aan bij het Nederlandse Zuid-Limburg. Voor onze noorderburen is deze zuidelijke uitloper van hun vlakke polderland hun eigenste 'klein Zwitserland'. Het trekt vooral toeristen aan die willen genieten van rust en stilte in een nog ongeschonden golvend landschap. En bovendien nog helemaal 'thuis', zodat je in je eigen taal dezelfde thee en koekjes kunt kopen als bij de kruidenier in je straat.

Zuid-Limburg geniet ook al van oudsher een grote faam bij natuurliefhebbers. Zonder Zuid-Limburg zou de Nederlandse flora en fauna heel wat minder soorten omvatten. Het is ook de enige streek bij onze noorderburen met een uitgesproken reliëf. Dit landschap houdt niet op aan de staatsgrens. Het aansluitende Belgische gebied is minstens even rijk en afwisselend, maar een stuk minder gekend bij het. Eigenlijk kennen de Nederlanders er beter de weg dan de meeste Vlamingen. Maar mede doordat de Voerstreek de laatste jaren geregeld als politiek stekelvarken in de belangstelling staat, worden ook Vlaamse bezoekers steeds nieuwsgieriger naar dit heuvelend landschap aan de overzijde van de Maas.

Heuvelend? Eigenlijk spreken we beter van een dallandschap. In wat ooit een licht hellende hoogvlakte was, hebben de Maas en haar bijriviertjes een aantal brede, V-vormige dalen met een vlakke dalbodem uitgesleten. Een miljoenen jaren durend proces...

 

VUURSTEEN EN KRIJT

Voor de bodemlagen die nu in de Voerstreek dagzomen (= aan de oppervlakte liggen ) is vooral het Krijttijdperk belangrijk. Daarmee bedoelen geologen de periode van 140 tot 70 miljoen jaar geleden. In die tijd ontstonden de krijtlagen, die we in de omgeving van Maastricht vinden maar ook in Henegouwen of bij het Engelse Dover. Een ondiepe, vrij warme zee, waarvan de kust iets verder zuidwaarts lag, overspoelde toen dit gebied. Gedurende tientallen miljoenen jaren zonken resten van afgestorven zeeplantjes (algen) en -dieren naar de bodem, waar ze zich tot metersdikke lagen ophoopten.

Deze lagen bestonden hoofdzakelijk uit kalk of krijt (calciumcarbonaat voor de scheikundigen) en kiezel (siliciumdioxide). Het uit- of inwendig skelet van zeeorganismen bestaat altijd uit één van deze twee materialen. Beide bestanddelen waren oorspronkelijk in de bodem willekeurig vermengd. Maar dan vond een proces plaats, dat tot de afscheiding van kiezel leidde, in de vorm van lagen van silex- of vuursteenknollen.

Kalk of krijt - 'mergel' is nog een andere naam - werd in dezelfde periode gevormd. Silex vindt eigenlijk geen enkele serieuze toepassing meer, maar kalk is nog altijd een economisch belangrijke grondstof. Dagelijks verdwijnt het met vele tonnen in de ovens van de cementfabrieken. Gelukkig voor het landschap van de Voerstreek komen hier alleen maar erg oude kalklagen (zogenaamde Gulpense kalk) voor. In vergelijking met de jongere Maastrichtse kalk bevatten ze meer klei en zand. Dat maakt ze ongeschikt voor de cementindustrie. Ook is het materiaal te zacht om er mergelblokken uit te zagen, die vroeger als bouwstenen gebruikt werden. De typische mergelgrotten van de Sint-Pietersberg en omgeving (Kanne, Zichen-Zussen-Bolder) zal je in de Voerstreek dus niet aantreffen. Tot in het begin van deze eeuw werd kalk wel plaatselijk en op kleine schaal ontgonnen in mergelkuilen, om akkers en weilanden te mergelen, dit is: bestrooien met fijngestampte kalk om ze vruchtbaarder te maken. In sommige oude huizen tref je ook binnenmuren in Gulpense kalk aan, maar de stenen daarvan zijn altijd onregelmatig gevormd - in tegenstelling tot de gave mergelblokken uit Maastrichtse kalk. Nu zijn de mergelkuilen meestal overwoekerd en nog nauwelijks in het landschap te herkennen. Maar je kan er de structuur van het kalkmateriaal bestuderen, of speuren naar fossielen. Die zijn hier wel zeldzamer en moeilijker herkenbaar dan in de 20 miljoen jaar jongere Maastrichtse kalken!

 

EROSIE TIJDENS DE IJSTIJDEN

Ongeveer 35 miljoen jaar geleden, overspoelde de zee voor het laatst de Voerstreek en omgeving. Daarna trok ze zich definitief terug, doordat de aardbodem onder invloed van opstuwende krachten vanuit het zuiden steeds hoger kwam te liggen. Zo ontstond een zachthellend krijtplateau, dat stilaan door rivieren werd uitgeschuurd.

Het warme, subtropische klimaat wisselde in de loop van de duizenden jaren af met extreem koude periodes: de ijstijden. Vooral tijdens die ijstijden werd het krijtpakket sterk door erosie aangetast. De situatie in onze streken was toen te vergelijken met wat we nu nog in Siberië aantreffen: weinig begroeiing en een bodem die alleen in de zomer oppervlakkig ontdooit. Daarin kon het regen- en smeltwater niet diep wegzinken. De bovenste, doorweekte grondlaag kon gemakkelijk gaan schuiven en meegespoeld worden.

Zo ontstonden de huidige, erg brede dalen. Erg breed in verhouding tot de kleine waterlopen, die er tegenwoordig door vloeien, zoals de Berwijn, de Voer, de Veurs, de Gulp en de Geul. Soms is er nu zelfs geen waterloop meer, maar de erosie uit de ijstijden heeft toch een dal uitgesleten: een droogdal. De dalen zijn bovendien opvallend asymmetrisch. De naar het zuidwesten gekeerde zijde is veel steiler dan de tegenover liggende helling. Over de oorzaken daarvan zijn de geologen het niet helemaal eens. Vermoedelijk heeft een complex van verschillende factoren er een rol in gespeeld: overheersend zuidwestelijke regenwinden en snellere afsmelting van sneeuw op de door de zon beschenen hellingen (en dus telkens meer erosie op deze plaatsen), lichte kanteling van het plateau door opstuwing vanuit het zuiden (zodat de riviertjes hun loop noordwaarts verlegden). Wat er ook van weze, het resultaat is niet zonder belang voor het huidige landschap.

 

HET HUIDIGE LANDSCHAP

Op de hoogst gelegen plaatsen van het golvende Voerlandschap, dus boven op het plateau, bevinden zich meestal landbouwgronden, overwegend akkers. Niet alleen is de bodem daar vlak en dus gemakkelijk te bewerken, maar er is ook een laag löss aanwezig. Dat is een vruchtbare fijne leem, die hier tijdens de ijstijden door de wind uit Noord- en Noord-West-Europa werd aangevoerd. Op de hellingen is de löss al lang weggespoeld, zodat we hem nu op de dalbodem terugvinden. De dalgrond is niets anders dan een aanspoelsel van hoger gelegen terreinen en bestaat uit een mengsel van diverse materialen.

Op het bovenste gedeelte van de steile hellingen bestaat de bodem uit wat door de erosie niet werd uitgespoeld: een dikke laag silex met leem en een weinig zand. Vandaar de benaming: vuursteeneluvium. Het is een zure, onvruchtbare bodem die als landbouwgrond nooit aantrekkelijk is geweest en daardoor bijna overal bebost is gebleven.

Lager op de hellingen is de oorspronkelijke kalklaag nog grotendeels intact. De bodem vertoont karakteristieken die ongeveer tegengesteld zijn aan die van het vuursteeneluvium. Kalk maakt een bodem neutraal tot licht basisch, dus wél interessant voor landbouw. Daardoor zijn bossen op kalkgrond meestal erg zeldzaam geworden. Ze zijn al lang geleden gerooid en nu vinden we er meestal weilanden.

De naar het noordoosten gekeerde zachte helling is al sinds eeuwen in cultuur gebracht, want er is een bovenlaag met vruchtbare leem aanwezig. In 's-Gravenvoeren en omgeving zijn resten van Romeinse villa's (= landbouwnederzettingen!) gevonden. Op deze hellingen vinden we bijna uitsluitend weilanden en akkers.

Door deze verscheidenheid in het fysische milieu en de manier waarop de landbouwer uit vroegere tijden daarop moest inspelen, is een ingewikkeld, kleinschalig landschapspatroon ontstaan. Dat maakt precies het aantrekkelijke van het Voerense landschap uit: je hebt hier wel niet het wijdse van b.v. de poldervlakte, maar integendeel een lapjesdeken in alle tinten groen. De blik loopt altijd vast op een haag, boomgaard of bosrand. Maar na de volgende bocht verandert dat hele landschap weer in een nieuwe compositie, terwijl van op de hoogste punten een golvend panorama al die landschapselementen tegelijk laat zien.

 

DE BOSSEN

Voor er mensen in onze gebieden leefden, waren die nagenoeg helemaal met woud overdekt. De beboste oppervlakte is echter overal drastisch ingekrompen. Tot voor enkele jaren moesten in de Voerstreek nog geregeld bossen plaats maken voor landbouwgronden. Door het vastleggen van de bestemming van alle gronden in een Gewestplan is dit rooien van meerdere hectaren tegelijk niet meer mogelijk. Integendeel, de laatste jaren werden heel vroegere akkers en weilanden opnieuw bebost.

Op dit ogenblik vinden we vooral op het onvruchtbare bovenste gedeelte van de steile hellingen nog bossen, meer bepaald van het eikenberkenbos-type. Dit is het normale loofbos op armere gronden. Ook in de Kempen, de Ardennen en op de Vlaamse zandgronden komt het voor.

In de Voerstreek bestaat dit bos voornamelijk uit eik - zowel winter- als zomereik - en berk. Ook de lijsterbes is een typerende soort, samen met de om de stammen slingerende kamperfoelie. De kruidlaag bestaat vooral uit adelaarsvaren en diverse braamsoorten.

Lager op de helling, in de smalle beboste gordel waar nog krijt in de bodem aanwezig is, groeit een heel andere vegetatie: het eikenhaagbeukenbos. De overheersende boomsoort is er meestal de es, soms de esdoorn. Dat zijn typische pioniersoorten: omdat hun zaden door de wind worden verspreid, kunnen ze na kaalkap bliksemsnel het open terrein veroveren. Hun aanwezigheid is dus een rechtstreeks gevolg van het oudsher intensieve kapbeheer in deze hakhoutbossen. De omwonende boeren haalden hier immers hout voor het vervaardigen van gereedschap, voor het vakwerk van hun huizen en voor tal van andere toepassingen. Misschien een tip voor scrabble-liefhebbers: 'boerengeriefhakhoutbossen' heeft iemand er ooit als naam voor uitgevonden.

Deze eikenhaagbeukenbossen zijn een droom voor plantenliefhebbers. Hier vind je de zeldzaamheden waar de Voerstreek en het aangrenzende Nederlands Zuid-Limburg befaamd om zijn: orchideeën, zwarte rapunzel, heelkruid, ... om er maar enkele te noemen.

Overigens is een groot gedeelte van het Voerense bosbestand volledig kunstmatig: netjes op rijen geplante beuken, sparren of lorken. Uiteraard gaat daardoor heel wat van de natuurlijke soortenrijkdom verloren. Maar zelfs dan nog blijven het mooie stukken natuur om in te wandelen.

 

GRAFTEN

Een merkwaardig landschapselement vormen de graften. Hun ontstaan gaat terug tot de tijd dat de landbouwer het bos, dat oorspronkelijk de helling bedekte, rooiden. Waarschijnlijk liet hij de oude bosrand bestaan en gooide er stenen, wortelstronken en zo meer op een hoop. Daarop schoten opnieuw struiken op. Bij het ploegen - met het verloop van de helling mee, om erosie te vermijden en het werk van het trekdier te verlichten - werd deze strook dus ook nooit bewerkt.

Gronddeeltjes die naar beneden spoelden, hoopten zich tegen deze strook op. Aan de bovenzijde van de akker daarentegen ontstond een steile wand doordat daar materiaal werd weggevoerd. Daardoor verloor de helling tussen de oude en de nieuwe bosrand een deel van zijn steilheid.

Als nu ook het bos hogerop werd gerooid, herhaalde het proces zich. De oude bosranden - de huidige graften - bleven ook nadien nog in het landschap herkenbaar omdat de boeren ze onbewerkt lieten. Ze verminderden de erosie op de hellingen en geven de stukken tussen de graften in een vlakker karakter. Ook nu de meeste akkers in weilanden zijn omgezet, ziet de landbouwer meestal van het rooien van de graften af omdat anders gemakkelijk grondverschuivingen optreden.

Graften bieden allerlei dieren een ideale schuilplaats temidden van een gebied, waar ze voedsel kunnen zoeken. Vogels, kleine zoogdieren en insekten vinden er een onderkomen. Het interessantste dier hierbij is wel de das. De Voerstreek is trouwens het enige gebied in heel Vlaanderen, waar onze grootste marterachtige nog van nature voorkomt. Tegenwoordig zoekt hij wel liever de bosranden en spoorwegbermen op. Klaarblijkelijk vindt hij de graften vaak niet veilig genoeg meer.

 

BIOLOGISCHE GRENZEN: OOST-WEST, ZUID-NOORD

Plantkundigen stellen vast dat sommige plantesoorten min of meer streekgebonden zijn. Op grond van verspreidingsgegevens kan men een land als België indelen in plantengeografische districten. Sla er maar eens een flora of de atlas van onze Nationale Plantentuin op na. Dan zie je dat Vlaanderen nagenoeg volledig behoort tot districten die atlantisch zijn. De naam zegt het al: het klimaat wordt er duidelijk door de nabije zee beïnvloed. Maar ten oosten van de Maas begint die invloed af te nemen. De Maasvallei in het westen van de Voerstreek ligt op 60 m boven zeeniveau, maar 15 km verder oostwaarts zitten we al boven de 300 m! En nog even verder liggen de Hoge Venen, op meer dan 600 m.

Wat dat betekent merkt men bij voorbeeld in het voorjaar: in het oosten van de Voerstreek beginnen de fruitbomen gemiddeld twee weken later te bloeien dan in het westen. We zitten hier op de grens tussen het atlantische en het continentale gebied. Hoewel er wat de gemiddelde jaartemperatuur betreft weinig of geen verschil is, begint de lente er vroeger en zijn er vroeger en meer dagen met nachtvorst. Voor veel planten en dieren betekent dat een korter voortplantingsseizoen. Sommige soorten slagen er niet in om in die omstandigheden te overleven en komen hier dan ook niet meer voor. Andere doen het dan juist beter. Voorbeelden van soorten met zulke continentale vespreiding zijn trosvlier, wilde mispel en witte veldbies. Of de hamster, een in graanakkers levend knaagdier, en de grote gele kwikstaart, die zijn nest vaak onder een bruggetje over één van de snelstromende waterloopjes maakt.

Schuin op deze continentaal-atlantische grens staat een andere: de noord-zuidgrens. Een aantal soorten met vooral een zuidelijke verspreiding bereiken hier hun meest noordelijke grens. Op de naar het zuidwesten gekeerde hellingen van de valleien heerst een microklimaat dat merkelijk warmer is dan elders in de onmiddellijke omgeving, doordat de zonnestraling hier intensiever is. Dat valt bij voorbeeld sterk op als in het voorjaar de sneeuw begint te smelten. Soorten die van deze speciale milieu-omstandigheden profiteren zijn onder andere wilde marjolein en verscheidene van de al vermelde orchideeënsoorten. Het valt daarbij op dat het vaak om sterk aan kalkgronden gebonden soorten gaat. Kalkbodems zouden makkelijker opwarmen door de zonnestraling, maar vermoedelijk spelen ook nog andere factoren een rol, die met de speciale chemische eigenschappen van de bodem verband houden.

Bosrank en maretak zijn voorbeelden van typische kalkminnende soorten. Judasoor, een zwam, vindt men bijna uitsluitend op dode vlierstruiken... die op kalkgrond groeiden. De kruidvlier, nauw verwant met de gewone vlier en de bergvlier, komt als meer zuidelijke soort in de Voerstreek plaatselijk vrij algemeen voor. Maar waar de bergvlier gebonden is aan de meer zure bodems (het vuursteeneluvium), vinden we de kruidvlier lager op de helling op meestal kalkrijke plaatsen.

De fauna kent eveneens zijn zuiderlingen. Het gemakkelijkst waar te nemen is wel de wijngaardslak, de escargot de Bourgogne, onze grootste Belgische slak. Sommigen kennen ze misschien alleen maar als gastronomische delicatesse. Die faam trekt elk voorjaar een aantal slakkenrapers aan, ofschoon het een beschermde soort is. In de mate van het mogelijke wordt tegen die praktijk opgetreden, maar ze is nog verre van uitgeroeid.

Ook hier speelt kalk weer een grote rol, want de wijngaardslak heeft bijzonder veel kalk nodig voor de opbouw van het zware slakkehuis. Het is wel één van de soorten die profiteren van de verwaarlozing van de wegbermen, want men vindt ze vooral tussen brandnetelrijke vegetaties.

Vermeldenswaard zijn ook enkele amfibieën die in de rest van Vlaanderen niet of zelden voorkomen: vuursalamander (of gevlekte landsalamander), vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad. Of de groen oplichtende vuurvliegjes, die je hier in de vroege zomer door de struiken ziet dwalen.

 

LANDSCHAPSPARK

De waarde van de Voerstreek als natuurgebied is vooral een gevolg van het kleinschalig karakter van het landschap, dat een bijzonder groot aantal biotopen op een kleine oppervlakte combineert. Door het overwegend agrarische karakter van deze dunbevolkte streek is dit landschapspatroon nog vrij gaaf bewaard gebleven. Maar een landbouwlandschap heeft een dynamisch karakter: het verandert onder invloed van nieuwe landbouwtechnieken en teelten. Als dat voor de wilde dieren en planten negatieve gevolgen dreigt te hebben, dringen er zich beschermingsmaatregelen op. Er bestaat in dat verband een plan om de hele Voerstreek als landschapspark te beschermen. Dit begrip kent echter in Belgiëzelfs nog geen concrete wettelijke inhoud, en ook in Nederland - waar men in het aan Voeren grenzende gebied het landschapspark Mergelland zou willen creeëren - blijkt het allemaal niet zo eenvoudig te zijn.

Natuurbescherming is in de Voerstreek extra moeilijk, omdat in deze omstreden taalgrensgemeente in het verleden bijna alle aandacht en energie naar de taalpolitiek ging. Ook de natuurbescherming ondervond daar de gevolgen van. Zo verzette het Luiksgezinde gemeentebestuur zich tegen de bescherming van enkele waardevolle landschappen, omdat daardoor de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap in Voeren zou toenemen.

Hopelijk lukt het toch nog om dit prachtige golvende landschap zo gaaf mogelijk te bewaren. De Voerstreek herbergt immers nog veel van wat elders - in het aangrenzende Nederland bij voorbeeld - slechts met veel inspanningen kan worden hersteld. Of zoals een in Voeren wonende Nederlander het eens uitdrukte: "De Voerstreek loopt zo ver achter, dat ze weer bijna door de vooruitgang wordt ingehaald."

Gelukkig gebeurden er in het recente verleden enkele grote aankopen van natuurgebieden. In Sint-Pieters-Voeren kocht de Vlaamse Gemeenschap het Alsbos. Op het ogenblik van de aankoop waren grote stukken ervan al in weiland of akker omgezet maar nu is alles opnieuw bebost. In 's-Gravenvoeren kocht Natuurreservaten bossen en landbouwgronden rond het domein van Altenbroek.

© Rik Palmans (Rik.Palmans@ping.be)

Terug naar hoofdpagina