Tekst: Alain Melis
Een terugblik op een zeer geslaagde duikvakantie …
Einde 2002 waren Chris Pijpen en ik reeds in de weer om eens een duikcruise naar een andere locatie in de Rode Zee te organiseren. Vrij snel waren we het erover eens dat Soedan ‘the place to be’ ging worden. We moesten natuurlijk nog een berg informatie zien te vergaren over de lokatie zelf, de boten die vanuit Port Soudan opereren, de politieke situatie ter plekke, de gezondheidssituatie aldaar, de vluchten naar Port Soudan, de reisformaliteiten,….
Gezien de onmogelijkheid voor sommigen om in de zomermaanden op verlof te gaan en dan weer voor anderen om in het najaar verlof te nemen, werd al gauw beslist om twee cruises in het leven te roepen.
Achteraf bekeken bleek dit een zeer optimistische inschatting te zijn want al snel vonden onze Amerikaanse vrienden het nodig om Irak in lichterlaaie te zetten wat leidde tot de nodige spanningen en onzekerheid in de nabijgelegen moslimlanden. Hierbij rekenen we natuurlijk ook Soedan. De groep potentiële deelnemers was deze explosieve situatie natuurlijk niet ontgaan en het vergde dan ook sterk diplomatiek talent van de organisatoren om de groep bij elkaar te houden en beide reizen uiteindelijk toch te laten doorgaan. Gelukkig konden we beroep doen op een meesterlijke website van onze noorderbuur en duiker Peter Kemp, die reeds meermaals naar Soedan was geweest, om de laatste twijfelaars uiteindelijk toch over de meet te trekken.
Enfin, om een lang verhaal kort te maken, en om u de details te besparen van de massa’s e-mails, telefoons, faxen, in te vullen paperassen, afgelegde kilometers om aan de juiste visa’s, tickets en vouchers te geraken, zal ik het relaas van onze reis laten aanvangen op zaterdag 10 November ergens heel vroeg ’s ochtends in Zaventem.
De ‘group check-in’ aan de Swiss balie verliep niet bepaald van een leien dakje daar er bij heel wat deelnemers een duidelijk overgewicht – in de bagage – merkbaar was. Ja, wat wil je, als je weet dat in Soedan (bijna) niets voor handen is van duikmateriaal en je er bovendien ook nog op staat om de videocamera met onderwaterhuis te willen meenemen, ja, dan is enige flexibiliteit van de incheck hostess zeker welkom.
Met wat aandringen maar vooral door ons inschikkelijk op te stellen is het ons dan toch gelukt om met al onze bagage –en zonder te moeten bijbetalen- te kunnen inchecken, De learning is hier toch wel om in het vervolg aan het reisbureau te vragen de vliegtuigmaatschappij voorafgaandelijk te willen informeren dat het om een groep duikers gaat!
Vervolgens stapten we door naar de doeanepost alwaar de volgende beproeving ons stond op te wachten. Met de aanslagen van 11 September weet iedereen dat de controles er –terecht- op verstrengd zijn, maar als je weet dat je nu ook al je schoenen door het Rx toestel moet laten defileren, dan is dit toch wel even opkijken. Al ons duikmateriaal werd eveneens aan een grondige inspectie onderworpen -geen batterijen in de duik-of filmlampen, geen messen in de handbagage, spare-air flesjes opendraaien om te zien dat ze wel degelijk leeg zijn,enz… Uiteindelijk mocht iedereen dan toch door.
Even later werd omgeroepen dat we een uur vertraging zouden hebben bij het vertrek uit Brussel en dit omwille van landingsrestricties in Zürich. Wetende dat we maar 1u10 speling hadden tussen onze twee vluchten zorgde ervoor dat ons adrenalinepeil pas begon te zakken éénmaal we veilig aan boord waren van het toestel dat ons richting Caïro zou brengen. We mochten niet klagen want we vlogen met een spiksplinternieuwe Airbus A-340 waar iedereen –zelfs in economy- een persoonlijk schermpje had alwaar hij op eigen initiatief één van de 12 films kon laten aanvangen wanneer hij dit wenste, tevens naar het nieuws kon kijken, tekenfilmpjes kon laten defileren of MTV muziekspots kon bekijken.
De vlucht verliep rimpelloos en ruimschoots op tijd landden we in Caïro. Nu ja, beter ruimschoots op tijd want met al je bagage moet je dan nog zien te verhuizen naar een andere luchthaven op enkele kilometers daar vandaan om weer eens in te checken, doeaneposten en Rx machines te trotseren en te hopen dat er wel degelijk een vliegtuig van Sudan Airways zal komen opdagen om je naar Port Soudan te brengen.
Dit bleek ook zo te zijn. Het was een Boeing 727, een driemotorig toestel dat waarschijnlijk al wel 30 of 40 jaar oud was, maar dit was toch al wel beter dan in een Antonov of Iljushin te moeten stappen. Twee identieke veiligheidsgordels op mijn eerste zetel noopten me om op zoek te gaan naar een andere zetel. De vlucht verliep rimpelloos. Een kleine twee uur later zetten we voet aan grond op Soedanese bodem. Vermits we het enige uitschepend vliegtuig waren verliepen de doeaneformaliteiten en het oppikken van de bagage redelijk vlot –alhoewel er toch niet ècht sprake kon zijn van vergevorderde efficiëntie- maar de èchte beproeving kwam pas bij het individueel openen van elk bagagestuk waar door militairen gretig gezocht werd naar "Satans genotsmiddelen", zoals alcohol en porno,… Pech voor hen, we hadden dit maar wijselijk thuis achterwege gelaten –weliswaar wetende dat er aan boord van onze boot, de ‘Don Questo’ een ruime voorraad bier en wijn voorhanden was-. Na dit alles doorstaan te hebben stapten we nog even in een kleine bus die ons tot aan de boot in de haven van Port Soudan bracht.
Aldaar lag onze drijvende stulp voor de komende twee weken. Een half uur later waren we met al ons hebben en houden aan boord, hadden we onze slaapvertrekken ingenomen, hadden we de nodige papieren ingevuld en (lucht)haventaksen betaald en zaten we te genieten van een goeie pint op dek met zicht op een volle maansverduistering met rondom ons gigantische containerschepen die in snel tempo werden gelost en geladen. Ja, ’t mag gezegd worden, Port Soudan is de toegangspoort tot Oost-Afrika langs de Rode Zee en de haven mag er best wezen. De stad is tevens voorzien van een aantal grotere hotels, waaronder de Hilton. Zelfs onze GSM’s bleken er te werken en lieten ons toe het thuisfront te informeren van onze veilige aankomst.
Na een (zeer) kort nachtje vertrokken we de ochtend erop naar onze eerste duikplaats. Amper een half uur varen want op Wingate Reef ligt één van de mooiste en indrukwekkendste wrakken van de Rode Zee, het wrak van de Umbria.
Deze 150 m lange vrachtboot werd door de Italiaanse kapitein tot zinken gebracht op 10 juni 1940. Dit om te verhinderen dat de Engelsen, die in Port Soudan zaten, de hand konden leggen op de lading op het ogenblik dat de Italianen bij de aanvang van de tweede wereldoorlog de kant kozen van de Duitsers. Het schip zonk zonder dat de lading te grote averij opliep. De 360.000 bommen aan boord bleven intact net als het resterende deel van de lading waaronder ook drie Fiat Lunga 1100 auto’s. Een goede briefing alvorens de duik aan te vatten is echter wel noodzakelijk om ze terug te vinden daar ze achterin een laadruim verstopt liggen. Je vindt er trouwens ook nog marmeren platen, grote zakken cement en zand, electrische kabels allerhande, glazen (wijn)flessen, ontstekingsmechanismen,…
Onze eerste duik was dan ook een voltreffer. Ook gewoon doorheen de gangen waden, over het dek met al zijn kabelhaspels en kranen zweven, naar de gigantische schroeven en het roer gaan kijken of de intacte machinekamer (als je ze vindt natuurlijk!!!) gaan opzoeken bezorgen je bijwijlen kippevel. Eén duik op dit gigantisch schip is op zich ruimschoots onvoldoende en we kwamen tijdens het vervolg van onze duikvakantie nog twee maal op deze plek terug, waaronder éénmaal voor een memorabele nachtduik.
Men kan wanneer men op dit wrak duikt ook moeilijk vergeten een hulde te brengen aan Hans Hass -een ware legende binnen de duikwereld- die het wrak als eerste uitvoerig exploreerde in de post WW II periode, samen met zijn echtgenote Lotte Baierln, en er trouwens ook een film over maakte welke op het festival van Venetië in 1951 de eerste prijs in de wachte sleepte: ‘Abenteuer im Roten Meer’.
Ook een andere grootheid uit de onderwaterexploratie heeft in Soedan zijn sporen verdiend en tevens naam en faam geschreven. Niemand minder dan ‘le commandant Cousteau’ bracht er, samen met zijn bemanning van de Calypso, in 1963, een bezoek aan één van de mooiste riffen van Soedan, namelijk Sha’Ab Rumi. Aldaar, op één van de meest desolate plekken ter wereld, wou hij bewijzen dat het mogelijk was om, in alle veiligheid, een groep van 8 duikers op 10 meter diepte gedurende één maand te laten leven evenals twee duikers op een diepte van 30 m.
Het enige overblijfsel van deze expeditie is de ‘garage’ voor zijn ‘soucoupe plongeante’, een klein onderwaterschuurtje, de restanten van zijn onderwater aquarium en op het zuidplateau van Sha’Ab Rumi een door koralen overwoekerde haaienkooi.
Toen reeds experimenteerde Cousteau met gasmengsels. Men kan terecht spreken van een man die sterk op zijn tijd voorop was. Zijn toenmalige exploten werden verfilmd in de met een Oscar bekroonde film ‘Le monde sans lumière’.
Sha’Ab Rumi is het eerste grote rif ten noorden van Wingate Reef gelegen op zo’n drie uur varen. Je kan er in alle rust duiken vermits het rif je prima beschermt tegen de stroming en de golven van de open zee. Cousteau wist perfect waarom hij aldaar zijn experiment liet uitvoeren. Op de uiteinden van dit rif heb je natuurlijk wel golfslag en stroming, maar dit laat dan ook toe om grote scholen makrelen en tonijnen te zien evenals een aantal patrouillerende haaien. Bij onze eerste duik op het zuid plateau van Sha’Ab Rumi was het al bingo. 4 nerveuze grijze rifhaaien kwamen ons op het plateau begroeten. Wat lager paradeerden een 20-tal hamerhaaien. Wat een mooi moment! Fijn om te weten dat er nog enkele plaatsen zijn op onze aardbol waar grotere groepen haaien voorkomen.
Immers, aan de snelheid waarmee ze heden ten dage worden afgeslacht –lees gefind- om zonder al te gefundeerde wetenschappelijke bewijzen in te staan voor de behandeling van kraakbeenziektes bij de mens, onze chinese vrienden te voorzien van haaievinnensoep of een aantal van onze minder jonge medemensen te trakteren op sexuele capriolen, wel, aan die snelheid –lees 110 miljoen haaien per jaar-duurt het geen tien jaar meer voordat alle haaiensoorten op de lijst van met uitsterven bedreigde diersoorten terechtkomen.
Zou het verhaal van de kabeljauw in onze eigenste Noordzee zich wereldwijd herhalen voor de haaien? Laten we optimistisch zijn en hopen van niet.
Er iets aan doen begint bij elkeen van ons!!!
Elke duik op het zuidplateau van Sha’Ab Rumi was telkens weer een moment van intens genot. Genieten door ondermeer te kijken naar de sierlijke wijze waarop de haaien zich, ogenschijnlijk moeiteloos, in zulke stromingsrijke wateren voortbewegen. Ik begrijp Lorenzo, onze skipper, best wanneer hij Sha’Ab Rumi in zijn top drie rangschikt van duikplaatsen in de Soedanese Rode Zee.
Juist, laten we het eens over Lorenzo en zijn schip de ‘Don Questo’ hebben.
Lorenzo, onze Italiaanse kapitein, is reeds sinds een zestal jaren werkzaam in Soedan als kapitein (en mede-eigenaar) van de Don Questo. Dit schip werd in 1964 in Engeland gebouwd als vissersboot en werd nadien omgevormd tot een oceanografisch onderzoeksschip. Het heeft een totale lengte van 33,5 m, wordt aangedreven door een Guascor 750 pk motor, is voorzien van een eigen ontziltingsinstallatie, heeft tevens een kleine caisson aan boord en heeft een vrij geavanceerd navigatiesysteem met onder meer kompas, gyrokompas, radar, GPS, plotter, automatische piloot, sonar en vhf radio. Deze stoere stalen boot met een waterverplaatsing van 300 ton garandeerd bovendien een perfecte stabiliteit, zelfs bij ruwe zee. Enkele benedendeks geïnstalleerde compressoren zorgen voor een snelle en vooral geruisloze vulling van de stalen tweekraans duikflessen. De twee splinternieuwe zodiacs brengen je in een mum van tijd naar de duikriffen en het nieuw aangebrachte zonnedek met zijn multifunctionele ‘transat’ ligzetels verwent menig zonneklopper. Wat misschien nog het meest in het oog springt is het hydraulisch platform dat aangebracht is achteraan het schip en toelaat dat volledig geëquipeerde duikers zonder moeite in en uit het water gehesen worden.
Het eten is bovendien ronduit schitterend. Lorenzo was in een vorig leven chef kok en heeft zijn Soedanese opvolger ‘het beste uit de Italiaanse, Franse (lees Belgische) en Arabische keuken’ bijgebracht. Zo konden we ’s morgens de bereidingswijze van onze eitjes doorgeven terwijl we ondertussen al een aantal vers gebakken pannekoeken aan het verorberen waren. ’s Middags kregen we een driegangenmenu en ’s avonds zelfs een viergangenmenu. Hierbij was telkens een soep of voorgerecht voorzien, een pastagerecht, een hoofdgerecht en een dessert. Vis, vlees en gevogelte wisselden elkaar perfect af. Aan vers fruit en verse groenten was er ècht geen gebrek en om de maaltijd ’s avonds volledig af te maken was zelfs bier en wijn aanwezig. Overtollige kilo’s zijn we er dus niet kwijtgespeeld!!!
Van Sha’Ab Rumi ging het na een aantal dagen verder noordwaarts. Het volgende rif dat we aandeden was Sha’Ab Su’Adi. Dit rif is vooral gekend omwille van het ‘Blue Bell’ wrak –ook wel Toyota wrak genaamd -. Hier verging op 5 December 1977 een schip met zo’n 150 Toyota’s en 6 kamions aan boord. Kwade tongen beweren wel eens dat frauduleuse praktijken met de bedoeling de verzekeringen te kunnen oplichten in het spel zouden kunnen zijn. Desalniettemin is het een redelijk interessant wrak met een deel gelegen tussen 30 en 40 m waaronder kan doorgezwommen worden. Vermits het wrak omgekeerd ligt en er een hoop schroot het ruim verspert, kan je er best niet inzwemmen, in tegenstelling met de Umbria waar dit wel mogelijk is.
De duik beëindig je door terug naar de ingang van het rif van Sha’Ab Su’Adi te zwemmen. Dit loont op zich ook al ten zeerste de moeite. Deze zone is bezaaid met kleine rotsformaties die allen begroeid zijn met de allermooiste koralen. Hier vind je de grootste tafelkoralen die we op onze reis zijn tegengekomen. Talloze vissen, schildpadden en weekdieren weten handig gebruik te maken van deze koralen om erop, erin of eronder te schuilen, te slapen, te jagen of uit te rusten. Spijtig dat de zichtbaarheid het soms wat liet afweten. Ook de dolfijnen kwamen ons heel even vergezellen wanneer we met de zodiacs terugvaarden naar de Don Questo.
Onze volgende bestemming waren de topriffen van het Noorden, met name Merlo Reef, Angarosh en Abington. Gezien de zee te ruw was om op Qita El Banna te kunnen duiken, vaarden we direct door naar Merlo Reef, alwaar de Don Questo ons dropte om nadien veilig, enkele kilometers verder, te gaan aanmeren achter het rif van Shambaya.
De zodiacs zorgden er na de duik voor dat we terug aan boord geraakten.
Merlo Reef is een pracht van een rif -zo’n kilometer in doormeter- waarop zich het wrak van een klein cruiseschip bevind. Dit onder Oostenrijkse vlag varend schip, botste in het midden van de nacht, ergens in 1998, op het rif. Een herinnering aan het feit dat men
maar niet voorzichtig genoeg kan zijn in deze waters waarvan zelfs de modernste kaarten nog steeds grote delen aangeven als ‘unsurveyed’.
De duiken op Merlo Reef waren steeds Noord -> Zuid en Oost -> West georiënteerd. Trouwens het merendeel van de duiken in de Rode Zee, vermits de dominante stroming van Noord-West naar Zuid-Oost gaat en tegen de stroming in zwemmen absoluut zinloos is. We zagen er alweer een witpunt rifhaaitje dat met tegenzin zijn dutje op het zand onderbrak om diepere oorden te gaan opzoeken. Ook weer hier waren de koraalformaties indrukwekkend en gelukkig begon ook de zichtbaarheid wat beter te worden. Enkele dagen noordenwind zijn vaak voldoende om de zanderige waters van Eritrea, welke bij zuidenwind worden aangevoerd, te laten rechtsomkeer maken. De watertemperatuur was ook weer hier een zeer aangename 31 ° C en om de thermoclean op te zoeken moest al naar 50 m en meer afgedaald worden. Sommigen beweren dat haaien deze warme waters mijden en daardoor in het najaar dieper moeten gezocht worden. Dit verhaal kan kloppen daar we in het Noorden, tot onze grote spijt, weinig haaien zijn tegengekomen. Anderzijds kunnen we ook aanvoeren dat de meeste haaien die we zagen op zeer aanvaardbare dieptes werden gezien van slechts 30 of 40 meter. Op Merlo Reef zagen we ook grote scholen snappers en grootoog straatvegers die ogenschijnlijk doelloos met de deining mee schommelen, ergens tussen de bovenkant van het rif en het wateroppervlak. De knipstaart - en bruinwit juffertjes vormden ook grote groepen samen met de anthias of vlaggebaarzen. Ze bewogen in en uit hun schuilplaatsen op het ritme van de ademhaling van de duikers. Al spoedig weet elkeen die filmt dat je heel nauwlettend moet toezien wanneer je in- en uitademt om de beste beelden te kunnen schieten. Onder de grote tafelkoralen of tussen rotsspleten vind je ook telkens weer eekhoornvissen, soldaatvissen en grootoogbaarzen. De koraalduivels zijn hier wat minder algemeen dan in de Egyptische waters en het betreft hier ook uitsluitend de sierlijke koraalduivel. Je ziet ze natuurlijk voornamelijk ’s nachts wanneer ze op jacht zijn en handig gebruik maken van de lichtbundel van je duiklamp om hun prooi te verschalken. Het is ook ’s nachts dat je de papegaaivissen ziet rusten, vaak omgeven door een slijmcocon. Ze worden daardoor onvindbaar voor hun hongerige vijanden. De groen blauwe juffertjes evenals de slanke koraalklimmers liggen te slapen tussen koraaltakken, koraalvlinders leunen blijkbaar zonder nare gevolgen tegen het vuurkoraal –oh jee als wij mensen hier zouden aankomen – en de egelvis en koffervis botsen, verblind door de straffe lichten, van links naar rechts tegen het rif. ’s Nachts kan je ook de murene zien jagen. Ze komt dan volledig uit haar hol en niet zelden zie je dan exemplaren die in lengte niet moeten onderdoen voor de meesten van ons.
Kwallen, salpenkolonies evenals tal van andere doorschijnende organismen verschijnen continu in het schijnsel van de duiklampen en laten je kennismaken met een voor velen van ons onbekende –en vaak ook onbeminde- wereld.
’s Nachts trekken de meeste zeesterren, veersterren, zeeëgels, naaktslakken, garnalen, kreeften, schelpen allerhande er eveneens op uit. Gelukkig zagen we maar een beperkt aantal doornkroonzeesterren –gekend om hun grenzeloze honger- welke, gezien de afwezigheid van natuurlijke vijanden, menig rif reeds heeft weten kaal te vreten.
Het meest opmerkelijke wezen dat we tijdens onze nachtduiken tegenkwamen was het medusahoofd. Het betreft hier een soort kruising tussen een zeester en een veerster, en het ziet eruit als een wandelende boom met duizenden bladerloze takken, beter nog, een soort wandelend zenuwstelsel opgebouwd uit een aaneenschakeling van axonen en dendrieten. Wanneer je er met licht op schijnt beginnen al deze ‘takken’ –lees zenuwuiteinden- te kronkelen en zoekt het ganse gevaarte een veilig onderkomen, ergens in een rotsspleet. Deze wezens kunnen gemakkelijk één meter groot worden en komen in wit-gele en in bruine kleurschakeringen voor. Een nachtduik is steeds weer een unieke ervaring en, alhoewel je vaak goed moet kijken, loont het telkens weer de moeite om met deze fascinerende wereld te mogen kennismaken.
Merlo Reef ligt niet ver van Angarosh en Abington Reef. Deze drie (buiten)riffen worden bereikt door met de zodiacs vanuit Shambaya, de ankerplaats van de Don Questo, een goede 20 minuten in Oostelijke richting te varen. Het zijn stuk voor stuk prachtriffen, zowel wat begroeiing als wat visbestand betreft. Het zijn drop offs die als vulkaantjes vanuit de diepzee rijzen. Je hebt vaak al dieptes van 500 m en meer op slechts enkele honderden meters afstand van deze riffen en dit maakt hen dan ook geliefd bij onze grote predatoren, de haaien. Angarosh betekent eigenlijk ‘moederplaats van alle haaien’ in het Arabisch. Helaas hebben we op deze drie riffen weinig van onze vrienden, de haaien, kunnen genieten. Ze waren niet thuis… Laten we hopen dat ze met vakantie waren en niet reeds in de netten van de Soedanese vissers verdwenen zijn.
Je zou vermoeden dat je op zo’n duikcruise enkel maar vissen en zeezoogdieren zou tegenkomen. Wel neen, wie aandachtig is zal ook merken dat heel wat vogels zich boven de Rode Zee bevinden, al dan niet op doortocht. Dit kan gaan van de te verwachten meeuwen, sternen, aalscholvers, jan-van-genten, pelikanen, visarenden…over de wat minder te verwachten ooievaars, bijeneters, kwikstaarten, zwaluwen, valken,… tot de helemaal te gekke confrontatie met fitissen, piepers, lijsters, veld- en ransuilen en merels.
Trouwens, Merlo Reef zou afkomstig zijn van het Italiaanse Merlo (merel in het Nederlands) en werd door een Italiaanse kapitein van een cruiseschip gegeven aan het tot dan toe onbenoemde rif waar telkens, als de boot er aanmeerde, een merel op doortocht was. Vergeet dus naast je atlassen over de koraalvissen ook geen vogelatlas en verrekijker mee te nemen, mocht je natuurlijk nog plaats te over hebben in je valies.
Abington Reef was voor ons ook speciaal. We maakten er immers kennis met een sympathieke echte karetschildpad die graag alles van dichtbij kwam inspecteren. Zo filmden we het lieve diertje dat kwam knabbelen aan de lens van onze onderwatercamera. Of hoopte het in de gedaante van Eric een vrouwelijke partner gevonden te hebben?
Op onze "rustdag" –dit wil zeggen twee duiken in plaats van drie- gingen we ook nog eens een kijkje nemen op Mesharifa. Dit zou van Augustus tot en met Oktober de plaats moeten zijn waar tot 50 mantaroggen elkaar voor het paringsritueel komen opzoeken. Wij waren er in November en kunnen u ook weer hier zeggen dat we geen manta’s zagen. Enerzijds is Mesharifa niet zomaar een rots –lees poetsstation- waar manta’s in grote getale in de stroming komen spelen zoals bekend op het eiland Yap of op de Maldiven, neen, het is een zeer groot gebied met zanderige bodem waar het bijna onbegonnen werk is om ze op te sporen. We zagen er dus helaas geen manta’s. Ontgoocheld was ik niet want ik zag er mijn allereerste gemarmerde stekelrog, een vrij imposant exemplaar van 2,5 m lang (staart inbegrepen) en zo’n anderhalve meter breed. Bovendien kregen we een aantal malen een nieuwsgierige visarend op bezoek.
Na onze ‘rustdag’ ging het opnieuw zuidwaarts. De wind was gaan luwen en dit betekende dat we even konden halthouden aan het rif Qita el Banna. Dit vrij geëxposeerde rif laat enkel maar duiken toe bij rustige weersomstandigheden. Wij hadden het voorrecht er twee duiken te mogen maken. Een mooie drop-off met ook weer hier prachtige koralen en grote kolonies vis. We maakten hier opnieuw een driftduik wat ons in staat stelde om het rif moeiteloos te kunnen ontdekken. Belangrijk is wel om er voor te zorgen dat je er continu oogcontact mee houdt zodat je op het juiste ogenblik achter het rif, uit de stroming dus, kunt postvatten om zodoende je duik verder te zetten en aldaar ook te beëindigen. Het is noodzakelijk om er voor te zorgen dat je per buddy-paar steeds minstens één trappenballon in je bezit hebt. Je kan ook best de zodiac bestuurders verwittigen dat je een driftduik zult maken zodat ze zich kunnen verwachten aan het zien van trappenballons weg van het rif.
Na onze twee duiken op Qita el Banna vaarden we verder om bij valavond toe te komen bij Sha’Ab Su’Adi. Hier kregen we op onze nachtduik nog enkele mooie "schelpen op wandel" te zien, waaronder tolhorens, tentconussen, hermietkreeften, porseleinslakken, … evenals een mooie blauwgespikkelde stekelrog, een egelvis, een reuzenmurene, een plakkerige- en een dwergslanzeekomkommer, een gestreepte zeekomkommer met zijn tientallen kleine ‘voetjes’ vooraan,…
De volgende ochtend konden we er niet aan weerstaan om nog eens een bezoekje te brengen aan het wrak van de "Blue Bell". Weer eens gingen we onderdoor het met tientallen auto’s versperde ruim, nadien maakten we een denkbeeldig ritje aan het stuur van de her en der verspreide auto’s en kamions om nadien onze duik te beëindigen tussen de talloze prachtig begroeide "pinnacles" gelegen aan de ingang van het rif. Hier kregen we ondermeer het bezoek van een grote nieuwsgierige Napoleon lipvis.
Van Sha’Ab Su’Adi vervolgden we onze reis verder zuidwaarts naar Sha’Ab Rumi. Dit rif was ook al geen onbekende meer. Een korte briefing volstond en weg waren we naar het zuidplateau. Onze rifhaaien waren nog steeds hun rondjes aan het draaien maar de hamerhaaien hadden het rif verlaten. Ze hadden wel voor vervanging gezorgd daar een grote school bultkoppapegaaivissen ons tegemoet kwam vanuit de diepte. Deze vissen doen van ver wel wat denken aan de Napoleon lipvissen, maar éénmaal je ze van dichterbij ziet wordt het onmogelijk om nog naast de grote bult te kijken welke ze op hun voorhoofd hebben. Ze gebruiken deze bult om koralen mee af te breken. Sommigen onder hen hadden zich er blijkbaar aan gekwetst daar ze grote lompen los vlees aan hun bult hadden hangen. Ook hun "tanden" zijn indrukwekkend. Dit moet wel wanneer je weet dat ze dag in dag uit aan de koralen zitten te knabbelen. Op onze terugweg hielden we nog eens halt aan de garage van de ‘soucoupe plongeante’ van de expeditie ‘Précontinent II’ van Cousteau.
De dag erop kregen we Port Soudan weer in het vizier. Doordat de wind opnieuw was komen opzetten was het meer aangewezen om nog even te temporiseren in plaats van direct door te varen naar de riffen ten zuiden van Port Soudan gelegen. Hier is het namelijk veel moeilijker om voor de wind en de golven te schuilen. We ankerden opnieuw aan ter hoogte van Wingate Reef om weer eens te kunnen duiken op het wrak van de ‘Umbria’.
We zochten onze Fiat Lunga’s 1100 weer op, we zwommen opnieuw langs bergen kogels en bommen, we zweefden door de lange gangen op zoek naar zonderlinge dingen –zoals de WC-pot die er nog in één van de ruimtes staat- we keken geboeid toe hoe de koralen en vissen het schip beetje bij beetje opnieuw aan het opeisen waren, we zwommen onder de boot door naar het roer en de schroef, kortom, we genoten intens van deze duik. Bij het beëindigen van de duik zag ik nog een stuk vissersnet welke boven het wrak lag te zweven. Ik besloot om het mee te nemen naar de zodiac aangezien Murphy er anders zelf wel ging voor zorgen dat er een dolfijn, schildpad, haai,… of duiker in verstrikt zou geraken. Het was wel even zwoegen met in de ene hand de camera voorzien van twee armen met spots erop en in de andere hand een net van wel 15 m². De mededuikers moesten er wel even mee lachen, maar toen het net aan boord van de zodiac gehesen was zagen ze dat er kleine visjes in zaten. Groot was de verbazing wanneer ze er ook twee kleine hengelaarsvisjes in terugvonden (de sproeten- en rugvlek hengelaarsvis). Dit was de eerste maal dat ik zulke meesters in de techniek van de camouflage tegenkwam. Het zijn bovendien ook maar kleine visjes van zo’n 10-12 cm groot. Alle visjes werden vakkundig weer overboord geworpen. Weer een nieuwe vissoort om aan mijn lange lijst koraalvissen toe te voegen.
Ook de nachtduik vond plaats op de Umbria. Schitterend! Een weelde aan krabben (ondermeer de mooie helrode schaamkrab), koralen, (koker)wormen, (slang)zeekomkommers, zeeëgels, zeesterren, veersterren, garnalen, Frankenstein-achtige schelpen (de hanenkamoester!),… treden in actie terwijl de meeste vissen net dan gaan liggen soezen. De papegaaivissen brengen de nacht door in hun slijmcocon, de zeilvindoktersvissen dobberen rond met opgeheven zeilvin, de anemoonvisjes gebruiken de anemonen als deken en hoofdkussen, de keizer engelvissen leunen tegen de vuurkoralen, de bruid van de zee zwemt ogenschijnlijk doelloos rond. Enkel de koraalduivels maken gretig gebruik van de lichtbundel van onze lampen om verwoed op jacht te gaan. Opgelet voor de giftige stekels wanneer je beweegt, je zult het je anders wel gauw beklagen (zie ook poseidon.be/Geneeskunde.asp voor meer informatie over duikgeneeskunde).
Na de laatste duik van de dag wist elkeen van ons wel heel snel de weg te vinden naar de frigo alwaar de lekkere, frisse pinten ons stonden op te wachten. Hydrateren was de boodschap en daar hielden we ons rigoureus aan. Later op de avond, wanneer we ons viergangen avondmaal aan het nuttigen waren, werd de wijn aangevoerd. We moesten allicht indruk gemaakt hebben op Lorenzo daar hij –speciaal voor ons- zijn beste flessen wijn liet aanrukken. Gezien zijn vader wijnboer is in Italië, wist hij er wel ’t één en ’t ander van af en inderdaad, zijn Egyptische Cabernet Sauvignon, gebotteld onder het waakzaam oog van één of ander groot Frans wijnhuis, viel bij ons best in de smaak. Gezien de prijs van 13 Euro per fles waren we eerder spaarzaam met het schenken van wijn, althans bij de aanvang van de reis. Er moest ècht al een goede reden zijn om een flesje te kraken. Dit kon bijvoorbeeld het vieren zijn van de 400 ste duik van één of ander medereiziger. Naar het einde van de reis toe was het vieren van de 127 ste duik ook al wel een heel goede reden.
Zij die besloten om op het dek te slapen konden, als het zandmannetje natuurlijk niet tè snel toesloeg, hopen om nog een aantal Leoniden mee te pikken. Dit zijn vallende sterren die te zien zijn in de maand November en gekenmerkt worden door hun "trage" valsnelheid, waardoor ze zeer goed te zien zijn. Ze zijn oranje-geel van kleur en laten achter hen een tintelend lichtspoor na. Soms spatten ze zelfs uiteen op het einde van hun koers. Ik liet me vertellen dat men ze Leoniden noemt omdat ze meestal te zien zijn in de nabijheid van het sterrebeeld van ‘de leeuw’.
De volgende ochtend was de wind gaan liggen en vertrokken we met twee uur vertraging -omwille van een kortsluiting ter hoogte van de aansluiting van de startkabels aan de batterij- dan toch naar het Zuiden. Een vier uur varen waren nodig om ter hoogte van Sha’Ab Jibna te kunnen duiken. Dit rif is vrij gelijkaardig aan Qita el Banna. Alhoewel de zichtbaarheid niet optimaal was hadden we toch het geluk om een vijftal witpuntrifhaaitjes te zien evenals een grijze rifhaai en een voshaai. Er zwommen ook heel wat fuseliersvissen die belaagd werden door een horde jagende blauwvin- en
grootoogmakrelen. Heel wat grotjes lieten ook toe dat afrikaanse diklipvissen, zwarte snappers, grootoogbaarzen, soldaatvissen, eekhoornvissen, en reusachtige tandbaarzen zich hierin schuil hielden. Ook deze duik werd weer eens gerangschikt onder de noemer ‘topduik’.Van Sha’Ab Jibna ging het nog wat zuidelijker naar Sha’Ab Anbar. Onderweg zagen we voor de zoveelste keer een groepje dolfijnen voor de boeg zwemmen. Zowel de gewone dolfijn (Delphinus delphis) als de gevlekte dolfijn (Stenella frontalis) werden gezien. De snelheden die deze dolfijnen halen en de wendbaarheid waarmee ze zich in het water voortbewegen zijn ècht opmerkelijk.
Tijdens onze namiddagduik hoorden we de hoge geluiden voortgebracht door de sonar van dichtbij zwemmende dolfijnen, maar we kregen ze helaas niet te zien. Echter wel een rustende echte karetschildpad onder een grote tafelkoraal.
De nachtduik was spijtig genoeg niet goed. Een soort wier of alg –ik zal het eens aan Heroen moeten vragen- is op het noordelijk deel van Sha’Ab Anbar lelijk huis aan het houden. Het overwoekert alle koralen vanaf een diepte van –15 m tot net onder het wateroppervlak. Gelukkig kreeg ik enkele vierstreep naaktslakjes in het vizier en kon ik daardoor toch nog wat moois filmen.
De volgende ochtend waren we er al weer vroeg bij om naar de zuidkant van Sha’Ab Anbar te varen. De condities waren redelijk goed maar ook weer hier was de zichtbaarheid beperkt. Er hingen heel wat partikels in suspensie. Waarschijnlijk waren dit eitjes en larven afkomstig van bloeiende koralen. De duik op zich was niet uitzonderlijk, ware het niet dat we ook weer hier, net zoals op Sha’Ab Rumi, een grote school bultkoppapegaaivissen tegenkwamen. Zeker een 40-tal exemplaren van deze ‘waterbizons’ graasde bovenop het rif. Het was indrukwekkend. Als je weet hoe een trekkersvis tekeer kan gaan wanneer je zijn territorium betreedt, en je weet welke tanden hij ‘slechts’ heeft, dan mag je er niet aan denken wat het zou geven als deze bultkoppapegaaivissen een even territoriaal gedrag aan de dag zouden leggen. Gelukkig zijn het lieve, zelfs iets of wat schuwe beestjes en trokken ze zich van ons niet teveel van aan. Het viel me wel op dat het koraal bovenop het rif niet veel kans maakte om groot te worden, het zag er nogal kaal uit.
Bovenop het rif maakten we ook kennis met de staartvlek- en de zebra pijlvis die broederlijk hetzelfde hol deelden. Ze herinnerden me aan de symbiosegrondels die hun hol of kuiltje in het zand delen met een blind pistoolgarnaaltje die het hol onderhoudt terwijl de grondel op de uitkijk staat. Zowel de pijlvissen als de grondels bezitten de gave om bliksemsnel hun hol in te vluchten bij nakend gevaar. Beide vissoorten zijn vrij algemeen in de Rode Zee, maar je moet wel heel goed kijken. Ook de luipaard-, de mimicry- en de zwarte kamtandslijmvis zijn van die boeiende wezentjes die je pas gaat ontdekken wanneer je je gezichtsveld gaat beperken tot minder dan 1 m². Ze zitten graag op koraaltakken net zoals de slanke koraalklimmer.
Bij het terugvaren met de zodiacs naar de Don Questo zagen we dat een visarend zich meester gemaakt had van onze mast en dat hij dit als prima uitkijktoren gebruikte voor
het opsporen van zijn prooi. Onze namiddagduik vond plaats op de ‘pinnacle’ van Quseir oftewel een ‘sec’ op 6 m diepte welke in ideale omstandigheden een fantastische plaats is om al het groot wild van de Rode Zee te aanschouwen. We zagen inderdaad wel een paartje éénkleur tonijnen van een goede 1,5 m à 2 m lengte, een grote groep grootoog makrelen,… maar de zichtbaarheid was niet bijster schitterend en dus moesten we helaas onze hoge verwachtingen opbergen. ’t Zal voor volgende keer zijn!
Onderweg moesten we ook nog een kleine chirurgische ingreep plegen op onze boot daar een touw verstrikt geraakt was in de schroef. Geen sinecure om dit in volle zee te moeten doen met een op en neergaande boot, maar gelukkig kon ik beroep doen op de deskundigheid van onze chirurg aan boord.
’s Avonds waren we alweer gaan postvatten op het noordelijk deel van Sha’Ab Anbar. De nachtduik, welke we nu wat verder van de boot lieten doorgaan, was beter dan die van de voorbije nacht. Ik kon er zelfs een mooie spinkrab filmen stappend tussen zachte koralen evenals een kleine sepia die wanhopig poogde te schuilen achter een zeeëgel.
Met pijn in het hart keerden we terug naar de Don Questo, wetende dat dit onze laatste nachtduik was van deze reis. Echter, een goeie pint en we waren er weer bovenop…
Onze laatste dag op zee leidde ons vooreerst naar Sha’Ab Jibna. We hadden er al gedoken en maakten ook hier weer een driftduik. De haaien waren niet thuis, op één witpunt rifhaaitje na. De zon was helaas ook achter de wolken verdwenen wat met zich meebracht dat de koralen minder intens kleurden. De zee was tevens vrij ruw en dus verkoos Lorenzo om na de duik verder door te varen naar Sanganeb. Op dit rif staat een 50 m hoge vuurtoren welke bij helder weer op meer dan 15 km afstand kan gezien worden (voor de exacte afstand gelieve u te wenden tot Bert Agoras, de broer van Piet). De duik op het zuidplateau van Sanganeb kan bijwijlen ook een topduik zijn, maar de warme oppervlaktewaters evenals een op sommige plaatsen barslecht zicht zorgden ervoor dat we "moe maar voldaan" afscheid namen van deze prachtige duikgronden.
De Don Questo rook al zijn stalletje en enkele uren later ankerden we alweer aan in de haven van Port Soudan.
De volgende ochtend zetten we voet aan wal en konden we nog even tot rust komen in de Hilton van Port Soudan. De inkomhal laat het zonlicht door via een grote glazen koepel welke versierd is met talloze taferelen van de Rode Zee. De air conditioning was meer dan welkom en een verzorgde maaltijd werd ons nog aangeboden vooraleer enkele uren later naar de luchthaven af te reizen. De weg van het hotel naar de luchthaven laat een zeer summier beeld zien van het èchte noorden van Soedan. Dorre landschappen, dolende dromedarissen en geiten, lemen hutjes, magere mensen,… ja, niet iedereen heeft het hier gemakkelijk. Laten we hopen dat Soedan wat stabiliteit gegund is in de komende jaren nu de eerste akkoorden tussen de vechtende facties lijken tot stand te komen.
Over de organisatie op de luchthaven kunnen we kort zijn. De meest volledige omschrijving ligt vervat in de woorden moedwillige onbekwaamheid. Schrijnende situaties die, als ze zouden verfilmd worden, van deze film direct een kaskraker zouden maken Een grote portie relativerings- en incasseringsvermogen en stalen zenuwen zijn alvast een onmisbare deugd in zulke omstandigheden.
De terugvlucht naar Caïro geschiedde in een Boeing 757, een modern toestel gecharterd door Sudan Airways bij een Turkse maatschappij. Hier geen problemen meer met veiligheidsgordels of zuurstofmaskers. Zelfs een sympathieke Soedanese airhostess die haar beste Engels bovenhaalde om het ons naar onze zin te maken. Al bij al viel het dus nog wel best mee.
In Cairo hadden we nog een overnachting geboekt omdat onze terugvlucht pas de dag erop in de namiddag plaatsvond. Dit gaf ons ook nog de gelegenheid om de piramides en de sfinx of het Museum voor Egyptologie op een drafje te gaan bezoeken.
De rodeo met de bus naar de luchthaven bespaar ik u graag maar feit is wel dat we op tijd met al onze bagage en in de juiste luchthaven toekwamen. Het inchecken was vergeleken met Port Soudan ‘a piece of cake’ en we vonden zelfs nog wat tijd om met onze laatste klutters –lees Egyptische ponden- een welverdiend niet-alcoholisch pintje soldaat te maken. Ook onze terugvlucht over Zürich naar Brussel verliep feilloos en perfect op tijd landden we op zondagavond in Zaventem omstreeks 22 u, klaar om de ochtend erop de strijdbijl op het werk weer op te graven.
Wat een rijkdom aan nieuwe ervaringen, wat een weelde aan mooie dingen, wat een gelukzakken zijn we toch weer geweest! Je wordt pas ten volle gewaar welke mooie momenten je weer beleefd hebt wanneer je de foto’s, de videobeelden, de zware verhalen rond pot en pint weer laat defileren.
Ik kan de twijfelaars onder jullie alvast geruststellen, twee weken op dezelfde boot, met dezelfde mensen valt best mee. In de groep viel nooit een kwaad woord. De boot, de bemanning, het eten, de kapitein, de riffen, de vissen, de wijn, het vlotte verloop van de reis,… zullen er allemaal wel voor iets tussen zitten, maar misschien ook kunnen we stellen dat, na acht edities, de deelnemers stilletjesaan wel het reilen en zeilen aan boord beginnen te kennen en dat er sprake kan zijn van ‘a relaxed way of behaving’.
Dat deze traditie nog een lang leven beschoren mag zijn en, zoals steeds, de afwezigen hadden weer eens ongelijk.

Aanbevolen lectuur:
