
Argentina, el pais de las nubes…
Argentina, el mundo en un pais…
En ja, ook deze reis was weer een èchte voltreffer. Dit keer ging het voor een maandje naar Argentinië. Argentinië voldoet immers perfect aan de definitie van een voor ons prioritair te bezoeken land. Het ligt in het zuidelijk halfrond, dus perfect in onze wintermaanden te bezoeken (veel zon, lange dagen, mooi weer), het bezit een prachtige en veelzijdige natuur, er is ook een minimum aan cultuur, het is er (relatief) veilig, het politieke klimaat is voldoende stabiel en je hoeft er niet teveel inentingen of medicatie voor te nemen. Bovendien staat de munt op een historisch dieptepunt en de Euro op een historisch hoogtepunt. Da’s pas boffen.
Op 27 December namen we het vliegtuig in Brussel en na een korte tussenlanding in Madrid stegen we weer op om 13 uur later, de 28 ste ’s ochtends, toe te komen in de internationale luchthaven van Buenos Aires "Ezeiza".
Daar wachtte ons AVIS autootje ons op, een knalrode Opel (Chevrolet) Corsa 1600cc. Na de nodige formaliteiten te hebben verricht en te hebben gelezen en (erger nog) te hebben ondertekend dat de huurder verantwoordelijk is voor alle schade aan de wagen opgelopen tijdens het rijden op niet geasfalteerde wegen, kregen we het kleine ‘bolletje’ overhandigd. Een deel van de bagage vloog in de koffer, de rest op de achterbank, even de zetel maximaal naar achteren schuiven en weg waren we voor het grote avontuur.
Krista en ik waren overeengekomen om de eerste dagen goed door te rijden in zuidelijke richting zodoende dat we vrij spoedig het uiterste zuiden van ons itinerarium zouden bereiken. De weg langs de Atlantische Oceaan, de Ruta Nacional 3 is immers volledig geasfalteerd. Stel je nu ook weer niet teveel voor van deze weg, het is een gewone tweevaksbaan, één baanvak voor naar ’t zuiden te rijden en ééntje voor naar ’t noorden. Dit zou ons in staat stellen om wat meer tijd te kunnen spenderen aan de ‘klim’ naar het uiterste noorden van Argentinië, aan de grens met Bolivië en Chili, en indien mogelijk zelfs misschien nog door te stoten naar de watervallen van Iguazu aan de Paraguayaans/Brazilaanse grens. De Ruta Provincial 40, welke aan de oostkant van de Cordillera de los Andes loopt, op Argentijns grondgebied (langs de grens met Chili), is voornamelijk niet geasfalteerd en verkeert veelal in (zeer) slechte staat.
Pistes/grindwegen (ruta de ripio in tegenstelling tot ruta asfaltada) zijn me helemaal niet vreemd, ik heb er meer dan genoeg bereden in Afrika, Australië of zelfs Zuid-Amerika, maar deze van Argentinië spannen toch wel de kroon.
Alhoewel we snel zuidwaarts vorderden lieten we de bezienswaardigheden onderweg zeker niet links liggen. Onze eerste echte tussenstop was de Peninsula Valdes, een schiereiland gelegen aan de noordoostkant van Patagonië, welke bekend staat voor zijn rijke mariene fauna. Zeeolifanten, zeeleeuwen en pelsrobben maar ook tal van walvisachtigen zoals de zuidkapers, de orka’s, de Commerson’s dolfijntjes,… komen daar, afhankelijk van het seizoen, in grote getale voor. Op het platteland vind je de guanaco’s (kleine kameelachtigen verwant aan de lama), de nandoes (kleine struisvogelachtigen), de mara’s (de patagonische haas), de armadillo’s of gordeldieren (kruising tussen een egel, een schilpad en een mol maar absoluut geen van alle drie) en natuurlijk de voor Patagonië onafscheidelijke schapen die er helaas voor gezorgd hebben dat heel wat graslanden er steppeachtig, kaalgevreten en aan erosie blootgesteld bijliggen.
De dag erop passeerden we de steden van Puerto Madryn en Trelew, voormalige nederzettingen gesticht door rasechte Welshmen die hun land ontvluchtten ten tijde van de repressie door de Engelsen en de economische crisis van het begin van de 20e eeuw. Ook Nederlanders en Zuidafrikanen (boers welke gingen lopen voor (alweer) de repressie van de Engelsen) hebben er kolonies/dorpjes gesticht (vb. Kaap Visser), evenals Belgen (Ostende niet ver van Mar del Plata), Zwitsers en Duitsers (omgeving van Esquel/Bariloche), om dan nog niet te spreken van de Spanjaarden en Fransen (vooral Basken) en Italianen die in grote getale naar Buenos Aires trokken.
Puerto Madryn is vooral bekend voor zijn aluminiumindustrie en grote zeehaven. Verder zuidelijk belandden we zo stilletjesaan in het gebied van het zwarte goud, de olie. Argentinië is zelfbedruipend wat olie- en gasproductie betreft.
De streek rond Comodoro Rivadavia in centraal Patagonië puilt uit van de ‘ja-knikkers’, de grote hefboom-pompen die het zwarte goud uit de bodem onttrekken. Niet zo ver van hier, nabij Sarmiento, heb je een interessant regionaal park waar 150 miljoen jaar oude araucariabomen het landschap sieren. Van organische materie zijn ze geëvolueerd naar minerale materie en zijn ze onder vorm van stenen als dusdanig aan te treffen : de zogenaamde ‘bosques petrificados’. Meer dan de moeite waard om een ommetje te maken van … zo’n 350 km.
Tegen valavond kwamen we toe in Puerto Deseado, een stadje aan de monding van de Rio Deseada gelegen, voorzien van een grote vissershaven. De Argentijnse maar ook Japanse en Chinese visserboten verdringen er elkaar in afwachting dat het visseizoen opnieuw van start kan gaan. De waters van de zuidelijke Atlantische Oceaan zijn namelijk gekend voor hun grote visbestanden en dat weten onze aziatische vrienden maar al te goed. Hopelijk hebben ze ondertussen ook al gehoord van ecologische (on)evenwichten en overbevissing…
Puerto Deseado is de plaats waar je èchte zeevogels zoals de aalscholvers (5 verschillende soorten), de Magelaan pinguïn, reuzenstormvogels, zuidpoolkippen, zwarthals- en coscorobazwanen, sternen, meeuwen, tal van eendensoorten,… van dichtbij kunt gadeslaan, maar ook de Commerson’s dolfijnen en de pelsrobben. Voor natuurliefhebbers zeker een bezoekje waard. Een mooi moment overgoten met een typisch Argentijns sausje was wanneer we op het strand van een eilandje in de Rio Deseada gelegen, gezeten tussen enkele duizenden Magelan pinguïns, yerba mate dronken uit een èchte callebas slurpend aan een onvervalste bombilla. In Argentinië, Paraguay en Uruguay is het drinken van yerba mate een ‘nationale aangelegenheid’. Je ziet er mensen op straat met een warmwaterthermos onder de arm en een zakje gemalen yerba mate bladeren. Deze worden in een bekertje gebracht en nadien wordt er warm water over gegoten. Je krijgt zo een soort kruidenthee welke dan wordt uitgedronken door aan de bombilla te zuigen. Dit is een soort stro welke uit zilver of een ander metaal vervaardigd is en waar aan het uiteinde zich een filter bevindt. Deze filter verhindert dat je yerba mate bladeren zou opdrinken. De smaak van deze kruidenthee is niets biezonders (het zou rustgevend werken) maar het gaat hem vooral om het sociale gebeuren. Mensen zitten samen, nemen wat tijd voor elkaar, vertellen verhalen, komen tot rust. De yerba mate is in zekere zin te vergelijken met de mate de coca welke in de Andijnse hoogvlaktes geserveerd wordt om soroche of apunamiento (hoogteziekte) te voorkomen of te verhelpen. Hier gaat het dan natuurlijk niet meer om yerba mate maar wel om coca bladeren.
Vanuit Puerto Deseado vertrokken we op 31 December richting El Calafate. Het grootste deel van de weg verliep over grind- en aardewegen en telkens hoop je weer gespaard te blijven van motorpech gezien het beperkt aantal auto’s die hier dagelijks passeren. Anderzijds krijg je hier wel een mooi beeld van de uitgestrektheid en desolaatheid van het zuiden van Patagonië. Je komt er regelmatig guanaco’s en nandoes tegen, maar ook mara’s, armadillo’s, skunks (stinkdieren) en vossen (zowel de rode als de grijze). De zangvogels zijn hier helemaal niet dik gezaaid evenmin als de bomen.
Bomen groeien er immers horizontaal en vogels vliegen er achteruit. Je hebt het al geraden. De wind is er zo nadrukkelijk aanwezig dat je niet anders kunt dan hem proberen de vriend te blijven (http://magma.nationalgeographic.com/ngm/0401/feature3/index.html; januari 2004; National Geographic Magazine; Land of the living wind; Simon Worrall).
Het kruisen van een grote vrachtwagen op de weg is niet zonder gevaar en het openen van de deur van de wagen kan een hachelijke onderneming zijn.
Bij het naderen van El Calafate, na meermaals indrukwekkende zichten te hebben gehad over de vallei van de Rio Santa Cruz, krijgen we de besneeuwde toppen van de bergen binnen het ‘Parque Nacional Los Glaciares’ in het vizier. Tegen 22 h, het is dan nog steeds niet donker, komen we uiteindelijk toe in het dorpje dat de vertrekplaats is voor menige uitstap naar de meren, gletsjers, ijsvelden aldaar in de omgeving. Het is er nogal toeristisch en dat merken we ook aan de prijzen. We zijn moetjes na zo’n intense rit en verkiezen om het nieuwe jaar al slapende in te zetten. De ochtend die volgt willen we er namelijk vroeg bij zijn om de Perito Moreno gletsjer te gaan bewonderen.
Op zo’n kleine 100 km van El Calafate ligt één van de mooiste en vooral meest toegankelijke gletsjers op aarde. Een drie kilometer brede en 80 m hoge muur staat pal voor je en met de regelmaat van de klok donderen grote ijsmassa’s in één van de twee meren die het verlengde van de gletsjer uitmaken. Aangezien het 1 januari ’s morgens was hadden we dit wonderlijke natuurspektakel voor ons alleen. De stilte, af en toe onderbroken door een luid gekraak van de immer in beweging zijnde gletsjer, de afwisseling van fijne regendruppeltjes met een mooie regenboog en een schuchtere zonnestraal maakten van dit natuurtafereel een prachtig schouwspel. We hadden moeite om er te vertrekken en beslisten dit pas te doen wanneer de eerste busladingen toeristen kwamen aangestormd.
We vervolgden onze weg noordwaarts, via de Ruta Provincial 40, naar het dorpje El Chalten. We reden langs twee prachtige meren : Lago Argentino en Lago Viedma. Geen ziel te bespeuren op deze meren. Onvoorstelbaar, met zo’n wind en zo’n oppervlakte zou je hier perfect zeil-, kitesurf- of windsurfregattes kunnen houden van wereldniveau, maar neen, eenzaamheid en desolaatheid zwaaien hier de plak.
Reeds van heel ver (bij helder weer althans) kunnen we de granieten torens van de Cerro Torre en de Monte Fitzroy (3375 m) zien opduiken. Voor klimmers staan deze bergen synoniem voor ‘excessivement difficile’. Slechts 60 dagen per jaar zijn ze zichtbaar vanuit de vallei en de moordende wind maakt elke poging om de top te halen een ware hel. Geduld is een mooie deugd als je van plan bent om ze te beklimmen.
We beslisten om er ons tentje in één van de twee campings op te trekken. Het weer viel best mee, de wind was wat gaan luwen en het groene gras bezaaid met kleurrijke bloemetjes maakten het een best aantrekkelijke plaats. Om niet teveel gewicht te moeten meesleuren had ik beslist om geen tentpiketten op reis mee te nemen. Onze reiszakken, slaapzak en matjes zouden de tent wel aan de grond genageld houden. Niets was minder waar. De volgende avond, wanneer we van onze trektocht terugkwamen, hadden vriendelijke kampeerders ervoor gezorgd dat ons tentje mooi aan de grond verankerd was met piketten. De wind was immers overdag weer opgekomen en had het niet zo nauw genomen met ons hebben en houden. "Gepakt en gezakt" was ze, blijkbaar, onder invloed van de wind, aan het rollen gegaan. Gelukkig was er geen schade te bespeuren, maar uit erkentelijkheid brachten we onze ‘redders in nood’ toch maar een lekker flesje Argentijnse rode wijn. Weer eens een goede les voor ons, naïeve belgjes.
Onze trektocht was er eentje om van te snoepen. Het bracht ons langsheen beukebossen en kabbelende beekjes tot aan een gletsjermeer aan de voet van de Monte Fitzroy, Cerro Poincenot, Cerro Saint Exupéry, Cerro Guillaumet,… Wat een pracht van een plaats! Geschiedenis werd hier geschreven in de jaren 50, 60 en 70 wanneer deze toppen uiterst moeizaam en ten koste van vele mensenlevens door voornamelijk Franse en Italiaanse klimmers werden beklommen. Vanaf de ‘Laguna de los Tres’ heb je een mooie reflectie van deze pieken in het meertje aan de voet van deze granieten pyramides. Onze camera’s werden hier duchtig op de proef gesteld. Op de terugweg zagen we een acrobatisch ballet van twee slechtvalken die zich ongedwongen en vol levenslust aan de kunst van het vliegen overgaven.
De dag erop ging (bleek achteraf) een sleutelmoment worden in onze reis. Gezwind stapten we ’s morgens in ons autootje met de bedoeling de Ruta Provincial 40 verder noordwaarts te verkennen en zodoende tegen de avond de grotten ‘Cueva de las Manos" te bereiken. Hier kan je meer dan 3000 jaar oude muurtekeningen gaan bewonderen aangebracht door de oorspronkelijke bewoners van Patagonië, ondermeer de Tehuelche en Mapuche indianen. Echter, we waren goed 30 km vertrokken uit El Chalten dat ons autootje het plots nodig achtte om elke dienst te weigeren. Op een godverlaten weg, zo’n 3000 km verwijderd van ons vertrekpunt Buenos Aires, zonder ook maar enige mogelijkheid om te bellen en natuurlijk voor de verandering geteisterd door de onafscheidelijke Patagonische wind, stelde zich de wel zeer pertinente vraag : en wat nu? Een tiental minuten zoeken onder de motorkap leerde mij niet veel bij. Ingenieur de Bruijckere –alias Krista- overzag mijn daden vanuit de comfortabele lokatie welke haar zitje was binnenin de wagen. De starter deed het, de batterij ook, maar de motor sloeg niet aan. Een prangende benzinegeur mengde zich tevens, bij elke startpoging, in de debatten.
Na een half uurtje strategiëen uitdokteren zagen we in de verte een kamion naderen. Aha, misschien zou deze persoon ons wel verder kunnen helpen. Hector was de chauffeur van de YPF-tankwagen. In een mum van tijd lag hij naast, op onder en in onze wagen op zoek naar het euvel. Wat hem vooral opviel was de zwoele benzinegeur welke aanwezig was na elke startpoging, maar onder de motorkap viel geen benzinelek te bespeuren. Het idee kwam in hem op om de auto enkele meters verder te duwen en, inderdaad, pas dan zagen we dat er onder de benzinetank, ter hoogte van de benzinefilter, een lek geslagen was. Een opspringende steen had de benzinefilter geraakt en aangezien dit een plastieken element betrof was deze gewoonweg gebarsten. Bij het starten vloeide dus telkens benzine onder hoge druk weg vanuit de gebarsten benzinefilter. Het aanzuigen van lucht maakte het bovendien onmogelijk voor de motor om te kunnen starten.
Ja, dat was dan pech natuurlijk. Maar wat wil je, wie naar Argentinië gaat en het aandurft om het desolate Patagonië te gaan opzoeken, moet maar beter met zo’n situaties kunnen leven. En dat deden we dan ook maar!
Van AVIS hadden we, zo ver weg van de ‘beschaafde’ wereld, niet veel heil te verwachten. Wij beschikten niet over een sleeptouw (hoe dom van ons!!!) en Hector evenmin. Dus waren we aangewezen op de improvisatiekunst van Hector die ons overtuigde om de benzinefilter ervantussenuit te halen en de twee hoge druk darmen te overbruggen met een andere plastieken darm. Na wat getwijfel beslisten we om dit dan maar ten uitvoer te brengen. Hector had zich ondertussen al meer dan een uur over ons ontfermd niettegenstaande hij die dag met zijn tankwagen nog een grote afstand moest afleggen. Wat een voorbeeld van vriendelijkheid en behulpzaamheid… Bij wie zou het in België opkomen om zoiets voor een ander te doen ? Veel heeft natuurlijk te maken met de geografische ligging evenals met de manier waarop mensen ginds opgroeien. Zonder elkaars steun en hulp is het in het uiterste zuiden van Patagonië niet mogelijk om te overleven. Elkaar helpen is niet meer dan normaal. Het begrip "tijd" heeft in het rurale Argentinië een totaal andere betekenis dan bij ons. Dit zouden we later tijdens onze reis nog vaak ervaren.
De "zeer voorlopige ingreep" volstond om stapvoets terug te keren naar El Chalten en hier werd deze vervangen door een "voorlopige ingreep". De enige taller mécanico van het dorpje wist ons van een iets sterkere darm en tevens van dichtingsringen te voorzien en dit zou, achteraf beschouwd, sterk genoeg blijken om er de rest van de reis mee uit te rijden. We konden het niet nalaten om Hector een centje te geven om hem voor de moeite te bedanken en beloofden hem op ons plechtig communicantenzieltje om vanaf nu alleen nog maar bij YPF in Argentinië te gaan tanken.
Plichtsbewust informeerden we AVIS ook van onze perikelen, maar na twee uren bellen met het hoofkantoor in Buenos Aires waren we nog steeds geen stap verder gekomen in het zoeken naar een aanvaardbare oplossing. Het enige voorstel waar ze mee voor de dag kwamen was om een auto te sturen naar El Chalten (vanuit Buenos Aires), maar dat zou wel best eens een aantal dagen kunnen duren. Wij bedachten alvast een nieuwe spreuk voor AVIS : ‘We hardly try’…in plaats van ‘We try harder’.
Met de daver op het lijf vertrokken we in de loop van de namiddag dan maar opnieuw, echter deze keer niet meer noordwaarts langs de R.P. 40, maar wel zuidwaarts naar Rio Gallegos, om zodoende de iets veiligere geasfalteerde R.N. 3 te gaan opzoeken. Rond 21.30 u kwamen we uiteindelijk aan in Rio Gallegos, meteen het zuidelijkste punt van onze reis. Het autootje had het perfect uitgehouden en we haalden opgelucht adem.
Rio Gallegos is de zuidelijkste stad van Patagonië en ligt ter hoogte van de Islas Malvinas (Falklands). Ga je verder zuidelijk dan kom je in Tierra del Fuego (vuurland).
Rio Gallegos bezit een aantal militaire bases (landmacht, luchtmacht, zeemacht) en speelde een belangrijke rol als crisiscentrum tijdens de Falkland oorlog (1982-1983).
De dag erop was er eentje van alleen maar autorijden. De bedoeling was om de tijd die we verloren met onze autopanne weer wat goed te maken. Aangezien de R.P. 40 op sommige plaatsen in een dusdanig erbarmelijke staat verkeert, besloten we om de ‘Cueva de las Manos’ te laten voor wat ze was en direct hogerop aan te sluiten met de bergen en meren rond Esquel en Bariloche. Tegen valavond waren we zo’n 1200 km opgeschoten en gezwind zochten we ons een hotelletje in Esquel.
Esquel is in de winter vooral gekend als ski-oord. In de zomer trekken de bezoekers veelal naar het ‘Parque Nacional Los Alerces’, een natuurpark aan de voet van de Andes met mooie zichten op gletsjers, bergen, meren (zoals Lago Menendez en Lago Futalaufquen), getemperde regenwouden rijkelijk voorzien van inheemse houtsoorten zoals de coihue (een soort beuk), de arrayan (een boomsoort voorzien van een rode schors), de colihue bamboo, de alerces (een lork vergelijkbaar met de sequoia in Noord-Amerika) en leuke vogels zoals de Huet-huet en de Chucao tapaculo.
Esquel staat ook bekend voor zijn stoomtreintje, de Trochita, welke tot 1993 werd ingezet voor commerciële doeleinden (vee- en woltransport) en waarmee heden ten dage nog korte toeristische uitstappen kunnen worden ondernomen. Terloops kan er ook bij vermeld worden dat de wagons van Belgische makelij zijn.
Tenslotte moet je ook in Esquel zijn voor chocolade. Deze is -het nodige Belgische chauvinisme indachtig- natuurlijk niet te vergelijken met onze eigenste Belgische chocolade, maar desalniettemin toch ook wel best lekker (kan ook moeilijk anders gezien de grote groep Zwitserse immigranten in deze streek van Argentinië). We lieten ons daar dan ook verleiden tot het bestellen van een dame blanche. Niet dat ze wisten wat dit was maar met de nodige uitleg kwamen ze even later toch af met iets dat er wel zeer goed op geleek.
Na Esquel ging het richting Bariloche en de ‘ruta de los siete lagos’. Dit is een kronkelende weg doorheen het nationaal park ‘Nahuel Huapi’ welke loopt langs een aantal mooie bergmeren. De landschappen zijn bezaaid met prachtige lupinevelden en gele bremstruiken. Aan de noordrand van het park kom je de sympathieke steden San Martin de los Andes en Junin de los Andes tegen. Dit is de streek van de forel- en de zalmvissers. Boven dit alles preikt de perfect conische silhouet van volcan Lanin (3777 m) waarlangs condors moeiteloos cirkelen op zoek naar voedsel. Voor de moedigen onder jullie, de beklimming van deze gedoofde vulkaan neemt zo’n twee tot drie dagen in beslag en verloopt op sneeuw en ijs. Van Junin reden we verder noordwaarts langsheen de dorre landschappen gelegen tussen Neuquen en Mendoza.
Ah, Mendoza, de stad alwaar ik vier jaar eerder reeds op bezoek was. De stad van de overheerlijke Argentijnse wijnen, de stad van waaruit de expedities naar de Cerro Aconcagua (6962 m), de hoogste berg van Zuid-Amerika, vertrekken. Het toeval wou dat ik dag op dag 4 jaar na het bereiken van de top (8 januari 2000, 12.54 u) weer in Mendoza was.
Krista en ik verkozen dan ook om gezellig te gaan eten in het restaurant ‘Caro Pepe’, een tenedor libre (restaurant met tal van self serve buffetten), waar ik vier jaar eerder ook was gaan eten na het halen van de top. Het was voor mij een ontroerend moment…
Een lekkere rode Borgona, een nog nooit geziene steak (smaakvol en heerlijk mals) en een leuke babbel met de ober die zich de namen van Scifo, Ceulemans en de memorabele winst van de Belgen tegen de Russen op de wereldbeker voetbal in Mexico (1986) nog wist te herrineren (weliswaar gevolgd door een verlies tegen het Argentinië van Maradonna), fleurden de avond verder op.
Na Mendoza waren de natuurparken van Ischigualasto (valle de la luna) en Talampaya aan de beurt. Beide parken werden recentelijk door de UNESCO uitgeroepen tot ‘patrimonio mundial de la humanidad’. In valle de la luna waan je je bijwijlen in een maanlandschap volledig omgeven door grillige rotsformaties. In deze uiterst droge omgeving vind je zelden meer dan een eenzame mara, guanaco of nandoe. Maar het was er ooit anders. Enkele miljoenen jaren geleden was het een groen en vruchtbaar landschap en tierden de dinosauriërs er welig. Het is trouwens ook hier dat heel wat fossiele resten van dinosauriërs gevonden werden. Eentje bleek er zelfs de mogelijke ‘missing link’ te zijn tussen de reptielen en de vogels. Men wist me zelfs te vertellen dat dit zou te maken hebben met het roteren van de bovenste halswervel.
Talampaya is meer een canyongebied waar tevens mooie petroglyfen (rotstekeningen) kunnen bewonderd worden
Van Talampaya ging het nog maar eens noordwaarts richting Salta. Krista en ik opteerden om de Andes over te steken langsheen steile bergpassen in plaats van te kiezen voor de veilige maar minder pittoreske geasfalteerde valleiwegen. Een keuze die we ons niet gauw zullen beklagen. Het vergt weliswaar heel wat stuurmanskunst en de ‘fainthearted’ onder jullie doen er dan ook best aan om de gordel in de wagen goed aan te spannen, maar wie zich tot hier waagt wordt er uiteindelijk ook ruimschoots voor beloond. De dominante boomsoort is hier de ‘cardon’, een 5 à 6 m grote cactus die met zijn ‘takken’ als dikke vingers naar de hemel wijst. De meeste cactussen stonden in bloei waardoor witte, rode en gele bloemetjes elkaar met de regelmaat van de klok afwisselden. Dit specifieke biotoop (ook puna genaamd) met zijn relatief zuurstoftekort en extreme weersomstandigheden zorgt ook voor een eigen fauna waarvan de kleurrijke vinkachtigen (siskins, warbling-, brush- en sierra finches) misschien wel de meest opvallende zijn.
Diezelfde dag slaagden we er nog in om de Andes een tweede maal over te steken om, tot onze grote verbazing, toe te komen in een subtropische groene oase welke eigen blijkt te zijn aan de oostkant van deze bergketen. Ongelooflijk om te zien hoe snel je van het ene biotoop in het andere komt. Zeker de dag nadien konden we onze ogen maar amper geloven. We vertrokken uit Concepcion, een stadje gelegen tussen Tucuman en Catamarca, worstelden ons weer eens naar boven, de Andes in, doorheen een tropisch en bosrijk gebied langsheen idyllische meertjes en riviertjes, kwamen even later in een soort van Zwitserse alpenweiden (eigenlijk andesweiden) terecht nabij het dorpje Tafi del Valle, ontweken koeien, schapen en geiten om tenslotte bovenaan de bergpas, een lamaboerderij binnen te rijden. Aan de andere kant van de bergkam veranderde het landschap volledig en werd het een dorre, met prachtige cactussen begroeide bergflank. Beneden in de vallei gekomen veranderde alles dan weer in een vrij groene, met wijngaarden begroeide omgeving, en reed je nog wat verder dan kwam je terecht in het Spaans ogende dorpje Cafayate, welke vooral van zijn uitstekende witte wijnen gekend is. Waag je het om voorbij Cafayate de Valle de Calchaquies binnen te rijden richting Molinos en Cachi, dan kom je terecht in de ‘far west’ van Argentinië. De rotsformaties komen hier, naarmate de dag vordert, waarachtig tot leven. Alle kleuren van wit over geel en rood tot zwart krijg je hier te zien. De weg slingert zich zo goed en zo kwaad als mogelijk doorheen al deze grillige formaties (Quebrada de las flechas) en haalt je weg uit de realiteit. Alhoewel mider gekend dan Bungle bungle in Australië of Bryce Canyon in de USA, moet het qua schoonheid geenszins hiervoor onderdoen. Je bent zo weg van al die schoonheid dat, voor je het goed en wel beseft, een zware onweerswolk de aarden weg in een gevaarlijke modderstroom heeft omgetoverd. Ja, we wisten wel dat het in het noorden van Argentinië nu regenseizoen was en ja, we hadden die wolk wel zien aankomen, maar we konden gewoon geen afscheid nemen van al dit moois. Het resultaat was dat we ons spoedig vastreden in een diepe modderplas, een kamion ons gelukkig wat later uit onze benarde positie is komen bevrijden, we verder in konvooi zijn blijven rijden, we nog eens 4 uren nodig hadden om de laatste 4 kilometer af te leggen gezien we elke plas op de weg moesten ‘draineren’ vooraleer het te wagen erdoor te rijden, we in de pikkedonker en onder tonnen slijk in Molinos zijn toegekomen en we dan maar ineens het beste hotel genomen hebben alwaar we met kleren en al onder de douche zijn gaan staan om van onze emoties te bekomen. Wat een dag!!!
Het hotel in Molinos was niet zomaar een mooi hotel, neen, het was tevens een historisch gebouw alwaar de laatste Spaanse regent van Salta, don Nicolás Sendero de Isasmendi y Echalar, gewoond heeft en ook gestorven is. Het werd gebouwd rond een mooie binnenplaats welke nu volledig overdekt is door een magnifieke oude boom. De kamers zijn eenvoudig doch smaakvol ingericht en werden versierd met tal van kunstwerken uit de streek welke het geheel alleen maar warmer maken. Ook het kerkje naast het hotel, daterend uit de 17 e eeuw, geeft een uitgesproken cachet aan de streek. Je waant je bijwijlen in Peru of Bolivië. Tja, in vogelvlucht ben je natuurlijk ook maar een goede 100 km van Chili en een goede 200 km van Bolivië verwijderd.
De dag erop ging het opnieuw over de Andes, doorheen het prachtige Parque Nacional Los Cardones, over de Cuesta del Obispo (3348 m), naar Salta. Salta is een vrij grote stad in het uiterste noordwesten van Argentinië gelegen. Het bezit een aantal imposante kerken, de één al wat kitscheriger dan de andere, en het doet zeker wat Spaans aan : mooie pleintjes, oudere huisjes in koloniale stijl gebouwd, gezellige cafeetjes met stoelen en tafels rijkelijk uitgesmeerd over de volledige breedte van het voetpad.
Onze grootste prioriteit echter was om zo snel mogelijk een carwash te vinden zodat we ons lief autootje weer wat konden vertroetelen. Ze zag er immers niet uit, onder de tonnen modder. De carwash was een spektakel op zich. Vijf stoere binken die de wagen met waterdamp, hoge drukreinigers en industriële stofzuigers te lijf gingen. Na een uurtje hard labeur en de onvermijdelijke finishing touch met stofborsteltjes en siliconedoekjes, kregen we een (bijna) nieuwe wagen afgeleverd. Alles, maar dan ook alles hadden ze aangepakt : chassis, motor, koetswerk, interieur,… Ik kon mijn ogen maar amper geloven. En dit alles voor een luttele 4 Euro.
Naar goede gewoonte bleven we na deze poetsbeurt niet bij de pakken zitten. Plannen om de dag erop verder noordwaarts te rijden werden gesmeed en ’s avonds gingen we nog eens goed uit eten : een lekkere parillada (vlees gegrild op een met houtskolen gevuld barbecuestelletje dat als dusdanig op tafel geplaatst wordt) vergezeld van een minstens even lekker rood wijntje.
De morgen erop regende het pijpestelen. ’t Ja, zoals jullie ondertussen al weten, januari zit middenin het regenseizoen, en bakken water vallen er dan met de regelmaat van de klok uit de lucht. Vermits wij de desolate en veel drogere hoogvlaktes (altiplano) van noordwest Argentinië gingen opzoeken, wisten we ook wel dat de regen allicht snel achter ons ging liggen. En zo geschiedde. Een uurtje later, ietsje ten noorden van Jujuy, lieten we de regen voor wat ze was en kregen we stilaan de allerhoogste toppen van de Andes in het vizier. De kleurrijke valle de humahuaca begroette ons in al zijn pracht en glorie. Wat verder stopten we in het dorpje Purnamarca om er de cerro de los siete colores te bewonderen. Deze rotsformatie bezit inderdaad niet minder dan zeven distincte tinten variërend van rood over geel naar wit. Het dorpje is tevens één van de meest authentieke indigenos dorpjes die we in Argentinië tegenkwamen en het doet wat denken aan de Peruaanse dorpjes van de Urubamba-vallei zoals ondermeer Pisac. Een wandeling van zo’n 3 km omheen het dorpje laat je de talrijke felgekleurede rotsformaties van de omgeving zien. Ook het dorpje zelf, met zijn lokaal marktje, is best gezellig. Je kan er allerhande kunst- en decoratievoorwerpen kopen zoals zilveren lepeltjes, cactushouten lampekappen, kleurrijke tafellakens, ponchos, wandtapijten,… en zelfs glazen potjes met de zeven kleuren van de berg erin. Het kan echter niet ontkend worden dat de toeristen dit dorpje ook al hebben ontdekt waardoor het soms wat minder ècht aanvoelt.
Vanuit Purnamarca vervolgden we onze weg richting Chili. Grootse wegenwerken hebben ervoor gezorgd dat de baan je, zonder het teveel te merken, in een mum van tijd naar 4200 m brengt, waarna je de èchte altiplano induikt. Deze weg is een belangrijke verkeersader naar Chili en je komt er dus waarachtig 30 tonners met oplegger tegen op hoogtes die te vergelijken zijn met de hoogste toppen van de Alpen (ter info de Mont Blanc meet ‘slechts’ 4808 m). Onderweg kwamen we twee rasechte vertegenwoordigers van de ‘puna’ tegen, namelijk de vicuna en de chinchilla. De eerste is het kleinste broertje van de vier kameelachtigen die je in Zuid-Amerika tegenkomt en gelijkt sterk op de veel algemenere guanaco –terloops, de wol van de vicuna is één van de fijnste en duurste wolsoorten ter wereld- de tweede is een langharig konijn welke graag op grote hoogte vertoeft en welke vooral gekend is vanwege het vervaardigen van bontmantels met diens pels (foei!). Langs de salinas grandes en de ontelbare witte hoopjes zout die er uit gewonnen worden, vervolgden we onze weg voorbij desolate maar oh zo charmerende lemen huisjes van de hoogland indianen, alwaar kuddes lamas en schapen gehoed worden, om enkele uren later toe te komen in het kille mijnwerkersdorpje San Antonio de los Cobres. Een korte maar hevige rit leidde ons nog snel tot de "Polvorilla", een 85 m hoge en 250 m brede viaduct over de welke de goederen- en passagierstrein komende uit Salta heen moet wanneer het naar San Antonio de los Cobres gaat. Het is een zeer duur (prestige)project geweest waar zowat iedereen zich afvraagt wat hier het nut van mag geweest zijn, maar ja, zo heeft elk land wel zijn eigen smarten en grieven,… niet?
Bij valavond stevenden we alweer op Salta af waar we toekwamen net zoals we vertrokken waren, namelijk in de gietende geut. Ons wagentje had er dus welgeteld één dagje proper uitgezien.
De Andes had nog zo veel moois te bieden, maar we maakten van ons hart een steen en gingen, net zoals de drie wijzen 2000 jaar eerder, pal naar het Oosten. Een (heel) lange dag in de wagen bracht ons van Salta, langsheen het Parque Nacional El Rey –helaas geen tijd om het te bezoeken-, over een bijwijlen verschrikkelijke (geasfalteerde?) weg bezaaid met voor de schokdempers en banden moordende putten, naar Posadas. We volgden de Paraguayaanse grens ten zuiden van een ondoordringbaar gebied, de chaco, over zo’n 1000 km, reden vervolgens voorbij Resistencia, staken de Rio Parana -de tweede grootste rivier in Zuid-Amerika (na de Amazone rivier)- over, tankten bij in Corrientes en kwamen tegen zonsondergang dan uiteindelijk toe in Posadas.
De laatste lange rit met de wagen zat erop, de wagen deed het -zonder zijn benzinefilter- beter dan ooit, de banden hadden ons –ongelooflijk maar waar- nog steeds niet in de steek gelaten en we bevonden ons bovendien op nog geen 300 km van de imposante en fotogenieke watervallen van Iguazu aan de grens met Paraguay en Brazilië. De dag erop gingen we, op weg naar Iguazu, nog even een kijkje nemen in San Ignacio. Hier liggen de bekende ruïnes van wat ooit een groot centrum was waar Jezuïeten en Guarani indianen vredevol samenleefden. Op het hoogtepunt van zijn bloei kende deze "réduccion" zo’n 3300 inwoners. In 1984 kreeg deze site van de UNESCO de stempel van werelderfgoed toegewezen.
Enkele uurtjes later bereikten we alweer één van de hoogtepunten van de reis : de watervallen van Iguazu. Ze zijn gelegen in het uiterste noordoosten van Argentinië, in een subtropische omgeving, en vormen over een afstand van enkele kilometers een 60 m hoog watergordijn verdeeld over meer dan 270 watervallen en –valletjes. Dit unieke biotoop huisvest tal van zoogdieren (o.a. jaguar, puma, ocelot, margay, coati, moerashert, tapir, miereneter, brulaap, capucijnaap,…), vogels (o.a. toekan, trogon, colibri,…), reptielen (o.a. kaaiman, anaconda, langhalsschildpad,…), vissen (o.a. piranha,…), amfibieën (o.a. boomkikkers,…), insekten (o.a. morpho vlinder,…),… kortom teveel om op te noemen. We verbleven er drie dagen, huurden zelfs een vermaard ornitholoog in, om onze zintuigen maximaal op de proef te stellen. Ogen, oren, neus, smaak en gevoel, niets werd gespaard. Ook niet onze camera’s welke gretig ingeschakeld werden om al dit moois op de gevoelige plaat vast te leggen. Een absolute must voor elke natuurliefhebber! Vergeet evenmin een bezoekje te brengen aan de Jardin de los picaflores in Puerto Iguazu. Een sympathieke familie stelt zijn tuin volledig gratis open voor elkeen die wel eens van dichterbij -en voor wat langer dan een fractie van een seconde- een colibri wil zien vliegen, suikerwater uit een voederbakje zien opslurpen of nog wil zien zitten op een takje met wel degelijk twee pootjes aan zijn lijf (cfr. Jongens en wetenschap).
Na drie dagen ruilden we ons verblijf in dit idyllisch stukje jungle voor een minstens even idyllisch verblijf in een niet minder prachtig stukje ‘wetland’, de Esteros del Ibéra. Deze moeraslanden, welke kunnen vergeleken worden met de Pantanal in Brazilië, zijn een overblijfsel van de Rio Parana die hier zo’n 3000 jaar geleden stroomde. Ondertussen heeft de machtige Rio Parana zijn bedding met enkele tientallen kilometers naar het noorden verlegd.
Wij hadden via internet een ‘posada’ geboekt met de mooie naam ‘Ypa Sapukai’, welke in Guarani taal zoveel als ‘geluid van het water’ betekent. Het was een heel gezellig familiepensionnetje, zo gezellig zelfs dat, wanneer we het bij onze aankomst te zien kregen, we aanstonds voor drie nachten boekten. Druk was het er zeker niet -we waren immers de enige klanten- maar erg vonden we dit allerminst.
Gezien we ons middenin de zomerperiode bevonden, kon het overdag wel best warm zijn. 35 °C was eerder regel dan uitzondering, en dus verkozen we om de activiteiten voornamelijk ’s ochtends en ’s avonds te laten plaatsvinden. Als fervent natuurliefhebber werd ik hier ècht wel op mijn wenken bediend. We vertrokken net na zonsopgang met een motorbootje om de ontwakende natuur op het meer te gaan gadeslaan. Op het meer kom je zowat overal kleine drijvende eilandjes tegen, gevormd door gras-, riet- en ander organisch afval dat over de loop van de jaren accumuleerden. Deze ‘floating islands’ zijn vanzelfsprekend rijkelijk begroeid met tal van waterplanten en vormen tevens het huisje van menig capibarra, moerashert, otter, beverrat, kaaiman, anaconda of prachtige vogel. In de late namiddag kozen we meestal voor een wandeling te paard doorheen de ‘wetlands’. Dit is, samen met de boottocht, waarschijnlijk de beste manier om een idee te krijgen van hoe het hartje van de ‘Esteros del Ibera’ er werkelijk uitziet.
En zo verging het ons gedurende drie dagen…
Oh ja, nog even vermelden dat we na het middagmaal volop genoten van een wel zeer Spaanse gewoonte,… de siesta. Tussen 12 u en 15 u mis je trouwens niet al te veel van het gebeuren vermits ook de dieren het hier dan zo begrepen hebben.
Niet ver van waar we verbleven bevond er zich ook een (zeer) kleine kolonie brulapen. Je zou je in deze waterrijke omgeving niet direct verwachten aan apen. Een ander vreemd dier eigen aan de ‘Esteros’ is de ‘manenwolf’. Dit uiterst zeldzaam dier houdt zo wat het midden tussen een slanke wolf en een sterk uit de kluiten gewassen vos. Wij hadden spijtig genoeg niet het voorrecht om er ééntje te zien. Nu ja, wetende dat het een solitair levend dier is met een nachtelijke levenswijze komt dit zowat neer op het zoeken van een speld in een hooiberg.
Na drie dagen relatieve rust bonden we alweer de strijd aan met de weg, echter ditmaal met de laatste honderden kilometers welke ons noch scheidden van Buenos Aires. We verkozen, alvorens de grootstad te bereiken, nog een allerlaatste maal ons tentje op te stellen en te overnachten langs de oevers van de Rio Uruguay, welke de scheidingslijn vormt tussen Argentinië en (rara)… Uruguay. Bovendien konden we dit doen in het Parque Nacional El Palmar, een natuurpark waar nog grote aantallen Yatay palmbomen staan. Naast palmbomen is het park ook nog bekend vanwege zijn grote nandoe (het broertje van de kleine nandoe van Patagonië), zijn coipo (beverrat), zijn capibarra en zijn vizcacha. Vizcacha’s zijn zowat te vergelijken met konijnen van bij ons maar missen de lange oren en zijn voorzien van twee brede zwarte strepen op hun snoet. Ook zij verkiezen, net als konijnen, de nacht boven de dag om actief te zijn en leven met verschillende soortgenoten in grote burchten. Wil je ze aan het werk zien dan mag je nachtwerk zeker niet schuwen. Trek je er ’s nachts trouwens op uit, let dan ook goed op voor ‘reuzenpadden’ welke op wandel zijn op zoek naar een lekker hapje.
Bij ons vertrek uit het Parque Nacional El Palmar kwamen we zo stilaan tot het besef dat onze reis er nu ècht wel bijna op zat. Eigenlijk keken we er niet direct naar uit om de grootstad opnieuw te gaan opzoeken. We waren één maand lang verwend geweest: amper mensen gezien, continu die desolate grootsheid van de ‘Argentijnse outback’, geen rinkelende GSM’s, geen overvolle mailboxen,… kortom we waren er ècht wel "uit" geweest.
Na de zeer uitgestrekte delta van de Rio Parana over twee gigantische bruggen te hebben overgestoken en nadien de Rio de la Plata, de natuurlijke scheidingslijn tussen noordoost Argentinië en zuid-Uruguay, oostwaarts gevolgd te hebben, bereikten we zonder verdere kleerscheuren Buenos Aires. Deze zeer open en gemoedelijk aandoende stad wordt door sommigen wel eens de meest Europese stad ter wereld genoemd. Immers, Parijs is Frans, Rome is Italiaans, Madrid is Spaans, …maar Buenos Aires is Europees, gezien het een
melting pot is van al deze nationaliteiten. De inwoners van Buenos Aires, de porteno, zijn zeer fiere mensen. Om hun eigenheid ten opzichte van de rest van Argentinië in de verf te zetten, hebben ze zich ook, over de decennia heen, een zeer eigen accent toegeëigend. De Spaanse letter ‘ll’ (lees elje) zoals in ‘pollo’ (lees poljo) wat in het Nederlands zoveel als ‘kip’ betekent, wordt door hen ‘posjo’ uitgesproken. En zo bestaan er natuurlijk tal van voorbeelden, denk maar aan lluvia (sjuvia = regen), lleno (sjeno = vol), toalla (toasja = toilet), llamar(sjamar = heten),… Als je dit niet van op voorhand weet ben je er met je cursus ‘castilliaans’ wel mee.
Buenos Aires is eveneens de stad van de militaire ‘grandeur et décadence’. Ze gaan er prat op de grootste boulevard ter wereld te bezitten, de Avenida 9 de Julio, met zo maar eventjes 16 baanvakken. Ze bezitten ook een presidentieel paleis welke roze (!) geschilderd is, de Casa Rosada. Vanaf het balkon op de eerste verdieping wisten tal van listige en/of geliefde politici, militairen, hoogwaardigheidsbekleders en zelfs filmsterren waaronder Evita Peron en Madonna, de menigte toe te spreken. Ook bezitten ze een majestueus congresgebouw, een imposante schouwburg (Teatro Colon) en een rasechte obelisk om Parijs jaloers van te maken.
Een aantal wijken stralen iets gemoedelijks uit zoals San Telmo met zijn leuke terrasjes, cafeetjes, antiquairs en zelfs rasechte Belgische kasseistenen, maar ook La Boca, niet ver van het voetbalstadium van de Boca Juniors, met zijn kleurrijk straatje, el caminito, alwaar tangodansers en kunstenaars menig toerist weten te boeien.
Argentijnen, en zeker de allerrijksten van Buenos Aires, hebben iets met de dood. Overledenen worden herdacht, niet op de datum van hun geboorte, maar op deze van hun heengaan. Hopen geld worden uitgegeven om op de begraafplaats van ‘La Recoleta’ te kunnen worden begraven. Heuse tempels worden er opgetrokken om de overledenen een laatste rustplaats te bezorgen… en waarschijnlijk ook te hopen een plaatsje in de hemel te kunnen afkopen. Spijtig dat het kerkhof zo slecht onderhouden is : grandeur et surtout décadence. Bovendien puilt het hier uit van de zwerfkatten. Ik vraag me ècht af waar deze beestjes allemaal van leven…
Last but not least, ook Buenos Aires heeft zijn eigen natuurreservaat. Een opgespoten stuk land, herwonnen op de Rio de la Plata, oorspronkelijk bedoeld om er luxueuse apartements- en mega kantoorgebouwen op neer te ploffen werd, omwille van een serieus tekort aan fondsen, schoorvoetend gereconverteerd in een welgekomen groene long voor de portenos. Het draagt nu de mooie naam Reserva Ecologica Costanera Sur en is de thuis geworden van menig natuurliefhebber en jogger.
En zo kwam er ook voor ons een einde aan een prachtige reis waar we met ons klein autootje niet minder dan 13.300 km (jawel, u leest het juist) aflegden om aldus de meest ontoegankelijke en ongerepte stukjes van Argentinië te gaan ontdekken.
Don’t cry for me Argentina…I’ll for sure come back!!!