De Fabrica


Enkele beschouwingen over de betekenis van Vesalius' hoofdwerk. Iets over de stijl en de moeilijkheden bij het vertalen. De mening van anderen.


IRTUEEL iedereen kent Andreas Vesalius en zijn 'Opus Magnum'. Voor velen staat het als een symbool voor de breuk tussen de donkere Middeleeuwen en het begin van een nieuwe wetenschappelijke denkwijze die het ontstaan gaf aan de Renaissance van het culturele en wetenschappelijk leven in het Westen. De medische wereld zweerde toen nog bij GALENUS en een vooruitgang van de kennis die verder reikte dan deze van de oude Griek hielden de meesten voor onmogelijk. Vesalius' onafhankelijke opstelling verwekte bij velen wrevel en door zijn openlijke en voortdurend terugkerende kritiek op Galenus haalde hij zich de woede van talrijke vooraanstaanden op de hals. Hierom wordt zijn De Humani Corporis Fabrica veelal in één adem genoemd met het De Revolutionibus Orbium Caelestium van Nicolaas COPERNICUS, dat eveneens in 1543 verscheen en dat een minstens even grote consternatie verwekte. De aarde zou niet langer het middelpunt van het heelal zijn!

Het belang van deze werken voor onze cultuur en ons denken is zo kolossaal, hun publicatie reeds zo lang geleden en hun inhoud is zo vanzelfsprekend geworden dat de meesten ongelovig opkijken wanneer zij horen dat een werk als de Fabrica nog nooit werd vertaald. Nochtans schreef H. CUSHING in zijn Vesalius-biografie van 1943: "As a book, the Fabrica has probably been more admired and less read than any publication of equal significance in the history of science", en verder "The Fabrica has never been printed in a language other than Latin". Hij doet het verhaal van professor VERSCHAFFELT, fysicus aan de universiteit van Gent, die een poging ondernam om de editie van 1555 in het Frans te vertalen, doch het project na zes hoofdstukken moest stopzetten wegens geldgebrek. De juiste toedracht is nu, dat het duurde tot 1950 toen de Universitaire Wetenschappelijke Uitgeverij van Moskou voor het eerst een volledige vertaling publiceerde van professor V.N. TERNOVSKIJ. Spijtig genoeg gaat het hier om een vertaling van de editie van 1555 die, zoals wij verder zullen zien, veel armer is aan biografische gegevens dan de editio princeps van 1543 en die er bovendien op talrijke plaatsen van afwijkt. Deze uitgave bestaat uit twee volumes. Vol. I (1950) bevat de vertaling van Boeken I en II; Vol. II (1954) bevat de overige Boeken III tot VII. Op het einde van Vol. II (pp. 901-936) bevindt zich een biografie (Zie figuur).

"Andreas Vesalius/ De Bouw van het Menselijk Lichaam/ In zeven boeken/ Eerste Deel/ Vertaling uit het Latijn/ door V. N. Ternovskij Effektief Lid van de Fakulteit Geneeskundige Wetenschappen USSR/ en S. P. Chestakova corresponderend Lid van de Faculteit Wetenschappen USSR/ Redaktie V. N. Ternovskij/ Naschrift door de Universitaire I. P. Pavlova/ [Papierrol met afbeelding van hoofd en schouder van spierplaat twee in spiegelbeeld]/ Universitaire Wetenschappelijke Uitgeverij USSR/ 1950."

Dit prachtige boek, uit één van de meest fascinerende perioden van onze geschiedenis, oefent op velen een grote aantrekkingskracht uit. Het is dan ook verwonderlijk dat er niet eerder een volledige vertaling verschenen is. Of reeds in Vesalius' tijd zelf, al was het maar voor geïnteresseerden die het Latijn niet beheersten. Ch. ESTIENNE gaf zijn anatomieboek uit in dezelfde periode als Vesalius, maar praktisch tegelijk in het Latijn en het Frans en van A. Paré weet men dat hij uitsluitend schreef in de taal van het volk. Voor het uitblijven van een vertaling kunnen natuurlijk verschillende redenen worden aangevoerd. Het is een enorm werk dat veel tijd en inspanning vergt. Men wenst het resultaat van zoveel arbeid dan ook verzorgd uit te geven, het liefst samen met alle figuren en hun verwijzingen, om niet onder te doen voor het origineel, maar zoiets is een dure onderneming. Zoals vermeld is hierdoor reeds een vroegere poging gestrand.

Men moet het echter zelf geprobeerd hebben om te weten dat er nog een andere, meer triviale, reden is. De fysische kenmerken van het boekwerk ontmoedigen op zich reeds elke argeloze student. De Fabrica is namelijk een in folio met een gewicht van zeven kg, het is zeven cm dik, een pagina is maar liefst 42 cm hoog en wanneer men het boek openslaat dan bedraagt de breedte 61 cm. Men kan het bijgevolg onmogelijk 'ter hand nemen' en een aandachtige studie van de tekst is alleen mogelijk wanneer het op een tafel ligt en men zich bovendien rechtopstaand over het foliant heen buigt. Gaat men zitten dan bevinden de bovenste regels zich te ver af om nog leesbaar te zijn, zeker wanneer men wat schrijfgerief bij de hand wil. Maar een woordenboek en naslagwerken vereisen eveneens ruimte. Een bijkomende handicap is het ontbreken van elke paragraaf in de tekst zodat het lastig is om het tekstgedeelte waar men mee bezig is terug te vinden telkens men een ander werk raadpleegde. Daar het niet mogelijk bleek in de handel een geschikt boekensteun te vinden, heb ik mij uiteindelijk verplicht gezien om er zelf een in elkaar te knutselen dat tegelijk voldoende stevig, handig en groot genoeg was om met een minimum aan comfort te kunnen werken...

De stijl van de Fabrica

Hoewel het boek, volgens Cushing dus, méér bewonderd dan gelezen werd, is het toch opvallend hoe velen hun mening over Vesalius' stijl te kennen gaven. Terwijl deze meningen soms sterk uiteen lopen is er niettemin een constante merkbaar: vrijwel iedereen is het er over eens dat de tekst zwaar en log is en moeilijk voor een onmiddellijk begrip. SAUNDERS schreef in een brief aan LIND, die de Epitome in het Engels vertaalde:

" I have never found Vesalius' style easy to handle but then neither did his contemporaries. Fabricius regarded it as difficult and Amatus Lusitanus calls it, with some justice, harsh. I seldom find a grammatical error but his Ciceronian periodic style is at times a trial and can be on occasions very obscure. This is particularly the case as he is attempting to use a technical language which is in the state of flux. I put in a long apprenticeship in developing a vocabulary of 16th century terms in medicine and have found the comparision of the Latin with the contemporary English translation of the works of Ambroise Paré most useful."

Hier volgt nu de opinie van LIND zelf:

"The style of the Epitome is clear and brief. There is no evidence that Vesalius wrote bad Latin. Indeed, his style is among the best Latin styles written by the Renaissance thinkers; even the Fabrica , wich involves an immensely greater amount of detail and is often couched in a conversational Latin natural between teacher and student, still preserves many classical features of Latin prose: the verb at the end of the sentence, the separation of subject and modifier by various forms of the verb, the careful arrangement of clauses, the use of the genitive, the clausula at the sentence-end. His choise of words is quite classical; yet, realizing the great necessity for systematizing the terminology of science (almost as bewildering in its present form as it was in his day), he constantly admits new words and phrases. The Epistola of 1539 shows a brilliance of epigrams, anecdotes, analogies, and descriptions which is not surpassed even by the books of his more mature years."

En de mening van CUSHING:

" ... the hurriedly composed Vesalian text, described by Garisson as "a torrent of mediaeval Latin," which the anatomical figures were designed to illuminate, distorted, even calumniated by contemporary adherents of the Galenic tradition, remains unread and, save for a few fragments, untranslated to the present day. The author himself subsequently referred to it as a "youthful labor of love written in commonplace and amateurish style." Latin, then the first universal language of scholars, was doubtless what Vesalius -himself a scholar- used in his public lectures, as well as for all of his published writings. But the time was near at hand when for medical texts to be avidly read, as those by Paré were soon to be, they must needs be written in the vernacular and printed in the smaller format which Aldus Manutius had popularized."

WAUTERS tenslotte, schrijft over de Fabrica:

" Ce livre est écrit dans un latin serré, nerveux et plein d'élégance."

Wat men ook bewere, welke de gebreken of verdiensten van zijn stijl ook mogen zijn, de taal is noodzakelijkerwijs 16de eeuws en typisch Vesaliaans. Breedvoerig met zin voor het detail en soms wat 'primitief' aandoend met een scholastische ondertoon. Maar steeds valt de bewonderenswaardige exactheid op die de latere wetenschappelijke litteratuur zo zal kenmerken, gekoppeld aan een uiterste precisie. Soms is er een onnodig verbalisme en dikwijls is hij onbeschroomd autoritair, want zelfbewust van zijn kennis, of sarcastisch, vooral bij terechtwijzingen van Galenus.

Niemand kan beweren dat de Fabrica gemakkelijk leesbaar is en dit is zeker niet alleen te wijten aan het Latijn. Wie immers kan nu nog op een vlotte wijze een tekst lezen als De Const van Rhetoriken van Matthijs de CASTELEIN (1485-1550) of La Vie très horrificque du Grand Gargantua, père de Pantagruel; ... van François RABELAIS (1490?-1553)? Wij leven veel vlugger dan wij meestal denken en het Nederlands van amper twintig jaar terug klinkt al ouderwets! De vertaling van een werk uit de periode van de Fabrica vereist als het ware een sprong van op het Renaissance-Latijn, over het Nederlands van Vesalius' tijd naar onze huidige moedertaal. Deze sprong vergt een ruime dosis moed en dient ver genoeg te dragen anders ontstaat een veel te letterlijke vertaling en een totaal obsoleet stijlproduct. Tegelijk moet erop gelet worden de oorspronkelijke betekenis der begrippen zuiver over te brengen en een contaminatie door onze moderne wetenschappelijke kennis angstvallig te vermijden. Singer beklemtoont terecht: 'To understand him we must try to think like Renaissance artists and not like modern evolutionists'. Bijkomende moeilijkheden ontstaan door het frequent gebruik van de spreektaal en doordat de inhoud van talrijke anatomische begrippen toen niet vast omschreven was en onderhevig aan een voortdurende herdefinitie. Dit vormde trouwens reeds een ernstig probleem in Vesalius' tijd, zoals men in bijna elk hoofdstuk kan vaststellen. Om hieraan tegemoet te komen, zag hij zich verplicht om achteraan het eerste boek bij de bespreking van de skeletfiguren, een lijst van de meest gebruikte termen op te nemen, met een verwijzing naar de betrokken plaats op de figuren.

Back to homepage