














 |
| 21-februari-2010:
Lc. 4,1-13 |
Het verhaal van de bekoringen van Jezus… hoe bekend ook
– toch blijft het ons vreemd en onwerkelijk in de oren klinken. Het
ruikt verdacht veel naar hallucinaties van iemand die te lang gevast
heeft.
Het ongewone begint al bij het decor. Meestal horen we Jezus zijn
Boodschap verkondigen midden het volk, laat Hij blinden zien, doven
horen en lammen lopen. Vandaag staat Hij alleen, midden in de leegte.
Ja, Hij trok zich wel vaker terug uit het gewoel van het dagelijkse
leven om in stilte te bidden, maar doorgaans was dat voor een vrij korte
tijd. Nu, veertig lange dagen en nachten in de woestijn.
Jezus is niet 'zomaar' de woestijn ingetrokken. We lezen dat Hij,
onmiddellijk na zijn doopsel in de Jordaan, daarheen was gegaan “vol van
heilige Geest”. De hoofdpersoon in dit verhaal is dus niet zozeer Jezus,
maar de Geest Gods. En tegenover de Goede Geest staat dan de Boze Geest.
Dát zijn de twee tegenspelers. En het drama gaat over de vraag: Wie van
beiden heeft macht over Jezus.
Een heel herkenbaar thema, ook voor ons: de strijd tussen goed en kwaad,
tussen onze goede bedoelingen en onze minder edele gevoelens en
verlangens.
Tijdens Jezus' doop was Gods Geest over Hem neergedaald en had een stem
uit de hemel gezegd: "Gij zijt mijn lievelingszoon". Woorden met het
statuut van een identiteitsverklaring: Zoon van God. Een geweldige
verantwoordelijkheid.
En de duivel - zo is de verpersoonlijking van het kwaad nu eenmaal - is
altijd erg geďnteresseerd in wie een stukje macht voor het grijpen
heeft. Dat overkomt ons allemaal wel eens, op ons werk, in ons gezin, in
onze omgang met anderen: de macht van het geld, de macht van de brute
kracht, de macht van de vuist op tafel, de macht van de welsprekendheid,
de macht van het aan-trekkelijk lijf, de macht van de gespeelde
onschuld...
De verleider neemt de identiteitsverklaring uit de hemel serieus: "Als U
de Zoon van God bent..." en knoopt daaraan een paar interessante
mogelijkheden vast. Mogelijkheden die ook ons niet onverschillig laten.
Het begint al bij de eerste bekoring. De duivel raakt Jezus - en daarmee
de meesten van ons, en de hele wereldbevolking - op een gevoelige plek:
de maag. Jezus krijgt honger. De boze geest suggereert een klein
privé-broodwonder: "Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze steen
dat hij een brood moet worden".
Jezus weigert. We weten dat Hij niet afkerig staat tegenover een
broodwonder. Maar als Hij dat doet, dan doet Hij dat uit medelijden met
mensen (Mc.8,2). Hier probeert de duivel Hem te verleiden tot een wonder
uit macht. Er is niets dat Jezus zo verafschuwt als de gedachte dat zijn
relatie met zijn Vader vertaald zou worden in termen van macht. Hij
werkt niet met dat gereed-schap van de onderwereld, ook niet om een
hongerprobleem op te lossen. Want "de mens leeft niet van brood alleen".
Eerder en beter is het Woord dat mensen oproept te denken in termen van
rechtvaardigheid: de handen ineen slaan en het samen geproduceerde brood
met elkaar delen.
De tweede mogelijkheid die de verleider suggereert ligt letterlijk op
het hoogste niveau. Een weids panorama, "alle koninkrijken van de
wereld... allemaal voor U".
Hierop had Jezus kunnen reageren met wat Hij later tegen Pilatus zou
zeggen: "Inderdaad, Ik ben koning". En Hij had eraan onmiddellijk kunnen
toevoegen: "Alles is volbracht". De hele wereld onder zijn heerschappij,
de weldadige heerschappij van het voltooide Rijk Gods - zonder
conflicten met Farizeeën of schriftgeleerden, zonder moeilijkheden met
de Romeinse overheid, geen lijden, geen kruis... Een pijnloze
verlossing.
Aantrekkelijk, dat wel. Maar Jezus trapt niet in de valstrik. Die utopie
is besmet: de duivel leent zijn eigendom slechts uit aan wie voor hem in
aanbidding neervallen. Jezus weigert een bondgenootschap aan te gaan met
de macht van het gevestigde kwaad: "Mijn rijk is niet van dat soort
wereld" zou Hij later zeggen. Jezus kiest voor de lijdensweg, voor het
kruis. Het Rijk van God zal tot het einde toe onder tranen gezaaid
worden en stap voor stap op het kwaad moeten bevochten worden.
Tenslotte daagt de duivel Jezus uit tot een sprong in de afgrond. Wat is
daar aantrekkelijk aan? Zoiets komt in een mensenhoofd alleen maar op in
allerhoogste wanhoop en leidt tot niets.
De duivel ziet het anders. "Als U de Zoon van God bent, spring dan van
het dak van de tempel naar beneden; want er staat geschreven - de duivel
citeert hier een psalmtekst -: Aan zijn engelen zal Hij bevelen U op
handen te dragen zodat U aan geen steen uw voet zult stoten". Dat klinkt
vroom en religieus. Het lijkt wel of de duivel hier les geeft in
Godsvertrouwen. In feite speelt hij hier zijn hoogste troef uit: de
relatie tussen Jezus en zijn Vader. Die moet uitgetest worden. Dat God
zijn engelen inschakelt om zijn getrouwen voor onheil te behoeden…
gelooft Jezus dat zelf wel? Is zijn Godsvertrouwen zo sterk dat hij een
kleine religieuze stunt aandurft?
Het zal niet zo vaak gebeuren dat de duivel (of zijn woordvoerders uit
onze omgeving) ons geloof zó op de proef stelt. Maar het is geen
zeldzaamheid dat mensen de risico's die ze nemen op God afschuiven, dat
God gepromoveerd wordt tot omnium-verzekeraar van onze misstappen, van
de afgronden die wij gegraven hebben. Of we het willen inzien of niet,
op die manier provoceren we Gods voorzienigheid: zíjn menslievendheid
moet er maar voor zorgen dat óns wereldje, dat dé wereld niet in de soep
draait.
Tegenover het psalmwoord van de duivel zet Jezus een andere bijbeltekst:
"Er is gezegd: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen".
Toen gaf de duivel het op en ging van Hem weg. Althans “voor een
bepaalde tijd” zegt onze evangelietekst er bij. Want het verhaal van de
bekoringen is een verhaal in vele afleveringen. Het duurt ons leven
lang.
Marc Christiaens o.p.
|
|
|
|