














 |
| 14-februari-2010:
Lc.6,17-26 |
"Het zijn altijd weer de armen die door Jezus de hemel
worden ingeprezen. Ik voel mij daar niet lekker bij. Ik hou er bijna een
schuldgevoel aan over dat ik met hard werken enige welstand heb
opgebouwd", zei een lid van onze werkgroep Liturgie, nog niet zolang
geleden. Ik sluit niet uit dat er meer mensen uit onze
Witte-Kerkgemeenschap zich in die opmerking herkennen. Onze
evangelielezing met "Wee jullie, rijken" is niet van aard om die wrevel
te temperen.
Maar denkt u dat armen, hongerigen, treurenden en uitgestotenen het zo
plezierig vinden dat Jezus hen 'gelukkig' prijst? Aan armoe, honger,
verdriet of miskenning is doorgaans weinig vreugde of geluk te beleven!
'Ja maar - zei Karl Marx, de peetvader van het communisme, - aan deze
nu-ongelukkigen belooft de godsdienst wel rijkelijk compensatie-geluk in
het hiernamaals. Er staat immers "de armen van nu krijgen later de beste
plaatsen in het koninkrijk van God; de hongerigen van nu zullen daar
volop te eten krijgen". Beloftes die armen en hongerigen in slaap
wiegen, die ertoe leiden dat ze hun lot accepteren in plaats van er iets
aan te doen. Het geloof in een hemel van eeuwige zaligheid is een
zoethouder die armen arm houdt; wat - niet toevallig - de rijke klasse
goed uitkomt. Godsdienst is een vlucht uit de ellende van het werkelijke
leven naar een hemelse droomwereld. Godsdienst is opium voor het volk.
We moeten de mensen bevrijden van die waanbeelden over een gelukzalig
hiernamaals, dan zullen ze bereid zijn om iets te doen aan de reële
problemen in het hiernumaals'. Aldus Karl Marx.
Ik denk dat hij onze evangelietekst niet goed gelezen heeft. Ik denk dat
het schuldgevoel van de man uit onze werkgroep liturgie, evenmin terecht
is.
De acht zaligheden uit het Mattheüsevangelie zijn ons meer vertrouwd dan
de vier van Lucas waaraan hij - als een soort spiegelbeeld - vier
aanklachten toevoegt. In zijn eerste zaligspreking heeft Mattheüs het
over 'de armen van geest'; Lucas daarentegen, met zijn "Gelukkig de
armen…", heeft het wel degelijk over materieel armen en over al die
anderen die in het sukkel-straatje zitten.
Laten we beginnen met duidelijk te stellen dat Karl Marx gelijk heeft
als hij zegt dat armoede een te bestrijden kwaad is, en dat armoede vaak
het gevolg is van onrechtvaardige verhoudingen, van structuren die enkel
economische vooruitgang beogen, van onderdrukking en uitbuiting, van
onrecht en discriminatie. Zo zit dat bij ons, zo zit dat in de Derde
Wereld, zo zat dat in het Romeinse Rijk in Jezus’ tijd.
Ook voor Lucas was de tegenstelling tussen arm en rijk binnen zijn eigen
geloofsgemeenschap een doorn in het oog. Geconfronteerd met
randmaatschappelijke armen en hongerigen die, on-danks hun trieste
situatie, diep religieus op God blijven vertrouwen - voelt Lucas zich
een beetje zoals Jezus, toen die, afdalend van de berg waarop hij
gebeden had, de wachtende menigte zag. Uit het stukje tekst dat op ons
blaadje weggevallen was (v. 18) blijkt dat die mensen er slecht aan toe
waren: ziek of gehandicapt, of onder invloed van krachten waardoor ze
psychisch zichzelf niet meer in de hand hadden ("gekweld door onreine
geesten", heette dat toen). Ze waren gekomen in de hoop dat Jezus hun
erbarmelijke situatie ten goede zou keren.
Diezelfde hunker naar verandering, naar meer rechtvaardigheid, naar
deugd mogen beleven aan het leven, leest Lucas in de ogen van de armen
in zijn kerkgemeenschap. Zijn meer begoede christenen zijn daar blind
voor. Zij opteren voor een status quo die hun geld, hun bezit en hun
prestige onaangetast laat. Het ergert Lucas mateloos dat op die manier
de doorbraak van het Rijk Gods geblokkeerd wordt. In heilige woede
ontstoken legt hij Jezus een scherpe veroordeling in de mond: "Wee
jullie, rijken. De weg die jullie gaan, is een doodlopend straatje. Lach
maar, wrijf maar over jullie dikke buik en geniet van jullie status.
Maar daarmee hebben jullie het gehad. Want wie zich niet om een ander
bekommert, wie niet geïnteresseerd is in de kwaliteit van het leven en
vooral van het samen-leven, komt niet aan de bak in het rijk waar God
het voor het zeggen heeft, een rijk waar niet de bankrekening maar de
liefde telt."
Lucas bekritiseert de rijken niet om hun rijkdom maar om het feit dat
zij eigenbelang laten prevaleren in plaats van zich, in naam van het
evangelie, te solidariseren met de armen, de hongerigen, de verdrietigen
en de verschoppelingen. Lucas wil dat zijn christenen met z'n allen -
rijk en arm, jong en oud - gestalte te geven aan een mensenwereld zoals
die God voor ogen staat, een wereld waar èlke mens tot zijn recht mag
komen.
En dat behelst meer dan enkel een rechtvaardige herverkaveling van de
welvaart die Marx voor ogen stond. (Als ik zeg ‘meer dan’ dan zeg ik
tegelijk dat materiële solidariteit tussen rijk en arm ook noodzakelijk
is, zeker in een wereld als de onze, waar de rijkste 20 % van de
wereldbevol-king 900 keer meer bezit dan de armste 20 %). Maar – en dat
zag Marx met zijn klassenstrijd over het hoofd - in Gods Rijk van liefde
gaat het, behalve om materiële, ook om warmmenselijke solidariteit. Wat
dat inhoudt, vond ik mooi verwoord in een parafrase van de gekende
parabel over het laatste oordeel (Mt. 25,35-40):
"Op de laatste dag zal God tegen de solidaire mens zeggen:
Ik verlangde naar een vriendelijk woord, en jij hebt Mij bemoedigend
toegesproken.
Ik had nood aan wat begrip, jij hebt aandachtig naar Mij geluisterd.
Ik had honger, jij hebt Mij een vislijn cadeau gedaan.
Ik had dorst, jij hebt me te drinken gegeven.
Ik was eenzaam, jij hebt je vrije tijd met Mij doorgebracht.
Ik was wanhopig, jij hebt Mij in je armen genomen.
Ik was kreupel, en jij bent met Mij gaan wandelen.
Ik was ziek, en jij hebt Mij bezocht."
Dan zal de solidaire mens zeggen: "Sorry, God, ik begrijp het niet. Ik
heb U nooit in mijn leven gezien... wat zou ik dat allemaal voor U
gedaan hebben?"
God zal glimlachend antwoorden:
"Wat jij met je rijkdom voor de minsten der mensen hebt gedaan, dat heb
je aan Mij gedaan. En dus ben je nu bij Mij welkom."
De solidaire mens zal verbaasd zijn, en lachen, en dansen van geluk.”
Marc Christiaens o.p.
|
|
|
|