Rondrit 1:
Kathaarse burchten in de Corbières

Overzicht | Rondrit 1 | Rondrit 2 | Rondrit 3

De Corbières vormen een woest dunbevolkt gebied dat desolate maar prachtige landschappen biedt. Hier liggen enkele van de belangrijkste burchten en onvermijdelijk zal je onder de indruk zijn van hun ontoegankelijke ligging. Terwijl je met de wagen over een comfortabele asfaltweg snort, moet je je wel realiseren dat er in de middeleeuwen nauwelijks wegen waren en achter elke bocht de vijand op de loer kon liggen...

Vandaag heeft de streek gelukkig een wat vriendelijker imago door de wijnbouw. Op enkele jaren tijd zijn enkele ondernemende wijnboeren er in geslaagd om wat vroeger slechts een simpel landwijntje was, op te krikken tot een kwaliteitsvolle klassewijn die nog steeds betaalbaar blijft.

De Corbières worden in het oosten begrensd door de Middellandse Zee, in het noorden en het westen door de Aude (die ter hoogte van Carcassonne een bocht naar het zuiden maakt) en in het zuiden door de Agly. We beginnen en eindigen in de Audevallei.

QuillanQuillan is een sympathiek industriestadje (50 km van Carcassonne, 75 km van Perpignan) dat is uitgegroeid tot de toeristische hoofdplaats van de bovenvallei van de Aude. Dat heeft het vooral te danken aan zijn ligging, de ideale uitvalsbasis om het Pays Cathare te verkennen. Alle belangrijke plaatsen zijn vlot bereikbaar zonder dat enorme afstanden moeten overbrugd worden.

Vandaag profileert Quillan zich ook als sportieve vakantieplaats, uitermate geschikt voor avontuurlijke sporten als kajakken, rafting, speleologie, bergbeklimmen, mountainbike, enz.

SalasarWe volgen de Aude in noordelijke richting (D118) tot Campagne-sur-Aude. We zijn hier in het gebied van de blanquette de Limoux, een schuimwijn die de vergelijking met de betere champagnes moeiteloos doorstaat en dat is zeker het geval voor de crèmant de Limoux. Meer daarover als we in een volgende excursie Limoux bezoeken.

Eén van de bekendste producenten, Joseph Salasar, is gevestigd in Campagne-sur-Aude. In diens wijngaarden werden fossiele resten gevonden van een groot aantal dinosauriërs, wat Salasar er toe bracht een speciale Cuvée des Dinosaures uit te brengen...

Meer over die beestjes is te vinden in Espéraza, vroeger het ‘hoedencentrum’ van Frankrijk. Niet minder dan 14 bedrijven maakten er hoeden in alle soorten en maten. Eén van de ateliers is intussen omgebouwd tot museum waar je de geschiedenis van de hoedenmakerij op de voet kan volgen. Toch komen de meeste bezoekers niet voor de hoeden...

Ampelosaurus atacisEr is namelijk nog een tweede museum in Espéraza: Dinosauria. Hier is het wetenschappelijk onderzoekscentrum gevestigd dat de aanwezigheid van dinosauriërs in de Audevallei in kaart brengt. Een belangrijke aanwezigheid want er werd hier zelfs een nieuwe soort ontdekt, de Ampelosaurus atacis.

Het is een klein maar zeer boeiend museum, waar je zeker ook de kinderen mee naartoe moet nemen. Tijdens de zomer kan je de paleontologen soms ook aan het werk zien op de site in Campagne-sur-Aude.

Wie geïnteresseerd is in het ‘mysterie’ van Rennes-le-Château moet nu goed opletten want we bereiken Couiza. Als je Bérenger Saunière's woonplaats wil bezoeken moet je bij het binnenrijden van Couiza rechts afslaan (wegwijzer). Een klim van 4,5 kilometer brengt je dan bij de Villa Béthanie en de Tour Magdala. Bijzonder in Couiza is het Château des ducs de Joyeuse, een mooi bewaard 16de eeuws kasteel met een prachtige binnenplaats, dat tegenwoordig als hotel dienst doet.

In het centrum van Couiza verlaten we de Audevallei en gaan rechtsaf, richting Arques (D613). Vijf kilometer verder is er aan de rechterkant een afslag naar Rennes-les-Bains. Die moeten we straks nemen maar we rijden eerst nog even verder tot Arques. Hier was de woonplaats van Déodat Roché, oprichter en bezieler van de Société du Souvenir et des Etudes Cathares, een vereniging die werd opgericht in 1950 en onderzoek verrichte naar de katharen met een half-wetenschappelijke en half-esoterische aanpak (zij plaatsten het monumentje aan de voet van Montségur). In het huis van Roché (hij overleed in 1978 op 100-jarige leeftijd) is nu een museum ingericht.

Donjon d'ArquesIets voor Arques ligt aan de linkerkant van de weg de Donjon d'Arques, een mooi bewaarde slottoren (21 m hoog) omgeven door de ruïne van een vestingmuur. Het is een vlaktekasteel (einde 13de eeuw), een beetje vreemd in deze omgeving waar de meeste burchten op een bergtop liggen.

Wie naar de ruïnes van Termes wil moet rechtdoor maar wij gaan terug tot de afslag naar Rennes-les-Bains.

Aan de afslag liggen, op 544 m hoogte, de resten van het Château de Blanchefort, waarover de meest wilde verhalen de ronde doen. Sommigen (waaronder de bedenkers van de Rennes-le-Château-mythe) beweren dat dit de burcht zou geweest zijn van Bertrand de Blanchefort, grootmeester van de Tempeliers van 1156 tot 1169, maar dat klopt niet. Wel was hier vroeger een belangrijke nederzetting gevestigd (een castrum) waarvan de bewoners in de nabije goud- en kopermijnen werkten.

Rennes-les-BainsWe volgen nu de vallei van de Sals en na een kilometer of vier bereiken we Rennes-les-Bains, een klein kuuroord zoals er in de streek veel zijn. Maar het dorp is niet alleen beroemd voor zijn helend water, Rennes-les-Bains wordt gekoppeld aan het zgn. ‘mysterie van Rennes-le-Château’ en ontvangt daarvoor minstens evenveel bezoekers als voor zijn bronnen.

In 1992 werd het dorp getroffen door zware overstromingen met enorme schade als gevolg. Sindsien is er duchtig gerestaureerd en zijn de meeste monumenten in hun oude glorie hersteld...

We blijven de Sals (en later de Blanque) volgen, richting Bugarach. De Pic de Bugarach, die achter het dorp oprijst, is met zijn 1.230m het hoogste punt van de Corbières. Je kan hem beklimmen langs de noord-oostzijde via een bewegwijzerde route (parking is voorzien), maar het kost je wel een paar uur. Als beloning kan je dan genieten van een schitterend panorama met de Middellandse Zee, de Pyreneeën en de Cevennen als achtergrond.

Pic de BugarachIn 2012 haalde de berg het internationale nieuws omdat het een van de veilige plekken zou zijn bij het, volgens de Mayakalender, voorspelde einde van de wereld op 21 december.

Maandenlang stond het dorp in rep en roer en streken er allerlei vreemde vogels neer, maar nadat de wereld dan toch niet bleek te vergaan, keerde de rust langzaam terug.

Ook wie de klim niet waagt zal in ieder geval onder de indruk zijn van het indrukwekkende woeste landschap: de Corbières op hun mooist!

Via de Col du Linas maken we de doorsteek naar de bovenvallei van de Agly. We blijven de D14 volgen tot in Cubières-sur-Cinoble. Daar gaan we eventjes rechtsaf (we komen hier straks terug) richting Saint-Paul-de-Fenouillet.

De D10 brengt ons zeer snel bij één van de schitterendste natuurverschijnselen uit de streek: de Gorges de Galamus. Dit is écht indrukwekkend! De Agly heeft hier een diepe kloof uitgesneden in de kalksteen. Honderd meter boven de rivier (die je wel hoort maar meestal niet ziet) plakt de smalle weg tegen de rotswand: bochten, overhangende rotsen en tunnelletjes volgen mekaar op. Op de bodem is het een aaneenschakeling van watervalletjes en kleine bassins met kristalhelder water (veel streekbewoners gebruiken de gorges dan ook als hun privé-zwembad).

Gorges de Galamus Gorges de Galamus Gorges de Galamus

Gorges de GalamusMits een mooi en wat avontuurlijk wandelingetje bereik je de Ermitage Saint-Antoine de Galamus die als het ware tegen de rotswand hangt.

De Ermitage dateert uit de 6de eeuw, maar er verbleven kluizenaars tot in de jaren 1950(!).

Bezoek zeker de merkwaardige grotkapel en de bovengrot die gedurende eeuwen als verblijfplaats voor de kluizenaars diende.

Meer informatie over deze unieke locatie vind je op de (Franstalige) webpagina van de Société Périllos of op onze archeologiepagina.

We keren op onze passen terug tot in Cubières-sur-Cinoble, het geboortedorp van Guilhem Bélibaste, die de twijfelachtige eer geniet de laatste bon homme te zijn die op de brandstapel belandde.

We gaan hier rechtsaf en volgen opnieuw de D14 richting Rouffiac-des-Corbières, op weg naar de volgende bestemming: de grootste middeleeuwse citadel in de Languedoc: Peyrepertuse. Zeer snel krijgen we uitzicht op de burcht, ze lijkt wat op een reusachtig schip dat in de lucht hangt.

Duilhac-sous-PeyrepertuseDe weg loopt een stukje om de burcht heen tot in Duilhac-sous-Peyrepertuse. Vanaf hier leidt een smalle weg bergop naar de parking. (Wees voorzichtig, tijdens de zomermaanden kan het hier behoorlijk druk zijn.)

Peyrepertuse is zonder meer indrukwekkend. De hele vesting is 300m lang, tot 50m breed en bestaat in feite uit twee burchten die door een versterkte esplanade met mekaar zijn verbonden. De totale oppervlakte bedraagt 2,5ha.

Vanaf de parking loopt een niet al te lastige weg rond de burcht naar de ingang aan de noordzijde.

Het lijkt er op dat deze strategische plaats reeds door de Romeinen werd benut maar de naam Peyrepertuse (van petra pertusa of ‘doorboorde steen’) duikt voor het eerst op in de 8ste eeuw.

Bij het begin van de 11de eeuw (er is dan sprake van een castrum, een versterkt dorp) is de plaats in handen van de Catalaanse graaf van Besalú.

Peyrepertuse Peyrepertuse

PeyrepertuseTijdens de kruistocht tegen de katharen is de plaats in handen van de familie van Peyrepertuse, vazallen van de burggraaf van Narbonne. Die is leenman van de koning van Aragon en aanvankelijk dus niet bij het conflict betrokken.

Pas als Pere II van Aragon zich met de kruistocht gaat bemoeien, komt Peyrepertuse in beeld. Maar er wordt niet gevochten. In 1217 onderwerpt Guilhem de Peyrepertuse zich aan Simon de Montfort. Maar niet voor lang, later zal hij de strijd weer opnemen en het naburige kasteel van Puilaurens bezetten.

In 1239 komt Peyrepertuse definitief in handen van de Franse koning Lodewijk IX. Nuño Sanç, graaf van Roussillon en regent van Aragon, verkoopt het hem voor 20.000 goudfranken, een enorm bedrag. Guilhem de Peyrepertuse legt zich uiteindelijk bij de zaak neer en draagt de plaats over aan Jean de Beaumont, kamerheer van de Franse koning. Het zijn de Fransen die de burcht uitbouwen tot de vesting waarvan we vandaag de resten zien.

 Peyrepertuse verliest zijn strategisch belang bij het Verdrag van de Pyreneeën van 1659 waarbij de definitieve landsgrenzen worden vastgelegd. Tot aan de Franse Revolutie blijft er een klein garnizoen op post.

Peyrepertuse

PeyrepertuseDe omwalling waardoor je de burcht betreedt dateert uit de tweede helft van de 13de eeuw. Het is een indrukwekkende muur, 120 meter lang met twee halfronde torens.

Eens binnen sta je voor de resten van een gebouwencomplex uit de 12de eeuw met de oude donjon en een kapel (Sainte-Marie).

PeyrepertuseDe citadel Sant-Jordi, aan de westelijke zijde, ligt 50 meter hoger dan de rest van de burcht en is te bereiken via de "trap van de Heilige Lodewijk" (L'escalier de Saint-Louis), genoemd naar de Franse koning (Lodewijk IX)  die de opdracht gaf voor de bouw in 1242.

Een zestigtal treden, uitgehouwen in de rots, brengen je naar de ingang van Sant-Jordi. Wees zeer voorzichtig want de beklimming van deze trap is niet zonder gevaar, zeker bij harde wind. Als het te hard waait, wordt de toegang trouwens afgesloten

Bij helder weer heb je hier een prachtig panorama: de Corbières in het Noorden, de Catalaanse Pyreneeën in het zuiden en de Middellandse Zee in het oosten. Je ziet ook duidelijk het afgetekende silhouet van de ruïne van Quéribus waar we nu naartoe gaan.

Daarvoor keren we terug naar Duilhac-sous-Peyrepertuse en volgen dan de richting Cucugnan. Dit mooie wijndorp werd wereldberoemd door de Franse schrijver Alphonse Daudet en zijn verhalenbundel Lettres de mon moulin (Brieven uit mijn molen). Eén van de verhalen heet Le curé de Cucugnan (De pastoor van Cucugnan) en vertelt hoe pastoor Martin de inwoners van Cucugnan opnieuw in zijn kerk krijgt. In een donderpreek beschrijft hij hoe hij in een droom een bezoek bracht aan de hemel, het vagevuur en de hel en... inderdaad, de hele bevolking van Cucugnan zat in de hel! De preek heeft zo'n impact dat Cucugnan op slag het meest godvruchtige dorp van Frankrijk wordt...

Daudet haalde de mosterd bij de streekschrijver Achille Mir en je kan de beroemde preek gaan beluisteren in het kleine Théatre Achille Mir in het dorp. Je mag er gratis binnen met je inkomticket voor Quéribus.

QuéribusVan Cucugnan is het nog een tweetal kilometer naar de Grau de Maury, een ‘colletje’ van net geen 500 meter hoog. Daar bevindt zich een parking en het onthaalpaviljoen van Quéribus.

Quéribus was de laatste kathaarse vesting die viel en mag dus niet ontbreken op ons programma. De burcht was tot 1255 in handen van Chabert de Barbaira (Xacbert de Barbera), die er een veilig onderkomen boodt aan bons hommes en bonnes femmes. Hij kon vanuit zijn arendsnest het garnizoen in de koninklijke burcht van Peyrepertuse bijna in de ogen kijken. In 1255 moest hij zich overgeven in omstandigheden die vandaag niet helemaal duidelijk zijn en waarin Olivier de Termes, kort voordien van kamp veranderd, een rol speelde. Van een belegering was er nauwelijks sprake en de aanwezige bons hommes en bonnes femmes werden tijdig in veiligheid gebracht.

Van Quéribus rijden we verder naar Maury, een groot wijndorp dat vooral bekend is voor zijn versterkte wijn, een zgn. vin doux naturel. Net zoals de Banyuls, die aan de kust gemaakt wordt, zou je het een Frans alternatief voor Porto kunnen noemen. Het is alleszins een heerlijke dessertwijn, die zelfs krachtig genoeg is om het tegen desserts met chocolade op te nemen.

PuilaurensBij Maury komen we weer op de D117 waar we de richting Quillan nemen.

We rijden hier op de grens tussen Languedoc en Roussillon (of zo je wil Languedoc en Catalonië) en als je weet dat dit tijdens de middeleeuwen de grens met Aragon was, begrijp je meteen het belang van de talrijke burchten in deze streek.

Nabij Lapradelle ligt de volgende op ons te wachten: Puilaurens. En ook al heeft deze plaats geen noemenswaardige rol gespeeld in de strijd tegen de albigenzen, het blijft één van de mooiste overblijfselen van de middeleeuwse architectuur. In het begin van de 12de eeuw was de burcht in het bezit van de familie Fenouillet, vazallen van de graaf van Besalú. Na diens dood werd het gebied samengevoegd met dat van de graaf van Barcelona en later met het koninkrijk Aragon. De burcht komt in handen van vazallen van de koning, de burggraven Trencavel van Carcassonne.

Zeker tot 1246 doet Puilaurens dienst als schuiloord voor bons hommes onder wie Pierre Paraire, de diaken van Fenouillèdes, zoals de streek hier heet. Maar in 1255 blijkt uit een brief van Lodewijk IX dat de burcht zijn eigendom is, al is het niet duidelijk hoe de overdracht precies gebeurd is. Net zoals de andere burchten uit de streek verliest Puilaurens zijn strategisch belang bij het Verdrag van de Pyreneeën in 1659, al blijft ook hier tot aan de Franse Revolutie een klein garnizoen op post.

Puilaurens is met zijn gekanteelde muren en zijn schitterende ligging (697m) misschien wel de mooiste van de ‘kathaarse burchten’, al blijft er ook hier weinig uit die tijd over. Ook deze burcht dateert uit de tweede helft van de 13de eeuw onder Filips de Stoute.

In Lapradelle volgen we de D22. Een kleine kilometer verder ligt het dorpje Puilaurens en de toegangsweg naar de burcht, een indrukwekkend staaltje van middeleeuwse verdedigingskunst in chicane.

Onze tocht zit er bijna op. Via Lapradelle nemen we opnieuw de D117, richting Quillan. In de buurt van Axat komt de Aude ons opnieuw gezelschap houden. Maar voor we Quillan bereiken moeten we eerst nog door een van de mooiste landschappen van de hele tocht: de Défilé de Pierre-Lys. De Aude heeft hier over 1,5 km een 700m diepe kloof in de kalksteen uitgeslepen. De weg daar doorheen krijgen was geen sinecure, die loopt onder overhangende rotsen en door 3 tunnels.

Trou du curéDe man die dat voor mekaar heeft gekregen was pastoor Félix Armand van Saint-Martin-Lys. Van bij zijn benoeming in 1774 ijverde hij voor een doorgang die de toegankelijkheid van de bovenvallei van de Aude aanzienlijk moest verbeteren. Samen met zijn parochianen boorde hij de eerste tunnel die nu nog altijd de naam Trou du Curé (‘gat van de pastoor’) draagt.

In 1784 was de weg door de vallei voltooid. Félix Armand vluchtte tijdens de Franse Revolutie naar Spanje maar kwam in het geheim terug om zijn levenswerk verder te zetten. In 1800 wist hij door zijn inzet, samen met de plaatselijke bevolking, een enorme bosbrand te bedwingen, wat hem de bewondering opleverde van Napoleon.

Na deze indrukwekkende gorges zijn we weer in Quillan, het vertrekpunt van onze tocht.

Overzicht | Rondrit 1 | Rondrit 2 | Rondrit 3