De Kathaarse Religie

De Kathaarse Religie | Woordenlijst | Kathaarse Teksten

Op deze pagina vind je informatie over het ontstaan, de verspreiding en de inhoud van het katharisme.
In de ‘Woordenlijst’ vind je een alfabetisch gerangschikte opsomming van de belangrijkste namen en begrippen met hun verklaring.
Bij ‘Kathaarse Teksten’ vind je een overzicht van alle tot nu toe ontdekte teksten van kathaarse oorsprong.

Ontstaan
Manicheïsme en gnosis
De katharen in de Languedoc
Religie
Waren de katharen wel ‘katharen’?

Ontstaan

Orléans, 1022.
Twee clerici en elf van hun volgelingen worden op de brandstapel gezet.
De beschuldiging: ketterij.
Ze verwerpen de sacramenten, de dogma’s van de Heilige Drievuldigheid en van de menswording van Christus en geloven niet in de verlossing.

Vijf eeuwen nadat ze definitief afrekende met het arianisme heeft de roomse kerk opnieuw te maken met echte ketters. De brandstapel in Orléans is nog maar het begin...

De Ste.-Croixkathedraal van Orléans. (foto: Jean-Marc Morand - www.structurae.net)

Op een aantal plaatsen verschijnen predikers en daar zijn vreemde vogels bij, mannen gekleed in lompen, met een woest uiterlijk, die de bevolking opjutten en in opstand doen komen tegen de praalzuchtige en inhalige geestelijkheid. Zij willen terug naar de échte waarden van het christendom en verwerpen de katholieke sacramenten en dogma’s. De meeste dogma’s werden aangenomen op concilies en hebben weinig te maken met de boodschap van Christus maar alles met invloed en macht. De geloofsbelijdenis van Nicea, verplichte kost voor iedere katholiek, berooft de christenen van elke persoonlijke inbreng binnen het geloof en maakt vooral de Kerk oppermachtig.

De predikers zijn niet echt populair bij de clerus. Onder hen o.m. Ramihrd en Tanchelm in Vlaanderen, Henri de Lausanne in Bordeaux en Toulouse, Robert d‘Arbrissel in Bretagne en Anjou. De bisschop van Rennes beschrijft hem en zijn volgelingen als volgt: “gekleed in beestenvellen, blootsvoets, met wilde ogen en verwarde haren, slechts een knots ontbreekt om de uitrusting van een waanzinnige te vervolledigen, en achter hem een smerige troep dieven en hoeren die zich over het platteland verspreiden en beschuldigingen aan de clerus uiten die niet bedoeld zijn om te prediken maar om te ondermijnen...” Diezelfde Robert d’Arbrissel zal later de invloedrijke orde van Fontevrault stichten...

Naast de individuele predikers ontstaan ook meer gestructureerde gemeenschappen met een eigen hiërarchie en een eigen, soms gnostisch geïnspireerde leer. De bisschoppen weten eerst niet goed wat te beginnen tegen deze nieuwe bewegingen. Ze schrijven angstige brieven naar de paus en naar mekaar; naar de landheren en naar de koning. Aanvankelijk zijn het vooral de machthebbers en de bevolking die ingrijpen, soms zelfs tegen de wil van de bisschoppen. De brandstapel van Orléans is het werk van de Franse koning.

Enkele pausen, waaronder Gregorius VII, trachten het tij te keren door ingrijpende structurele hervormingen door te voeren. Die remmen het succes van de ketterse bewegingen even af maar slagen er niet in ze uit te schakelen, daarvoor is de onmiddellijke impact van de hervormingen op het terrein te beperkt. Het gevolg is dat de kerk harder gaat optreden mét de steun van de wereldlijke heersers. Uit de documenten waarin sprake is van vervolgingen blijkt hoe ruim verspreid de ketterse beweging is: de Champagne-streek, het Rijnland, Vlaanderen, veroordelingen en/of brandstapels in Arras, Utrecht, Châlons, Soissons, Milaan, enz... Steeds lijkt het te gaan om onafhankelijke geïsoleerde gemeenschappen zonder dat er sprake is van een overkoepelend gezag.

Niet alleen de roomse kerk krijgt met ketterij te maken, de Byzantijnse kerk heeft gelijkaardige problemen. Omstreeks het jaar 950 lezen we in de geschriften van de Bulgaarse aartsbisschop Cosmas dat dringend moet opgetreden worden tegen een zekere Bogomil en zijn volgelingen, die een ketterse manicheïsche leer aanhangen. Die beweging situeert zich in het huidige Macedonië (toen een deel van Bulgarije). De ‘bogo-mielen’ zouden beweren dat niet God maar de duivel de wereld heeft geschapen, verwerpen de eucharistie (ze geloven niet in de aanwezigheid van Christus in de hostie), de mis en het kruis. De sacramenten, zoals doopsel en huwelijk, zijn voor hen waardeloos. Kinderen laten dopen die daar zelf niet om gevraagd hebben en die er bovendien de zin nog niet van begrijpen vinden zij onaanvaardbaar. Er is sprake van slechts één sacrament, dat van de handoplegging, waarbij de ‘gelovige’ overgaat naar de rang van ‘uitverkorene’.

De gelijkenis met de latere katharen is onmiskenbaar. Bogomil betekent trouwens ‘vriend van God’, een benaming die ook de katharen zichzelf gaven (église des amis de Dieu). Vanaf de 10de eeuw worden dus zowel de roomse als de oosters-orthodoxe kerken met de opkomst van een nieuwe ketterse dualistische leer geconfronteerd.

Top

Manicheïsme en gnosis

Voor Rome zijn de ketters nieuwe manicheeërs. Het manicheïsme was de leer van de Babyloniër Mani (of Manès) uit de 3de eeuw, die elementen uit verschillende religies samenbracht en o.m. gebruik maakte van gnostische dualistische leerstellingen.

De belangrijkste kerkvader uit de rooms-katholieke geschiedenis, Augustinus, was zelf eerst aanhanger van het manicheïsme, maar heeft het na zijn bekering fel bestreden. Hij deed dat bovendien zeer grondig zodat de Kerk elke nieuwe ketterij die de kop opstak en een beetje gnostisch leek, nog eeuwen later als manicheïsch bestempelde, ook als daar, zoals bij de katharen, totaal geen grond voor was. Op die manier kon zij terugvallen op de geschriften van Augustinus (die niet minder dan tien werken aan het manicheïsme heeft gewijd) om haar zware repressie tegen o.m. de katharen en hun tijdgenoten te rechtvaardigen. Maar de koppeling manicheïsme-katharisme is een geforceerde koppeling. In werkelijkheid hebben de twee niets met mekaar te maken. Het lijdt geen twijfel dat heel wat katharen als manicheeër op de brandstapel zijn beland, zonder dat zij ooit van Mani hadden gehoord.

Gnosis
(of de leer van de innerlijke kennis) was een stroming die zijn oorsprong had in de Egyptische en Griekse mysteriescholen. Het was een geheime leer, enkel toegangkelijk voor ingewijden, die uitging van de innerlijke kracht en kennis van elk individu en gebruik maakte van een aantal systemen zoals men die ook in de Griekse filosofie aantreft. Wanneer die gnostische leer later in contact kwam met het nieuwe christendom ontstond daaruit een christelijke variant (meestal gnostiek genoemd) die vooral in de tweede eeuw nogal wat impact had, zoals de documentenvondst bij Nag Hammadi heeft aangetoond.

De ‘legitieme’ rooms-katholieke kerk heeft de gnostiek altijd als ketterij beschouwd maar is er nooit in geslaagd het gnostische gedachtegoed helemaal uit te bannen. Het is, net als het dualisme zelf, altijd latent aanwezig geweest in de christelijke leer.

De meeste gelovigen zijn er ongetwijfeld van overtuigd dat de rooms-katholieke kerk gesticht is door Jezus Christus maar dat klopt niet. Christus heeft helemaal geen kerk gesticht. De eerste eeuwen van het christendom waren, om het voorzichtig uit te drukken, vrij chaotisch. Er waren tal van strekkingen die dikwijls lijnrecht tegenover mekaar stonden. De ommekeer kwam er pas toen de Romeinse keizer Constantijn, om redenen die meer met politiek en macht dan met religie te maken hadden, het christendom als staatsgodsdienst instelde. Op het concilie van Nicea zou de ‘rooms-katholieke variant’ het pleit winnen. Maar in Nicea werden de beslissingen niet bepaald bij consensus genomen en alle andere strekkingen die hun gedachtegoed moesten afzweren, verdwenen niet plots van de aardbodem. Het is zeker geen toeval dat wanneer rond de millenniumwende allerhande protestbewegingen de kop opsteken, de gnostiek daarbij prominent aanwezig is.

In recente historische studies wordt nog een andere reden aangevoerd waarom de rooms-katholieke kerk vrijwel alle ketterse bewegingen manicheïsch noemde. Door alle dissidente groepen ten onrechte onder één noemer te plaatsen, leek het alsof de Kerk belaagd werd door een machtige tegenstander en kon ze zo haar harde repressie rechtvaardigen.

Top

De katharen in de Languedoc

We mogen dus rustig spreken van een ware vloedgolf van dissidente ideeën die de hele westerse wereld overspoelt rond de millenniumwende, een tijdstip waar door velen angstig werd naar uitgekeken. Een goede illustratie daarvan is de kroniekschrijver Raoul Glaber die de vijf boeken uit zijn Historiarum libri quinque baseerde op de apocalyptische profetie: “En als duizend jaren voorbij zijn, zal Satan uit zijn kerker worden vrijgelaten...” Al moeten we Raoul wel met een grote korrel zout nemen. In zijn The formation of a persecuting society schrijft de Engelse medievist Robert Moore: “Raoul hield zich nog minder dan de meeste van zijn tijdgenoten bezig met wat een moderne mens zich voorstelt bij ‘feiten’, en is dus geen betrouwbaar kroniekschrijver.”

De aanvankelijk wat afwachtende houding van de Kerk verandert snel.
En de repressie is hard, zeer hard...

Behalve in de Languedoc...

Hoewel de ketters aanvankelijk ook in het Italiaanse Lombardije met rust gelaten worden vanwege de wankele politieke situatie en de onenigheid tussen paus en keizer, slagen zij er enkel in de Languedoc in uit te groeien tot een echte ‘tegenkerk’. Waar overal elders in het westen de brandstapels opvlammen gebeurt dat niet in de Languedoc. Vanwaar die opvallende tolerantie in het zuiden?

Daar zijn een aantal redenen voor. Het gebied ligt op een kruispunt van diverse invloeden en culturen. Galliërs, Romeinen, Visigoten, Franken,... ze waren er allemaal en allemaal drukten ze hun stempel op de samenleving. Door de verovering van nagenoeg heel Spanje door de Almohaden komen er contacten met de Islam. Er leven ook grote gemeenschappen joden in de zuidelijke graafschappen. Er zijn de belangrijke Middellandse Zeehavens. Al die invloeden hebben niet alleen voor een grote culturele bloei gezorgd, ze hebben ongetwijfeld ook de plaatselijke bevolking en hun heren verdraagzamer gemaakt en hun geleerd dat begrippen als eerlijkheid en rechtschapenheid geen rooms-katholieke exclusiviteit zijn. Veel joden hebben invloedrijke posities aan het hof van de graaf van Toulouse, elders zou dat ondenkbaar zijn. Tenslotte, en dat is misschien wel de belangrijkste reden, is een groot deel van de landadel (vooral de vrouwen) zèlf aanhanger van de ketterse leer. Al deze elementen samen zorgen ervoor dat de paus met al zijn banbliksems de graven van Toulouse, Foix en Carcassonne nooit zal kunnen bewegen tot een hard optreden tegen de ketters.

Typisch voor die tolerante mentaliteit zijn de vaak georganiseerde openbare debatten. Kathaarse of waldenzische en katholieke geestelijken proberen de aanwezigen en elkaar te overtuigen met theologische argumenten. Speciaal aangeduide scheidsrechters moeten beslissen wie als overwinnaar uit de arena komt. Bij de deelnemers zijn er vaak abten of bisschoppen en onder het publiek bevindt zeer dikwijls de plaatselijke adel. Stel u de verbijstering voor van de noorderlingen die aan de daar heersende repressie gewend zijn.

Wat niet wil zeggen dat er niets wordt ondernomen, de kerk doet wat ze kan. In 1145 wordt één van de ‘grote kanonnen’, Bernard van Clairvaux (de latere Sint-Bernard), naar de Languedoc gestuurd. Hij en zijn gevolg worden er koel ontvangen. In Verfeil verlaten de plaatselijke ridders de kerk als hij hen hun lakse houding verwijt. Bernard volgt hen en wil buiten op het marktplein zijn preek voortzetten, maar de omwonenden maken zoveel kabaal met potten en pannen dat niemand nog een woord verstaat. Veel succes heeft zijn missie dus niet. De kerk zal met zwaardere maatregelen moeten uitpakken en zal dat ook doen.

Saint-Félix-en-Lauragais

Maar zover is het nog niet, voorlopig krijgen de ketters alle kans zich te organiseren en dat doen ze ook. In 1167 wordt in Saint-Félix-en-Lauragais een concilie gehouden dat wordt voorgezeten door Niquinta (of Nicétas), een belangrijke dignitaris die daarvoor speciaal uit Constantinopel is overgekomen. Het concilie creëert vier nieuwe bisdommen. Naast die van Albi en Frankrijk (Champagne) die reeds bestonden, komen die van Toulouse, Agen, Carcassonne en Lombardije erbij. Aan het hoofd van elk bisdom staat een bisschop, geassisteerd door een filius major en een filius minor. Als de bisschop sterft wordt hij door zijn filius major opgevolgd en diens plaats wordt ingenomen door de filius minor. Uit de diakens wordt dan een nieuwe filius minor gekozen. Die diakens staan tussen de bisschop en de gewone bons hommes en bonnes femmes.

Die laatsten vormen de basis van de kathaarse hiërarchie. De bons hommes trekken twee aan twee door het land om te prediken en helpen in ruil voor voedsel en onderdak de boeren op het land of de bevolking in de dorpen. De bonnes femmes leven meestal in kleine werkgemeenschappen in steden en dorpen.

Prediking en rituelen zoals het consolament behoorden aanvankelijk vrijwel exclusief tot de bevoegdheid van de bisschoppen en eventueel diakens. Maar tijdens de repressie, wanneer de beweging in de clandestiniteit moet gaan, zien we ook de gewone bons hommes en bonnes femmes meer en meer deze taken op zich nemen.

Top

Religie

Voor de katharen zijn alle zielen gelijkwaardig, het uiterlijke verschil wordt alleen gemaakt door het stoffelijke lichaam, een verschil dat totaal onbelangrijk is. Mannen en vrouwen zijn gelijk, een bon homme heeft dezelfde rechten en plichten als een bonne femme, beiden kunnen prediken en voorgaan bij religieuze bijeenkomsten. In de rooms-katholieke kerk is zoiets zelfs vandaag nog volstrekt ondenkbaar, laat staan in de middeleeuwen. Toch waren er nooit vrouwelijke diakens of bisschoppen en zijn er weinig getuigenissen over predikende bonnes femmes maar misschien heeft dat ook te maken met de fysieke vereisten van die functies. Voortdurend rondreizen was voor vrouwen in de middeleeuwen niet evident.

Hoe word je een ‘goed christen’? Daarvoor moet je (na een noviciaat) het consolament ontvangen, het enige sacrament dat de katharen kennen. Na het consolament moet je leven volgens strenge voorschriften, je moet eigenlijk een regel volgen zoals die ook bij de katholieke kloosterordes bestaat, je moet huis en familie verlaten, geen seksuele betrekkingen hebben, geen voedsel eten dat uit seksuele betrekkingen voortkomt, geen vlees, geen zuivelproducten (de katharen aten wel vis, men dacht toen dat die spontaan in het water groeide...), je mag geen persoonlijke bezittingen hebben, je moet leven van handenarbeid (bedelen is verboden), je mag geen mensen of dieren schade berokkenen of doden en je mag geen eden zweren.

Verder wordt er van je verwacht dat je de kathaarse boodschap uitdraagt en die wijkt op een aantal punten nogal af van de rooms-katholieke. Zoals de gnostici zijn de katharen dualisten, ze gaan ervan uit dat er twee principes bestaan, je zou het ook twee scheppingen kunnen noemen, met een verschillende oorsprong: de goede geestelijke schepping en de slechte stoffelijke schepping. God is oneindig goed en wie oneindig goed is kan geen slechte dingen doen. Dus kan God niet verantwoordelijk zijn voor het kwade in deze wereld. De ziel behoort tot de ‘goede’ schepping maar bij de val van de engelen zijn een aantal van hen in handen gevallen van het kwade (Satan, de duivel, de demiurg, Rex Mundi,...) en opgesloten in een stoffelijk lichaam dat deel is van de ‘slechte’ schepping.

De ziel is dus van oorsprong goed, want van goddelijke afkomst, maar ze is dat in de loop der tijden ‘vergeten’. Om ze daaraan te herinneren heeft God uit mededogen Jezus Christus naar de aarde gestuurd. Die kwam als boodschapper, niet als verlosser. Christus was geen mens maar een geestelijk wezen, noem het een engel (alles wat van God komt kan alleen maar geestelijk zijn), die slechts de gedaante van een mens had aangenomen. Voor de katharen was het volstrekt ondenkbaar dat God, die oneindig goed was, zijn eigen zoon naar de aarde zou sturen om door zijn lijden en dood de mensen te verlossen van een niet bestaande erfzonde. Het kruis is dus geen symbool van de verlossing maar een verwerpelijk martelwerktuig waarmee gepoogd werd de missie van Christus te saboteren.

Ook de eucharistie wordt door de katharen verworpen. Zij kennen wel de zegening van het brood bij het begin van de maaltijd (als herinnering aan de missie van Christus), maar ze verwerpen zonder meer het idee van de transsubstantiatie waarbij Christus zou aanwezig zijn in de hostie. Het is voor hen ondenkbaar dat God zich in zoiets laags en stoffelijks als een stuk brood zou manifesteren.

De ziel moet zich bewust worden van haar toestand, zodat zij aan de slechte wereld kan ontsnappen. Dat kan alleen door het enige sacrament dat de kathaarse kerk kent: het consolament, waardoor een kathaarse gelovige een ‘goed christen’ wordt. Wanneer iemand overlijdt die het consolament niet ontvangen heeft, kan diens ziel dus niet naar God terugkeren en komt ze in een nieuw lichaam terecht. Dat kan dat van een mens zijn maar ook van een dier (voor wie niet goed en oprecht geleefd heeft). De katharen geloofden dus in reïncarnatie, al moeten we hier aan toevoegen dat over dit aspect van de kathaarse religie niet zoveel bronnen te vinden zijn en er onder historici nog vurig over gediscussieerd wordt. Waarschijnlijk was reïncarnatie geen echt ‘dogma’, maar gewoon een logische consequentie van hun geloof.

Deze leer, waarbij de principes van goed en kwaad altijd naast mekaar bestaan hebben, wordt ook het ‘absolute dualisme’ genoemd, het was de leer van de katharen uit de Languedoc. Daarnaast is er ook een ‘gematigd dualisme’ waarbij het ‘slechte principe’, de duivel, eigenlijk een engel was die zich uit eigen ambitie en uit eigen vrije wil met God wilde meten, daardoor ten val kwam en naar de aarde werd verbannen. Bij het absolute dualisme is er van die vrije wil geen sprake. Dat zgn. gematigd dualisme vinden we terug bij de bogomielen en bij de meeste kathaarse gemeenschappen in Italië. Het duikt ook sporadisch op in de Languedoc tijdens de laatste jaren van de vervolging wanneer de weinige bons hommes die er nog zijn bijna allemaal hun opleiding in Italië gekregen hebben.

Het is ook niet zo dat elke kathaarse gemeenschap tot een van de twee bovengenoemde strekkingen behoorde. Er bestonden nog heel wat tussenvormen. Vermits elke kathaarse gemeenschap onafhankelijk opereerde, waren er, naast gemeenschappelijke kenmerken, soms opvallende theologische verschillen. Een aantal historici spreken daarom vandaag niet meer over ‘het katharisme’, maar over ‘de katharismen’. Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Mas-Saintes-Puelles, een van de belangrijkste kathaarse plaatsen in de Lauragais. (foto: www.thoughtsandplaces.org)

Er is nog een andere reden waarom we voorzichtig moeten zijn met onze interpretatie van het kathaarse dualisme. Het grootste deel van de informatie waarover we beschikken komt uit verhoren en getuigenissen voor de Inquisitie. De inquisiteurs wilden vooral bekentenissen lospeuteren en werkten daarom meestal met standaardvragen, ze werkten gewoon hun lijstje af. Die vragen waren vooral toegespitst op de verschillen tussen de rooms-katholieke en de ketterse leer. Een aantal aspecten van de kathaarse religie, die voor de Inquisitie niet ‘ketters’ genoeg waren, kwamen zo veel minder aan bod.

Top

Waren de katharen wel ‘katharen’?

Het lijkt misschien
een rare vraag maar we willen ons even verdiepen in de oorsprong van het woord ‘kathaar’. Als je de bronnen bekijkt, de middeleeuwse kronieken, de inquisitieverslagen en de kathaarse teksten, valt het meteen op: de katharen worden nergens ‘katharen’ genoemd, wel ‘ketters’ of wat positiever, ‘vrienden van God’, ‘goede mannen’, ‘goede vrouwen’,... Zelf noemen ze zich gewoon ‘christenen’, soms ook ‘ware christenen’.

Toch lees je nog altijd, ook in zgn. vakliteratuur, dat ‘kathaar’ afkomstig zou zijn van het Griekse catharos wat ‘gezuiverd’ betekent. Als dat werkelijk zo is, waarom werd het dan nooit gebruikt? Halverwege de 12de eeuw duikt het woord voor het eerst op in een tekst (een preek) van de Duitse monnik Eckbert von Schönau. Maar Eckbert heeft het over de ketters uit het Rijnland die ‘katharen’ worden genoemd, niet die uit de Languedoc. Het zal nog een halve eeuw duren voor het woord ook opduikt buiten Duitsland. Telkens is het in geschriften van tegenstanders en nooit in verband met de Languedoc. Zo verschijnt rond 1200 een De haeresi catharorum in Lombardia, in 1241 een Adversus catharos en even later Rainerius Sacconi’s Summa de Catharis.

Eén van de (katholieke) theologen die zich toen al boog over deze kwestie was Alain de Lille (Alanus van Rijsel) die in zijn De Fida Catholica (‘Over het katholieke geloof’, Montpellier 1200) o.m. deze verklaring geeft: “Men noemt ze katharen van catus [kat] omdat ze het achterste van een kat kussen...” Dat is dus heel wat anders dan ‘gezuiverd’! Het was Jean Duvernoy die als eerste op deze mogelijkheid wees, daarin later bijgetreden door Michel Roquebert. Katten werden geassocieerd met het satanisme. In het Rijnland en ook in onze streken, werd een kat aanzien als de verpersoonlijking van Satan en de katharen werden op deze wijze gelijkgesteld met duivelaanbidders. Predikten zij immers niet dat de duivel de wereld had geschapen?

Hoe is de benaming dan uiteindelijk toch in verband gebracht met de Languedoc? Eigenlijk is dat een heel recent gegeven. De meeste historici die in de loop der eeuwen over de katharen schreven, ook hun tijdgenoten, gebruikten uitsluitend Albigeois (Albigenzen), naar de stad Albi. Ook de drie grote kroniekschrijvers (Pierre des Vaux-de-Cernay, Guilhem de Tudela en Guillaume de Puylaurens) deden dat, nergens tref je het woord ‘kathaar’ aan in hun werk. Napoléon Peyrat noemt in 1870 zijn opus magnus Histoire des Albigeois en niet Histoire des Cathares.

De eerste die dat wel doet is Charles Schmidt, een Elzasser wiens boek Geschichte der Valdesier und Katharer in het Frans de titel meekrijgt Histoire et doctrine de la secte des Cathares ou Albigeois (1848). Kort daarop worden de katharen ontdekt door de esoterie. De link naar het Griekse catharos is te dankbaar om te laten liggen. Een extra argument vinden ze bij Augustinus die een obscure Afrikaanse manicheïsche secte beschrijft waarvan de leden zich catharoi of ‘zuiveren’ noemden, al leefden die wel 8 eeuwen vóór de katharen...

Kortom, we kunnen rustig besluiten dat het woord ‘kathaar’ in de betekenis waarvoor we het vandaaggebruiken zijn oorsprong niet vindt in de 12de maar in de 19de eeuw.

Iets gelijkaardigs doet zich voor bij het woord parfait of ‘volmaakte’. De kathaarse geestelijken noemden zichzelf niet ‘volmaakten’, maar gewoon ‘christenen’ of ‘goede christenen’. Dat mooie Franse woord parfait is in werkelijkheid afkomstig van de Inquisitie. Iemand die het consolament had ontvangen was voor de Inquisitie een ‘volmaakte ketter’, in het Latijn hereticus perfectus, later ingekort tot perfectus of, in het Frans, parfait.

Intussen zijn deze benamingen zo goed ingeburgerd dat vrijwel alle moderne historici ze, een beetje tegen beter weten in, toch blijven gebruiken als ze het over de ketters uit de Languedoc hebben. Wij dus ook, daarbij steeds in ons achterhoofd houdend dat de katharen zelf het woord ‘kathaar’ niet kenden.

Top

De Kathaarse Religie | Woordenlijst | Kathaarse Teksten