De mythe: Antonin Gadal

Napoléon Peyrat | Antonin Gadal | Otto Rahn | Fernand Niel | Vandaag | Rennes-le-Château

Met de boeken van Napoléon Peyrat is de interesse voor Montségur en de katharen voorgoed gewekt.
Maurice Magre zal later de literaire fakkel overnemen. Zijn boeken (waaronder Le Sang de Toulouse en Le Trésor des Albigeois het bekendst zijn) borduren op hetzelfde thema verder.
En het blijft niet bij Montségur. De verhalen over Lombrives en de grotten van de Sabarthès hebben intussen de link gelegd naar de vallei van de Ariège. Daar zal een onderwijzer uit Tarascon-sur-Ariège een nieuw hoofdstuk aan de mythe toevoegen.

Antonin Gadal

Antonin GadalAntonin Gadal werd geboren in Tarascon-sur-Ariège in 1877. Tijdens zijn jeugd woonde hij in de buurt van de toen al hoogbejaarde Adolphe Garrigou, amateur-historicus en voormalig prefect van de Ariège. Garrigou, die in bepaalde kringen ook ‘de laatste wetende’ werd genoemd, bracht Gadal in contact met de geschiedenis van de katharen, zoals hij die zag. Gadal werd zo als het ware de ‘spirituele zoon’ van Garrigou. Die had ook een echte zoon, Félix Garrigou, die een bekend historicus zou worden en het absoluut oneens was met de opvattingen van zijn vader.

Maar Gadal was gefascineerd door de verhalen en legenden die Garrigou hem vertelde, o.m. over de rol die de grotten in de Ariègevallei zouden gespeeld hebben bij de initiatie van de kathaarse bons hommes. Hij studeerde voor onderwijzer maar die carrière moest hij na een zware verwonding tijdens de eerste wereldoorlog terugschroeven. Daardoor kwam er tijd vrij om zich aan een nieuwe beroepsbezigheid te wijden, die van voorzitter van de toeristische dienst van Ussat-les-Bains, een klein kuuroord ten zuiden van Tarascon.

Adolphe GarrigouDoor die functie werd een jeugddroom vervuld: hij werd conservator van de grotten in de Ariègevallei, waaronder Lombrives. Meegesleept door zijn enthousiasme en met de verhalen van Garrigou in zijn herinnering, was Gadal er vast van overtuigd dat deze grotten van groot belang waren geweest voor de katharen. Volgens hem werd een kathaarse gelovige geen parfait door het consolament alleen, maar moest hij eerst een spirituele proeftijd doormaken, gesymboliseerd door een fysieke tocht doorheen het grottenstelsel van Ussat en Ornolac.

BethléemDeze initiatie, die maanden of zelfs jaren kon duren, eindigde in de Bethléemgrot in Ornolac waar de croyant uiteindelijk parfait werd. Bij deze plechtigheid moest de novice plaatsnemen in een pentagram, uitgehouwen in de wand van de grot.

Waarheid of verzinsel?

De Ariègevallei als spiritueel centrum van de katharen... Op welke bronnen baseerde Gadal zich, welk historisch bewijs bestaat er voor deze theorieën? Het antwoord is kort: geen.

Geen enkele historische bron bevestigt dit verhaal. De grotten van de Sabarthès komen in de middeleeuwse kronieken niet voor. Wel een enkele keer in de ondervragingen van de Inquisitie. De ‘schat’ van Montségur zou er om veiligheidsredenen tijdelijk verborgen zijn. Dat is alles.

AriègevalleiWie met de wagen door de vallei rijdt, zal het onmiddellijk opvallen hoe nauw die is ter hoogte van Ussat. Precies daar vind je die versterkte grotten en dat is beslist geen toeval. Het waren militaire observatie- en verdedigingsposten die de toegang vanuit Aragon naar Foix bewaakten en ze worden in die hoedanigheid ook genoemd in documenten en oorkonden. Er waren kleine garnizoenen gelegerd in opdracht van de graaf van Foix, van een aantal onder hen kennen we de bevelhebber bij naam. Net als de grotere exemplaren van Lombrives en Mas d'Azil hebben ze ongetwijfeld bewoning gekend in de prehistorie, maar tijdens de middeleeuwen hadden ze een totaal andere functie die bij een bezoek snel duidelijk wordt.

En het pentagram in de grot? Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk dat het ooit een rituele functie heeft gehad, maar niet in de periode en de context waarin Gadal dat zag.

Sacntuaire cathareOm pottenkijkers uit de grot te houden werd de toegangsweg in de jaren 1937-1938 versperd door een muur, voorzien van een houten poort die kon afgesloten worden. Op de poort prijkte een geel pentagram met de tekst: Bethléem, Sanctuare Cathare. Het klinkt indrukwekkend maar het is nep. De grot was (en is) in de streek bekend als grotte de l'Hort. De naam Bethléem is eens te meer een verzinsel van Gadal.

De recuperatie van het katharisme

Gadal was niet de enige die zijn persoonlijke interpretatie aan het katharisme gaf. De eerste helft van de 20ste eeuw was een ware bloeitijd voor de esoterie, ook in de Languedoc. Genootschappen en loges rezen als paddestoelen uit de grond. Doordat het historisch onderzoek nog in zijn kinderschoenen stond, was de grens tussen geschiedenis en esoterie ook niet altijd even duidelijk.

Iemand die voortdurend op die grens opereerde was Déodat Roché, een leeftijdsgenoot van Gadal. Roché was een jurist uit Arques die voorbestemd was voor een mooie carrière en achtereenvolgens voorzitter werd van de burgerlijke rechtbanken in Castelnaudary en Béziers, een benoeming die hij weer zou verliezen tijdens het Vichy-regime vanwege zijn vrijmetselaarsverleden.

Déodat RochéDéodat Roché was antroposoof, een volgeling van Rudolf Steiner, die hij ook persoonlijk ontmoette, en zocht naar een hedendaagse spirituele invulling van het katharisme. Het is tekenend voor hem dat hij nooit heeft willen zetelen in een rechtbank die iemand ter dood zou kunnen veroordelen, zoals een assisenhof. Roché was een zoekend mens. De verleiding om hem af te doen als een fantast is dus groot. Maar dat zou onterecht zijn, want hoe paradoxaal het op het eerste gezicht ook moge lijken, Roché is zeer belangrijk geweest voor het historisch onderzoek.

Cahiers d'Etudes CatharesIn 1900, hij is dan 23 jaar, sticht hij een tijdschrift dat aan het katharisme is gewijd: Le Réveil des Albigeois. Het blad verdwijnt weer in 1904. Maar in 1949, hij is dan de 70 al voorbij, doet hij het nog eens over met Cahiers d’Etudes Cathares.

Een esoterisch tijdschrift? Ongetwijfeld, maar het was veel meer dan dat. De kolommen stonden open voor elke strekking en elke mening en de Cahiers hebben gedurende vele jaren ook zeer degelijke historische bijdragen geplaatst. Onder meer René Nelli en Jean Duvernoy (recenter ook nog Michel Roquebert) publiceerden in het blad. Toch was het de fascinatie van Roché voor Rudolf Steiner en het occulte die Nelli en Duvernoy uiteindelijk deden afhaken.

Déodat RochéHet bleef niet bij een tijdschrift, kort daarop volgde ook een vereniging, de Société du souvenir et des etudes cathares, vooral bekend bij de toeristen die Montségur bezoeken door het monumentje bij het begin van de klim dat de Société daar in 1960 onthulde.

Lucienne JulienNa het overlijden van Roché in 1978 (op 101-jarige leeftijd) nam Lucienne Julien, een vroegere medewerkster, aanvankelijk de fakkel over. Maar het respect van Roché voor andere interpretaties was bij haar duidelijk minder aanwezig.

In 1990 publiceerde ze een boek waarin het helemaal terug naar af was. De katharen waren manicheeërs, Montségur was een zonnetempel, enz…

De Cahiers d'Etudes Cathares hielden definitief op te bestaan in 1999, op wetenschappelijk vlak dan al lang voorbijgestoken door Heresis, de uitgave van het Centre d'Etudes Cathares.

Montréal-de-SosVoor Roché, die connecties zag tussen de katharen en de cultus van Mithras, was Montségur niet de belangrijkste kathaarse plaats en ook niet de grotten in de Ariègevallei, daarover was hij het volstrekt oneens met Antonin Gadal. Die eer kwam toe aan de burcht van Montréal-de-Sos in Olbier. In 1932 was daar (ook in een grot) een rotstekening ontdekt die sindsdien al heel wat stof heeft doen opwaaien.

De tekening zou de link leggen tussen de katharen en de graal, de burcht was het hoofdkwartier van een geheime ridderorde en ongetwijfeld de plaats waar de schat van Montségur was naartoe gebracht. Er was geen twijfel mogelijk: Montréal-de-Sos was Montsalvat, de graalburcht!

Sinds 2000 zijn archeologen aan het werk in Montréal-de-Sos en is de ‘mist’ rond de burcht grotendeels opgetrokken. Om de site te bezoeken volg je, vanuit Tarascon-sur-Ariège, de D8 door de vallei van de Vicdessos tot in het dorp met dezelfde naam. Geniet intussen van het landschap, je bent hier vlakbij Andorra en de bergketen die de grens vormt gaat vlotjes over de 2.500m. Je krijgt ook uitzicht op de Montcalm (bekend van het bronwater) die met zijn 3.078m de meest oostelijk gelegen ‘drieduizender’ is. In Vicdessos moet je linksaf, richting Goulier en een paar bochten verder rechtsaf naar Olbier. Parkeer de wagen aan de rand van het dorp.

Montréal-de-SosEen korte wandeling brengt je ter plaatse. Van de burcht zelf blijft niet veel over, maar toch genoeg om te zien dat het geen kleintje was. Ze werd voor het eerst vermeld in de 13de eeuw, ressorteerde onder de graaf van Foix en maakte deel uit van een verdedigingsgordel. Door de gewijzigde politieke situatie raakte ze in de 14de eeuw haar belang kwijt en trad het verval in.

Onder de burcht kan je de ‘graalgrot’ bezoeken met de bekende wandschildering die nu bijna helemaal verbleekt is. Vermoedelijk is ze het werk van een herder die zijn tijd doodde met het kopiëren van de muurschilderingen die hij in het kerkje van Olbier gezien had.

Meer informatie over Montréal-de-Sos staat op de Archeologiepagina.

Antonin Gadal en Déodat Roche waren niet de enige ‘zoekenden’. In een poging om de verschillende opvattingen samen te brengen werd in 1937 zelfs een vereniging opgericht, Les Amis de Montségur et du Saint-Graal, met de schrijver Maurice Magre als voorzitter. Naast Antonin Gadal was ook René Nelli stichtend lid. De vereniging overleefde haar eerste algemene vergadering niet, de standpunten (en de ego's) lagen te ver uit elkaar en ieder ging weer zijn eigen weg.

René Nelli zou uiteindelijk de esoterie definitief de rug toekeren en de basis leggen voor het ernstige historisch onderzoek. In 1981, één jaar voor zijn dood, zou hij, samen met Philippe Wolff, Jean Duvernoy en de steun van het Conseil Générale de l'Aude, zeg maar het provinciebestuur, in Villegly bij Carcassonne het Centre National d'Etudes Cathares oprichten, met Anne Brenon als wetenschappelijke directrice.

De recuperatie van Gadal's ideeën

Ook Gadal had stilaan een zekere reputatie opgebouwd in esoterische kringen waar zijn ideeën op enige bijval konden rekenen. In de streek zelf werd hij wat monkelend, zij het toch met enig ontzag bekeken: die Gadal met zijn rare ideeën...

Antonin GadalDoor die reputatie verschenen er al snel ‘studenten’ op het toneel die hem bij zijn onderzoek kwamen helpen. De bekendste is ongetwijfeld de Duitser Otto Rahn, die de link legde tussen de katharen en de graal. Aan hem besteden we een afzonderlijke pagina. Maar bijvoorbeeld ook uit Zwitserland (Karl Rinderknecht) en Engeland (Walter Birks) kwam er hulp voor het onderzoek.

Walter Birks, die naar Ussat trok in 1937, publiceerde in 1987 een boek, The Treasure of Montségur, waarin hij het onder meer heeft over zijn tijd in Ussat. Hij beschrijft de manier waarop Gadal te werk ging bij zijn opgravingen in de grotten. Zijn belangrijkste ‘vondst’ deed hij in 1939 toen hij in de grotte de l'Ermite twee Egyptische beeldjes ontdekte. Voorwaar een link tussen het oude Egypte en de katharen! Nee hoor, zo zegt Birks, die beeldjes had ik als souvenir voor hem meegebracht van een reis naar Egypte...

BethléemDe Bethléem-grot was volgens Gadal de ‘heilige kathaarse kapel’ waar de novice uiteindelijk parfait werd. De belangrijkste ingang ligt aan de westkant  tegenover een pentagram in de oostelijke muur, een pentagram dat waarschijnlijk op natuurlijke wijze is ontstaan. Links van de ingang was een nis waarin de Heilige Graal werd bewaard en onder het pentagram stond een groot granieten altaar waarop het evangelie van Johannes werd gelegd. Dat het ‘altaar’ daar oorspronkelijk niet stond (Gadal had het buiten op enige afstand van de grot gevonden), deed blijkbaar niet terzake. Om het naar de grot te verslepen waren zes mannen nodig...

de zwaluwduifEn er waren nog meer ‘vondsten’. In 1906 werd in Montségur een beeldje van een duif gevonden dat meteen werd beschouwd als een ‘kathaars object’. Of het dat ook was is eerder twijfelachtig. De vondst werd gedaan tijdens één van de ‘wilde opgravingen’ en het is niet eens duidelijk waar precies. Bovendien moet men goed beseffen dat de kathaarse bewoning  van Montségur slechts 40 jaar heeft geduurd, maar dat er ook voor en na die periode mensen op de pog leefden.

Eens te meer leverde Gadal het ‘bewijs’ voor deze kathaarse link. Ook hij ‘vond’ een duif in een van de grotten, in brons deze keer. Wie goed kijkt zit onmiddellijk dat het eigenlijk een zwaluw is, maar daar had Gadal geen boodschap aan: het was een duif en dus was het kathaars!

Intussen stond Europa in vuur en vlam tijdens deTweede Wereldoorlog. Otto Rahn, uit Frankrijk gevlucht voor zijn schuldeisers, was inmiddels op een vrij geheimzinnige manier om het leven gekomen. Walter Birks, die dienst had genomen in het Britse leger, kwam na de oorlog nog wel terug naar Ussat maar was niet meer zo overtuigd van de waarde van Gadal's ideeën en haakte uiteindelijk af.

In 1955 verschijnen er nieuwe spelers op het toneel. Ze komen uit Nederland en ze zijn met velen! Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri (pseudoniemen voor Jan Leene en Henny Stok-Huyser), die in Haarlem hun eigen rozenkruisersgenootschap hebben opgericht, het Lectorium Rosicrucianum, zijn ervan overtuigd dat de katharen hun spirituele voorouders zijn en zien in de theorieën van Gadal alleen maar een bevestiging van die hypothese.

BethléemZe pakken het groots aan. Er wordt een monument opgericht (het ‘Galaad monument’) en in 1958 wordt een centrum geopend met leeszaal, refter, keuken, slaapzalen, camping én een museum voor de vondsten van Gadal. Het werd het hoogtepunt uit zijn ‘carrière’. Zijn boeken werden in meerdere talen uitgegeven in Haarlem.

Maar na de dood van Gadal (in 1962) dooft het vuur langzaam uit. De rozenkruisers werden altijd al wat argwanend bekeken door de lokale bevolking en na het verdwijnen van Gadal bleven zij wat verweesd achter. In 1968 wordt het ‘Galaad Centrum’ verkocht en omgebouwd tot een vakantiekolonie voor kinderen. Het museum wordt overgebracht naar Gadal's geboorteplaats, Tarascon-sur-Ariège.

Maar de interesse uit Nederland blijft. Ook nu nog. De katharen spelen nog steeds een belangrijke rol in de leerstellingen van het Lectorium Rosicrucianum. En nog steeds worden groepen Nederlandse toeristen rondgeleid in de ‘initiatiegrotten’ van Ussat en Ornolac.

Tegen beter weten in...

Napoléon Peyrat | Antonin Gadal | Otto Rahn | Fernand Niel | Vandaag | Rennes-le-Château