Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2018 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018

lente | zomer

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (vier gewone nummers en een themanummer per jaar) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

14de jaargang – e-Magazine 59 – zomer 2018

De adellijke dynastie van Termes (12de- 13de eeuw)


In de loop der jaren werden heel wat genealogieën over de familie van Termes gepubliceerd. Historicus Guillaume Besse (1645) beweerde dat de dynastie een tak was van de familie van Cerdagne. En ook de genealogie van de familie van Rieux-Minervois (18de eeuw), gebaseerd op de vermenging van elementen geput uit verschillende oorkonden en kronieken en aangevuld met pure verzinsels om het prestige van die familie kost wat kost te onderlijnen, maakt melding van een band met de tak van Termes. Hetzelfde bedenkelijke procédé werd ook toegepast in de genealogie van de familie Mage. De genealogie van de dynastie van Termes, in 1976 op een colloquium voorgesteld door Claudine Pailhès, directrice van de Archives Départementales van de Ariège in Foix, op basis van het archief van de abdij van Lagrasse, is de meest ernstige, maar lijdt wel aan een gebrek aan bronvermeldingen en is bovendien nooit openbaar gepubliceerd. Gelet op die verwarrende studies is het noodzakelijk om de geschiedenis van de dynastie van Termes volledig te herzien. Bovendien beperken de meeste onderzoeken zich tot de figuur van Olivier de Termes, een 13de-eeuwse ridder met een uitzonderlijke persoonlijkheid die een groot prestige genoot. De meeste historici van de middeleeuwse Languedoc hebben wel enkele regels aan hem gewijd, in de eerste plaats Claude Devic en Joseph Vaissète (Histoire générale de Languedoc - 1730-1745), Jean-Pierre Cros- Mayrevieille (Histoire du comté et de la vicomté de Carcassonne - 1846) en meer recent Henri-Paul Eydoux (Les Grandes Heures du Languedoc - 1972). Volgens Fernand Niel en Jordi Costa i Roca was Olivier de Termes dan weer een verrader die zich ten dienste stelde van de Franse koning, Xacbert de Barbaira liet gevangennemen en vervolgens de burcht van Quéribus liet innemen.
–––––
Michel Gybels belicht de belangrijke rol van de adellijke familie van Termes tijdens de Albigenzische kruistocht (1209-1218) en in de geschiedenis van het katharisme in de Corbières en de Razès. Hij baseert zich daarvoor voornamelijk op het studiewerk van Gauthier Langlois die er in 2001 onder meer het boek Olivier de Termes – le cathare et le croisé (vers 1200-1274) heeft aan gewijd.
Gauthier Langlois was destijds verbonden aan het Centre d’Etudes Cathares/René Nelli, dat in 2011 verdween, en is nu bestuurslid van de Association d’Etudes Cathares/René Nelli en van de Société d’Etudes Scientifiques de l’Aude (SESA) in Carcassonne. Momenteel werkt hij aan een nieuwe thesis die specifiek handelt over de ontstaansgeschiedenis van de dynastie van Termes in de loop van de 10de eeuw en die in principe op het einde van 2018 zou moeten afgewerkt zijn.

De cultuurgeschiedenis van ‘handopleggingen’
tot de kathaarse toepassing


De verhandeling ‘De Kerk van God’ is een productie van het Occitaanse katharisme en dateert uit het midden van de 13de eeuw. Het is een authentieke bron, beschrijvend en normatief, waarvan de Belgische romanist Theo Venckeleer in 1960 het kathaarse karakter herkende. Dergelijke neutrale bronnen laten ons toe om het religieuze denken te bestuderen vanuit de eigentijdse beweging. Dat is onmogelijk met andere broncategorieën zoals antiketterse verhandelingen, dito preken, inquisitoriale stukken, verhalende kronieken, stichtende exempla, brieven, etc. De auteur is onbekend. Een en ander laat denken dat een collectief dit opstelde voor intern gebruik.
In het laatste en langste hoofdstuk (§ 11) behandelt deze tekst ‘... het spirituele doopsel met oplegging van de handen waardoor de Heilige Geest wordt gegeven zoals Deze Kerk dat gebruikt ...’ Men spreekt eveneens over het waterdoopsel van Johannes, dat echter slechts een voorbereiding is, zonder enige instorting van de Heilige Geest. Inderdaad, van al degenen die door Johannes waren gedoopt, diende de Heilige Geest pas bij Jezus te komen. De toon is gezet, de waterdoop is volgens deze katharen onvoldoende.

–––––
In de cultuurgeschiedenis is de hand zowat de belangrijkste fysieke schakel tussen de mens als individueel persoon, en de hem omringende wereld van andere mensen en dingen. Het handgebaar met of zonder aanraking van andere(n) is een universeel communicatiemiddel, met tevens een negatieve codificatie van de linkse hand en een positieve van de rechtse. Dit geldt voor alle menselijke culturen op onze planeet ongeacht de tijd. De symbolische waarde en kracht van de hand is navenant. In de iconografie is de hand reeds aanwezig op schilderingen in prehistorische grotten, enigszins zoals een schrijver die over zijn tekst zegt: ‘…van mijn hand’. De handoplegging is gekend in het sjamanisme als geneeswijze. En hoe vaak zien we in middeleeuwse schilderijen bovenaan niet ‘de hand van God’ verschijnen, die zo zijn hand als symbool van macht en zegen op de wereld en schepping legt?
Voor de mens is de kracht en waarde van symbolen hun vermogen om onmiddellijk informatie over te brengen, met een betekenis die de vorm ver te boven gaat. Dergelijke symbolen zijn vaak gekenmerkt door eenvoud en overstijgen taalkundige en culturele grenzen. Willy Vanderzeypen neemt ons mee op een boeiende tocht door de geschiedenis

Juristen contra Inquisitie: de zaak Pèire Aymeric

De tweede helft van de 13de eeuw wordt in de Midi gekenmerkt door de opkomst van het onderwijs en het gebruik van rechtsmiddelen. Aan de universitaire faculteiten van Orléans, Montpellier en Toulouse worden tal van juristen gevormd, zowel experten in burgerlijk recht als in canoniek recht of zelfs in beiden (utrumque jus). Die rechtsgeleerden vinden makkelijk werk als koninklijke officieren, als raadgevers van adellijke heren en prinsen of worden zelfs lid van het kerkelijke korps.
Twee belangrijke en bekende juristen uit die tijd waren Guillaume de Nogaret, afkomstig uit Saint-Félix- Lauragais, die onder meer betrokken was bij het proces tegen de Tempeliers, en Gui Foucois. Die laatste was eerst professor in de rechtsgeleerdheid aan de universiteit van Montpellier, diende vervolgens koning Lodewijk IX vooraleer bisschop te worden van Le Puy, werd dan aartsbisschop van Narbonne en uiteindelijk paus met de naam Clemens IV. Gui Foucois droeg bij zijn benoeming tot paus zijn universitaire graden over aan Bernard de Castanet, de latere bisschop van Albi, vooraleer hem naar Rome te roepen en hem belangrijke verantwoordelijkheden in de Romeinse Curie te geven.
Na 1250 werd de justitie en de administratie de zaak van gegradueerden, specialisten in recht, onder meer omdat de procedures langer en vooral complexer werden, wat blijkt uit diverse zaken waarbij de stad Albi, haar adellijke heren, haar inwoners en de consuls na 1250, en vooral in de periode 1291-1298, betrokken waren. Er is een duidelijke toename van vertragende juridische procedures, van wraking van getuigen en procureurs, en van verdagingen om de processen te laten aanslepen. In die periode zien we ook de toename van het aantal professoren in de rechtsgeleerdheid (legum professores), doctores aan de universiteit van Toulouse (doctores tholosani) en experten-juristen (jurisperiti).

–––––
In verschillende reeds eerder gepubliceerde artikelen in onze e-Magazines hebben we aangetoond dat de vele door de Inquisitie veroordeelde katharen en andere religieuze dissidenten geen enkel juridisch verhaal hadden tegen de uitspraken en veroordelingen van de kerkelijke rechtbanken. Zulks komt onder meer omdat er op geen enkele manier beroep noch cassatie kon worden aangetekend tegen die vonnissen.
Nochtans zijn er toch enkele schaarse gevallen bekend waarbij getracht werd om juridisch in te gaan tegen de Inquisitie. Eén van die gevallen is de zaak Peire Aymeric, waarbij de erfgename van die man getracht heeft om zijn bezittingen, geconfisqueerd wegens ketterij, alsnog te recupereren. In dit artikel staat Michel Gybels stil bij die merkwaardige zaak en maakt hij een analyse van de juridische stappen die werden gezet om het inquisitieproces te contesteren.

De Schaduw van het Kruis – Deel 2

Met een stevige duw in zijn rug ontweek een lachende Alazaïs de grijpende armen van Roger-Bernard d'Auriac. Ze zette haar voeten op de grond en stond snel op van het bed. Ze rekte zich verleidelijk uit. Haar naakte lichaam en de brede glimlach die ze naar haar geliefde stuurde gaven de jongeman de indruk dat de zon in de kamer was opgegaan. Hij beantwoordde haar glimlach en trok dan een pruillip omdat ze hem in de steek liet. Sinds een dag of vijf was dit een steeds terugkerend spelletje dat altijd op dezelfde manier afliep: het meisje keerde terug naar hem. En dan praatten ze met elkaar, ze voerden lange gesprekken. Ze praatten met woorden nadat ze dat uitgebreid met hun lichamen hadden gedaan.
De ridder hield niets voor haar verborgen, niets uit zijn verleden, ook niet zijn liefde voor Alix, en tot zijn verbazing leek Alazaïs geen jaloezie te voelen, hij zag dat als een minder vrouwelijk trekje van haar. Zijn liefde was er alleen maar door toegenomen, want hij twijfelde er niet aan dat ze er zelf voor had gekozen haar gevoelens voor hem verborgen te houden en dat ze in werkelijkheid alleen maar woede voelde telkens de naam van Alix viel. Eigenlijk had ze zo haar zaak gewonnen. Op vijf dagen tijd was er een onverdachte liefde ontstaan tussen de ridder en het meisje. Niets zou die nog kunnen stukmaken, daar was Alazaïs van overtuigd, zelfs niet het onwaarschijnlijke opnieuw opduiken van Alix die, wat haar betrof, meer en meer verdween in de mist van de legende...
De lucht op deze vroege ochtend van de eerste dag van juli 1218 was al warm en kondigde een hete dag aan. “Je hebt me nog niets over je familie verteld,” klaagde hij.
“Oh, ik ben de dochter van een hoer!” antwoordde ze. “En mijn vader is een man, dat staat vast, maar welke?” Ze keek naar het plafond en dan weer naar Roger- Bernard: “Moeder was heel mooi, ze was de populairste tippelaarster van Toulouse... Ze is hier gestorven.” Ze wees naar het bed waarop de ridder lag. “Daar...” Hij sprong op. “Ze was vrijgevig en goed,” ging Alazaïs verder, geamuseerd door zijn reactie, “ze is gestorven in het katholieke geloof en haar ziel is hier nooit teruggekeerd om te klagen.”

–––––
De tweede aflevering van ‘De Schaduw van het Kruis’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, Agenda.

Top

14de jaargang – e-Magazine 58 – lente 2018

Hugh de Lacy, een Ierse graaf in dienst van Simon de Montfort


Via een netwerk van politieke connecties en opmerkelijke parallellen kan het 13de-eeuwse Ierland gelinkt worden aan de geschiedenis van de Albigenzische kruistocht in de Languedoc. Daarbij treedt vooral de figuur van Hugh II de Lacy, graaf van Ulster, op de voorgrond. In 1210 werd hij door de Engelse koning Jan zonder Land verdreven uit Ierland en bracht dertien jaar lang in ballingschap door in de Languedoc, waarna hij zijn Iers graafschap opnieuw kon innemen. Tijdens die jaren van ballingschap, die we in dit artikel volgen, werd hij zelfs aangesteld tot heer van Castelnaudary en van Laurac.
–––––
Dat het leger van Simon de Montfort, de militaire leider van de Albigenzische kruistocht (1209-1218), niet alleen bestond uit Franse troepen bleek reeds uit meerdere studies. Onder meer bij de slag van Montgey in 1211 zette Montfort een korps van Duitse en Friese kruisvaarders in die daar in de pan werden gehakt door het Occitaanse coalitieleger onder leiding van graaf Raimon-Roger van Foix, diens zoon Roger-Bernat en de ridder faydit Guiraud de Pépieux. Er wordt ook melding gemaakt van Vlaamse ridders en huurlingen in het leger van Montfort.
Minder geweten en misschien een beetje merkwaardig is dat ook een Ierse graaf meevocht met Montfort en dat hij door zijn uitzonderlijke militaire prestaties en strategische kennis opklom tot in de hoogste regionen van het kruisleger. Door zijn grote inzet werd hij zelfs beloond met het beheer over Castelnaudary en Laurac. Het gaat hier om Hugh II de Lacy wiens indrukwekkende carrière in de Languedoc Michel Gybels in dit artikel nader belicht.

Het raadsel van de zwevende tekst

Ten prooi aan een vlaag van lichte verbijstering doorbladerde ik het pakketje dicht beschreven bladzijden. Het was mijn eigen handschrift, zoveel was duidelijk. En die titel, wel, in alle eerlijkheid, ik had die ook kunnen bedenken: “God heeft de aarde verlaten”. Maar de ontgoocheling volgde snel, want de naam van de auteur stond erbij: René Nelli. Ik had dus ooit een artikel van René Nelli vertaald en ik herinnerde mij daar niets van.
Hoe dan ook, het origineel moest hier ergens liggen. Ik bewaar immers elk snippertje papier dat ook maar iets te maken heeft met het katharisme. Maar hoe ik ook zocht, nergens vond ik een spoor terug van een artikel, dat, als ik het goed had, onder de titel “Dieu a quitté la terre” ooit het levenslicht zou moeten gezien hebben. Het internet dan maar. Niets. Virtueel proberen het oeuvre van Nelli te raadplegen. Ergens een publicatie in één of ander tijdschrift? Niets.

–––––
Bij toeval ontdekte Mieke Felix dat ze ooit een tekst van René Nelli had vertaald, hoewel ze zich daar niets meer van herinnerde. Uiteindelijk bleek het om het laatste hoofdstuk te gaan uit Les cathares et l'éternel combat, een boek uit 1972. Ondanks het feit dat de tekst bijna een halve eeuw oud is, is deze visie van René Nelli op het dualisme nog steeds boeiend.

God heeft de aarde verlaten

In een artikel dat verscheen in het tijdschrift Synthèses (nr 103, dec 1954) vraagt Edmond Rochedieu zich af hoe het komt dat het manicheïsme, na aanvankelijke successen, toch gefaald heeft. Hij meent dat dat te maken heeft met de twijfel over de uitkomst van de strijd tussen goed en kwaad. Een godsdienst die oproept tot een strijd tegen het kwade principe, moet de zielen die het wil redden ervan overtuigen dat ze gelooft dat het goede principe uiteindelijk de overwinning zal behalen.
Ik denk nochtans niet dat het manicheïsme en het katharisme, voor zover ze zich inspireerden op het dualisme, er ooit van uit zijn gegaan dat het kwaad niet zou overwonnen worden. Maar het is juist dat deze twee godsdiensten geen uiting geven aan hetzelfde beate optimisme dat alle andere kenmerkt in verband met de de werkelijke situatie van de mens in de wereld. Dat wil niet zeggen dat ze hun volgelingen alle hoop ontnamen. Eigenlijk is het katharisme, dat leert dat alle zielen zullen gered worden, geruststellender dan de katholieke leer waarin gesteld wordt dat velen onder ons, wellicht het merendeel, voor eeuwig verdoemd zullen zijn. Katharen en manicheeërs beweren dat er nog niets beslist is. En, alhoewel de overwinning van het goede op het kwade uiteindelijk zal bewerkstelligd worden, toch zal het kwaad niet ten gronde vernietigd zijn.

–––––
Mieke Felix vertaalde het laatste hoofdstuk uit Les cathares et l'éternel combat, een boek van René Nelli uit 1972. Zijn visie op het dualisme mag dan een beetje gedateerd zijn, ze is ook vandaag nog boeiend om lezen.

Het katharisme in de schaduw van de abdij van Sorèze

Sorèze ligt in het departement Tarn en is vooral bekend om zijn indrukwekkende abdij. Bij het begin van de 13de eeuw bestond die abdij reeds vijf eeuwen en werd ze rijkelijk gesteund door de graven van Toulouse en de burggraven van Albi, Béziers en Carcassonne. De grote feodale heren uit de regio genoten mee van haar rijkdom en kregen een deel van haar inkomsten in ruil voor hun bescherming. De machtige heren van het nabijgelegen Rocafort (Roquefort de la Montagne Noire) gingen zelfs in conflict met de abten van de abdij. Ze beklaagden zich erover dat de bewoners van hun leen Berniquaut die plaats verlieten om zich in de stad te vestigen die rond de abdij was ontstaan, waardoor ze inkomsten en opbrengsten van hun landerijen moesten derven bij gebrek aan voldoende werklieden.
Zonder een echt feodaal machtsblok te vormen bleef de abdij heer en meester in Sorèze, zelfs in de loop van de tweede helft van de 12de eeuw die constant verstoord werd door de rivaliteit tussen de graven van Toulouse, de Trencavels van Carcassonne en de graven van Foix. Die strubbelingen zorgden er onder meer voor dat het katharisme zich in Sorèze en omgeving vrij kon ontwikkelen. De monniken van de abdij waren zelfs heel tolerant ten opzichte van de dissidentie, wat later zou resulteren in beschuldigingen van bepaalde auteurs dat de religieuzen helemaal gewonnen waren voor het katharisme.

–––––
In vroeger gepubliceerde artikelen hebben we gezien dat tal van adellijke heren uit de castra in de Montagne Noire, de Lauragais en de Corbières, het katharisme gunstig gezind waren en het zelfs steunden en beschermden. Maar dat een kathaarse gemeenschap zich kon vestigen in de schaduw van een rooms-katholieke abdij, zonder daarbij ook maar enige tegenstand te ondervinden, is wel uitzonderlijk. Michel Gybels zocht het voor ons uit.

De term ‘katharismen’: productie, receptie en exploitatie

Het terminologische voorstel van de Spaanse medieviste Pilar Jiménez- Sanchez om naast het enkelvoud van het woord ‘katharisme’ ook het meervoud te gebruiken, was in Studiecentrum Als Catars reeds lang bekend voor de verschijning van haar boek in 2008. Zij had ons immers enkele jaren eerder welwillend inzage gegeven van haar thesismanuscript, dat ze in 2001 cum laude had verdedigd. Nadien zou Pilar bijna zeven jaar lang haar manuscript voortdurend vermeerderen en actualiseren. Ze verruimde het historische raamwerk van haar thesis en verbeterde de resolutie van de maatschappelijke achtergrond.
We voelden ons betrokken, en dat was haar bedoeling want als jonge en bijwijlen gecontesteerde onderzoekster kon ze de onverwachte steun uit de Lage Landen best gebruiken. Vrij snel volgde een positieve receptie van haar concepten in de kring van het Centre d’Etudes Cathares René Nelli (CEC) te Carcassonne, waarvan Pilar vijf jaar wetenschappelijke directrice was. Tevens was zij in die periode de mederedactrice van het internationale wetenschappelijk tijdschrift Heresis. Zo werden haar ideeën spoedig ruim verspreid, en meestal gunstig ontvangen en verder geëxploiteerd. Reeds in de titel van Heresis nr. 42-43 (2005) staat het meervoud: Catharismes, sorcellerie et dissidences médiévales.

–––––
De meervoudsvorm ‘katharismen’ werd in 2008 ‘gelanceerd’ door Pilar Jiménez-Sanchez in haar boek Les Catharismes. Modèles dissidents du christianisme médiéval (XIIe-XIIIe siècles). Sindsdien wordt dat meervoud ook sporadisch door andere historici gebruikt, al is niet iedereen daar even gelukkig mee. Willy Vanderzeypen geeft een overzicht.

Het dispuut van Montréal: de visie van de kroniekschrijvers

Met de bijeenkomst van Lombers in 1165 werd reeds aangetoond dat het katharisme duidelijk verankerd was in de Languedoc, ondanks de komst van Bernardus van Clairvaux naar de regio in 1145 om de dissidentie door prediking te komen bestrijden. Na de aanstelling van paus Innocentius III in 1198 kwam er een ernstige reactie vanuit Rome, zo volgden er tal van preken en publieke debatten tussen katholieken en katharen met als doel de ‘verdwaalde schapen’ terug te leiden naar de schoot van de roomse moederkerk. Dat bekeringswerk werd in het begin toevertrouwd aan cisterciënzers die de streek doorkruisten om te proberen de ketters op andere gedachten te brengen.
Sleutelmoment is de komst van Dominicus en zijn bisschop Diego van Osma, in juni 1206, naar de regio van Montpellier. Die Castiliaanse prelaten hanteerden een nieuwe methode om de katharen op een efficiëntere manier naar de juiste roomse doctrine te leiden, meer bepaald door zich nederig tussen de mensen te bewegen en zich in te leven in hun leefwereld. Maar hun missie draaide uiteindelijk uit op een patstelling. Telkens ze in discussie gingen met katharen ontmoetten ze een sterke tegenstand waartegen ze met hun argumenten niet konden optornen. Het ging zelfs zo ver dat ze het voorwerp van spot werden.

–––––
Het dispuut van Montréal, dat volgens de meeste bronnen plaatsvond in de lente van 1207, hoogstwaarschijnlijk in de loop van de maand april, kan beschouwd worden als een van de meest betrouwbare en belangrijke bronnen over de geschiedenis en de leerstellingen van het katharisme. We kunnen zelfs stellen dat het hier gaat om de grootste bekende confrontatie tussen de roomse kerk en de katharen. In dit artikel toont Michel Gybels ook aan dat de doctrinale stellingen van het katharisme, die tijdens dit dispuut voor het eerst duidelijk werden omlijnd, ook nog doorwerkten bij de vroege protestanten in de Midi.

De Schaduw van het Kruis – Deel 1

De vrouw werd opgeslokt door de menigte, een nauwelijks te onderscheiden schaduw tussen de andere ochtendschaduwen, op de hoek van een steeg die werd overspoeld door wagens en karren, geladen met wapentuig, vergeten gewonden, balancerend op de grens van leven en dood, en vermoeide soldaten.
Roger-Bernard d'Auriac verstarde. Heel even kwam hij in de verleiding om haar na te roepen, om de vluchtende verschijning te achtervolgen. Maar hij was helemaal niet zeker of hij haar wel echt herkend had... Bovendien bewogen zich binnen de wallen van het belegerde Toulouse zoveel opgewonden, haastige, doodsbange mensen, dat elke poging om haar terug te vinden in die drukte verloren moeite zou zijn. En bovendien had hij het ongetwijfeld mis. Dat kon niet anders. Vorig jaar was de vrouw aan wie hij nu dacht teruggekeerd naar het woud, naar de wolven, de echte deze keer, en zij had geen enkele reden om hier te komen ronddwalen tussen mensen, valse wolven en echte roofdieren... Toch trachtte Roger-Bernard met zijn bloeddoorlopen ogen, resultaat van een gebrek een slaap, in de menigte te kijken, hij stond op de toppen van zijn tenen om er bovenuit te kunnen kijken en probeerde de vluchtende schaduw met de zwarte mantel terug te vinden... Hij realiseerde zich snel dat zoiets verloren moeite was: het anonieme silhouet was verdwenen, opgelost in de menigte, een uitzwermend monster dat bestond uit honderden vrouwen, burgers, ambachtslui, in ijzer geklede soldaten en ridders met helmen en schilden die de verse sporen droegen van harde zwaardslagen. Spoedig zou het een jaar geleden zijn dat de bevolking van Toulouse in opstand was gekomen en zo de Fransen verplicht had de stad opnieuw te belegeren. Sindsdien waren de straten van de oude stad in de greep van oorlog, die woeste krijger met de vele gezichten, het ene nog vermoeider dan het andere door maanden van hevige strijd, en werd het elke dag moeilijker om in deze omstandigheden nog iemand te herkennen. En toch dacht Roger-Bernard d'Auriac dat hij Alix gezien had... Na een korte aarzeling haalde hij zijn schouders op. In zijn gedachten dook ze overal op, bij elke stap die hij zette en zelfs in zijn slaap: mooi en wild verscheen ze in zijn dromen als een verwijt, als een eeuwigdurende pijn. Hij wendde zich af en haalde diep adem. Dit had allemaal geen zin meer. Hij had zich aan de oorlog gegeven. En dat was ongetwijfeld een vrouw die hij beter niet kon dwarsbomen. Hij moest dag en nacht paraat staan voor haar. Haar te kort doen, zijn woord breken of haar in de steek laten betekende zoveel als zichzelf aan haar offeren!

–––––
De eerste aflevering van ‘De Schaduw van het Kruis’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, Azalaïs Trobairitz.

Top

lente | zomer

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018