Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2016 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

lente | zomer | herfst

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

13de jaargang – e-Magazine 56 – herfst 2017

Over het middeleeuwse (en kathaarse) onderzoek
in de 21ste eeuw: crisissen, vorderingen en limieten


In 2003 staken de Duitse mediëvisten hun koppen bij elkaar om zich te bezinnen over hun vak. Waar staan we met het onderzoek van de middeleeuwen? Waar gaan we naartoe? Hun bilan en vooruitzichten vonden een neerslag in de baanbrekende publicatie ‘Mediävistik in 21. Jahrhundert. Stand und Perspektiven der internationalen und interdisziplinären Mittelalterforschung’. Er hing na de eeuwwende blijkbaar een zucht naar vernieuwing van het onderzoek in de internationale lucht. We zijn ondertussen vijftien jaar verder. Ik doe zoiets in dit overzicht nog eens dunnetjes over met een Franse pet op mijn kruin en een persoonlijke insteek.
Na dat Duitse voorbeeld bekeken de Franse historici elkaar en kwamen vier jaar later met een gelijkaardig nationaal congres over de brug. Het thema: ‘Être historien du Moyen Âge au XXIe siècle’. Ze waren blijkbaar wat in slaap gesukkeld want het was sinds 1991 geleden dat ze een panorama van het onderzoek in eigen land hadden opgesteld.
Ondertussen was ook het Studiecentrum Als Catars te Brussel in dezelfde geest opgericht. Hun voorzitter Michel Gybels hielp Gerda en mij in 2005 om ons jaarlijkse colloquium over het katharisme en andere middeleeuwse ketterijen in Deurne te organiseren. Reeds het jaar voordien had het Studiecentrum gezorgd voor de Acta van de tweede sessie in Leuven. Daar zei ook Bram Moerland dat zijn perspectief op de geschiedenis van het christendom danig was veranderd door zijn kennismaking met het middeleeuwse katharisme.

–––––
Niemand zal ontkennen dat het historisch onderzoek naar de katharen en hun religie de laatste decennia in een ware stroomversnelling is terechtgekomen. Het zijn voornamelijk Franse historici die baanbrekend werk hebben verricht en een groot aantal mythes definitief naar de prullenmand hebben verwezen. Heel wat onbekende en soms ook verrassende aspecten van het katharisme zijn daarbij aan het licht gekomen. Dat wil niet zeggen dat de historici het over alles met elkaar eens waren, er was heel wat controverse en er waren soms bitse discussies die vandaag nog altijd de wereld niet uit zijn. Willy Vanderzeypen geeft in deze bijdrage zijn visie op de evolutie van het historisch onderzoek tijdens de voorbije jaren.

Vrouwen en vrouwelijkheid
in het inquisitieregister van Jacques Fournier


De rijkdom aan sociologische gegevens in het inquisitieregister van Jacques Fournier laat ons zelfs toe om complete biografieën van de daarin voorkomende getuigen te reconstrueren, zowel van de mannen als van de vrouwen. We beschikken immers over tal van elementen uit hun privé en intiem leven, zoals gegevens over hun huwelijk, hun concubinaat, hun seksueel leven en hun eventuele overspelige relaties. Alhoewel de meeste vrouwen vrij openlijk over die zaken berichtten, spraken ze zich raar of zelden uit over de perceptie van vrouwelijkheid in het algemeen.
Het is dan ook moeilijk na te gaan hoe ze zich hun intiem leven, hun vrouwelijkheid, hun lichaam en hun lichamelijk leven voorstelden. Zagen ze hun seksueel leven binnen het huwelijk anders dan in concubinaat of in een overspelige relatie? Wat betekende voor hen het typisch vrouwelijk bestaan met zwangerschappen, bevallingen, menstruatie en menopauze? Beschouwden ze dat allemaal als natuurlijke dingen die nu eenmaal deel uitmaakten van hun bestaan of hadden ze soms problemen om hun vrouwelijkheid te accepteren? Tenslotte is het ook nog van belang om na te gaan of ze die existentie strikt fysiek beschouwden of soms linkten aan hun spiritueel leven, hetzij bewust hetzij onbewust.

–––––
Het inquisitieregister van Jacques Fournier is van onschatbare waarde voor de studie van de middeleeuwse samenleving. Anders dan de meeste inquisiteurs beperkte Fournier zich niet tot de standaardvragen en daardoor krijgen we een ongemeen rijk beeld van de middeleeuwse mens. Op basis van dit register publiceerde Emmanuel Le Roy Ladurie in 1975 een lijvige sociologische studie van het bergdorp Montaillou.
In dit artikel staat Michel Gybels stil bij de rol van de vrouw en de perceptie van vrouwelijkheid in het algemeen in de middeleeuwse samenleving met als rode draad het diepgewortelde katharisme.

Albigenzen in Antwerpen

Tijdens de tweede Honderjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk in de 14de eeuw kan de bisschoppelijke stad Albi meestal bloedvergieten vermijden door niet met kanonnen maar met geld te schieten. Diep moeten haar consuls en burgers in hun schatkist graaien om de stad te voorzien van bijkomende militaire verdedigingen. Het huisvesten van benden routiers of het betalen van losgeld om vergeldingen af te wenden kost de Albigenzen fortuinen.
Het zwaarst van alles is echter het gewicht van de koninklijke belastingen. Zo zijn er tussen 1332 en 1343 liefst elf lichtingen, minutieus uitgevoerd door de officieren van de zeer behoeftige Franse koning Filips VI van Valois. Bij laattijdige betalingen lachen zijn officieren er niet mee. Ze laten dan prompt de consuls van de stad opsluiten met als straf een bijkomende geldboete. Bovendien vermindert de bevolking in de stad door allerlei epidemies waardoor de overblijvenden het nog lastiger krijgen om die hoge vaste koninklijke belastingen op te hoesten. Dit alles maakt deel uit van een grondige mutatie van het feodale systeem dat overgaat van een heerlijke administratie naar een koninklijke met een meer permanente fiscaliteit.

–––––
Met deze bijdrage sluit Willy Vanderzeypen zijn reeks over de stad Albi in dit magazine af. En het is een verrassend slot want er blijkt een link te zijn tussen Albi en Antwerpen. Door die link werd het zuiderse ‘Land van Cocagne’ ook bekend in Vlaanderen, Brabant, Holland en Utrecht...

De kathaarse kerk van de Albigeois en haar hiërarchie

Na de eerste sporen in de loop van de 12de eeuw werpen de getuigenissen van kathaarse gelovigen en hun beschermers in de Montagne Noire (de hoofdplaats van het bisdom bevond zich in Hautpoul bij Mazamet) en meer bepaald de verklaringen van de afvallige diaken Sicart de Lunel, licht op de hiërarchie en enkele van haar leden. Het gaat hier evenwel om een periode van slechts twee decennia (1224-1244) vooraleer die hiërarchie zo goed als zeker in ballingschap trok naar Lombardije en de Albigenzische kerk uiteindelijk uitdoofde, wat gesitueerd wordt omstreeks 1285.
Net als de andere Occitaanse dissidente kerken uit de 12de eeuw verschijnt de kerk van de Albigeois voor het eerst in de bronnen naar aanleiding van het zogenaamde kathaarse ‘concilie’ van Saint- Félix-de-Lauragais in 1167. Haar bisschop is dan een zekere Sicart Cellerier die verbleef in Lombers, dat zeker tot aan het begin van de Albigenzische kruistocht in 1209 de zetel was van de kerk van de Albigeois. Sicart Cellerier werd mogelijk voorafgegaan door een zekere Olivier, leider van de sekte van de bons hommes, waarover sprake is bij het ‘colloquium’ van Lombers in 11652. Maar mogelijk gaat het hier over dezelfde persoon omdat de naam ‘Olivier’ doet denken aan een foutieve interpretatie/lezing van de naam ‘Cellerier’ door een verslaggever in Lombers.

–––––
Van de vijf kathaarse bisdommen in de Languedoc is dat van Albi eerder onbekend, niettegenstaande het van de vijf het langst heeft kunnen overleven. Dat komt onder meer omdat de belangrijke inquisitoriale onderzoeken hoofdzakelijk toegespitst waren op het kathaarse bisdom Toulouse en later ook op het bisdom Carcassonne.
Om ons een duidelijk beeld te kunnen vormen zijn we dan ook aangewezen op andere bronnen dan de inquisitieregisters, met name op het bijzonder belangrijke en betrouwbare Fonds Doat dat berust in de Nationale Bibliotheek van Frankrijk in Parijs en de manuscripten 124 en 202 die bewaard worden in het departementaal archief van de Haute-Garonne in Toulouse.
Michel Gybels reconstrueert wat we weten over het kathaarse bisdom Albi en zijn hiërarchie.

De Hand van God – Deel 4

De stoet met Pierre de Castelnau aan het hoofd zocht zijn weg vanuit de buitenwijken naar de burcht toen de legaat tot zijn grote verbazing zag dat de poorten van de burcht nog gesloten waren.
Drie rijen gewapende soldaten, het blazoen van Toulouse op hun tuniek, versperden de doorgang en het was duidelijk dat ze de weg niet zouden vrijmaken zonder het uitdrukkelijke bevel van hun aanvoerder.
De prelaat liet de kolonne halt houden en keek de mannen zwijgend een voor een strak aan. Het was alsof zijn ogen hen een stille waarschuwing toestuurden, een niet mis te verstane boodschap die de Kerk van Rome naar een stelletje ketters zond. En zo bleven de twee groepen gewapende mannen een tijdlang tegenover elkaar staan. Beide kanten omklemden stevig hun lansen en zwaarden en als niemand uit het kamp van Saint-Gilles een teken zou geven om de poorten te openenen, dreigde de situatie zeer snel uit de hand te lopen. De legaat wendde zich tot de ruiter in een grijze mantel die zich achter de soldaten ophield, een rond schild was vastgemaakt aan zijn schouders, hij had zijn zwaard in de hand: “Ridder!” riep hij uit, “zou u de graaf van Toulouse willen verwittigen dat Pierre de Castelnau, legaat van de Heilige Stoel van Rome, hem om een audiëntie verzoekt?”
De ruiter keek hem aan. In het flakkerende licht van de toortsen probeerde hij het gezicht te onderscheiden van de man die hem had toegesproken. Tenslotte antwoordde hij op neutrale toon: “De graaf van Toulouse is op de hoogte van uw aanwezigheid. Wij wachten op zijn orders.”

–––––
De vierde aflevering van ‘De Hand van God’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Voorwoord, Agenda.

Top

13de jaargang – e-Magazine 55 – zomer 2017

Ketterij en Utopie
Hemels model voor de aardse samenleving


“Wanneer je dit boek leest, dan zal je plotseling het gevoel krijgen meegesleept te worden in een andere wereld: zozeer is alles daar nieuw.” Aan het woord is Erasmus van Rotterdam en hij heeft het, in het jaar 1517, over het werk van zijn vriend Thomas More, ‘Utopia’. De invloed van dat boek kan nauwelijks overschat worden. Het werd vergeleken met een visioen zoals Paulus dat beschrijft in zijn tweede brief aan de Korintiërs (2 Kor 12,2-4): een opstijging tot in de derde hemel, een nieuwe goddelijke openbaring.
Van zodra dit ‘gouden boekje’ verschenen is, raakt de term ‘utopie’ ingeburgerd. Het levert ook het rationele kader waarin een aantal dromen die de mensheid is blijven koesteren, vorm krijgen: het verlangen naar een betere wereld. Het verzamelt in één tekst de mythe van een gouden tijdperk in een ver verleden, het fictieve verhaal van een reis naar onontdekt gebied en de sociopolitieke inspanningen om een ideale samenleving op te bouwen naar het model van Plato’s ‘Republiek’. Francis Bacon, auteur van een later exponent van deze utopische traditie, ‘New Atlantis’, zegt dat de menselijke kracht zich uitdrukt in de creatie van nieuwe vormen van kennis die kunnen gerealiseerd worden in de dagelijkse praktijk van het leven.

–––––
Dit artikel is de neerslag van een lezing die de Bulgaarse professor Lidia Denkova hield op een colloquium van het Centre d'Etudes Cathares in 1992.
De lezing ging over Utopia, een ander soort Utopia dan dat van Thomas More, geen model voor een ideale stadstaat die toch ooit eens werkelijkheid zou moeten worden, maar een niet-bestaande plek, een droom die achter de horizon ligt en daar blijft liggen, hoe hard je er ook naartoe rent.
Mieke Felix vertaalde de tekst en schreef een inleiding.

Het katharisme in de Occitaanse stedelijke milieus (1270-1330)

Uit de bewaard gebleven documenten kan afgeleid worden dat de verspreiding van het katharisme in de steden van de Languedoc tijdens de laatste decennia van de 13de eeuw aanzienlijk aan belang had ingeboet, het jaar 1270 was daarbij cruciaal. Het politieke toneel onderging vanaf dan een complete transformatie, enerzijds omdat de ganse regio inmiddels bij het Franse kroondomein was aangehecht, anderzijds omdat de Inquisitie vanaf dan op volle kracht functioneerde en zij onder meer de vele uit ballingschap in Lombardije teruggekeerde katharen grondig aanpakte. Het was ook een periode waarin de economie van de steden na jaren van oorlog terug aantrok en er tegelijk tal van nieuwe monastieke stichtingen van de bedelorden plaatsvonden.
In de regio rond Albi werden tussen 1250 en 1300 niet minder dan dertien nieuwe bastides gesticht op een totaal van zesentwintig. Omstreeks 1320 telde de Languedoc vier steden met meer dan vijf nieuwe kloosters: Toulouse, Montpellier, Narbonne en Carcassonne; zes steden met drie of vier kloosters: Pamiers, Limoux, Béziers, Montauban, Albi en Castres; zes steden met twee kloosters en vijfentwintig met één klooster.

–––––
Voor de studie van het katharisme en de bestrijding ervan door de Inquisitie zijn we hoofdzakelijk aangewezen op de bewaard gebleven inquisitieverslagen, maar om een nog duidelijker beeld te krijgen van de impact van de dissidentie in de Occitaanse stedelijke milieus, moeten we ook een beroep doen op andere parallelle bronnen, namelijk de stedelijke archieven uit die periode.
Er zijn slechts weinig studies bekend die de verschillende aspecten, de impact en de bestrijding van het katharisme in die stedelijke milieus belichten. In dit artikel schept Michel Gybels meer duidelijkheid waarbij de focus vooral ligt op de periode tussen 1270 en 1330 toen het katharisme nog volop floreerde in de steden alvorens het uitdoofde door de intensieve inquisitoriale repressie.

De verdediger van godsdienstvrijheid die ketters verbrandde

“De Utopiërs hebben een levenswijze waarop zich een hechte en gelukkige volksgemeenschap laat baseren. Immers, in het land zijn met andere euvelen ook de wortels van politieke kruiperij en partijschappen uitgeroeid. Zo dreigt dus geen gevaar dat de staat ten gronde zal gaan door binnenlandse tweedracht.
Utopus is het die een primitieve, ruwe bevolking heeft opgevoed tot het tegenwoordige, utopische peil van beschaving – een beschavingspeil dat toch feitelijk nergens ter wereld wordt geëvenaard. Hadden de naburen aanvankelijk gespot met “die ijdele onderneming”, nu stonden zij geslagen van bewondering.”
Thomas More, Utopia (deel 2)

–––––
Met ‘Utopia’ (1517) schreef Thomas More (1478-1517) het eerste moderne filosofisch boek. De moraal en politiek worden niet langer gebaseerd op het christelijk geloof, maar autonoom vormgegeven, wat leidt tot een inhoudelijke verandering: wat betreft de goedlevensethiek wordt genot tijdens het aardse leven het belangrijkste doel van de mens, wat betreft samenlevingsethiek wordt gelijkheid de centrale waarde die vraagt om een communistische en democratische politieke structuur. Modern is ook de godsdienstvrijheid in Utopia.
Een jaar na het verschijnen van ‘Utopia’ publiceert Maarten Luther (1483- 1546) zijn 95 stellingen. Al vlug wordt het nieuwe geloof ook in Engeland gepredikt. Thomas More bestrijdt dit nieuwe geloof. In de periode dat More kanselier is (de hoogste bestuurspost – eerste minister zou je kunnen zeggen), van 1529 tot 1532, worden 6 ketters verbrand, waarbij More drie keer rechtstreeks betrokken is.
Paul Gordyn stelt zich in deze bijdrage dan ook terecht de vraag waarom More protestanten vervolgde, terwijl hij in ‘Utopia’, zijn ideale samenleving, godsdienstvrijheid vooropstelt? Is dit een probleem?

Raimon VII, graaf van Toulouse

In 1224 was Raimon VII nog de grote overwinnaar van de eerste Albigenzische kruistocht, aangevoerd door vader en zoon Montfort, maar enkele jaren later blijkt hij niet opgewassen tegen de tweede onder leiding van achtereenvolgens de Franse koning Lodewijk VIII en diens opperbevelhebber Humbert de Beaujeu. Het verdrag van Parijs, dat hij na zijn nederlaag ondertekent, is de aanzet voor de toekomstige annexatie van de Languedoc door het Franse koninkrijk.
De laatste twintig jaar van zijn leven zal hij verwoed blijven proberen de bepalingen van dat verdrag terug te schroeven of te omzeilen. Het lukt hem niet en de lange en glorieuze Saint-Gilles-dynastie van de Raimons, graven van Toulouse, markiezen van Provence, hertogen van Narbonne, en zo kunnen we nog even doorgaan, dooft met hem uit in 1249.

–––––
Michel Roquebert schetst de levensloop van een van de meest tot de verbeelding sprekende hoofdpersonages uit de geschiedenis van de katharen en de Albigenzische kruistochten: Raimon VII van Toulouse, de verpersoonlijking van de dappere middeleeuwse ridder.
Reeds op zeer jonge leeftijd verslaat hij de kruisvaarders onder aanvoering van vader en zoon Montfort, maar tegen de Franse kroon is hij niet opgewassen. Jarenlang zal hij alles uit de kast halen op militair, strategisch en diplomatiek vlak om zijn bezittingen in zijn familie te houden. Tevergeefs.

De Hand van God – Deel 3

Woedend stormde Alix de burcht binnen, kwaad op zichzelf omdat ze in haar eigen val was getrapt.
Bernart d’Argence volgde haar op veilige afstand. Ook hij was woedend, zij het om heel andere redenen. Grote God, wat had hij dan verkeerd gezegd? Hij probeerde dichter bij Alix te komen om uitleg te vragen, maar tevergeefs, ze was écht boos.
“Jonkvrouw Alix?”
De schrille stem deed het meisje bruusk stoppen... Ze keek naar rechts, naar een smalle slecht verlichte gang. Een zenuwachtige Giovanni stond daar, met een berouwvolle uitdrukking op zijn gezicht, ontzet door zijn eigen brutaliteit. Hij was al drie dagen in Saint-Gilles omdat de bankier Matteo Conti, zijn oom, zaken te regelen had met de graaf van Toulouse en geprofiteerd had van diens verblijf in de Provence om hem te ontmoeten alvorens terug te keren naar Lombardije. En zo sleepte Giovanni zijn magere gestalte al twee dagen van gang naar gang om Alix zoveel mogelijk te kunnen zien, maar haar aanspreken durfde hij niet.
“Jonkvrouw,” hernam hij, fier omdat hij eindelijk deze stap had gezet. Maar plots drong het tot hem door dat hij evenveel angst voor haar voelde als verliefdheid.
Alix staarde hem aan. Dat zo'n ezel haar zelfs maar durfde aan te spreken maakte haar sprakeloos. Eventjes toch. Maar dan hoorde ze Bernart naderen. Ze draaide zich naar hem om en nam met veel vertoon zijn handen in de hare.
“Ach, Bernart!” zei ze, “kijk eens wat voor lelijke beesten er door deze gangen dwalen!” Ze trok de jongeman tegen zich aan en legde haar hoofd tegen zijn borst. Verbijsterd liet de kapitein haar begaan, hij was dolblij met deze onverwachte aanraking, ook al besefte hij heel goed dat het alleen maar haar bedoeling was om Giovanni te kwetsen. Het duurde dan ook niet lang voor ze hem in de ogen keek en fluisterde:
“Is hij weg?
– Alsof zijn schoenen vuur hadden gevat!” antwoordde Bernart. En daar had hij meteen spijt van want Alix liet hem los. Maar hij had niet helemaal verloren, want ze leek toch wat van haar goed humeur te hebben teruggevonden. Ze zuchtte: “De honden van mijn vader waren minder verhangen naar wild dan deze hongerige bankier naar mij.
– Hij is heel rijk...
– ... Dom als een boog zonder pijl... En heel lelijk.
– Geld, zo zegt men tenminste, komt in de plaats van schoonheid.”

–––––
De derde aflevering van ‘De Hand van God’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Voorwoord, Agenda.

Top

13de jaargang – e-Magazine 54 – lente 2017

De orde van de dominicanen in Toulouse


De eerste dominicaanse religieuze gemeenschap werd gesticht op 25 april 1215 in Toulouse, in de entourage van de Spaanse kanunnik Domenico de Guzman, en vervolgens door paus Honorius III bevestigd op 22 december 1216 onder de naam ‘predikheren’ (Lat. Ordo Praedicatorum, afgekort O.P.).
In het licht van de opkomst en verspreiding van het katharisme zal de latere heilige Dominicus, na een periode van ruim tien jaar bekeringstochten in de regio, zijn project officialiseren en bestendigen. Nadat de orde aanvankelijk gevestigd was in een huis dat hen was geschonken door de rijke Tolozaanse koopman Pierre Seilhan, het Maison Seilhan in de buurt van het Justitiepaleis van Toulouse, besloten de dominicanen om enkele jaren later te verhuizen naar een groter gebouw dat vandaag het ‘klooster van de Jacobijnen’ wordt genoemd.

–––––
Naar aanleiding van de achthonderdste verjaardag in 2016 van de stichting van de orde der dominicanen in Toulouse, organiseerde de bibliotheek van die stad een prestigieuze tentoonstelling van unieke middeleeuwse manuscripten, incunabelen en gedrukte boeken, afkomstig uit de rijke bibliotheek van het dominicaanse klooster van de Jacobijnen.
Samen met de andere bestuursleden van de Association d’Etudes du Catharisme/René Nelli bezocht Michel Gybels de tentoonstelling die bestond uit een dertigtal manuscripten, met grote zorg geselecteerd uit die rijke collectie en waarvan er een aantal voor het eerst aan het publiek getoond werden. Deze documenten, die vele eeuwen met oorlogen, vernielingen en confiscaties hebben doorstaan, vormen vandaag een historische getuigenis van formaat.

‘Al cap dels sèt cents ans verdejerà lo laurel’

Het is een prachtige, zonnige herfstdag. De toegangswegen naar het anders zo stille dorpje aan de voet van het kasteel van Montségur, laatste bolwerk en symbool van het kathaarse verzet, zijn afgezet, auto’s worden niet toegelaten. Gewapende gendarmes wachten de bezoekers op: mannen worden gefouilleerd, vrouwen worden met een detectieapparaat gescand en moeten de inhoud van hun tas laten controleren. Ook in het dorp is overal blauw op straat, de veiligheidsmaatregelen zijn streng. Toch is de sfeer ontspannen, verwachtingsvol. Naar schatting duizend mensen willen getuige zijn van een waarlijk historische gebeurtenis. Voor veel inwoners van de Ariège is deze zwarte periode uit hun geschiedenis verweven met hun identiteit, er zijn nog talloze rechtstreekse nakomelingen.
–––––
Over zevenhonderd jaar zal de laurier weer bloeien! Deze profetische woorden, die de herleving van de Occitaanse cultuur voorspelden, worden toegeschreven aan Guilhem Bélibaste, de laatste priester van de katharen. Geen ketters, maar christenen die zich afzetten tegen de katholieke kerk die haar geestelijke taak steeds meer verzaakte in haar streven naar wereldlijke macht en rijkdom. Bélibaste werd op 24 augustus 1321 levend verbrand op de binnenplaats van het kasteel van aartsbisschop Bernard de Farges van Narbonne in Villerouge-Termenès. Bijna 700 jaar (695 om precies te zijn) later heet onze regio Occitanie en heeft Jean-Marc Eychenne, bisschop van Pamiers, vergiffenis gevraagd voor het onmenselijke leed dat zijn kerk de katharen heeft aangedaan. Ankie Nolen was er bij.

Graaf Raimon VI en de hospitaalridders van Toulouse

In één van de oude wijken van Toulouse bevindt zich de voormalige residentie van de commanderij van de hospitaalridders van Sint-Jan van Jeruzalem, die later werd omgevormd tot de grootpriorij van de ridders van Malta. De gevel van het statige gebouw, daterend uit de 17de eeuw, is nog steeds te bewonderen in de rue de la Dalbade, tegenover de gelijknamige kerk. Achter die gevel zijn er nog belangrijke historische resten bewaard gebleven, die tot meer dan zeven eeuwen terug kunnen gedateerd worden. Vooral de overblijfselen uit de 13de eeuw, de glorietijd van de Occitaanse Raimondijnse dynastie van de graven van Toulouse, zijn van bijzonder grote waarde. De stoffelijke resten van een aantal grootmeesters van de orde van Sint-Jan van Jeruzalem rusten in de tweede zijkapel van de kerk van La Dalbade, waaronder ook die van de stichter van de orde in Toulouse, broeder Gérard Tenqué (1099).
–––––
In zijn artikel ‘De houding van de religieuze militaire orden bij het kathaarse conflict’, verschenen in
e-Magazine nr. 27 van februari 2012, had Michel Gybels het al kort over graaf Raimon VI van Toulouse en diens relatie met de hospitaalridders in die stad. Tot voor kort kon niet expliciet worden bewezen dat die relatie ook effectief bestond en hoe we ze moeten interpreteren. Dankzij doorgedreven historisch en archeologisch onderzoek kunnen inmiddels de puntjes op de i worden gezet en worden er heel wat concrete feiten aangevoerd.

Arnaldo van Brescia, een dissident in het hart van het Heilige Roomse Rijk

Arnaldo was een leerling van de beroemde Franse filosoof en theoloog Petrus Abaelardus en hij werd er dan ook van beschuldigd de dwalingen van zijn meester te volgen. Verder schuift men hem tal van foutieve theorieën over het doopsel van kinderen en de eucharistie in de schoenen. Wat zijn theologische ‘afwijkingen’ ook mogen geweest zijn, in de ogen van de Kerk was zijn ware misdaad de energie waarmee hij de gebreken van de katholieke clerus aan de kaak stelde en de leken er toe aanzette om hun bezittingen en privileges, die de Kerk hen had ontnomen, terug in bezit te nemen.
Arnaldo was er diep van overtuigd dat het kwaad binnen de christenheid te wijten was aan de wereldlijke tendensen binnen de rooms-katholieke clerus, waarbij hij stelde dat de Kerk geen wereldlijke goederen mocht bezitten en zich ook niet mocht bemoeien met enige vorm van rechtspraak, maar dat ze zich uitsluitend mocht toeleggen op haar spirituele functies.
Het Tweede Lateraans Concilie van 1139 zorgt ervoor dat Arnaldo zijn revolte, die hij in de Lombardische steden had ontketend, moet temperen. De Kerk probeert hem het zwijgen op te leggen maar hij weigert te plooien, waarop paus Innocentius II4 hem het jaar daarop in 1140, volgens de decreten van het concilie van Sens, samen met zijn meester Abaelardus veroordeelt. Ze krijgen beiden een gevangenisstraf en hun gecontesteerde geschriften moeten worden verbrand.

–––––
In de loop van de 11de en 12de eeuw waren er heel wat voorstanders van een religieuze hervorming die de rooms-katholieke kerk terug naar haar oorspronkelijke zuivere kern van het apostolische christendom zou leiden, wars van materiële rijkdom en wereldlijke verplichtingen of bemoeienissen. De meesten onder hen balanceerden op de dunne draad tussen rechtgelovigheid en ketterij.
Wat echter ongezien was in die tijd was de rechtstreekse aanval tegen al die uitspattingen van de rooms-katholieke kerk in Rome zelf, en wel door een zekere Arnaldo van Brescia (1090-1155). Het waren niet zozeer zijn theologische doctrines die voor de nodige opschudding zorgden, maar wel de kracht van zijn aanvallen, gericht tegen het pausdom en de katholieke clerus, die hij in het centrum van de christenheid ontketende om het apostolisch ideaal terug voorop te stellen. Voor de roomse kerk was hij dan ook één van de grootste promotors van de ketterij en het door hem voorgestelde programma zorgde van de laagste tot de hoogste echelons binnen de Kerk voor zowel een sociale als een regelrechte kerkelijke revolutie.

Languedoc-Roussillon + Midi Pyrénées = Occitanie!

Op 25 november 2014 besluit de Franse Assemblée Nationale na een verhit debat dat het aantal regio’s op het vasteland van Frankrijk – France métropolitaine - met ingang van 1 januari 2016 zal worden teruggebracht van 22 naar 13.
In de overzeese gebiedsdelen - blijft alles bij het oude. Om dit te bereiken zijn regio’s samengevoegd, zodat bijvoorbeeld Aquitaine, Limousin en Poitou-Charentes nu verder gaan onder de naam Nouvelle Aquitaine en Languedoc-Roussillon en Midi-Pyrénées onder de naam Occitanie (Occitània). Bedoeling is dat de regio’s meer bevoegdheden en middelen krijgen.

–––––
Regio's samenvoegen is één ding, een nieuwe naam en een nieuw logo kiezen is nog wat anders. Ankie Nolen overloopt de gebeurtenissen en kijkt ook naar de historische 'roots' van de nieuwe regio.

De familie Pennautier: het verhaal van een Occitaanse dynastie

Het veelbewogen parcours van de familie Pennautier begint in 1125 wanneer haar dynastie nauw betrokken raakt bij de entourage van burggraaf Bernat-Aton IV van Carcassonne en eindigt tijdens de jaren die volgen op de val van Montségur en de definitieve overgave van Raimon Trencavel in 1247, waarbij de Pennautiers hun eigen castrum verliezen en vluchtelingen worden.
In het begin van de 12de eeuw is de adel in de Carcassès zo verdeeld dat burggraaf Bernat-Aton IV er niet in slaagt om aan de lokale aristocratie zijn autoriteit op te leggen. Het gaat soms zelfs zover dat de inwoners van Carcassonne openlijk partij kiezen voor zijn rivaal, de graaf van Barcelona (in 1107, 1112 en 1120). In het Liber feudorum major is er een akte van trouw bewaard gebleven waaruit blijkt dat maar liefst 485 homines de Carcassona in die woelige periode trouw zwoeren aan graaf Ramon Berenguer III. Daaruit blijkt dat Carcassonne nog niet klaar was om de Trencavels gunstig te ontvangen. Op 24 augustus 1120 bereikt het conflict zijn climax wanneer de inwoners van Carcassonne opnieuw weigeren de stadspoorten te openen voor de burggraaf en ze de nieuw gevormde coalitie rond de graaf van Barcelona, de graaf van Foix, de burggraaf van Narbonne, de graaf van Rodez en zelfs de graaf van Poitiers vervoegen. Pas na drie jaar slaagt de burggraaf, op dat ogenblik geallieerd met graaf Alphonse Jourdain van Toulouse, de graaf van Comminges en de koning van Aragon, er in om zijn stad terug te veroveren. Burggraaf Bernat-Aton IV probeert vervolgens om de meest invloedrijke adellijke families uit de Carcassès en de Lauragais aan zijn kant te krijgen, waaronder die van Laure, Saissac, Laurac, Hautpoul en Rocafort. Onder de zestien vertrouwelingen die belast worden met de bewaking van de stad en haar voorsteden, vinden we in april 1125 voor de eerste keer de naam van een zekere Roger de Podio of Pennautier terug.

–––––
De adellijke heren van Pennautier, nauw gelieerd aan de burggraven Trencavel van Carcassonne, hebben gedurende de twintig jaar durende Albigenzische kruistocht (1209-1229) een heel belangrijke rol gespeeld in dat conflict met de Franse kroon en de paus van Rome. Ze waren bovendien ook nauw betrokken bij de vruchteloze poging van Raimon Trencavel junior om in 1240 Carcassonne terug in te nemen tijdens de zogenaamde Occitaanse Reconquista.
De Pennautiers waren ook zo goed als overal aanwezig op de talrijke slagvelden in de zuidelijke graafschappen en burggraafschappen en onderhielden bovendien heel wat contacten met kathaarse gemeenschappen, met de entourage van koning Pere II van Aragon in 1213 en met tal van ridders faydits waarmee ze samen streden om te trachten een einde te maken aan de vele raids van Simon de Montfort en zijn troepen en later aan die van zijn zoon Amaury, de belegeringen van de Franse koning en de pauselijke Inquisitie.
In dit artikel gaat Michel Gybels dieper in op de belangrijke rol van de dynastie van de Pennautiers en wordt hun indrukwekkend parcours door de turbulente 12de en 13de eeuw op de voet gevolgd.

De Hand van God – Deel 2

Het silhouet van Carcassonne verscheen plots in het gezichtsveld van de ridder. In het bleke ochtendlicht boven een dik mistgordijn leek de vesting op een Chinese schim, een verschijning uit een andere wereld. Deze maand, januari 1208, had de sneeuw, nog meer dan de vorige jaren, een ijzig en vochtig tapijt over het land uitgestrekt alsof hij het wou verstikken. De grond was wit, de lucht loodkleurig, de horizon hield op achter Carcassonne, het was een burcht aan het einde van de wereld, kouwelijk vastgeklonken aan een losgeslagen eiland, heen en weer geslingerd door de bleke golven van een grenzeloze oceaan...
Pèire-Rogier de Cabaret keek naar de machtige citadel zoals hij dat al zo dikwijls had gedaan, de vesting droeg de sporen van alle invloeden die ze had moeten ondergaan, van alle doortochten. Romeinen en Visigoten hadden hun torens achtergelaten, massief of slank, hun poorten, smal maar soms ook heel breed. Heel wat merkpunten en constructies, stevig verankerd in de muren, waren onmiddellijk herkenbaar, de recentste waren het werk van de huidige burggraaf Raimon-Roger Trencavel. Sommige van die constructies zouden ongetwijfeld eventuele aanvallers afschrikken: torens en muren droegen stevige houten galerijen die duidelijk nog nieuw waren. De stadspoorten waren gesloten. Boven het dak van de Tour Pinte wapperde de banier van Trencavel. Carcassonne leek geen zin te hebben om te ontwaken, teruggeplooid op zichzelf op de top van de heuvel, als een rustige draak die overtuigd is van zijn kracht en die niemand uit zijn ijzige slaap zou durven wekken.

–––––
De tweede aflevering van ‘De Hand van God’, een historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, Agenda, Azalaïs Trobairitz.

Top

lente | zomer | herfst

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017