Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2016 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

voorjaar | juni | september | december

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

12de jaargang – e-Magazine 49 – voorjaar 2016

René Nelli en het moderne onderzoek naar het katharisme


In de jaren zestig van vorige eeuw maakte het grote publiek voor het eerst kennis met het werk van de filosoof René Nelli uit Carcassonne over het katharisme en de troubadours. Hij publiceerde dan voor het eerst in één deel en in een Franse vertaling de zeldzame op dat ogenblik beschikbare teksten van kathaarse origine, en bood zo iedereen een directe toegang tot de bronnen van de dissidentie. De publicatie van Écritures cathares in 1959, dat onder meer de transcriptie bevat van het kathaarse theologische traktaat van Giovanni de Lugio, het Liber de Duobus Principiis, heel belangrijk voor het filosofisch denken van Nelli, werd al gauw gevolgd door een aantal andere werken over het katharisme.
–––––
René Nelli was ongetwijfeld de belangrijkste grondlegger van het historisch-wetenschappelijk onderzoek naar de katharen zoals we dat vandaag kennen. Hij heeft een aantal opmerkelijke publicaties op zijn naam staan en was ook de drijvende kracht achter de oprichting van het Centre d'Etudes Cathares in Carcassonne, het toonaangevende onderzoekscentrum dat na zijn dood zijn naam kreeg.

Het katharisme in Caunes-Minervois

Anders dan voor een aantal andere regio’s in de Languedoc bevatten de inquisitieregisters slechts heel beperkte informatie over de geschiedenis van het katharisme in Caunes-Minervois. De enkele relevante vermeldingen beperken zich tot de eerste helft van de 13de eeuw. Andere bronnen over het katharisme in die regio zijn documenten afkomstig uit koninklijke registers uit die tijd. Kopieën daarvan zijn te vinden in het Fonds Doat van de Nationale Bibliotheek van Frankrijk in Parijs.
Maar Caunes heeft hoe dan ook een belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen het katharisme, zo werd daar in 1226 de kathaarse bisschop van de Carcassès, Pèire Isarn, op de brandstapel gezet. Tien jaar later vestigde inquisiteur Ferrer, die we vooral kennen van de ondervragingen van de overlevenden van Montségur, zich in de abdij van Caunes en leidde van daaruit zijn inquisitietribunaal tegen de ‘ketterse verdorvenheid’. En op het einde van de 13de eeuw stond Caunes opnieuw in de spotlights door de banden die de abt van Caunes, Pierre de Pelages, zou gehad hebben met het katharisme. Meer dan genoeg redenen dus om de geschiedenis van Caunes-Minervois eens nader tegen het licht te houden.

–––––
Onze kennis over de katharen en hun religie is grotendeels afhankelijk van de geschreven bronnen, akten, oorkonden, enz. En natuurlijk ook van de soms zeer gedetailleerde registers van de Inquisitie. Maar van die registers is slechts een beperkt deel bewaard gebleven en dat heeft zo zijn gevolgen voor de plaatselijke geschiedenis. De verdeling is zeer ongelijk: over de ene plaats weten we heel wat meer dan over de andere. In deze bijdrage gaat Michel Gybels na welke informatie we uit die beperkte bronnen kunnen halen over de geschiedenis van het katharisme in Caunes-Minervois.

De razzia op Montaillou (1308-1309)
volgens het register van Jacques Fournier


De gebeurtenissen die in 1308-1309 in Montaillou en omgeving plaatsvonden zijn bijzonder goed gedocumenteerd dankzij het levenswerk van Jean Duvernoy (1917-2010), die in 1965 het driedelige ‘Le registre d’Inquisition de Jacques Fournier, 1318-1325’ in een Latijnse editie publiceerde bij uitgeverij Privat in Toulouse, in 1978 gevolgd door een eveneens driedelige Franse vertaling.
Het grote publiek leerde Montaillou kennen door de bestseller van Emmanuel Le Roy Ladurie. ‘Montaillou, village occitan’, verscheen in 1975 bij uitgeverij Gallimard en werd al spoedig een wereldwijde bestseller. De Nederlandse vertaling werd in 1984 uitgebracht onder de titel ‘Montaillou – een ketters dorp in de Pyreneeën 1294-1324’, door uitgeverij Bert Bakker, en kende inmiddels maar liefst 21 herdrukken. Daarmee werd het katharisme heel ruim onder de aandacht gebracht, alhoewel sommige onderzoekers het werk van Emmanuel Le Roy Ladurie eerder beschouwen als een antropologische/sociologische studie over het leven van de boerenbevolking in de boven-Ariège in het begin van de 14de eeuw.
De gebeurtenissen die het dorp Montaillou zo nadrukkelijk in de schijnwerpers hebben geplaatst, kunnen voornamelijk gereconstrueerd worden aan de hand van het inquisitieregister van bisschop Jacques Fournier, samengesteld tussen 1318 en 1325, en zoals gezegd geannoteerd en uitgegeven door Jean Duvernoy, en in mindere mate ook door enkele overgeleverde fragmenten uit het register van inquisiteur Geoffroy d’Ablis uit Carcassonne, die de raid op Montaillou in 1308-1309 orkestreerde.

–––––
Het inquisitieregister van Jacques Fournier, achtereenvolgens bisschop van Pamiers en Mirepoix en later paus Benedictus XII in Avignon, brengt de middeleeuwen weer tot leven. In tegenstelling tot de meeste van zijn collega's beperkte Fournier zich tijdens zijn ondervragingen niet tot een vast vragenlijstje, maar liet hij de getuigen en beschuldigden uitgebreid aan het woord. Op basis van zijn register reconstrueerde Emmanuel Le Roy Ladurie het dagelijks leven met al zijn intriges in het bergdorpje Montaillou. Ook op basis van inquisitieregisters (Geoffroy d'Ablis, Bernard Gui en Jacques Fournier) schreef Anne Brenon drie romans over de familie Maury uit Montaillou. De eerste daarvan, over Guillelma Maury, verschijnt momenteel in afleveringen in het e-Magazine. ‘Het leven zoals het was’ in de middeleeuwen...

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 8

In haar goedzittende jongenskleren voelt Guillelma zich alsof ze vleugels heeft. Ze kan veel vlotter stappen, zo zegt ze, als ze niet voortdurend verstrikt raakt in haar rokken. De reis verloopt opgewekt. Een vreemd gevoel van vrijheid kriebelt in haar benen en vervult Guillelma met een vrolijke opwinding. Deze tocht zal mogelijk enkele reis zijn. De zichtbare wereld stopt bij de bergen waar het land van Guillelma ligt en daar brengt zij Bernat naartoe. Daarna mag het ongeluk toeslaan indien het wil, maar nu opent haar leven zich zoals deze nieuwe lente... waarvan ze misschien het einde niet meer zullen meemaken.
Ze trekken zo weinig mogelijk door de dorpen of langs grote wegen om ontmoetingen te vermijden, zeker met schildwachten of bewakers van tolhuizen. Wat zou er gebeuren als die Guillelma van te nabij zouden aankijken, als ze de kap die haar haren verstopt zouden neerslaan? Tot aan de Lantarès kent Bernat de veiligste passages. Daarna zullen ze moeten vertrouwen op de goede gelovigen. Ze doen hun schoenen uit en trekken hun broek tot boven de knieën om de rivieren droog te kunnen oversteken. Soms worden ze toch nat door het opspattende water en barsten dan in lachen uit. “Lach niet zo hard, Guillelma, mijn jongere broer moet niet lachen als een meisje!” Guillelma kijkt dankbaar naar Bernat, haar metgezel tot in het diepste van hun zielen, tot aan de poorten van het Koninkrijk. Hij staat rechtop in het ochtendlicht, mager en getaand, een gezicht van staal, een blik vol vuur. En schuddebuikend van het lachen – het is lang geleden dat Guillelma hem nog zo heeft horen lachen.

–––––
De achtste aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Editoriaal, Agenda, Azalaïs Trobairitz.

Top

12de jaargang – e-Magazine 50 – juni 2016

Montségur na de brandstapel


Op 28 mei 1242 overnachten inquisiteurs Guillaume Arnaud en Etienne de Saint-Thibéry in de burcht van Avignonet, een versterkte plaats in de Lauragais. Dezelfde nacht dringt een gewapend commando, met de hulp van medeplichtigen uit de stad, de burcht binnen. De inquisiteurs en hun gevolg worden omgebracht, de daders verdwijnen in de nacht. Het commando wordt aangevoerd door Pèire Roger de Mirepoix, medeheer en militair opperbevelhebber van Montségur...
De raid kadert in een plan van graaf Raimon VII van Toulouse om een nieuwe opstand tegen de Franse bezetter te ontketenen, de slachtpartij in Avignonet is tevens het startsignaal voor zijn bondgenoten. Maar de gebeurtenissen werpen ook een bijzonder licht op de positie en de houding van Pèire Roger de Mirepoix.

–––––
Het verhaal van de overgave van Montségur is bekend: er wordt een wapenstilstand van twee weken overeengekomen. Na die twee weken zal het castrum worden overgedragen aan de seneschalk. Alle kathaarse bons hommes en bonnes femmes die weigeren hun geloof af te zweren zullen sterven op de brandstapel, daarover doet de seneschalk geen enkele toegeving, dat kan hij zich ook niet permitteren. Alle andere bewoners van de pog zullen zich vroeg of laat moeten melden bij de Inquisitie om een verklaring af te leggen. Voorlopig gaan ze vrijuit. Of toch niet..? Marc Bogaerts gaat na wat we weten over het lot van de bewoners van Montségur na de overgave.

Het katharisme in Caunes-Minervois

De zogenaamde ‘Terre du Maréchal‘ is de heerlijkheid Mirepoix zoals die in de 13de eeuw was samengesteld ten voordele van Gui I de Lévis, trouwe compagnon van Simon de Montfort. Het was een van de grootste heerlijkheden, ontstaan uit de Albigenzische kruistocht (1209-1218), die in de loop der tijden altijd in handen van dezelfde adellijke familie, die van haar stichter, is gebleven en zulks tot op het einde van het Ancien Régime, waardoor ze tot de grootste adellijke domeinen van de ganse Languedoc gerekend wordt. De familie de Lévis ging later over in de adellijke tak de Lévis-Mirepoix, waarvan de laatste telg, Antoine de Lévis-Mirepoix, vierde baron van de dynastie, in 1981 overleed op 96-jarige leeftijd.
–––––
In dit artikel bekijkt Michel Gybels de geschiedenis van de belangrijke adellijke familie de Lévis in de 13de en 14de eeuwse Languedoc. Als ‘wapenbroeder’ van Simon de Montfort kwam Gui de Lévis met de kruistocht tegen de katharen naar de Languedoc. Maar in tegenstelling tot de andere baronnen vestigde hij zich definitief in het zuiden en mocht hij van de Franse koning zijn veroverde gebieden behouden. Het boeiende verhaal van een familie die tot ver in de 20ste eeuw in de Languedoc aanwezig was...

Een Vriendentwist

Toen Jean Duvernoy in 1965 het inquisitiedossier van Jacques Fournier publiceerde, betekende dat, voor sommigen althans, een nieuwe start in de studie van het katharisme. Voor hen die het Latijn niet machtig waren, was het nog even wachten op de Franse vertaling (1978). Maar ondertussen was ook Duvernoy’s lijvige studie in twee delen verschenen over religie en geschiedenis van het katharisme (1976 en 1978). Het was duidelijk dat er vanaf nu met andere ogen zou gekeken worden naar de grootste ketterij uit de middeleeuwen. De band met het manicheïsme werd doorgeknipt en, nee, het katharisme was geen duistere zelfmoordsekte en, ja, natuurlijk waren het christenen. Eén vraag bleef overeind en wachtte op verder onderzoek, die naar de link met het Oost-Europese bogomilisme. En in het kielzog daarvan: kende het katharisme een georganiseerde structuur? Was het, met andere woorden, een heuse tegenkerk, die bovendien west en oost met elkaar verbond? Cruciaal in de bewijsvoering was het document dat de geschiedenis is ingegaan als de Oorkonde van Niquinta of Charte de St. Félix. Wanneer de authenticiteit ervan kon aangetoond worden, dan was daarmee in één klap ook bewezen dat het bogomilisme en het katharisme intense contacten hadden onderhouden. Wellicht behoorden ze zelfs tot eenzelfde kerkgemeenschap. De discussie duurt nog altijd voort.
–––––
Als inleiding op het volgende artikel (van Bernard Hamilton) schetst Mieke Felix de omstandigheden waarin het tot stand kwam. Het was een tijd waarin heel wat nieuwe inzichten over het katharisme werden gepubliceerd, met verhitte discussies tot gevolg.

Invloed van het bogomilisme op de ketterij in het Westen

Bob Moore en ik hebben elkaar voor het eerst ontmoet in 1971. Toen ik midden in het academisch jaar ziek werd, nam hij met de hem zo eigen vriendelijkheid mijn lessen over in de Special Subject Class en trok elke week van Sheffield naar Nottingham om er les te geven over de katharen – en dit naast zijn eigen academische bezigheden. Op dat ogenblik was hij materiaal aan het verzamelen voor The Origins of European Dissent en wanneer we het daarover hadden, ontdekten we al snel dat we radicaal van mening verschilden omtrent de authenticiteit van het Saint-Félix document. De eerste editie van zijn boek verscheen toen mijn artikel over de zaak nog in druk was. Ik mocht een appendix toevoegen aan zijn werk, waarin ik kort uitlegde waarom ik geloofde dat dit document wel degelijk een oorspronkelijke bron was.
Bob is van nature eerder een scepticus en, zoals de middeleeuwers al wisten, scepticisme kan een waardevolle stimulans zijn bij grondig onderzoek naar de waarheid. Gregorius De Grote zei ooit dat de twijfel van de heilige Thomas omtrent de verrijzenis van meer waarde was voor toekomstige christenen dan het geloof van alle andere apostelen samen. Voor ons allemaal, die werkzaam zijn in het veld van de kathaarse studies, was Bobs kritische houding ten aanzien van de algemeen aanvaarde consensus ongelooflijk belangrijk – een consensus die gebaseerd was op een tamelijk zwakke bewijsvoering. Wij werden wakker geschud en beseften dat we zorgvuldiger de bronnen moesten gaan observeren. Uiteraard was dit een goede zaak voor het onderzoek.

–––––
Is het katharisme een westers verschijnsel, of waren er banden met de bogomielen? Volgens de akte van Niquinta (of Nicétas) waren die banden er wel degelijk, maar dat document werd (en wordt) niet door alle onderzoekers als authentiek aanzien. De Engelse historicus Bernard Hamilton geeft in dit tweedelige artikel zijn visie over de zaak. Mieke Felix vertaalde.

Het vierde concilie van Lateranen

De ochtend van 11 november 1215 verzamelen 412 prelaten, meer dan 800 abten en priors, een duizendtal geestelijken en edelen die hun zaak komen bepleiten, een groot aantal ambassadeurs die koningen, keizers en stedelijke consulaten vertegenwoordigen, in totaal 2.483 personen, zich in Rome voor het portaal van de kerk van Lateranen, beter bekend als de basiliek van de Allerheiligste Verlosser. De drukte is zo groot dat de aartsbisschop van Amalfi in het voorportaal omkomt door verstikking.
In zijn openingstoespraak stelt de paus een van de meest prestigieuze universele vredesprojecten voor die ooit door een leider van het christendom werden ontwikkeld. Maar de daaropvolgende debatten zetten de aanwezigen zeer vlug terug met beide voeten op de grond. Toen hij in april 1213 met een encycliek het conilie bijeenriep, besefte Innocentius III maar al te goed de enorme omvang van zijn taak. De toestand in het Heilig Land, de betrekkingen tussen christenen en joden, tussen religieuzen en leken, tussen Rome en de Griekse christenheid, de overvloed aan nieuwe religieuze orden, de handel in relikwieën, het was zijn bedoeling om duizend en één vragen en problemen op te lossen, van clandestiene huwelijken tot onterechte excommunicaties, van verduistering van bisschoppelijke budgetten tot dronkenschap bij de geestelijken. Kortom, een enorme onderneming van morele hervorming en consolidatie van het kerkelijk recht.

–––––
Tijdens het vierde concilie van Lateranen wordt o.m. getracht orde op zaken te stellen na de wat uit de hand gelopen kruistocht tegen de Albigenzen. Michel Roquebert schetst de manier waarop wordt omgegaan met de ontstane tweespalt tussen de rechten van de graaf van Toulouse en de veroveringswoede van Simon de Montfort.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 9

De goede man Pèire Sans die, alvorens zijn broeder in Christus te worden, zijn beste vriend was geweest, had de Oudste Pèire Autier in Verlhac ingelicht over de dood op de brandstapel van zijn zoon Jaume. De oude man, die slecht ter been was, onderwees er zijn novice Sans Mercadier in het boerderijtje van Bertran Sallès aan de oever van de Tescou, voorlopig nog een veilig onderkomen. Hij was moeizaam opgestaan, was dan op zijn knieën gevallen en had zich lange tijd verloren in een stil gebed. Zijn blauwe ogen leken uitgedoofd.
Daarna had hij zich weer tot zijn oude vriend gewend, ook hij zat op zijn knieën naast de twee ontstelde novicen en was met gesloten ogen in gebed verzonken: “Mijn zoon naar het vlees is teruggekeerd naar het hemelse vaderland. Hij is teruggekeerd naar de enige ware Vader. Onze Kerk heeft in deze wereld een goed christen verloren. Indien God het wil zullen anderen hem vervangen voor het heil van alle zielen.”
En dan had de Oudste zijn novice Sans Mercadier gevraagd of hij bereid was het doopsel van boete en wijding van de goede christenen te ontvangen. Of hij bereid was om op zijn beurt de weg van de apostelen en de matelaren te volgen. De jongeman had hem aangekeken, zijn gezicht omgeven door een aureool van rode haren, en geantwoord dat, als God het wou, hij daartoe bereid was.

–––––
De negende aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Brief van de voorzitter, Agenda.

Top

12de jaargang – e-Magazine 51 – september 2016

De Kerk en haar ketters


Het is niet eenvoudig om de christelijke, of christelijk-geïnspireerde ketterijen in kaart te brengen. Theun de Vries heeft er jaren geleden een indrukwekkende studie aan gewijd – indrukwekkend zowel qua omvang als wat betreft het beoogde doel. Hij bekijkt het fenomeen vanuit een zeer persoonlijke hoek, als belangstellende leek, zoals hij zelf zegt. Ketterijen geven uiting aan de begrijpelijke en gerechtvaardigde woede van een arme en miskende populatie, voor wie het in de loop der eeuwen steeds duidelijker werd dat het met de mond beleden geloof in het evangelie niet met de praktijk van de Kerk overeenkwam. En daarnaast is er ook die andere prangende vraag, de theodicee. Hoe is het mogelijk dat een rechtvaardige en goede God het kwaad kan toelaten in zijn schepping?
Ketterijen betekenen volgens de Vries een verrijking. Een Kerk die geen oor heeft voor dissidente stemmen verdort en sterft af. Maar toch scheen men dat niet begrepen te hebben. Ketters zijn afgewezen, vervolgd, gefolterd en verbrand. Slechts af en toe ging men met hen in discussie.

–––––
“Een wereld zonder ketters is er een van verstarring en conformiteit.” Dat is een citaat van Theun de Vries uit zijn omvangrijke studie ‘Ketters. Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht’ (Amsterdam, Querido, 1998). Ook kerkjurist Rik Torfs is die mening toegedaan, zoals bleek uit zijn lezing op ons colloquium in 2010. In dit arftikel gaat Mieke Felix op onderzoek: Wat maakt een ketter een ketter? Waarom zijn die ketters zo belangrijk voor de Kerk en waarom reageert diezelfde Kerk er telkens zo heftig en gewelddadig op?

Barthélemy de Carcassonne en Vigouroux de la Bacone

Op 1 mei 1223 verzoekt kardinaal Conrad van Porto, legaat van de Heilige Stoel in de Albigeois en in Bourgogne, de Franse koning Philippe-Auguste om een concilie van het Franse episcopaat te organiseren met als doel de uitbreiding van de ketterij een halt toe te roepen. Als hem ter ore komt dat de kathaarse ‘paus’, die binnen de grenzen van Bulgarije, Kroatië en Dalmatië zou verblijven, een legaat naar de Languedoc heeft gezonden, een zekere Barthélemy, stuurt Conrad reeds op 2 juni een uitnodiging naar alle Franse prelaten om zich op de feestdag van de Heilige Petrus en Paulus naar Sens te begeven om over de kwestie te overleggen.
–––––
In januari 1208 werd de pauselijke legaat van Innocentius III, Pierre de Castelnau, vermoord, meteen de aanleiding tot het uitroepen van de Albigenzische kruistocht (1209-1218). Niettegenstaande die bloedige kruistocht bleef de kathaarse kerk in de Languedoc overeind en breidde zich zelfs nog verder uit, zodanig zelfs dat de roomse kerk genoodzaakt was verregaande maatregelen te treffen. In dit artikel gaat Michel Gybels dieper in op de tussenkomst van kardinaal Conrad van Porto in het ketterse dossier en in de marge daarvan volgen we het parcours van twee belangrijke kathaarse historische figuren: Barthélemy de Carcassonne en Vigouroux de la Bacone.

Katharen in het stripverhaal

Ook al bekleden ze sinds jaar en dag een belangrijke plaats in onze literatuur, toch worden ze door veel mensen nog steeds niet voor ‘vol’ aanzien: stripverhalen. Toch wagen we ons vandaag aan een zoektocht naar strips over het leven van de katharen. We zijn daarmee niet de eerste, want reeds in 1994 ging Marie-Claire Viguier dieper in op dit thema op een colloquium over Montségur dat werd georganiseerd door de Archives Départementales van de Ariège, in samenwerking met het Centre d'Etudes Cathares uit Carcassonne en de gemeentebesturen van Foix, Tarascon en Montségur. Uiteraard lag de focus daar vooral op de Franse stripwereld, maar het onderwerp werd wel met de nodige ernst behandeld. We mogen ook niet vergeten dat de bekende onderzoeker Michel Roquebert zelf het scenario schreef voor twee stripverhalen van Gerald Forton.
Maar wij gaan dus op zoek naar strips over de katharen in het Nederlands, ook al zal het in de meeste gevallen over een vertaling uit het Frans gaan. En we gaan het ons ook niet té gemakkelijk maken, we gaan ook even kijken of de auteurs wel voeling hebben met het onderwerp. En daarvoor gaan we na of ze ook iets te vertellen hebben over de kern van het kathaarse geloof, het enige ‘sacrament’ van de katharen: het consolament.

–––––
De katharen zijn in de stripwereld geen onbekenden, zoals blijkt uit deze bijdrage van Chris Cordemans. In verscheidene bekende reeksen die zich afspelen in de middeleeuwen wordt naar hen verwezen. Bovendien zijn er een aantal stripreeksen waarin zij de hoofdrol vertolken. En wat voor sommigen ongetwijfeld een verrassing zal zijn:ook in de bekendste Vlaamse stripreeks ontmoeten we katharen...

Invloed van het bogomilisme op de ketterij in het Westen (II)

Katharen lijken niet bijzonder geïnteresseerd te zijn geweest in hun eigen geschiedenis. In zijn traktaat ‘Adversus Catharos et Valdenses’, de meest gedetailleerde contemporaine studie over het fenomeen, besteedt de geleerde dominicaan Moneta di Cremona aandacht aan de oorsprong van de kathaarse beweging, maar veel informatie schijnt hij niet gevonden te hebben. Hij vertelt ons dat de katharen het gezag van de paus niet aanvaardden omdat de door Petrus en Paulus gestichte oorspronkelijke kerk van Rome vernietigd was ten tijde van de vervolgingen. De pausen waren volgens hen ook niet de opvolgers van Petrus, maar van Constantijn de Grote, die de westelijke gebieden had geschonken aan paus Sylvester I. Daarnaast verzekert hij ons dat katharen hun geloofsleer hebben samengesteld uit het werk van de Griek Pythagoras, de joodse Sadduceeën, de valse leraar Mani, de ketter Tatianus en de gnostische Valentinianen.
Er zijn nauwelijks bronnen terug te vinden over hoe het katharisme West- Europa bereikt heeft. Uiteraard kenden katharen hun eigen recente geschiedenis wel: zij die, onder het bewind van Henry II, in Oxford voor de rechtbank werden gebracht, wisten dat ze afkomstig waren uit Vlaanderen of het Rijnland. Geen enkele kathaarse gemeenschap in het Westen claimde een stichting door de apostelen, of een vroeg-christelijke oorsprong. Pas wanneer de Keulse katharen ondervraagd werden in 1143, zeiden ze dat hun geschiedenis terugging tot het tijdperk van de martelaren en schetsten ze hun oorsprong in de Byzantijnse wereld

–––––
Deel II van het artikel van Bernard Hamilton over de banden tussen de bogomielen en de katharen. Ook nu zorgde Mieke Felixvoor de vertaling.

De monniken in Septimanië en de strijd tegen het adoptianisme (8ste eeuw)

Op uitnodiging van de ‘Académie des Arts et des Sciences’ de Carcassonne hield historicus André Bonnery onlangs een boeiende lezing over het adoptianisme in de 8ste eeuw in de Midi. Spreker beschouwt die dissidente geloofsstrekking als een van de eerste vormen van ketterij in het toenmalige Septimanië en ziet die tevens als wegbereider voor latere ketterijen zoals het katharisme en het valdeisme, die in de middeleeuwse Midi een gunstige voedingsbodem vonden.
Met de verdwijning van de Visigoten uit de Languedoc- Roussillon komt het adoptianisme in deze contreien op gang als een vorm van dissidente christologie. Deze geloofsstrekking wordt vooral gesignaleerd in de regio rond Narbonne en deint op het einde van de 8ste eeuw uit richting Spanje, onder impuls van bisschop Felix van Urgell. De dissidentie werd hevig bestreden door Karel de Grote, die er ook in zou slagen om ze vrij snel van de kaart te vegen, niettegenstaande ze vooral door de hogere klasse van de bevolking werd gepraktiseerd.
De bevolking van de Midi was reeds vanaf die vroege tijden bijzonder tolerant voor spiritueel andersdenkenden, wat vanaf de 12de tot en met het begin van de 14de eeuw zou resulteren in de quasi algemene aanvaarding van het katharisme en het valdeisme, niet alleen door de gewone bevolking, maar zeker ook door de plaatselijke adel die deze alternatieve geloofsstrekkingen eveneens omarmde.

–––––
Het adoptianisme is een vorm van christendom waarbij Jezus Christus niet de zoon van God was die een menselijke gestalte had aangenomen, maar een mens die door God als zijn zoon was ‘geadopteerd’. Deze opvatting werd door de rooms-katholieke kerk als ketterij beschouwd.In dit artikel gaat Michel Gybels dieper in op de geschiedenis van het Spaanse adoptianisme uit de 8ste eeuw en de strijd van de monniken uit Septimanië tegen die religieuze dissidentie.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 10 (slot)

Eind oktober 1309 werd Guillelma Maury, uit Montaillou, naar Carcassonne gebracht. Onder de striemende grijze regen verscheen het silhouet van de indrukwekkende stad dreigend aan de horizon, benam de hele horizon. Maar Guillelma besefte dat er voor haar geen horizon meer bestond. Ze kon hoogstens wat tijd winnen, maar waarop kon ze nog hopen? Een zwak meisje van twintig, ziek van uitputting, maakt geen enkele kans om te ontkomen aan de macht van de Inquisitie met haar ketens, haar ijzerbeslagen deuren, haar stenen gewelven, haar gewapende wachters en haar waakzame dominicanen. Een voortvluchtige voor ketterij, vriendin en bode van de ketters, kan niet meer ontsnappen aan de ondervragingen, vonnissen en veroordelingen van een inquisiteur van Rome. Guillelma was niet meer in staat, ze had er ook geen zin meer in, om te bedelen voor een sprankeltje leven dat onmiddellijk weer zou oplossen in pijn en verdrukking. Een bespottelijk uitstel dat ze zou moeten betalen met verklikkingen en afzweringen.
Ze werd eerst naar de woning gebracht van Monseigneur Geoffroy d’Ablis, inquisiteur van de ketterse verdorvenheid in Carcassonne. Naar het huis van de Inquisitie, in de religieuze wijk van de bovenstad, achter de Saint-Nazairekathedraal waar een gonzende bouwwerf voor vergroting en verfraaiing moest zorgen, achter het oude kerkhof waar de vonnissen werden uitgesproken, onder de toren van de bisschop, aan de rand van de walmuur. Het huis van de Inquisitie, dat hoog uitstak boven de laagvlakte, de oevers van de Aude, het sombere gebouw van de Muur en het strand waar de ketters werden verbrand, had zijn eigen toren, zijn geplaveide zalen, zijn trappen, zijn kerkers. Guillelma werd tussen twee wachters binnengebracht. In de verte, waar de walmuur een bocht maakte, zag ze, door een opening in de mist en de wolken, Montréal, afgetekend in de zonsondergang. En het witte licht van de Pyreneeën in het zuiden.

–––––
De tiende en laatste aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Vooraf, Azalaïs Trobairitz.

Top

12de jaargang – e-Magazine 52-53 – december 2016

Ze hebben nooit bestaan, of wat dacht u?


Begin deze maand vlogen enkele ongeruste mails heen en weer tussen de Languedoc en de Lage Landen. “Daar gaan we weer,” was zo’n beetje de teneur. Er was een reeks artikelen verschenen in het tijdschrift ‘L’Histoire’ over het katharisme. Of liever: over het niet-bestaan van het katharisme. ‘t Is dat ze in Frankrijk ons studiecentrum niet kennen, denk je dan even in een vertwijfelde poging tot humor, ze zouden wel anders piepen. Het duurde bovendien nog even voor we het gewraakte tijdschrift in handen kregen, want alle Franse tijdschriften komen niet perse deze richting uit. Maar uiteindelijk is het dan toch gelukt.
De frontpagina waarachter het dossier schuilgaat, laat er geen twijfel over bestaan: katharen en katharisme zijn een perfide uitvinding van de katholieke kerk die op zoek was naar een vijand die te vuur en te zwaard moest worden bestreden, om haar aldus toe te staan haar hegemonie – in politiek en religieus opzicht – definitief te vestigen. De aloude hypothese van Robert (Bob) Moore dus? Inderdaad. In een uitgebreid interview met deze Britse historicus wordt hier dieper op ingegaan.

–––––
Eventjes waren ze van de radar verdwenen, maar nu zijn ze weer helemaal terug: de deconstructionisten. Nee, de katharen hebben nooit bestaan, ze zijn een uitvindsel van de Kerk. Dat ze daarmee het jarenlange historisch onderzoek van tientallen gerenommeerde historici uit binnen- en buitenland negeren, zonder tegenargumenten, doet blijkbaar niet terzake. Zoals Mieke Felix deze korte eerste reactie afsluit: we komen hier zeker nog op terug.

De startblokken van de westerse katharismen

Laat ons daar niet langer over twijfelen: het middeleeuwse katharisme is een vrucht van de 12de-eeuwse renaissance. Hoofdacteurs voor de start van het historische fenomeen zijn de klerken in de jonge stadsscholen voor hoger onderwijs. Deze klerken worden echter na 1100 snel geconfronteerd met een meer opdringerig rooms primaatschap. De hardwerkende curie verbetert en ‘internationaliseert’ het kerkelijk rechtssysteem tot een hoeksteen voor de pauselijke macht. De paus promoot een centralisatieprogramma dat niet langer strookt met de bisschoppelijke collegiale modellen. De klerken zien hun kerkelijke vrijheid ernstig beknot en allerlei geldstromen veranderen. Meerdere willen niet weten van een pontificale monarchie opgelegd door Rome en gaan zonder verpinken over tot een mobilisatie.
Voor hun kritisch andersdenken vinden deze kanunniken gehoor in alle sociale klassen van bloeiende handelssteden. In die periode zijn dergelijke plaatsen vooral te vinden in het Maas- en Rijnland3, in de Franse koninklijke zone met aanpalende graafschappen4 en in Italië. Hun scherpe protestprediking tegen de verwereldlijking van de roomse kerk gaat er tijdens hun bijeenkomsten bij de aanwezigen in als zoete koek.

–––––
In e-Magazine nr. 18 van augustus 2010 verscheen een artikel van Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen met als titel: ‘Een sociologische en economische verklaring voor het begin van het kathaarse experiment in Zuid-Frankrijk’. Deze bijdrage sluit daar nauw bij aan.

De heren van Penne d'Albigeois en de kruistocht

Afkomstig uit een oude adellijke familie, waarvan reeds sporen terug te vinden zijn rond het jaar 1000, zien we dat de heren van Penne d’Albigeois in een tijdspanne van enkele decennia in de 12de eeuw, al tweemaal van suzerein veranderd zijn wanneer ze op 5 februari 1213 een nieuwe feodale eed afleggen voor hun castrum in handen van koning Pere II van Aragon. In de loop van de 12de eeuw legden eerdere generaties uit de dynastie van Penne al feodale eden af bij de burggraven van Béziers.
Gelegen in het grensgebied tussen de Albigeois, de Quercy, de Toulousain en de Rouergue, bevond het castrum van Penne d’Albigeois zich in het hart van de strubbelingen tijdens de grote meridionale oorlog. De adellijke familie bleef de ganse duur van het conflict trouw aan de Trencavels van Carcassonne terwijl hun buren, de burggraven van Saint-Antonin, partij kozen voor Toulouse, maar dat heeft de goede relaties tussen beide families niet vertroebeld. In februari 1213 zien we immers burggraaf Isarn van Saint- Antonin, die ook ‘mede-heer’ was van het castrum van Penne, de feodale eed van trouw zweren aan de koning van Aragon.

–––––
Als we de Albigenzische kruistocht (1209-1218) belichten, leggen we de focus meestal op de Aude, de Roussillon en de gebieden van de graven van Foix. Nochtans waren er ook nog tal van andere regio’s en adellijke heren bij die kruistocht betrokken, zoals onder meer de heren van Penne d’Albigeois wiens gebieden zich situeren op de grenzen van de Albigeois, de Quercy, de Toulousain en de Rouergue. Die heren waren bovendien ook nauw betrokken bij het politieke spel van de machtige koning Pere II van Aragon tijdens de aanloop naar de slag bij Muret in september 1213. Voor Michel Gybels meer dan interessant genoeg om de dynastie van Penne d’Albigeois nader te belichten.

De brandstapel: dé misslag in de kathaarse vervolging?

De preek die Innocentius III tijdens zijn inauguratie hield spreekt op zich reeds boekdelen inzake de invulling van het pontificaat zoals Innocentius die voor ogen had:
“Ik zetel boven de koningen en mijn troon is deze ter eer en glorie van God; het is inderdaad aan mij dat werd gezegd, naar het woord van de profeet: ‘ik heb u geïnstalleerd boven alle naties en koninkrijken opdat u ontwortelt en vernielt, met de grond gelijk maakt en omverwerpt, bouwt en plant’ (Jes. 1, 10); het is ook aan mij dat men gezegd heeft, volgens de Apostel: ‘ik zal u de sleutel van het koninkrijk der hemelen geven en alles wat u bindt op de aarde zal ook verbonden zijn in de hemel.” (Matt. 16, 19)
De nieuwe paus benadrukt vanaf zijn eerste sermoen als paus dat hij niet de macht op zich draagt, maar enkel optreedt als tussenpersoon, als vicaris van God, als vicaris van Christus. Een zekere vorm van vergoddelijking van de functie van de paus wordt niet geschuwd, integendeel. Niet zozeer als de persoon, maar wel wat de uitoefening van de pauselijke functie betreft, krijgt de paus bevoegdheden van goddelijke oorsprong. “De paus gedraagt zich op aarde niet als gewone mens maar als de echte God.”

–––––
Jan Van hoof gaat hier o.m. dieper in op de figuur van paus Innocentius III. De aanpak van de ketterij in het algemeen en van de katharen in het bijzonder verandert grondig bij diens aantreden in januari 1198. Vanaf het begin van zijn pontificaat geeft Innocentius blijk van een energieke strijd om ketterij uit te roeien, de weerstand van de prelaten in het Zuiden, ‘de Midi’, thans ‘Occitanie’, te breken en de roomse centralistische politiek op te leggen. De eerste oproepen tot spirituele prediking dateren van enkele maanden na zijn aantreden, en worden niet veel later gevolgd door uitnodigingen aan het adres van o.m. de Franse koning om de wapens op te nemen.

Katharisme en inquisitie in de heerlijkheden Rocafort en Montgey

Het castrum van Rocafort wordt reeds in de 10de eeuw vernoemd als een versterkt dorp op een geïsoleerde heuvel in de Montagne Noire. De uitlopers van die bergketen strekken zich in het zuiden uit tot de Lauragais in de Aude, de Carcassès tot aan de vlakte van Castelnaudary en in het westen richting Toulouse, via een reeks heuvels waarop Montgey en later ook Revel zal ontstaan. Omstreeks het jaar 1000 controleren vier burchten, vier ‘seigneuries’ de Montagne Noire: in het zuiden de castra van Cabaret (vandaag Lastours) en Saissac, in het westen Rocafort en in het noorden Hautpoul. De oudste sporen van het castrum van Rocafort dateren uit de eerste dertig jaar van het millennium. De stamvader van de adellijke lijn was een zekere Uge Escaffre, wiens naam voorkomt in een charter uit 1025. Hij was de echtgenoot van vrouwe Goulayne en de vader van Bernat, van wie we met zekerheid weten dat hij heer van Rocafort was in 1030. Die voornaam zullen we later nog dikwijls tegenkomen bij de familie Rocafort, samen met de voornamen Aymeric, Jourdain, Isarn en Pèire. We kunnen de adellijke familie tot aan het begin van de woelige 13de eeuw goed volgen aan de hand van vele charters en scheidsrechterlijke uitspraken. Tot en met de 12de eeuw waren zij de titelvoerende adellijke heren van Rocafort, maar vanaf de 13de eeuw voerden zij ook de titel van heren van Montgey.
–––––
Ook in de Tarn waren er enkele belangrijke heerlijkheden waar het katharisme in de 13de eeuw openlijk werd omarmd. We kijken dan vooral naar de adellijke heren van Rocafort (Roquefort de la Montagne Noire) en later die van Montgey. Beide plaatsen liggen in de driehoek Castres, Cuq-Toulza en Revel. In 1211 was Montgey trouwens het toneel van een belangrijke veldslag tussen Occitaanse en Franse troepen. Zoals Michel Gybels in deze bijdrage aantoont, waren niet alleen de adellijke families van Rocafort en Montgey betrokken bij het katharisme, maar ook hun nauwe verwanten, zoals o.a. de families Maifre en Rafard. Bovendien bleef de kathaarse ‘besmetting’ niet beperkt tot Rocafort en Montgey, maar deinde ze uit naar de ganse regio.

De verbreding van het begrip ‘ketterij’ en de bloei van de Inquisitie

De periode die loopt van het einde van de 13de eeuw tot het midden van de 15de eeuw is bijzonder beroerd geweest in het domein van de ketterij, en de rechtbanken van de Inquisitie die opgericht waren door het pausdom in de loop van de 13de eeuw ontplooiden een intense activiteit, bewezen door de talrijke processen waarvan de verslagen tot ons kwamen. Wanneer men vertrouwt op de klachten van de pausen en de traktaten opgesteld door de inquisiteurs, dan heeft men de indruk dat de christenheid op dat moment bedreigd werd door een ongelooflijk aantal individuen en bewegingen die de fundamentele geloofspunten van de Kerk en haar institutionele structuren in vraag stelden… De werkelijkheid is complexer en de beweringen van de clerici uit de 14de eeuw dienen genuanceerd: tot bij 1400 ontwikkelde zich in het Westen geen enkele ketterse beweging op het kwantitatieve vlak en de Kerk kende toen geen gevaar dat vergelijkbaar is met wat er tussen 1180 en 1230 op haar woog met de bloei van het katharisme.
–––––
André Vauchez heeft alles of heel veel van wat hij vroeger geschreven heeft herlezen en opnieuw uitgegeven in ‘Les hérétiques au moyen âge. Suppôts de Satan ou chrétiens dissidents?’ En dat omvat uiteraard meer dan het katharisme in Frankrijk. De bijdragen werden herzien en hier en daar aangevuld met de laatste bevindingen. Ziehier een voorproefje, vertaald door Raymond Doms.

Bekende heksen op de brandstapel:
van Jeanne d'Arc tot Beethoven's grootmoeder


Het geloof in heksen en tovenaars is een universeel verschijnsel. Bij alle volkeren treft men op een bepaald moment het geloof aan in duistere machten waarvan wordt aangenomen, minstens wordt beweerd, dat zij de natuurkrachten beheersen en soms op kwaadwillige wijze ingrijpen in de normale levensloop van de mens.
Grootschalige heksenvervolgingen treft men evenwel enkel aan in de westerse wereld. Instigator is steevast de roomse of katholieke kerk.
Tot de 12de-13de eeuw werd het geloof van velen in geesten, in nachtelijke vluchten en in de permanente intriges van demonen door kerk en staat afgedaan als valse denkbeelden, spookbeelden die door ‘de Boze’ in de ziel van de gelovige waren gestuurd. Er bestond weinig of geen repressie tegen diegenen die een en ander geloofden. In de 12de-13de eeuw verandert de benadering van de toverij en aanverwante handelingen: de scholastische filosofen uit die tijd ontwikkelden een systematische demonologie. De basis-ingrediënten van het latere echte heksenproces werden door o.m. Albertus Magnus, Bonaventura en Thomas van Aquino aanvaard en grondig toegelicht. Het betreft de schade toebrengende toverij met behulp van de duivel, het duivelspact, de seksuele omgang tussen mens en duivel, en tenslotte de gedaanteverwisseling door tussenkomst van demonen. Thomas van Aquino noemde het in strijd met het gezag van de kerkvaders te beweren dat er helemaal geen toverij bestaat. M.a.w.: het niet aannemen van het bestaan van toverij werd als ketterij beschouwd. Geleidelijk aan werden de als toverij bestempelde praktijken ook gepenaliseerd, en niet met de minste straffen: verbranding of ‘ontdarming’.

–––––
Na een algemene situering van de aanpak van ‘heksen’ in het algemeen bespreekt Jan Van hoof twee specifieke gevallen, twee bekende ‘heksen’: Jeanne d’Arc en Jocelyne Van Vlasselaer. Beiden stierven op de brandstapel met een tussenperiode van een slordige 150 jaar. Was Jocelyne u nog niet bekend, dan zal dat snel veranderen, zij had namelijk een heel bekende nakomeling...

De kathaarse entourage van de graven van Toulouse

Om de verspreiding van het katharisme binnen het adellijke milieu van de graven van Toulouse na te gaan, staan we eerst en vooral stil bij de adellijke familie Rabastens. In het begin van de 13de eeuw telde deze familie, waarvan één onder hen katholiek bisschop van Toulouse was, een groot aantal aanhangers van het katharisme. In 1205 waren Braida, moeder van de heer van Rabastens, en twee van haar dochters, Esclarmonde en Gaillarda, bonnes femmes. Die tweede dochter, Gaillarda, echtgenote van Matfre de Rabastens, is ook de moeder van Comtoresse, de vrouw die door graaf Raimon VII van Toulouse werd uitgehuwelijkt aan zijn broer Bertran van Toulouse. Pelfort de Rabastens en Orbria, zijn echtgenote, dochter van Jourdain de l’Isle en de bekende bonne femme Esclarmonde van Foix, brachten dikwijls een bezoek aan Esclarmonde en Gaillarda. Wat Pelfort, adellijke heer en vertrouweling van graaf Raimon VI, betreft, wordt door tal van getuigen bevestigt dat hij de ketters eer betuigde. Later bekent Fina, zijn derde zuster, aan de inquisiteurs dat zij kathaars gelovige is en zulks vanaf 1214. Peire Raimon, een van de broers van Pelfort, die raadgever was van de jonge graaf Raimon VII, was gehuwd met Ermengarde, een notoire kathaarse vrouw uit de regio van Rabastens. En om het kathaarse plaatje van de familie Rabastens compleet te maken kunnen we nog vermelden dat twee zussen van Matfre de Rabastens op de brandstapel terechtkwamen wegens ketterij.
–––––
In het feodale graafschap Toulouse van de 13e eeuw telde het katharisme heel wat adepten die dikwijls ook nauwe banden onderhielden met de Raimondijnse grafelijke dynastie.
Tal van medewerkers en ondergeschikten van de graven, maar ook leden van hun familie, waren overtuigde sympathisanten van de dissidente religie en stonden in contact met de kathaarse clerus. De gehechtheid aan het katharisme van een groot deel van de directe entourage van de graven was dus niet te onderschatten, wat grotendeels te verklaren is door de sterke familiale banden tussen de talrijke adellijke Occitaanse families en de Raimondijnse dynastie.
In dit artikel staat Michel Gybels stil bij de belangrijkste personages met kathaarse sympathieën die het hof van de Tolozaanse graven frequenteerden en tot hun entourage behoorden.

Ecclesia non novit sanguinem – Reformatie en radicalisme

De Reformatie in de 16de eeuw is niet uit de lucht komen vallen. De bekende Nederlandse historicus uit begin vorige eeuw, Johan Huizinga, sprak van de rijpe vruchten van de middeleeuwse kloostercultuur die in de 13de eeuw begonnen te gisten. De dampen verdwaasden de kerkleiding. De paus en zijn gevolg installeerden een doldwaze aflatenhandel. Ze werden verblind door macht en hebzucht. Eind 14de en begin 15de eeuw reageerde de Bohemer Jan Hus tegen deze wanpraktijken. Hij werd tijdens het concilie van Konstanz – waar de bisschoppen werden geconfronteerd met de vaudeville dat twee pausen elkaars gezag in vraag stelden en ze prompt een derde aanstelden – zonder verdediging op de brandstapel gezet. Jan Hus was naar Konstanz gelokt onder het mom dat hij zijn stellingen mocht verdedigen. Hij keerde zich vooral tegen de aflatenpraktijk en formuleerde met veel kennis van Bijbelse zaken een democratisch kerkmodel. Jan Hus heeft ter zijner verdediging geen woord kunnen uitbrengen. Terwijl de vlammen zijn voeten likten, riep hij nog dat de waarheid toch zal overwinnen.
–––––
Deze bijdrage van Johan Temmerman berust onder het vaandel waarop geschreven staat: Ecclesia non novit sanguinem – de kerk (is) niet besmeurd met bloed. Deze vaandelspreuk is een ethische overweging, uitgaande van de gedachte dat de kerk geen bloed vergoot, leverde men een ketter liever niet uit aan de wereldse beulen. Het doel was de ketter redden van verdoemenis, maar als de betrokkene niet wilde weerkeren van zijn onheilzame weg, voltrok de kerk het vonnis niet zelf, maar betrok ze de wereldse overheid, die ze aanraadde zo bloedloos mogelijk te werk te gaan. Ecclesia non novit sanguinem.
Bloedvergieten en de kerk, het is een onmogelijke combinatie. De leer van het christendom is van de drie religies van het boek veruit het meest vredelievend. In de praktijk heeft het christendom echter in de loop van haar geschiedenis wel erg veel bloed doen vloeien.

De Hand van God - Deel 1

“Liefde is de enige reden van mijn bestaan hier beneden,” declameerde de troubadour Raimon de Miraval op ernstige toon, “liefde voor God, liefde voor de medemens, dat zeker, maar ook liefde voor de vrouw!”
Brunissende de Cabaret en Loba de Pennautier wisselden een samenzweerderige en geamuseerde blik. De dames deden alsof ze niet wisten voor wie de mooie woorden van de heer troubadour Raimon de Miraval bestemd waren. Brunissende was de vrouw van Peire-Rogier, een van de heren van Cabaret. Loba was getrouwd met Jordan, broer van Peire-Rogier en samen met hem mede-heer van Cabaret.
“Trouwens”, benadrukte de dichter, “liefde voor de vrouw is zuivere liefde, dus liefde voor God.”
Beide heren keken afwachtend toe maar hun vrouwen glimlachten naar elkaar, zij hielden wel van dit spel. En welk speelgoedje was daarvoor beter geschikt dan deze verliefde dichter, helemaal in de ban van hun onverbiddelijke schoonheid? Het spel was niet zonder gevaar, woorden kunnen soms meer pijn doen dan de krachtigste degenstoten. Maar alles verliep opperbest want zo waren nu eenmaal de spelregels van de hoofse Liefde. Weinig heren, zelfs de meest jaloerse, zouden zich daartegen durven verzetten.
De echtgenoten van Loba en Brunissende zaten onverstoorbaar in hun hoge zetels achter in de zaal. Hun blikken richtten zich eerder naar de verleidelijke vormen van de zangeres die de troubadour had meegebracht om voor wat afleiding te zorgen... Raimon de Miraval woonde in de buurt en zoals Pèire Vidal, ook een beroemd troubadour, nodigde hij zichzelf vaak uit aan het bescheiden hof van de heren van Cabaret.

–––––
De eerste aflevering van een nieuwe historische roman van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Brief van de voorzitter, Azalaïs Trobairitz, Boekbespreking.

Top

voorjaar | juni | september | december

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017