Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2015 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

februari | april-mei | zomer | herfst | winter

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

11de jaargang – e-Magazine 44 – februari 2015

De heren van Miglos en de graven van Foix


De feodale burcht van Miglos werd in het begin van de 12de eeuw gebouwd in een dynamische gemeenschap van vier dorpen (Miglos, Onost, Vicdessos en Siguer) om de vallei van de Vicdessos te bewaken. Ze maakte, samen met onder meer de kastelen van Castel Mau (Ax), Lordat, Castelverdun en Montréal-de-Sos deel uit van de verdedigingsgordel van castra die behoorden tot het graafschap Foix.
De burcht van Miglos was van 1177 tot 1310 onafgebroken in bezit van de heren van Miglos, maar ze wordt voor het eerst vermeld in een akte uit 1108 toen Guilhem Aton er kasteelheer was. In dezelfde akte wordt die Guilhem Aton bovendien beschreven als de broer van een zekere Isarn, en dat kan alleen maar Isarn van Sos geweest zijn.

–––––
Als je op weg bent van Tarascon-sur-Ariège naar Vicdessos, door de vallei van de rivier met dezelfde naam, kan je er niet naast kijken. Al zeer snel zie je aan de linkerkant van de weg, op 750m hoogte, de resten van de burcht van Miglos. Het is een van de vele tientallen feodale burchten in de Ariège. Televisiekijkers en wielersportliefhebbers met een goed geheugen herinneren zich misschien nog dat de burcht ooit als decor fungeerde voor een aflevering van het Tourprogramma Vive le Vélo van Karl Vannieuwkerke. De geschiedenis van Miglos is zeer nauw verbonden met die van het graafschap Foix, zoals Michel Gybels in deze bijdrage aantoont.

Raimon-Roger, graaf van Foix (ca. 1152 - 3 april 1223)

Wie de geschiedenis van de katharen, en zeker die van de Albigenzische kruistocht, bestudeert, kan niet rond het adellijk huis van Foix en zeker niet rond de figuur van graaf Raimon-Roger. Als trouwe medestander van de graaf van Toulouse, Raimon VI, streedt hij in de voorste linies tegen de kruisvaarders van Simon de Montfort en zijn opvolgers. Hij was de man van het slagveld, in tegenstelling tot zijn bondgenoot Raimon VI die meer de man van de diplomatie was. Maar ook daarin was de graaf van Foix niet te onderschatten, zo vertellen ons althans de middeleeuwse kronieken.
Als we de geschiedenis van het graafschap nader bekijken, dan valt onmiddellijk een vreemde contradictie op. Zo staat het vast dat, van alle belangrijke zuidelijke baronnen, de graaf van Foix het meest betrokken was bij het katharisme. Misschien was hijzelf geen kathaar, zijn echtgenote Philippa was dat wel, zij werd bonne femme en leidde een gemeenschapshuis in Dun. En dat was ook het geval voor zijn zus Esclarmonda in Pamiers. En toch zou het graafschap Foix relatief ongeschonden uit het conflict komen. Meer zelfs, het huis van Foix werd in latere eeuwen steeds machtiger, voornamelijk door de gevoerde huwelijkspolitiek, het verhaal zou eindigen op de Franse troon. Als Henri IV (‘le bon roi Henri’) in 1589 de Franse troon bestijgt, is hij, naast koning van Frankrijk, onder meer ook koning van Navarra, graaf van Foix, Bigorre, Armagnac en Périgord, burggraaf van Béarn en Limoges, hertog van Bourbon, Vendôme, Nemours en Albret.

–––––
De geschiedenis van de graven van Foix is ongemeen boeiend, er zitten dan ook heel wat legendarische, bijna mythische figuren tussen, zoals bijvoorbeeld Gaston Fébus (‘de Leeuw van de Pyreneeën’) in de 14de eeuw. Die bijnaam zou ook niet misstaan hebben voor graaf Raimon-Roger tijdens de Albigenzische kruistocht. Als bondgenoot van Raimon VI van Toulouse heeft hij Simon de Montfort ongetwijfeld enkele slapeloze nachten bezorgd. Het idee om alles wat we over hem weten uit de middeleeuwse kronieken bij elkaar te brengen, komt van de makers van de Franse website www.fgoccitanie.fr. Raymond Doms vertaalde en Marc Bogaerts bewerkte de tekst tot dit lijvig artikel.

Het begin van het Occitaanse katharisme en het placitum van Lombers

Wat de geschiedenis van het pre-katharisme in de Languedoc betreft, zijn we vooral ingelicht door wat er werd overgeleverd rond de figuren van Pierre de Bruys en de monnik Henri de Lausanne.
Pierre de Bruys was een van de toonaangevende personages in dat embryonale stadium, een eenvoudige dorpspastoor uit de Dauphinois, die niet alleen de roomse kerk uitdaagde maar zich ook de woede van het volk op de hals haalde, wat uiteindelijk zou leiden tot zijn dood op de brandstapel in 1139. De petrobrusianen, aanhangers van Pierre de Bruys, contesteerden vooral de dogmatische leerstellingen van de rooms-katholieke kerk, maar ze hadden het ook gemunt op de hogere clerus die alleen maar oog had voor macht en ongebreidelde rijkdom en daarbij alle morele fatsoensnormen aan zijn laars lapte.
Op zoek naar de eenvoud, de moraliteit en de zuiverheid van het oorspronkelijke christendom en van de kerk van de apostelen, verwierpen die dissidenten iedere vorm van kerkelijk instituut. Zij verzetten zich tegen de sacramenten en het dogma van de menswording van Christus en tegen de idolatrie van de heiligencultus, van de relieken en de priesterlijke hiërarchie. Zij beweerden ook dat priesters en cultusplaatsen overbodig zijn en dat de liturgie geen enkele zin heeft om de mens dichter bij God te brengen omdat de Alwetende zelf bepaalt hoe hij omgaat met de mens. Hun bedoeling was echter niet om de roomse kerk op te heffen maar wel om terug te keren naar de religiositeit van de oorspronkelijke kerk van de apostelen, geïnspireerd door de Heilige Geest.

–––––
De ontstaansgeschiedenis van het katharisme zorgt vandaag nog steeds voor hevige (en boeiende) discussies tussen historici, maar dat die oorsprong kaderde in een grotere opstandige golf tegen de rooms-katholieke kerk is duidelijk. Vanaf de 11de eeuw kreeg Rome af te rekenen met de ene ‘ketterij’ (zoals de Kerk de opstandige bewegingen noemde) na de andere. Maar er werd niet overal onmiddellijk repressief opgetreden, in de Languedoc bijvoorbeeld werd er ook gedebatteerd. Zo was er in 1165 in Lombers een placitum (dat is een volksvergadering waar ook recht gesproken wordt, al heeft men het, wat Lombers betreft, soms ook - foutief - over een ‘concilie’). Michel Gybels vertelt er alles over.

Gauzia en haar dochter

In het 11de hoofdstuk van haar roman ‘L’impénitente’ laat Anne Brenon het hoofdpersonage Guillelma een bezoek brengen aan het kerkhof waar ze blijft staan bij de grafsteen van Esclarmonda Clergue. Guillelma is er zich van bewust dat die jonge vrouw op haar sterfbed de ‘ketterdoop’ ontvangen heeft, het consolamentum. Ze weet dat zeker, want ze was er zelf bij toen het gebeurde.
Alhoewel Anne Brenon zich op onbetwiste historische bronnen baseert en in haar roman de gekende feiten zeer nauwkeurig beschrijft, is het helemaal niet zeker dat Guillelma het consolamentum van Esclarmonda heeft meegemaakt. Haar zogezegde herinneringen eraan zijn gebaseerd op het getuigenis van de moeder van de stervende, Gauzia, die Guillelma geen enkele keer vernoemt. Wat niet betekent dat het niet mogelijk kàn zijn: het valt op dat sommige ondervraagden hun best doen om anderen niet in diskrediet te brengen. Zij leveren, in de mate van het mogelijke, aan de Inquisitie enkel namen van overledenen.
Wat er ook van zij, in het verhaal van Gauzia vernemen we heel precies hoe dat in zijn werk ging, zo’n consolamentum van een stervende. Anne Brenon maakt dankbaar gebruik van deze details die ze verwerkt in de herinneringen van Guillelma.

–––––
Het boeiende aan ‘Guillelma, de onverzettelijke’, de roman van Anne Brenon waarvan we in dit nummer de derde aflevering publiceren, is niet alleen dat de schrijfster zorgvuldig het levensverhaal van haar hoofdpersonage reconstrueert aan de hand van de zeer gedetailleerde registers van de Inquisitie van Jacques Fournier, maar ook dat Guillelma een gewone dorpsvrouw is en niet een of andere adellijke dame. In deze bijdrage gaat Mieke Felix na hoe die ‘gewone dorpelingen’ zich gedroegen t.o.v. de Inquisitie. Zo zijn er bij de verklaring van Gauzia Clergue, waarover het hier gaat toch een aantal kanttekeningen te maken.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 3

“Er zijn twee kerken: de ene die vlucht en vergeeft, de andere die bezit en verscheurt...” Het is de fluisterende echo van de stem van Messer Peire Autier, de Oudere, die door de gelovigen de goede christen Pèire d’Ax wordt genoemd.
“Wat zei hij nog, Bernat?”
“Mijn hart en mijn lichaam staan ten dienste van de Kerk... En ik heb niet het voornemen om vergiffenis te gaan vragen aan de paus...”
Guillelma herinnert zich de woorden van Bernat, ze herinnert zich zijn stem. Hij is trots, Bernat. Hij zal niet buigen. Hij is een grote jongeman, mager en recht, sterk en bruin, met een vurige blik. Welk vuur brandt in hem? Een goede herder, de beste van allemaal, zei Pèire. En zijn vader toonde zijn instemming met een korte knik. Een van de zonen van de familie Belibaste, uit Cubières in het land van de Razès. Goede mensen, die leven volgens de entendensa del ben. Een goed huis, waar niets ontbreekt. Een goed land waar de winters minder hard zijn en de grond vetter. Pèire had de vorige lente een aantal dingen met zijn vader besproken, op een avond toen hij alleen langskwam, in het vooruitzicht van de jaarmarkten die traditioneel gehouden werden voor ze met hun schapen naar de zomerweiden vertrokken. Vader en zoon spraken met gedempte stem, hun ellebogen op tafel. Hun blikken dwaalden soms af naar Guillelma die samen met Azalaïs wol zat te spinnen aan de andere kant van het vuur. Zij wist dat het gesprek over haar ging. Ze had ook de naam Bernat Bélibaste horen vallen. Ze wachtte op het moment dat Pèire hun vader zou aanspreken, over haar en Bernat, en voor hen beiden zou pleiten. Een soort van vrolijke zekerheid deed haar ademhaling aanzwellen, haar hart wat vlugger kloppen. De vader woog goedmoedig de argumenten af van zijn zoon die met een brede glimlach afwachtte.

–––––
De derde aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Editoriaal, Agenda, Azalaïs Trobairitz, Boekbespreking.

Top

11de jaargang – e-Magazine 45 – april-mei 2015

De moord op de inquisiteurs in Avignonet


Op 26 mei 1242, de vooravond van hemelvaartsdag, verschijnt een boodschapper voor de poort van het versterkte dorp Montségur. Hij zegt tegen Guilhem de Gironda die er op wacht staat: “Ik breng een brief voor Pèire Roger de Mirepoix vanwege Raimon d'Alfaro, officier van de graaf van Toulouse.”
Guilhem stuurt een van zijn mannen naar Pèire Roger, medeheer van Montségur en commandant van het garnizoen, om hem te verwittigen. Pèire Roger komt zelf naar de poort, overlegt een ogenblik met de nieuw aangekomene, en beveelt dan hem binnen te laten. Wat later op de dag roept hij alle ridders en soldaten van zijn legertje bijeen, een honderdtal manschappen, en zegt hen: “Ik vertrek morgen. Wie dat wenst mag me vergezellen. Een grote buit wacht op ons.”
Meer informatie krijgen ze niet, maar de volgende ochtend dalen een dertigtal mannen, tot de tanden bewapend, samen met hun aanvoerder af langs de bochtige weg, dezelfde weg waarlangs de boodschapper de dag voordien naar boven was gekomen. Pèire Roger voert samen met zijn boogschutter de stoet aan.

–––––
De aanslag op de inquisiteurs in Avignonet was de eerste dominosteen in een reeks die moest leiden naar een algemene opstand van de Languedoc tegen de Franse bezetter. Dat was tenminste het plan van graaf Raimon VII van Toulouse. Maar het draaide helemaal anders uit. De opstand mislukte en als represaille werd het castrum van Montségur belegerd. De directe oorzaak van de belegering en de uiteindelijke val van Montségur was dus niet religieus. Michel Roquebert zet de feiten op een rijtje.

De alliantie tussen Foix en Castelbon

In eerder gepubliceerde artikelen werd de verspreiding van het katharisme in de gebieden ten zuiden van de Pyreneeën in Catalunya aangetoond, waaruit onder meer bleek dat de machtige dynastie van de graven van Foix daarbij een cruciale rol heeft gespeeld.
Vooral in de Alt Urgell, de Sierra de Cadi en de Alt Pallars was er in de late dertiende en begin veertiende eeuw een concentratie aan katharen merkbaar, zeker na de zware repressie van de Occitaanse katharen door de Inquisitie van bisschop Jacques Fournier, o.m. in de Sabarthès. Veel katharen vluchtten over de Pyreneeën richting Catalunya, waar ze betrekkelijk veilig waren voor de Inquisitie.
De studie over het katharisme in dat gebied kwam pas de laatste jaren goed op gang dankzij het werk van onder meer Jordi Ventura Subirats, Claudine Pailhès, Annie Cazenave en vooral Carles Gascon Chopo. Zij zorgden ervoor dat die eerder vergeten geschiedenis weer onder de aandacht werd gebracht.
In die studie komt men onvermijdelijk terecht bij de graven van Foix maar ook bij de burggraven van Castelbon, die nauw gelieerd waren met het huis van Foix. De Castelbons waren trouwe medestanders die opvang en steun verleenden aan de vele katharen die bij hen een veilig onderkomen zochten.

–––––
Waar men vroeger leek te denken dat het katharisme zich beperkte tot de noordkant van de Pyreneeën, wordt die stelling door recent historisch onderzoek steeds meer tegengesproken. In deze bijdrage bekijkt Michel Gybels de rol die de graven van Foix en de burggraven van Castelbon gespeeld hebben bij de verspreiding van het katharisme in Catalonië.

Het vervloekte goud van het Gallische Tolosa

Tijdens graafwerken voor het nieuwe kanaal langs de Garonne (1841) vinden enkele werklieden in het gehucht Les Maouris te Fenouillet zes stijve halssnoeren in goud. Haastig snijden ze deze in stukken en beginnen die te verdelen. Een en ander lekt echter uit want gestolen goed gedijt niet. Guillaume Gaspard Belhomme, een lid van de Société Archéologique, kan op de valreep vijf halssnoeren verwerven en doet ter plekke nog enkele observaties. Naast de schat ontdekt hij urnen en beenderresten waaruit hij besluit dat hij naar een grafbijzetting kijkt. Deze uitzonderlijke gouden artefacten kan u bewonderen in de ongehoord rijke collectie van het museum Saint-Raymond te Toulouse.
Met dit korte rapport lopen we vooruit op een lijvige universitaire publicatie over de antieke geschiedenis van Toulouse (Tolosa). Het gaat beduidend beter met de archeologie in de hoofdstad aan de Garonne, vooral na de oprichting van het INRAP in 2000. Dat was broodnodig na de archeologische rampen van vorige eeuw door een overhaastige en ondoordachte urbanisatie en de aanleg van ondergrondse parkings en de metro.

–––––
Verhalen over verborgen schatten doen het altijd goed, soms geven ze zelfs aanleiding tot een regelrechte hype, denk maar aan de zogenaamde schat van Rennes-le-Château. Het verhaal over het verborgen goud van Toulouse heeft in de loop der eeuwen ook al heel wat stof doen opwaaien. Willy Vanderzeypen bekijkt de ontstaansgeschiedenis.

De impact van het katharisme op de monialen in het graafschap Foix
(12de - 13de eeuw)


In het begin van de 12de eeuw zijn rooms-katholieke vrouwenkloosters in het graafschap Foix volstrekt onbestaand. Pas een halve eeuw later wordt er melding gemaakt van één enkele religieuze rooms-katholieke vrouwengemeenschap. Het religieus engagement van vrouwen staat in die regio en in die periode dus noodgedwongen op een laag pitje en het zal ook maar zeer langzaam toenemen, dat is trouwens niet alleen zo in het graafschap Foix, maar in de ganse Languedoc. Ongetwijfeld is dat een van de redenen waarom vrouwen zich zo massaal aangetrokken voelen tot het opkomende katharisme, er bestaat geen waardig rooms-katholiek alternatief.
In de tweede helft van de 12de eeuw zorgt de oprichting van een tweede priorij van Fontevraud, onder de invloed van Toulouse, en de stichting van een eerste cisterciënzergemeenschap, al gauw gevolgd door een tweede op het einde van de eeuw, voor een nieuw vrouwelijk monastiek elan en de overdonderende opkomst van Cîteaux. Die gemeenschappen werden dus opgericht ten tijde van de sterke expansie van het katharisme en vooraleer een begin werd gemaakt met de vervolging van de dissidentie. De nabijheid van adellijke families waarvan sommige zich tot het katharisme bekeerden, toont aan dat er in de toenmalige maatschappij geen strikte scheiding bestond tussen het katharisme en het rooms-katholicisme en dat beide overtuigingen best goed cohabiteerden.

–––––
Een van de redenen voor het grote succes van het katharisme bij de vrouwelijke bevolking van de Languedoc was ongetwijfeld dat er geen rooms-katholieke alternatieven bestonden. Het is pas in de tweede helft van de 12de eeuw dat de eerste katholieke vrouwenkloosters worden gesticht en dat er werk wordt gemaakt van een 'inhaalbeweging'. Michel Gybels bekijkt in deze bijdrage de ontstaansgeschiedenis van die eerste kloosters voor rooms-katholieke religieuzen.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 4

Neen, Guillelma zal geen vreemde worden in dit vreemde land. De afstand en de beproeving brengen haar terug tot zichzelf. Stilaan vindt ze haar houvast en haar kracht terug, tegen de onderdanigheid die van haar wordt verlangd en tegen Bertran zelf, om te overleven.
In het grote huis in Laroque d’Olmes kiest ze haar plaats, ze houdt zich op de achtergrond, ze observeert. Eigenlijk is het huis helemaal niet zo groot, maar het biedt wel veel meer ruimte dan de armzalige woonst van haar ouders in Montaillou. De zolderingen zijn hoger. En er is zelfs een echte verdieping, gedragen door zware balken. Het huis geeft uit op een pleintje met een kromgegroeide boom. Tegen de buitenmuur is de open schuur gebouwd waar Bertran Piquier zijn hout stapelt, met daarachter het atelier waar hij zijn messen tot een mooie ronde vorm slijpt en grote en kleine tonnen met ijzers omgeeft. Het gelijkvloers van het huis wordt ingenomen door een grote foganha, een woonruimte volgestouwd met koffers en banken, met van de vloer tot het plafond een enorme hoeveelheid aardewerk, potten, pannen en ketels. Opeengestapeld, opgehangen, in nissen, op planken. Bij de dikke Ermessende ontbreekt niets en zij toont aan haar stomverbaasde schoondochter een hele verzameling onbekende gebruiksvoorwerpen – tot en met drie vertinde schenkkannen.

–––––
De vierde aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

Een gezegende verbintenis: het huwelijk volgens katholieken en katharen

Van meet af aan presenteert Anne Brenon in haar roman ‘L’impénitente’ het hoofdpersonage, Guillelma Maury, als een ‘mal mariée’, een ongelukkig getrouwde vrouw. In de proloog, gedateerd 16 maart 1306, vernamen we al dat Guillelma weggelopen is van haar man. In de hoofdstukken die in dit nummer verschijnen lezen we hoe het dan verder verloopt. Alhoewel Guillelma teruggestuurd is naar haar echtgenoot, blijft ze vastbesloten om hem, liever vandaag dan morgen, te verlaten. Ze wordt daarbij gesteund door haar broer en door de kathaarse ‘bon homme’ Félip de Talairac.
Ook met dit verhaal grijpt de auteur terug naar historische feiten. Pèire Maury gaat in zijn getuigenis voor de Inquisitie uitgebreid in op het ongelukkige huwelijk van zijn zus en hoe hij haar daaruit heeft gered. Het gesprek dat hij in dat verband heeft met Félip de Talairac, wordt in het hoofdstuk 23 van de roman bijna letterlijk weergegeven. We zien hier hoe Pèire, tegen alles in, toch worstelt met zijn geweten. Is het geen zonde om een vrouw weg te halen van bij haar wettige echtgenoot? Want, immers, “wat God heeft verbonden, dat mag een mens niet scheiden” (Mt 19,6). Zo is het toch? In de vraag van Pèire en in het spottende antwoord van Félip, zit in een notendop de hele problematiek van het kerkelijk huwelijk vervat, het sacrament van het huwelijk, zoals dat door de Kerk sinds de 11de eeuw gepropageerd werd.

–––––
In de rand van de roman van Anne Brenon over het leven van de ongelukkig getrouwde Guillelma Maury, legt Mieke Felix uit hoe katholieken en katharen aankeken tegen het huwelijk. Op een totaal andere manier, zo blijkt.

En verder...

Editoriaal, Agenda, Azalaïs Trobairitz, Cursief.

Top

11de jaargang – e-Magazine 46 – zomer 2015

Dossier Montségur


Over Montségur hebben we het hier al dikwijls gehad en dat is ook logisch, volgens velen was het de belangrijkste plaats uit de kathaarse geschiedenis, de hoofdzetel van de kathaarse kerk, een heiligdom zelfs. Of dat ook klopt is discutabel, maar dat het een belangrijke plaats was staat buiten kijf. Met de belegering en de val van Montségur brachten koning en Kerk de katharen een fatale slag toe, al zou de ketterse leer nog bijna een eeuw overleven. Vandaag is Montségur een bergdorp in de uitlopers van de Pyreneeën. Het ligt in het departement Ariège dat grenst aan Spanje en Andorra, 800 jaar geleden was dat het graafschap Foix, de twee overlappen elkaar min of meer. Montségur ligt ten zuiden van het stadje Lavelanet en ten noorden van het ski- en kuuroord Ax-les-Thermes, tegenwoordig vooral bekend door de Ronde van Frankrijk met de aankomsten op het Plateau de Beille, ook dit jaar stond er weer eentje op het programma.
Het huidige Montségur is een dorp aan de voet van een rots met op het hoogste punt de ruïne van een burcht. Dat zou de burcht van de katharen zijn, zo wordt ons tenminste verteld, maar is dat ook zo? Want er wordt over Montségur zoveel verteld. Als u wat tijd over hebt, moet u Montségur beslist eens googelen, met wat u daar te zien en te lezen zult krijgen bent u vast wel enkele uren zoet. Maar wees toch maar voorzichtig, er staan veel interessante dingen over Montségur op het internet, maar vooral ook een hoop onzin. Ik geef enkele voorbeelden: Montségur was eigenlijk geen burcht maar een heilige plaats, het was een zonnetempel, het was een aloude mysterieschool of nog, het was de graalburcht waar de graal bewaard werd door de katharen, een mystieke sekte.
Soms wordt het ook gewoon grappig, zo lazen we bijvoorbeeld ergens dat Montségur in 1243 werd belegerd door de Spaanse Inquisitie. Geloof het of niet, maar het staat er echt! De schrijver van dat proza wist duidelijk niet dat de Spaanse Inquisitie pas werd opgericht in 1478, dat is bijna twee en een halve eeuw na de val van Montségur. Dat zou pas een mysterie zijn!
En natuurlijk mag ook die spannende historie over de schat van Montségur en wat daarmee gebeurd is niet ontbreken. Het is trouwens niet alleen op het internet dat dergelijke verhalen circuleren, ook in kranten en tijdschriften en in de boekhandel zijn Montségur en de katharen nog altijd overvloedig aanwezig.

–––––
Ondanks alle verzinsels die over Montségur de ronde doen, wordt het historisch en archeologisch onderzoek op de site nog steeds verdergezet en geeft het kathaarse castrum stilaan zijn geheimen prijs. Het kan dus geen kwaad om zo nu en dan de beschikbare informatie eens opnieuw op een rijtje te zetten. Dat doen we in dit uitgebreide dossier.
In twee bijlagen gaan we in op het verhaal over de schat van Montségur en brengen we de Nederlandse vertaling van de verklaring die de heer van Montségur, Raimon de Perelha, aflegde voor de Inquisitie.

Benard Gui als historicus

Geboren omstreeks 1261-1262 in de buurt van Limoges, in het gehucht Royères, en ingetreden in het klooster van de predikheren in Limoges op 16 september 1280, speelde het leven van Bernard Gui zich hoofdzakelijk in de Midi af.
Na een studie in logica in Limoges en Figeac, studeerde hij in 1282 en 1283 filosofie in Bordeaux en vanaf 1284 in Limoges. In 1285 startte hij zijn theologieopleiding in Limoges, opleiding die hij van 1289 tot 1291 afsloot aan de Studium Generale in Montpellier.
In de kloosters die ressorteerden onder het provinciaal dominicaans gezag van Toulouse, fungeerde Bernard aanvankelijk als lector, maar toch waren het vooral administratieve functies, vooral die van prior, die de orde van de dominicanen hem opdroeg. Van 1292 tot juli 1301 was hij zowel lector als prior in Albi en Carcassonne. Nauwelijks begonnen in die laatste stad, werd hij naar Castres gestuurd, om uiteindelijk terug te keren naar het klooster van Limoges in augustus 1305, telkens in de functie van prior.
Op 16 januari 1307 werd hem een nieuwe taak toevertrouwd door zijn orde: de provinciaal van de dominicanen benoemde hem tot inquisiteur in Toulouse. In die functie werd hij geconfronteerd met een aantal ketterse apostolische bewegingen die een armoede-ideaal voorstonden, zoals onder meer de katharen en de waldenzen1. Tussen 1319 en 1321 straften hij en zijn collega Jean de Beaune, groot-inquisiteur van Carcassonne, de steden Albi en Cordes voor hun verzet tegen de bisschop van Albi, Bernard de Castanet, en de Inquisitie. Toch lijkt hij geen fanatiek inquisiteur geweest te zijn en bekommerde hij zich meer om de bekering van de beklaagden dan om hun veroordeling.

–––––
Wanneer we de naam Bernard Gui horen, dan wordt die zo goed als altijd geassocieerd met de inquisiteur van Toulouse die niet alleen het katharisme fel heeft bestreden, maar ook als ‘modelinquisiteur’ wordt opgevoerd in de bekende historische film ‘De Naam van de Roos’ van regisseur Jean-Jacques Annaud uit 1986, gebaseerd op de gelijknamige roman van Umberto Eco.
Minder geweten is dat deze Bernard Gui niet alleen inquisiteur was, maar ook een groot en gerespecteerd historicus die zich vooral heeft toegelegd op de geschiedenis van de Midi, een regio die hem nauw aan het hart lag. Michel Gybels belicht deze voor het grote publiek minder bekende kant van de inquisiteur.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 5

’s Ochtends was de hemel dichtgetrokken en kregen de mannen die vroeg met hun dieren naar de jaarmarkt vertrokken een miezerige regenbui over zich heen. Het weer is nog altijd grijs en fris als de herder Pèire Maury, na een groet aan zijn gezellen en een schoteltje soep van de herbergier, op zijn beurt de richting Laroque d’Olmes inslaat. Vóór hem, aan het einde van de weg, waakt de massieve kerk van Notre Dame du Mercadal onvermurwbaar over de versterkte stad. Op de markt lijkt het volk nog talrijker dan de vorige dag. De meest diverse accenten klinken rondom hem tegen een achtergrond van geblaat en geloei. De grote blonde herder is dan ook niet verbaasd als hij, bij de omheining van de schapen en de lammeren, oude bekenden uit Montaillou ontmoet. Hij wordt op zijn schouders getikt, schudt lachend handen, praat over het weer en de oogsten, geeft advies over de kracht van de rammen. Zijn voorkeur gaat, zoals altijd, uit naar de soort uit Tarascon met hun kleine scheve oren en mooie gekrulde horens. Nadat hij ze allemaal goed bekeken heeft, koopt hij er zes.
Hij speelt met de beurs die Bertomieu hem voor zijn aankopen had toevertrouwd en die nu al heel wat lichter aanvoelt, en vertrouwt de nieuwe aanwinsten toe aan een van de zoons Belot die ook op de markt is. Het is de jonge Arnaut, peter van zijn kleine broer, die net aanstalten maakt om weer naar huis te vertrekken.
“Neem mijn rammen mee met de jouwe, Arnaut,” vraagt Pèire, “je zou mij er een grote dienst mee bewijzen. Je mag ze in Montaillou in de stal van mijn vader zetten. Ik moet hier nog wat aankopen doen en daarna nog een bezoek brengen aan mijn zus Guillelma, in de stad, bij haar man, de kuiper. Zij hebben geen plaats om de dieren onder te brengen. Daarenboven, en ik heb geen enkele reden om dat voor jou verborgen te houden, heb ik niet veel zin om aan mijn schoonbroer Bertran Piquier, die ongelikte beer, die domme en brutale onbeschofterik, ook maar wat te vragen! Guillelma heeft niet bepaald een gelukkig huwelijk... Daarna volg ik jou. Ik zal vanavond nog in Montaillou zijn.”

–––––
De vijfde aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Vooraf.

Top

11de jaargang – e-Magazine 47 – herfst 2015

De ballingschap van burggraaf Raimon II Trencavel in Aragon


Wanneer op 15 augustus 1209 de stad Carcassonne na een bloedige belegering door het Franse kruisleger in handen valt van Simon de Montfort, wordt burggraaf Raimon-Roger Trencavel uit al zijn rechten ontzet en opgesloten in zijn eigen kerker, waar hij op 10 november 1209 op amper vierentwintigjarige leeftijd dood wordt teruggevonden.
De burggraaf van Albi, Béziers en Carcassonne laat met zijn dood zijn echtgenote Agnes van Montpellier en zijn toen driejarige zoon Raimon junior achter. Beiden vluchten tijdelijk naar Aragon en vinden onderdak in Barcelona onder de hoede van koning Pere II, die ook graaf van Barcelona is en de schoonbroer van Agnes van Montpellier.
In 1240 probeert de ondertussen vierendertigjarige Raimon II Trencavel de domeinen van zijn vader te heroveren tijdens de zogenaamde Occitaanse Reconquista, wat evenwel uitdraait op een fiasco. Hij vlucht na het debâcle met zijn getrouwen terug richting Aragon waar hij verder leeft aan het hof van zijn neef koning Jaume I of Jacme van Aragon, zoon van Pere II die in september 1213 jammerlijk sneuvelde tijdens de slag bij Muret.
Wanneer de vroegere gebieden van de Trencavels in 1229 door het Verdrag van Meaux definitief bij het Franse kroondomein worden ingelijfd, ziet Raimon II Trencavel alle hoop om ooit nog zijn erfgoed terug te krijgen compleet de mist ingaan.
Nochtans blijft hij zich hardnekkig verzetten tegen de Franse bezetting van zijn voorvaderlijk gebied en profileert hij zich verder als een fervent strijder voor zijn zaak, zelfs vanuit zijn ballingschap in Aragon.

–––––
Na de overgave van Carcassonne in 1209 en de gevangenneming van zijn vader, zoekt de jonge Raimon Trencavel met zijn moeder een veilig onderkomen in Aragon. Van daaruit zal hij herhaaldelijk proberen zijn voorvaderlijke gebieden opnieuw in handen te krijgen, maar tevergeefs. Maar wat weten we eigenlijk over het verblijf van Raimon Trencavel in Aragon? Michel Gybels ging er op speurtocht.

Machtsstrijd en dissidenties in Albi (12de-13de eeuw)

De opening van de eerste stenen brug, een gedurfd project van burggraaf ‘Trencavel’ rond 1035, wijzigt drastisch het economische, demografische en politieke gezicht van de kleine bisschoppelijke stad aan de Tarn. Op de onbebouwde noordelijke oever ontstaat razendsnel een ‘faubourg’ met een eigen kerk gewijd aan Sainte-Marie-Madeleine en net voor de brug een hospitaal.
De oude ‘Bourg’ op de hogere zuidelijke oever wordt compacter, biedt geen bouwplaats meer en wordt uitgebreid met nieuwe wijken vanaf het einde van de 11de eeuw.
De feodale grondheren wrijven zich in de handen met al die nieuwe belastingbetalers en organiseren gezwind een verkaveling aan de zuidelijke rand van het plateau. De burggraaf en de bisschop delen dat terrein onder de suzereiniteit van de graaf van Toulouse-Albi-Rouergue. De meer oostelijke gronden (Vigan) zijn bezit van het collegiale kapittel van Saint-Salvi. Bij alle betrokkenen stroomt het geld door deze operaties binnen.
In de aureool van deze nieuwe wijken voorziet men geen parochiale kerken. Het stratenplan wijst op een doordachte urbanisatie met evenwijdige rechte straten (carrieira drecha), die verbonden zijn door schuine of loodrechte doorgangen. Naargelang de behoeften legt men bijkomende wegen aan. Rond 1190 krijgen deze nieuwe kwartieren, met hier en daar nog onbebouwde percelen, een ommuring.
Reeds eerder, namelijk vanaf het einde van de 11de eeuw, gaat men ook de oudere wijken herinrichten. Het kapittel van Sainte-Cécile, toen nog een romaanse kerk met aanpalend klooster, en dat van Saint-Salvi zijn allebei na veel moeite kerkelijk hervormd tot een regulier instituut en krijgen tal van schenkingen. Door de vergroting van hun patrimonium en omwille van prestige gaan ze over tot monumentale ondernemingen. Sommige kanunniken zijn het met die gang van zaken niet eens, en verlaten willens nillens hun kapittel om de gevaarlijkste religieuze risicogroep van allemaal te vormen: geleerde evangelische outlaws, en ongetwijfeld de eerste Occitaanse ‘bons hommes’. Deze kwalificatie werd echter pas later gebruikt door hun gelovigen. Ze is pas in de teksten geattesteerd vanaf 1165 tijdens hun verhoor door de kerkelijke en wereldlijke overheid te Lombers. In feite is dat hetzelfde als ‘prud’homme’ of ‘homme de bien’.

–––––
Willy Vanderzeypen vertelt de geschiedenis van Albi, de stad die haar naam gaf aan de kathaarse ketters (‘albigenzen’). Was dat omdat het een van de eerste plaatsen was waar de katharen actief waren? Toch loopt de geschiedenis van Albi in de 12de en 13de eeuw niet helemaal parallel met die van de rest van de Languedoc. Een boeiend verhaal!

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 6

De zomer van 1306 was de mooiste uit het leven van Guillelma. De drie jongelui, de broers Vidal en de jonge echtgenote, hebben het plan opgevat de volgende dag naar Gaillac trekken om er te helpen met de oogst. Maar dan ziet Guillelma dat zij niets meer heeft om aan te trekken. Met instemming van Bernat, die haar de raad geeft goed op haar woorden te letten, gaat ze naar het oude vrouwtje bij wie haar broer Pèire en zijzelf na hun aankomst in de stad gelogeerd hadden. “Moedertje, heb je toevallig geen oude jurk die ik kan lenen, terwijl ik mijn kleren, die onder het stof zitten, was? Ik heb niets anders bij me dan een nieuw laken en mijn trouwjurk...”
Het oudje, meer geamuseerd dan nieuwsgierig, gaat boven in haar koffer zoeken en keert dan terug met een lang hemd van grijs linnen en een oude roodachtige jurk met losgeregen mouwen. “Je mag het houden, meisje. Het is twintig jaar geleden dat ik het nog heb aangehad en ik zal het nu niet meer dragen. Ik stond toen nog rechtop en was even mager als jij. Nu ben ik krom en dik...”
De jurk is een beetje te kort en laat Guillelma's enkels bloot. Maar zo zal ze makkelijker door de velden kunnen lopen. En de zon en de wind zullen die lichte schimmelgeur snel verjagen... Dankbaar omhelst ze het oude vrouwtje dat opnieuw haar goed hart heeft laten zien, hoe kwaad ze ook mag denken over de Sarracenen, de joden en de ketters. “Ik kom je zeker nog bezoeken,” belooft ze. En ze loopt naar Bernat en Guilhem, opgetogen over al die mooie dagen die ze zullen delen.
Maar het zijn ook dagen van zwaar werk, onder de uitbundige zon, werk dat ze maar al te goed kennen. Bernat en Guilhem voegen zich bij de maaiers, die langzaam vooruit gaan, sikkel in de hand, in de voorhoede. Met hun linkerhand grijpen ze een boeket korenhalmen, precies onder de aren, hun rechterhand snijdt het kort en zuiver af. Daarna moet ook nog het stro gemaaid worden. De vrouwen en de meisjes volgen, verzamelen het koren en binden het samen. Guillelma kijkt verbaasd toe hoe de opeenvolgende ladingen schoven in een knarsende ossenwagen worden geladen en zo vlotjes over de goed berijdbare weg naar de schuur worden gebracht. In het land van Aillou moest de oogst op de schouders worden vervoerd, in korven, langs de gevaarlijk dalende paadjes. Bernat vertelt haar dat zijn vader in de Razès ook een paar ossen bezat, en dat zijn velden even rijk waren. Ook daar duurde de oogst meerdere weken...

–––––
De zesde aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Editoriaal, Agenda, Reistips: Anduze met Jan Van hoof, Clara de Anduze door Raymond Doms (vert.), Azalaïs Trobairitz.

Top

11de jaargang – e-Magazine 48 – winter 2015

De Albigenzische kruistocht volgens de Chronicon Rotense


De Albigenzische kruistocht, gepredikt door paus Innocentius III in 1209 tegen de katharen en hun beschermers, bracht de Kroon van Aragon in een bijzonder delicate positie. De historische en culturele binding van de bevolking aan weerszijden van de Pyreneeën en de grote politieke invloed van de Catalaans-Aragonese monarchie in de Occitaanse gebieden op het einde van de 12de eeuw, zorgde ervoor dat het opkomende katharisme ook voor de Aragonese vorsten een bijzonder probleem vormde.
De manier waarop men in Aragon aankeek tegen dat ‘kathaarse probleem’ en de eerste Albigenzische kruistocht (1209-1211) blijkt onder meer uit de Chronicon Rotense of de Kroniek van Roda.

–––––
Naast de drie grote kronieken (‘Historia Albigensis’, ‘Chronica’ en ‘Canso de la Crozada’) wordt de kruistocht tegen de katharen uiteraard ook vermeld in een heel wat andere (kleinere) kronieken, zowel in de Languedoc als in andere gebieden. Michel Gybels bekijkt een van de interessantste kronieken uit Aragon, de Chronica Rotense of de Kroniek uit Roda.

Zijn of niet-zijn? Dat is de vraag.

Ooit heb je Montségur bezocht. Meer dan eens zelfs. Je bent boven geraakt na een toch wel moeizame klim. Je hebt op het middenplein gestaan en je hebt de brokkelige stenen aangeraakt. Je bent de donjon ingewandeld en hebt de muren nauwlettend bestudeerd, je afvragend waar nu die opening zat waardoor het licht op de ochtend van de zomerzonnewende binnenvalt. Je weet zeker, of toch zo goed als, dat die ruïne daar nu nog staat, op dit eigenste moment, in het departement van de Ariège, in Frankrijk. Montségur bestaat.
Maar je weet natuurlijk meer. Je weet dat het Montségur van nu in niets lijkt op het oorspronkelijke castrum waar de dramatische gebeurtenissen van eind 1243 en begin 1244 zich hebben afgespeeld. Er zijn opgravingen gedaan, er is grondig onderzoek gebeurd. Historici, archeologen en architecten zijn erin geslaagd een virtuele reconstructie te realiseren van het middeleeuwse Montségur.

–––––
Wat is bestaan? De tafel waaraan ik zit, het licht dat door het raam naar binnen valt, de vogel die landt op een tak van de boom, de lucht die door mijn longen stroomt, mijn brein dat gedachten omzet in taal: dit alles bestaat. Ik besta. Rondom mij strekt zich een wereld uit, dat weet ik. En ver buiten de grenzen van mijn weten is er nog steeds dat immense heelal. Een heelal dat bestaat.
En als dit nu eens niet klopte? Wat als deze zichtbare, materiële wereld niet de werkelijkheid zou zijn? Zo dachten katharen er althans over - en ze hadden daar hele goede redenen voor. Aan de hand van het werk van René Nelli (1906-1982) gaat Mieke Felix in op de filosofie van het katharisme.

De onderstroom van de westerse cultuur

Tijdens het onderzoek naar de wortels van onze cultuur en haar ontwikkeling constateerde ik dat er een aantal tendensen zijn die op verborgen wijze – en dit noodgedwongen want veelal verboden, bestreden en uitgeroeid – vorm gaven aan onze Westerse cultuur. Ook het katharisme gaf uitdrukking aan deze onderstroom. De studie is gepubliceerd onder de titel: De onderstroom van religie en atheïsme, met als ondertitel Vrijmetselarij, mystiek, gnostiek en hermetisme (2014). Ik heb het daarin niet over de katharen, maar wel over het breder verband waarvan bogomielen en albigenzen een deel zijn. Ik zal hier een breder perspectief presenteren, om de ontwikkeling van onze cultuur beter te begrijpen. Ik hoop daarmee ook het onderzoek naar en de kennis van het katharisme te ondersteunen.
Ik wil beginnen met een beeld. Als we vandaag met Google Maps naar een specifieke plaats zoeken, kunnen we met digitale middelen dichterbij zien, van een werelddeel naar een land, een stad, een wijk, een straat tot we het huis dat we zochten in beeld hebben. Methodologisch zoem ik in op de Westerse cultuur en kijk nog wat dieper naar wat ondergronds ligt, wat voorheen en dus onder het huis of de wijk is aan te treffen. Methodisch hanteer ik een cultureel-filosofische archeologie. De chronologie van mijn uiteenzetting begint met de diepste lagen en werkt zich een weg naar de oppervlakte, dat is naar vandaag, naar het wetenschappelijk wereldbeeld en de contouren van het theoretisch atheïsme. Het is interessant op te merken dat een aantal bewegingen en denkrichtingen die ik aan bod zal laten komen, in hun tijd van atheïsme werden beticht.
Ik gebruik het beeld van een onderstroom en werk dit uit door de bronnen aan te geven, de stroming te duiden en ook de monding te beschrijven. De bronnen zijn de artefacten van het beeld-denken, de stroming is het verlangen of de nood aan coherentie of samenhang en de monding zijn jij en ik en de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. We beginnen dus bij de bronnen, zijnde het beeld-denken.

–––––
De strijd om de juiste overlevering markeerde de eerste eeuwen van het christendom. Orthodoxe of ‘rechtzinnige’ kerkvaders verketterden de vele andere uitingen van geloof en spiritualiteit. Gaandeweg sprak men van de juiste leer tegenover de ‘zogenaamde kennis’ of gnosis.
Johan Temmerman gaat in deze bijdrage op zoek naar de oorsprong van deze bewegingen en zullen de veelkleurigheid ervan voor het voetlicht brengen. Van de bronnen in het Alexandrijnse Egypte, via Valentinus en het manicheïsme, stroomt het gnostische denken doorheen middeleeuwen en renaissance tot de verlichting van vandaag.

‘La Canso de la Crozada’, een uniek tijdsdocument

Als we belangrijke evenementen of gebeurtenissen uit de geschiedenis willen reconstrueren of begrijpen, dan zijn we daarvoor aangewezen op de mondelinge overlevering van ooggetuigen, wat de recente geschiedenis betreft, maar zeker op wat schriftelijk werd vastgelegd.
Voor een goed begrip en een reconstructie van de gebeurtenissen die ons hier bezighouden, namelijk de Albigenzische kruistocht, moeten we dus terecht bij de ons overgeleverde schriftelijke bronnen, vooral dan het werk van de kroniekschrijvers.
De vier kroniekschrijvers van de Albigenzische Kruistocht zijn:
• Pierre des Vaux-de-Cernay met zijn Hystoria Albigensis;
• Guillaume de Puylaurens met zijn Chronica;
• Guilhem de Tudela en de Anonymus, de twee auteurs van het Canso.
In de geschriften van de eerste twee zien we een duidelijke sympathie voor de kruisvaarders omdat die auteurs in het rooms-katholieke kamp zijn te situeren. De door hen gepubliceerde kronieken zijn sterk rooms gekleurd en vooral uitvergroot tot ongekende proporties ten voordele van de kruisvaarders onder de leiding van Simon de Montfort, die daarin wordt afgeschilderd als de grote redder van het ware rooms-christelijk geloof en die wordt opgevoerd als een pseudo heilige en de reïncarnatie van de Heilige Michael, die hier weliswaar niet ten strijde trekt tegen de draak of het zinnebeeld van alle kwaad maar wel tegen die verderfelijke kathaarse ketterij van de suppoosten van Satan die de ganse Midi in hun ban hielden. Kortom, kronieken die met een flinke korrel zout moeten genomen worden en die we niet altijd objectief kunnen noemen. Dat ligt enigszins anders voor het Canso dat – zoals we zullen zien – twee verschillende visies over die belangrijke Albigenzische Kruistocht weergeeft.

–––––
Voor de studie van de Albigenzische kruistocht beschikken we, naast een aantal secundaire bronnen, over de kronieken van vier belangrijke schrijvers: Pierre des Vaux-de-Cernay (Hystoria Albigensis), Guillaume de Puylaurens (Chronica) en Guilhem de Tudela en zijn anonieme opvolger, de twee auteurs van het Canso waarover Michel Gybels het in dit artikel heeft.
Waar de eerste twee duidelijk de kant kiezen van de kruisvaarders en de Kerk, en ook Guilhem de Tudela nog in die richting gaat, ligt dat helemaal anders bij de anonieme dichter die zijn werk verderzet. De kroniek wordt vanaf dan een ware lofrede op de Occitaanse coalitie in haar strijd tegen de vreemde bezetter. Dat maakt van het Canso de la Crozada een uniek tijdsdocument, het enige waarin ook de Occitaanse kant van het verhaal aan bod komt.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 7

Guillelma heeft het kind dat zij droeg verloren. Op het einde van de herfst, op een avond dat de kastanjes lagen te poffen op de haard. Al sinds de vorige dag voelde zij een doffe pijn in haar lenden die in golven uitstraalde naar haar onderbuik. Toen het bloed kwam plooide zij zich dubbel. Bernat was naar de andere kant van Rabastens gelopen om Castellana Doumenc en haar vriendin Aymengarde Roux, de vrouw van de visser, te gaan halen. Maar ondanks hun kennis en hun ervaring hadden de vrouwen niets anders kunnen doen dan de natuur zijn gang te laten gaan en de schade zoveel mogelijk te beperken. Het kind was reeds gevormd, maar haar vriendinnen weigerden het aan Guillelma te laten zien omdat ze dan alleen maar nog meer verdriet zou hebben.
Vanavond zit Guillelma, warm ingewikkeld, droevig en rillend bij de haard. Sinds zij haar kind verloor blijft de koorts haar in zijn greep houden. En zij blijft zich de vraag stellen hoe en waarom zij haar zwangerschap niet tot een goed einde heeft kunnen brengen. Ze is jong, weliswaar tenger, maar gezond en sterk. Wat ging er mis met haar? Meer en meer raakt zij er van overtuigd dat de kwade wil van Monseigneur Bernard Gui in haar zijn doodswerk heeft volbracht, want is hij niet de prins van de dood die de slechte God dient, de valse God van deze wereld die tot liegen aanzet, tot haat, tot bedrog, die er genoegen in schept om grote piramides van onrecht in deze wereld te bouwen, om hier beneden het lijden te vermenigvuldigen. Zoveel vijandschap omgeeft de kleine kudde, zoveel vrees houdt haar in zijn greep. Worden de harten niet teveel onder druk gezet om het leven te kunnen schenken?
“Hou op met jezelf te beklagen en je kwaad te maken!” zegt haar, vriendelijk en bars tegelijk, Guilhem Bélibaste, op zoek naar een manier om haar te troosten. “Je bent geen kind verloren, het was nog niet meer dan een omhulsel van vlees dat niet af was, dat zelfs de tijd nog niet had gehad om een ziel van God te vewelkomen, een lege tuniek, slecht gevormd door de duivel. Als God het wil zal je nog andere kinderen krijgen, echte kinderen met een ziel die goede gelovigen zullen worden.”

–––––
De zevende aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Brief van de voorzitter, Editoriaal, Agenda, Azalaïs Trobairitz.

Top

februari | april-mei | zomer | herfst | winter

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017