Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2014 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

februari | april | zomer | oktober | december

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

10de jaargang – e-Magazine 39 – februari 2014

Ontdekking van de Mur, de gevangenis van de Inquisitie te Carcassonne


Archeologen Dominique Baudreu en Fabienne Calvayrac mogen terecht een hoge borst opzetten na hun vruchtbare opzoekingen, eerst in de archieven en daarna tijdens wetenschappelijke opgravingen gedurende twee jaar. Vakwerk is dat, net zoals hun presentatie op 14 februari 2014, georganiseerd door de Société d’Etudes Scientifiques de l’Aude. Vol verwachting zaten we tussen een talrijk opgekomen publiek in dat tot een somber auditorium ongevormd ex-cultusgebouw van de jezuïeten, gelegen in een allesbehalve vrolijke wijk van de bastide van Saint-Louis, of de benedenstad van Carcassonne.
Het objectief van hun campagne was wetenschappelijk de juiste plaats te bepalen van de middeleeuwse inquisitiegevangenis of de fameuze Mur. Deze primeur was niet zo eenvoudig te realiseren. In de bronnen wordt de Mur vanaf het einde van de 13de eeuw wel veelvuldig geattesteerd, maar een romantische geschiedschrijving heeft er later een potje van gemaakt.

–––––
Als je Carcassonne bezoekt zou je de foute indruk kunnen hebben dat het archeologisch werk daar al een hele tijd achter de rug is. Niet dus. Zo brachten archeologen Dominique Baudreu en Fabienne Calvayrac nu de site van de Mur in kaart, de gevangenis van de Inquisitie. Die gevangenis lag niet, zoals je misschien zou verwachten, binnen de muren van de cité, maar tussen de cité en de Aude. Op 14 februari werden de eerste resultaten van het onderzoek voorgesteld. Uiteraard was Studiecentrum Als Catars er bij. En het was boeiend, zoals je kan lezen in dit verslag van Gerda Van Cayzeele en Willy Vanderzeypen.

Kathaars heilswerk in de Languedoc

Tijdens de eerste winter na onze intrek (’98) in ‘La Castagne’, een kleine vakantiehoeve nabij het Zuid-Franse dorpje Montmaur, ontdekten Gerda en ik in de bibliotheek een boek van onderzoekster Anne Brenon, ‘Les femmes cathares’. We werden allebei getroffen door de ernst van dat werk en de passie van de schrijfster, die we later nog dikwijls zouden ontmoeten. Eén van haar uitdrukkingen over het kathaarse heilswerk ‘le Salut à la maison’ is mij steeds bijgebleven.
–––––
De middeleeuwse mens was heel erg begaan met zijn ‘heil’, met de redding van zijn ziel. Een ‘goed einde’ van dit aardse leven betekende zoveel als een waarborg voor de toegang tot het hiernamaals. Willy Vanderzeypen gaat in deze bijdrage na hoe de katharen daarmee omgingen. Hoe kwam het dat steeds meer gelovigen duidelijk veel meer vertrouwen hadden in de kathaarse boodschap dan in de rooms-katholieke?

De slag om Beaucaire (1216)

Onze kennis van de geschiedenis en het verloop van de slag van Beaucaire (einde mei - 24 augustus 1216), die een klinkende overwinning opleverde voor de Occitanen, berust hoofdzakelijk op de getuigenis van de anonieme auteur, opvolger van Guilhem de Tudela, die het tweede deel van het ‘Canso de la Crosada’ heeft geschreven.
De dichter, die waarschijnlijk die gebeurtenissen van dichtbij heeft meegemaakt, heeft er maar liefst 15 strofen of 1050 verzen aan gewijd. Als fervent verdediger van de Occitaanse zaak beschrijft hij met grote precisie de dappere inzet en hardnekkigheid van de man die voor hem en voor vele anderen het symbool zal worden van het verzet tegen de Franse kruisvaarders: Raimon de Jonge van Toulouse, die hij soms ook wat vertederend ‘Raimondet’ noemt, de latere graaf Raimon VII. Zijn weliswaar subjectief epos is dan ook ingegeven door het moment, een oorlogsverslag, gecomponeerd in een hoofdzakelijk theatrale setting.

–––––
De slag om Beaucaire betekende een ommezwaai in de kruistocht van Simon de Montfort. Het was zijn eerste grote nederlaag en het was ook de aanzet tot de herovering van de Languedoc door de zuiderlingen. En het was een pijnlijke nederlaag, want zijn tegenstander was nog een adolescent, de toekomstige graaf Raimon VII van Toulouse. Michel Gybels doet het verhaal.

De geschiedenis van de katharen volgens Michel Roquebert

Bij de historici die sinds de tweede helft van de vorige eeuw de geschiedenis van de katharen ontdaan hebben van alle overbodige ballast en fabeltjes, neemt Michel Roquebert zonder meer een bevoorrechte plaats in. Niemand zal ontkennen dat hij thuishoort in het rijtje van pioniers als René Nelli en Jean Duvernoy. Zij waren het die de kathaarse geschiedschrijving eindelijk op het juiste spoor zetten. Was er dan voordien helemaal niets gebeurd? Ja, natuurlijk wel, maar dat was toch van een andere orde. En daar zijn diverse redenen voor. Zo was er eerst en vooral het probleem van de bronnen. Studies over het katharisme waren tot halverwege de vorige eeuw voornamelijk gebaseerd op de anti-ketterse geschriften van middeleeuwse tegenstanders. En die spitsten zich vooral toe op de verschillen tussen de ketterij(en) en de rooms-katholieke leer. De bedoeling van de meeste van die teksten was immers om de katharen te helpen onderscheiden van de rechtgelovige katholieken. En er moest liefst ook aangetoond worden dat het katharisme geen westerse oorsprong had, maar dat het was geïmporteerd uit het exotische oosten. Dat is allemaal niet zo verwonderlijk, want er waren ook nauwelijks andere bronnen beschikbaar. De ondervragingen van de Inquisitie lagen zo goed als onaangeroerd in de archieven. Het zou duren tot Jean Duvernoy in de jaren zestig op die manuscripten ging werken en ze ging transcriberen en vertalen, dat het uitzonderlijk belang ervan voor de geschiedschrijving werd ingezien. Bovendien hadden de toenmalige historici ook niet de beschikking over authentieke kathaarse teksten, die werden pas later ontdekt. Men kende wel de Occitaanse bijbel met rituaal in de bibliotheek van Lyon, maar het zou tot na 1950 duren voor men doorhad dat het om een kathaarse en niet om een waldenzische tekst ging. En er waren ook nog andere belangen in het spel. De vervolging van het middeleeuwse katharisme was een pijnlijke zaak voor zowel de rooms-katholieke Kerk, die moest uitleggen waarom zij een kruistocht ontketende tegen mede-christenen, als voor de dominicaner orde, die met de Inquisitie in haar ontstaansgeschiedenis zat.
–––––
Voor wie de geschiedenis van de katharen bestudeert, is Michel Roquebert echt  ‘incontournable’. Hij was het die de geschiedenis van de kathaarse periode (einde 12de tot begin 14de eeuw) volledig in kaart bracht, waarbij hij gebruik maakte van alle beschikbare bronnen. Het zou hem bijna dertig jaar werk kosten, maar zijn vijfdelige ‘L’Epopée Cathare’, goed voor meer dan 3000 pagina’s, staat als een huis. Het is niet de definitieve ‘bijbel’ van de kathaarse geschiedenis, dat is het in het historisch onderzoek nooit, er zullen ongetwijfeld nog aanvullingen en andere benaderingen volgen, maar hij heeft zijn opvolgers wel heel wat werk bespaard... Marc Bogaerts bekijkt de carrière van de auteur en laat hem dan zelf aan het woord.

Simon de Montfort, beul en martelaar

Beul van de Languedoc ... en martelaar voor het geloof, Simon de Montfort was duidelijk een product
van de mystiek van de ‘heilige oorlog’. En misschien was dat wel het lot van het hele geslacht Montfort.
Twee eeuwen lang heetten ze allemaal, van vader op zoon, Simon of Amaury. Het is een ware nachtmerrie voor historici die trachten de stamboom te reconstrueren van de heren van Montfort – vandaag Montfort-l’Amaury, een dorp met een drieduizendtal inwoners in de Chevreusevallei ten westen van Versailles, waar de komponist Maurice Ravel zijn laatste jaren sleet tot aan zijn dood in 1937.
De oudste Simon de Montfort die we kennen uit de historische bronnen wordt voor het eerst geattesteerd rond 1060 bij de dood van zijn vader, Amaury. Hij huwt driemaal, waarvan de derde maal in onwaarschijnlijke omstandigheden: hij laat de dochter van de graaf van Evreux, Agnes, met geweld ontvoeren. Als hij in 1087 overlijdt, komt de heerlijkheid achtereenvolgens in handen van Amaury II, zoon uit zijn eerste huwelijk, diens halfbroer Richard, oudste zoon van Agnes d'Evreux, Simon II en tenslotte diens jongste broer Amaury III. Waar zijn broers het respectievelijk twee, drie en negen jaar lang volhielden, zal Amaury III zesendertig jaar zijn heerlijkheid besturen. Toch was de erfenis eigenlijk een vergiftigd geschenk. Als heer van Montfort is Amaury III de rechtstreekse vazal van de Franse koning, maar als graaf van Evreux is hij vazal van de hertog van Normandië, en dat is op dat ogenlik niemand minder dan de koning van Engeland... Frankrijk en Engeland zijn dan al meer dan honderd jaar in een meedogenloze oorlog verwikkeld. Een bijzonder oncomfortabele situatie voor de heer van Montfort, verscheurd tussen twee loyaliteiten en gedwongen het spel van de ene of de andere leenheer mee te spelen, naargelang hun belangen op dat moment.

–––––
Simon de Montfort was een martelaar, gesneuveld voor het geloof, die na zijn dood vereerd werd als een heilige. Zo was het tenminste toch voor één van de twee partijen. Voor de tegenstanders werd hij vereenzelvigd met de vele slachtpartijen, brandstapels en plunderingen waarvoor hij verantwoordelijk was en, zoals Michel Roquebert het in deze bijdrage uitlegt, zou hij vandaag ongetwijfeld beschouwd worden als een oorlogsmisdadiger. De feiten speelden zich echter niet vandaag af, maar in de middeleeuwen. En dat doet toch een ander licht schijnen op de figuur van Simon de Montfort...

Eckbert von Schönau over de Duitse katharen (1140-1165)

Rond 1140 is de jonge Eckbert in Keulen afgestudeerd. Zonder verwijl begint hij aan zijn kerkelijke carrière, eerst als seculiere kanunnik met een eigen huis te Bonn. In de economisch welvarende stad heerst flink wat onrust, veroorzaakt door de activiteiten van een evangelische anti-roomse beweging, zonder stichter of naam. Al dan niet in opdracht van zijn kapittel wil Eckbert, een kerkmens in hart en nieren, er het fijne van weten. Na zich persoonlijk en grondig in de dissidente kringen te hebben geïnformeerd, besluit deze man zijn leven te wijden aan de bestrijding van hun ideeën, gepropageerd door predikers die hij ‘katharen’ zal noemen.
Als geen ander zal Eckbert zich ontpoppen als de Duitse katharenspecialist van de twaalfde eeuw. Tijdens later onderzoek in meerdere aartsbisdommen vragen onzekere prelaten en stadsbesturen hem als expert om plaatselijke dissidenten te komen identificeren en hun dwalingen te weerleggen. Gemakkelijk is dat immers niet, want hoe herkent en weerlegt men nu deskundig de vele varianten van dat zeer heterogene ‘katharisme’? De eigentijdse literatuur over de nieuwe ketterij stond nog in haar kinderschoenen.

–––––
Willy Vanderzeypen belicht de figuur van Eckbert von Schönau, misschien wel de bekendste Duitse anti-ketterse auteur uit de middeleeuwen. Hij is het die voor het eerst de naam ‘katharen’ gebruikt voor de middeleeuwse dissidenten, een naam die, volgens hem, gebruikt werd voor de ketters uit het Rijnland. En een naam die historici later (eigenlijk foutief) veralgemeend zijn gaan hanteren voor een aantal dissidente bewegingen in het toenmalige Europa.

De heren van Laurac en de adel van de Lauragais tijdens de kruistocht

De adellijke familie van Laurac speelde ten tijde van de Albigenzische kruistocht (1209-1218) een bijzonder grote rol. Op 3 mei 1211 viel immers de stad Lavaur, bestuurd door de adellijke dame Guiralda die een telg was van de familie Laurac, in handen van het kruisleger van Simon de Montfort. Zowel zijzelf als haar broer Aimeric en een tachtigtal Occitaanse ridders werden er door de Fransen vermoord. Tegelijk werd in Lavaur de grootste brandstapel uit de geschiedenis van die kruistocht opgericht, waarop om en bij de 400 katharen de dood vonden.
Reden genoeg om wat nader stil te staan bij de geschiedenis van de heren van Laurac en de adel van de Lauragais in die turbulente periode...

–––––
Michel Gybels bespreekt de geschiedenis van de heren van Laurac voor, tijdens en na de kruistocht. Deze belangrijke familie heerste over het gebied (de Lauragais) waar het katharisme misschien wel het diepst was doorgedrongen in de dagelijkse samenleving.

En verder...

Editoriaal.

Top

10de jaargang – e-Magazine 40 – april 2014

Het Bosnische katharisme: de eerste generatie


We zijn op het einde van de 12de eeuw in het uitstekend bestuurde en welvarende banaat van Bosnië. Het gebied evolueert politiek naar een onafhankelijk koninkrijk. Dat is mogelijk door de spectaculaire inkrimping van de keizerlijke macht in Constantinopel. De populaire Bosnische bestuurder Kulin lonkt vanaf 1183 economisch, politiek en zelfs religieus naar het Westen.
Ongeveer vijftien jaar later wordt in dat Bosnië een vernieuwde en volledig onafhankelijke kerk ingesteld met openlijke steun van de overheid. Zij noemen zichzelf ‘ware apostolische christenen’: krstjani I krstjanice prava vjere apostolska. In de documentatie over dit boeiende fenomeen herkennen wij ondubbelzinnig het collegiale kerkmodel van de westerse katharismen. Maar hier is Slavisch de voertaal, ook in de liturgie.
Reeds lang voordien bestond er een niet-kathaarse religieuze orde, in handen van Byzantijnse monniken. Met enige voorzichtigheid zou men die ‘oude orde’ kunnen duiden als een plaatselijke dissidente monnikenbeweging van het bogomielse type. Zo was de in Constantinopel terechtgestelde bogomielse leider Basileos een Macedonische monnik.

–––––
Op het eerste zicht lijkt het een wat vreemde situatie: een kathaarse kerk in de Balkan, het territorium van de bogomielen, maar toch was ze er, al hebben historici het er altijd een beetje moeilijk mee gehad. Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen kwamen in 2009 tot volgende conclusie: in het onafhankelijk geworden grensdistrict Bosnië schakelde men rond 1200 over van een Byzantijnse kerkelijke orde naar een westerse, door toedoen van de plaatselijke overheid en in samenwerking met predikers uit de kuststad Zadar. Het Vaticaan glunderde met die gebiedswinst, tot bleek dat het geen paapse maar een kathaarse orde was...

Van Mani tot Nicetas: negen eeuwen religieus dualisme (1)

Bij de studie van het katharisme worden we regelmatig geconfronteerd met de bewering dat die religieuze dissidentie in verband stond met het oude manicheïsme en dat de katharen navolgers waren van de leer van Mani.
Die bewering werd in hoofdzaak gevoed door de polemische geschriften van bestrijders van het katharisme, zoals dat onder meer het geval was bij Durand van Huesca in zijn ‘Liber contra manicheos’ (1223) en bij verschillende inquisiteurs, waaronder Bernard Gui die in zijn ‘Practica inquisitionis heretice pravitatis’ (1323) het eerste hoofdstuk volledig wijdde aan de “dwalingen van de manicheeërs van deze tijd”.
Zelfs in meer recente tijden bleef die vermeende connectie tussen manicheeërs en katharen hardnekkig voortleven, zoals o.a. bij Charles Schmidt (1812-1895) die in zijn boek ‘Histoire et Doctrines des Cathares’ (1848) nog altijd stelde dat de Italiaanse katharen hun afstamming terugvoerden op de manicheeërs. Pas vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw leveren onderzoekers het bewijs dat het manicheïsme geen uitstaans had met het katharisme.

–––––
De katharen werden eeuwenlang beschouwd als ‘manicheeërs’, niet alleen door hun bestrijders uit de rooms-katholieke kerk, maar tot in het midden van de vorige eeuw ook door de meeste historici. Zelfs vandaag lees je nog af en toe dat de katharen afstamden van de manicheeërs, voornamelijk bij auteurs uit esoterische hoek, waar men het traditioneel moeilijk heeft zijn inzichten aan te passen aan de snelle evolutie van het wetenschappelijk onderzoek. Nochtans is intussen duidelijk aangetoond dat er geen enkel verband bestaat tussen het katharisme en het manicheïsme. In dit eerste artikel van een reeks over religieuze dualismen bekijkt Michel Gybels met ons de ontstaansgeschiedenis van het manicheïsme in het 3de-eeuwse Perzië

Rem credulam audivimus
(Innocentius III - 18 maart 1208)


In de vroege ochtend van 14 januari 1208 wordt pauselijk legaat Pierre de Castelnau vermoord. De man kwam van Saint-Gilles-du-Gard, de ‘roots’ en overigens ook de ‘familienaam’ van de graven van Toulouse, en was onderweg naar de Provence of naar de paus, Innocentius III. Ofschoon er discussie is omtrent de precieze plaats van de gebeurtenis, is men het erover eens dat de moord gepleegd werd net voor het oversteken van de Rhône.
Even voor zijn vertrek uit Saint-Gilles, de avond voordien, had Pierre de Castelnau met Raimon VI, graaf van Toulouse, een heftige discussie omtrent diens excommunicatie.
Op 12 maart 1208 vaardigt Innocentius een bul uit naar aanleiding van deze moord. De bul is gericht aan alle geestelijke en wereldlijke gezagsdragers, de Franse koning Philippe Auguste inclusief, en begint met de woorden:
Rem credulam audivimus, et in communen luctum generalis Ecclesiae deducendam
(Wij hebben zopas een wreed gebeuren vernomen dat de hele Kerk in rouw gaat dompelen.)
De bul is een studie waard omdat Raimon VI zonder meer als de schuldige van de moord wordt aangewezen en paus Innocentius bij die gelegenheid andermaal oproept tot een kruistocht in het Zuiden, kruistocht die anderhalf jaar na de moord op spectaculaire wijze op gang komt.

–––––
Meer dan acht eeuwen na de feiten ‘heropent’ jurist Jan Van hoof het onderzoek naar de moord op Pierre de Castelnau. Hoewel van een heropening in de ware zin van het woord geen sprake kan zijn, want in de 13de eeuw werd er helemaal geen onderzoek gevoerd. De paus besloot dat Raimon VI achter de aanslag zat, en dat was dat... Toch valt er wel een en ander te zeggen over de vermeende betrokkenheid van de graaf van Toulouse, en dit zowel à charge als à décharge...

En verder...

Editoriaal, Boekbespreking.

Top

10de jaargang – e-Magazine 41 – zomer 2014

De Languedoc in de feodale tijd


Het is niet eenvoudig om vandaag, in de 21ste eeuw, uit te leggen hoe de middeleeuwse wereld functioneerde. Het lijkt alsof het antieke Romeinse model, met zijn gecentraliseerde macht, zijn administratie, zijn burgerzin, zijn rechtsgevoel, zijn openbare diensten en zijn burgerlijke moraal, oneindig veel dichter bij ons staat. In vergelijking daarmee is de middeleeuwse wereld een jungle: de sterke centrale staat is verdwenen en vervangen door een aantal extreem verbrokkelde machten waar alles een privé-zaak is geworden: rechtspraak, oorlog, wegen, belastingen... Veel te dikwijls wordt het recht bepaald door bruut geweld en macht, en de Kerk heeft het moeilijk om, zoveel als ze kan, de gevolgen van al die onrechtvaardigheden te milderen.
–––––
In een bepaald soort literatuur wordt er vaak lyrisch gedaan over het middeleeuwse Occitanië met zijn schitterende hoogstaande cultuur en zijn tolerantie. Maar dat Occitanië heeft nooit bestaan, wat we vandaag de Languedoc noemen was tijdens de middeleeuwen een onoverzichtelijk lappendeken van grote en kleine prinsdommen, graafschappen, heerlijkheden, enz... Michel Roquebert heet ons welkom in de feodale tijd.

Van Mani tot Nicetas: negen eeuwen religieus dualisme (2)

In 389 werden heel wat gebieden in de Oriënt herverdeeld over een aantal nieuw ontstane rijken. Zulks was ook het geval met Armenië dat werd opgedeeld tussen het machtige Oost- Romeinse (Byzantijnse) Rijk en het Sassanidische Perzië. Niettegenstaande de vroege adoptie van het christendom in Armenië bleven de aanhangers van het Zoroastrisme daar erg actief en de laatste Sassanidische campagne van 571/572 om de leer van Ahura Mazda in het Armeense land te bestendigen werd zelfs gesteund door de Armeense feodale adel. In die tijd was de Armeense christelijke kerk echter reeds zo autonoom dat zij zelfs de autoriteit van Constantinopel contesteerde. De constante druk van Byzantium om een kerkelijke orthodoxe suprematie te vestigen in Armenië faalde en in de loop van de zevende eeuw, wanneer de Arabieren het grootste deel van het Sassanidische rijk hadden veroverd, moest ook Armenië de Arabische suzereiniteit dulden.
–––––
In deze bijdrage zet Michel Gybels zijn zoektocht naar het oude religieuze dualisme verder en belicht hij de belangrijke dissidentie van de paulicianen. Hij gaat ook na of de paulicianen nu al dan niet gelinkt kunnen worden aan de manicheeërs en of die religie een invloed heeft gehad op hun spiritueel/religieus denken en handelen.

Rem credulam audivimus
(Innocentius III - 18 maart 1208) - (2)


In de ‘omzendbrieven’ van 10 maart 1208 waarin de moord op de Castelnau bekend wordt gemaakt en gevraagd wordt om de moordenaars te straffen, roept Innocentius meteen ook op om de wapens op te nemen tegen de ketters, zoals hierna zal worden toegelicht.
De oproep op zich doet een aantal vragen rijzen.
Op welke juridische gronden kan men zich steunen om een beroep te doen op een gewapende interventie om ketterij in het algemeen te bestrijden en in hoeverre kan zoiets om de moord op een enkel individu te bestraffen? Is één van de twee motieven – bestraffing van een moord en bestrijding van ketterij – meer overtuigend dan de andere om een militaire macht op gang te brengen? Is de moord op Pierre de Castelnau slechts een stap geweest in de lange smeekbede van de Kerk om militaire macht te gebruiken of was de moord een omwenteling die de militaire interventie heeft voortgebracht?

–––––
Jan Van hoof zet zijn onderzoek naar de moord op Pierre de Castelnau verder. De aanslag was de katalysator die de kruistocht na lange jaren van lobbywerk eindelijk op gang zou brengen. Maar stond die kruistocht wel in verhouding tot de gepleegde feiten? Of was er meer aan de hand?

Leven en werken in het castrum van Montségur in 1240

Vanop een hoge rots in de Ariège, omgeven door een overweldigende natuurpracht die ook vandaag de reiziger nog betovert, heeft een man veertig jaar lang de twee belangrijkste machten van zijn tijd uitgedaagd: de koning en de Kerk. Deze pathetische en tot mislukken gedoemde onderneming kwam tot een einde op een ochtend in maart 1244 in de tranen en de as van een enorme collectieve brandstapel. Het tragische lot van het castrum van Raimon de Péreilhe en de magie van de plek waar hij het bouwde, maakten Montségur tot een symbool. Want wie vandaag spreekt of schrijft over de Languedoc, zijn geschiedenis, zijn cultuur, de mensen, het landschap, kan dat niet zonder in zijn hart en in zijn geest een speciale plaats te reserveren voor het tragische maar ook bewonderenswaardige kathaarse avontuur.
–––––
De toerist die vandaag Montségur bezoekt doet dat meestal onder de warme zomerzon. Het is dan ook niet eenvoudig om je het leven van die vierhonderd mannen en vrouwen, ouderlingen en kinderen voor te stellen tijdens de belegering in de gure wintermaanden. Een mijmering van Michel Roquebert, opgedragen aan Montségur en zijn bewoners, meegezogen in wat hij het ‘kathaarse avontuur’ noemt.

Het katharisme in de Agarnaguès

Uit eerder gepubliceerde artikels van het Studiecentrum Als Catars blijkt duidelijk het grote belang voor het katharisme van de stad Mirepoix en haar regio, gelegen in het stroomgebied van de Hers en de Vixiège, het gebied van de Agarnaguès dat in het feodaal tijdperk behoorde tot het oude diocees Toulouse.
De twee belangrijkste centra waren Belpech en Mirepoix, maar er was ook de abdij van Boulbonne, waar o.m. verscheidene graven van het huis van Foix een laatste rustplaats vonden.
Dat ook in deze streek het katharisme stevig was ingeplant in het begin van de 13de eeuw blijkt uit meerdere bronnen, waarvan het Manuscript 609 uit de stedelijke bibliotheek van Toulouse en het Fonds Doat de belangrijkste zijn.

–––––
De Agarnaguès... Het is een niet zo bekende naam voor een streek, de regio rond Mirepoix en Belpech, waar het katharisme sterk aanwezig was. Vergeten we niet dat het de familie Mirepoix-Péreilha was die Montségur, op vraag van de katharen, zou heropbouwen en veertig jaar lang verdedigen. Michel Gybels bekijkt met ons de inplanting van het katharisme in de belangrijkste centra, Belpech, Mirepoix, Lavelanet en Dun.

Het bloedbad van Lavaur

Ze was goed en genereus, “...want niemand ter wereld, geloof mij, zou door deze dame zijn weggestuurd zonder eerst te eten...,” zo schrijft de troubadour Guilhem de Tudela over vrouwe Guirauda. Niet dat hij ze ooit persoonlijk had ontmoet, maar als zovelen kende ook hij haar reputatie.
Guirauda, kasteelvrouwe van Lavaur, had er immers voor gekozen haar dagen te beëindigen via de apostolische weg van evangelische armoede en liefdadigheid. Haar schandelijke dood, op 3 mei 1211, ontlokte de dichter, die nochtans zelf zeer katholiek was en het geloof van de bons hommes en bonnes femmes als een dwaasheid bestempelde, een kort en krachtig oordeel dat geen verdere commentaar behoeft: “Fa dois e pecatz”: “Het was misdadig en zondig.”

–––––
De val van Lavaur had verschrikkelijke gevolgen. Honderden katharen vonden de dood op de grootste brandstapel uit de geschiedenis van de kruistocht. Kasteelvrouwe Guirauda werd door Simon de Montfort aan zijn soldaten overgeleverd, ze werd levend in een put gegooid die vervolgens gevuld werd met stenen. Haar broer Aimery werd, samen met tachtig ridders, opgehangen, maar toen de galg het begaf onder zijn gewicht werden ze allemaal de keel overgesneden. Voor de kruisvaarders was de stad ook van groot strategisch belang, ze lag op de drempel van het graafschap Toulouse. Michel Roquebert bekijkt de aanleiding en het verloop van deze gruwelijke belegering.

En verder...

Editoriaal met een vooruitblik op de Gentse Feesten en onze vernieuwde themadag in oktober.

Top

10de jaargang – e-Magazine 42 – oktober 2014

Het katharisme in de Razès


Na de dood van Simon de Montfort, aanvoerder van de Albigenzische kruistocht (1209-1218), bij het beleg van Toulouse in 1218, kon de Languedoc terug wat op adem komen na een jarenlange bloedige repressie door het kruisleger. Niettegenstaande die vele jaren van blinde terreur, vervolging en moordpartijen, was het katharisme verre van uitgeroeid en kon ook de Gleisa de Dio herademen en zich opnieuw organiseren. Ook heel wat ridders faidits hergroepeerden zich en schaarden zich terug achter de kathaarse kerk en haar gelovigen. In Toulouse zette vooral Aimeric de Castelnau zich in voor de vele katharen in de stad en zorgde, samen met zijn echtgenote Mabilia, onder meer voor onderdak voor de bonne femme Arnalda de Lamothe. Guiraud de Gourdon, heer en kathaars diaken van Caraman in de Lauragais, schaarde zich aan de zijde van graaf Raimon VI van Toulouse en vocht mee in diens leger bij verschillende veldslagen.
–––––
In 1226 zijn we 17 jaar na het begin van de kruistocht tegen de Albigenzen. 17 jaar lang al strijden de kruisvaarders, zij het met ups en downs, tegen de bons hommes en hun beschermers. Er zijn duizenden slachtoffers gevallen, zowel tijdens de bloedige belegeringen als op de massale brandstapels. Je zou dus verwachten dat de kathaarse ketterij is uitgeroeid, of op zijn minst toch een stevige terugval heeft gekend. Maar dat blijkt niet zo te zijn, de kruistocht is uitgedraaid op een totale mislukking, de religie van de bons hommes telt meer aanhangers dan ooit tevoren. Er wordt zelfs, naast de vier bestaande kathaarse kerken in het Zuiden (Toulouse, Carcassonne, Albi, Agen), een vijfde opgericht. Michel Gybels schetst de ontstaansgeschiedenis van het nieuwe bisdom Razès.

Benoît de Termes, de kathaarse bisschop van de Razès

Bij gebrek aan voldoende bronnen is de inplanting van het katharisme in de Razès niet zo goed gekend. Het lijkt er op dat het daar minder nadrukkelijk aanwezig was dan bijvoorbeeld in de Lauragais, uitgezonderd dan in de bovenvallei van de Aude. Niettegenstaande de zware repressie van de Albigenzische Kruistocht (1209-1218) kon het katharisme stand houden en zich verder ontwikkelen, zodanig dat het zelfs nodig was een vijfde kathaars bisdom te stichten.
Benôit de Termes was een telg uit een machtige aristocratische familie, waarschijnlijk geletterd en intelligent, waardoor hij een van de belangrijkste en invloedrijkste kathaarse dignitarissen werd. Hij was een van de vier vertegenwoordigers van de kathaarse kerk die weerwerk boden tegen de latere Heilige Dominicus. Maar zijn leven bevat toch veel onduidelijkheden.

–––––
Voor de functie van bisschop van het nieuwe opgerichte bisdom Razès wordt meteen een belangrijk man gekozen, Benoît de Termes. Hij komt uit de machtigste familie van de Corbières, in 1210 had Simon de Montfort een lange uitputtende belegering nodig om de burcht van Raimon de Termes in te nemen, en dan nog moest hij een beetje geholpen worden door de ‘omstandigheden’ (in dit geval een dysenterie-epidemie). Benoît de Termes was al voor de kruistocht actief in de kathaarse kerk van Carcassonne, zo ging hij in 1207 in Montréal in debat met Dominicus. Michel Gybels tracht zijn leven te reconstrueren met het weinige wat we over hem weten.

Van hyperkritiek tot negationisme (en weer terug)
Bestaan of niet bestaan van een tegenkerk


De tijd ligt nog niet zo ver achter ons dat een lezing of tekst over het katharisme altijd begon met een obligate ‘geschiedenis van de afstamming’. Gnostici, manicheeërs, paulicianen en messalianen werden netjes gerangschikt, hun invloedsgebied aangeduid op de kaart. Uiteindelijk eindigde deze ‘geslachtslijst’ steeds met de twee broertjes: bogomilisme en katharisme, de oostelijke en westelijke tak van de grote dualistische ketterij, de twee vleugels van een heuse ‘tegenkerk’.
Toen in de jaren ’70 van de vorige eeuw steeds duidelijker werd dat het manicheïsme er naar alle waarschijnlijkheid weinig of niets mee te maken had, en er bovendien vragen werden gesteld bij het ‘katharisme als gnosis’, verdween ook het bogomilisme min of meer uit het gezicht. Het katharisme kwam meer en meer alleen te staan.

–––––
Was het katharisme een echte ‘tegenkerk’ die een bedreiging vormde voor de rooms-katholieke kerk? Als je de reactie van Rome ziet, zou je denken van wel. Maar niet iedereen is het daarmee eens.  Volgens de ‘deconstructivistische school’, weliswaar een minderheid onder de historici maar waar toch enkele belangrijke onderzoekers deel van uitmaken, is die dreiging van het katharisme ‘verzonnen’ door de Kerk, die zo haar repressie kon opvoeren en haar greep op de middeleeuwse samenleving vergroten. In werkelijkheid waren er niet meer dan wat verspreide haarden van ketterij ‘van het kathaarse type’, zoals dat dan genoemd wordt. Mieke Felix maakt bij die visie enkele kanttekeningen als inleiding op het volgende artikel.

De deconstructivistische methode
en de eenheid van het bogomilo-katharisme


We hebben meer dan een eeuw historisch onderzoek achter ons in verband met de bogomilo-kathaarse beweging met een indrukwekkende bibliografie als resultaat. Maar tijdens de laatste decennia is de eenheid van deze ketterse beweging meer dan eens in vraag gesteld, met heftige debatten in de academische wereld tot gevolg die uiteindelijk leidden tot een totale tweespalt op ideologische basis. Eén fundamentele vraag in verband met het religieuze fenomeen zaait op dit ogenblik verdeeldheid tussen historici. Je zou die vraag als volgt kunnen formuleren: Hadden de aanhangers van de bogomielse en kathaarse bewegingen in de 12de en 13de eeuw het idee dat ze tot een zelfde religieuze gemeenschap behoorden op liturgisch, leerstellig en administratief vlak? Meerdere werken uit de anti-ketterse middeleeuwse literatuur stellen dit zo voor en het blijkt ook uit de bronnen van ketterse oorsprong. Of gaat het daarentegen om een imaginair concept dat minutieus uitgewerkt is in het milieu van middeleeuwse heresiologen, en dit gedurende meerdere eeuwen?
–––––
In 2010 promoveerde Theofanis Drakopoulos aan de universiteit van Genève met een thesis over de ‘eenheid van de bogomilo-kathaarse kerk’. Mieke Felix wees er in het vorige artikel al op dat het hier ging om een doctoraat in de theologie en dat het tegenwoordig vrij uitzonderlijk is dat theologen zich nog met de studie van het katharisme bezighouden. Vroeger gebeurde dat veel meer, tot de historici het overnamen.
Drakopoulos gaat hier frontaal in de aanval tegen wat men de ‘deconstructivistische school’ is gaan noemen. Dat hele deconstructivisme, zo beweert hij, is enkel gebaseerd op de analyse van teksten van tegenstanders en bestrijders. Het oorspronkelijk kathaarse materiaal wordt niet betrokken in de bewijsvoering, tenzij om het te ontmaskeren als een ‘vervalsing’, zoals men gepoogd heeft met de oorkonde van St.-Félix-en-Lauragais. Hoe kan je beweren dat je een grondige studie beoogt van een religieus fenomeen, wanneer je de getuigenissen van de gelovigen zelf niet au sérieux neemt? En op welke basis aanvaard je dat de éne bron wel authentiek is en de andere niet?

Van Mani tot Nicetas: negen eeuwen religieus dualisme (3)

De heidense Bulgaren, die zich voor het eerst ten zuiden van de Donau vestigden in 681, hadden tegen het midden van de negende eeuw een aanzienlijk koninkrijk uitgebouwd. Een van de doelstellingen van de deportatie van grote aantallen ketters naar Bulgarije door Constantijn V en Johannes Tzimiskes was hen gevoeliger te maken voor de orthodoxe leer, vooral sinds de bevolking aan de zuidelijke grens van Bulgarije hoofdzakelijk de christelijke orthodoxe leer navolgde. Nochtans was het in hoofdzaak een militair motief dat doorslaggevend was voor de kolonisatie van de Syriërs en de Armeniërs richting Thracië. Die kolonisatiepolitiek draaide uiteindelijk uit op een mislukking. Tegen alle verwachtingen in bekeerden de Bulgaren zich niet massaal, maar verspreidden hun ketterij verder in Thracië en bedreigden er de orthodoxe bevolking.
–––––
In het derde deel van deze vierdelige reeks over de grote dualistische stromingen, belicht Michel Gybels de dualismen in de Balkan. Het gaat meer bepaald over het Bulgaarse bogomilisme dat later zou uitmonden in het Macedonische bogomilisme. Net als het paulicianisme zou dat in een later stadium de Byzantijnse orthodoxe wereld behoorlijk in opschudding brengen.

Guillelma Maury, de roman van haar leven

In 1975 verscheen in Frankrijk het boek ‘Montaillou, village occitan’ van Emmanuel Le Roy Ladurie. Het was een sociologische studie van een klein Pyreneeëndorp, niet ver van Ax-les-Thermes, bij het begin van de 14de eeuw. Het viel meteen op dat de auteur erin was geslaagd een zeer levendig en ongemeen gedetailleerd beeld te schetsen van deze middeleeuwse landelijke micro-maatschappij, je voelt Montaillou echt tot leven komen. Het boek zou uitgroeien tot een internationale bestseller met een oplage die in de miljoenen liep.
Uiteraard was er van bij het begin zeer veel belangstelling voor de bronnen waarop Ladurie zich gebaseerd had, waar kwamen al die gedetailleerde verhalen over de inwoners van Montaillou vandaan? Het bleek om verklaringen te gaan die de dorpsbewoners afgelegd hadden voor de Inquisitie, meer bepaald voor de rechtbank van de bisschop van Pamiers, Jacques Fournier. Het betreffende register bevond en bevindt zich nog steeds in de Vaticaanse bibliotheek (Latijns manuscript nr. 4030) en Jean Duvernoy had er in 1965 een transcriptie van gepubliceerd. In 1978 zou ook een integrale Franse vertaling volgen.

–––––
Het inquisitieregister van Jacques Fournier is een zo goed als onuitputtelijke bron van informatie over de laatste heropflakkering van het katharisme in de Sabartès, onder impuls van de gebroeders Autier. Maar het is meer dan dat. De gedetailleerde getuigenverklaringen geven ons een inkijk in het dagelijks leven van de inwoners van kleine landelijke woonkernen, zoals Montaillou. Marc Bogaerts wijst erop dat we weliswaar vrij goed zijn ingelicht over de handel en wandel van de middeleeuwse adel, al moeten we met dat soort ‘bewierrokende biografieën’ voorzichtig zijn omdat ze meestal in opdracht werden geschreven, maar dat het vrij uitzonderlijk is dat we over zoveel informatie beschikken over de ‘gewone man of vrouw’. Het zette Anne Brenon ertoe aan, op basis van dit inquisitieregister, de roman te schrijven van een gewone volksvrouw, Guillelma Maury, een roman die je vanaf nu in ons e-Magazine kan lezen.

Guillelma Maury, de onverzettelijke

De pog van Montségur, zijn scherpe contouren verzacht door de mist, duikt op voor de ogen van Guillelma. We zijn 16 maart van het jaar 1306. Guillelma is pas getrouwd, zeer jong getrouwd. Nauwelijks enkele weken geleden is ze uit Montaillou vertrokken naar de vallei om er haar intrek te nemen in het huis van Bertran Piquier, de kuiper uit Laroque d’Olmes.
“En zit in de miserie, en zit in de miserie, miserie...,” neuriet Guillelma stilletjes zodat niemand haar kan horen, haar stem klinkt allesbehalve vrolijk.
Ze stopt, staat onbeweeglijk bovenaan het steegje naast de kerk van Mercadal. Voor haar verheft zich een deel van de vestingmuur. Achter de muur stijgt in de verte blauwe rook op van de Pyreneeën. Guillelma trekt haar sjaal van bruine wol, schapenwol van gindsboven, vast rond haar lichaam. Ze heeft de wol zelf gesponnen en haar vader, Raimon Maury, de wever van Montaillou, heeft de sjaal thuis geweven. De avond ademt de vochtigheid uit van de laatste sneeuw. Guillelma kijkt naar de bergen. Het land van Aillou is niet te zien, zelfs niet vanop het hoogste punt van de stad. De bergen van de Plantaurel liggen in de weg. Kon ze maar vliegen als een arend! Maar de hoogste toppen pieken door de wolken, de Saint-Barthélemy en de Soularac, de Lafrauberg, en tussen de Plantaurel-heuvels door ziet ze in de verte het sombere silhouet van Montségur liggen.
Guillelma’s profiel is scherp, eigenzinnig. Haar zus Raimonda heeft haar al dikwijls gezegd dat ze te mager is, te spichtig om de mannen zin in haar te doen krijgen. Maar zij weet dat haar wangen fris aanvoelen, dat haar teint melkwit is ondanks haar sproeten. Bertran Piquier heeft haar gekozen terwijl hij haar nauwelijks had gezien. En uiteraard wou de hemel niet dat hij van mening veranderde toen hij haar zag; de hemel, of wat de hemel wordt genoemd, laat alles gebeuren, het slechtste eerst. Oom Bernat, uit Laroque d’Olmes, had het huwelijk geregeld. Vader Maury had onmiddellijk zijn akkoord gegeven. Met acht nog levende kinderen, waarvan er vier of vijf nog gevoed moesten worden in een tijd van hongersnood en Inquisitie, zou niemand een schoonzoon uit de vallei afwijzen. Moeder had niets gezegd. Toen Guillelma vanuit Montaillou de berg afdaalde naar de vallei, met een nieuw laken, met haar huwelijkskleren, kende zij haar jonge echtgenoot nog maar twee dagen

–––––
De eerste aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Brief van de voorzitter; Als Catars Themadag op 25 oktober a.s.: alle praktische info; Gouden jubileum in Fanjeaux: een verslag van het 50ste colloquium; Cursief: het kasteel van de Graal.

Top

10de jaargang – e-Magazine 43 – december 2014

De kathaar en de profeet:
de Ascensio Isaiae in de kathaarse prediking


In zijn tweede brief aan de Korintiërs heeft Paulus het over “een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd.” “Of dat in zijn lichaam of buiten zijn lichaam gebeurde,” zo voegt hij eraan toe, “dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken (12,2-4).” Of Paulus het hier in een versluierde vorm eigenlijk over zichzelf heeft, is niet helemaal duidelijk. Nochtans heeft hij op andere momenten in zijn carrière wel degelijk visionaire, bovennatuurlijke ervaringen gehad. Werd hij niet door de verrezen Heer zèlf geroepen, toen hij op weg was naar Damascus om daar de christenen op te pakken en uit te leveren? Of die visioenen al dan niet veroorzaakt werden door epileptische aanvallen, zoals sommigen beweren, doet er voor ons even niet toe. Het gaat erom dat het gevoel boven zichzelf opgeheven te worden, hem sterkt in de overtuiging dat hij in de waarheid leeft. Of niet?
Wie – “in zijn lichaam of buiten zijn lichaam” – opgetild wordt tot in het paradijs en daar God aanschouwt, ervaart dat als een bevestiging van alles waar hij of zij in gelooft, als een teken, een bewijs. Zo zag Guilhem Bélibaste het althans, wanneer hij, ergens rond het jaar 1318, een preek begon met de woorden: “Een zekere bon homme vroeg zich af of hij wel het ware geloof had...”

–––––
De Ascensio Isaiae (de Hemelvaart van Jesaja) is een aprocriefe tekst die aan de profeet Jesaja wordt toegeschreven. Tijdens hun ondervraging door de inquisiteur van Carcassonne, Geoffrroy d'Ablis (1308-1309), verklaren meerdere getuigen dat ze een bon homme enkele jaren voordien uit die tekst hebben horen voorlezen. Mieke Felix ging op zoek naar de betekenis van deze tekst voor de kathaarse prediking.

Het vierde Lateraans concilie en de Tolozaanse revolte (1215-1229)

Nadat de Occitaanse coalitie bij de slag van Muret (12 september 1213) reeds een zware nederlaag had geleden, waarbij zelfs koning Pere II van Aragon sneuvelde, zette de kerk van Rome haar politiek van bestrijding en onderdrukking van het katharisme gestaag verder.
Zij wist zich daarbij geholpen door het kruisleger o.l.v. Simon de Montfort, die na de overwinning in Muret een nooit eerder gezien prestige had opgebouwd. Om een en ander te regelen en de puntjes op de i te zetten riep paus Innocentius III op 11 november 1215 de christenheid op om deel te nemen aan het vierde Lateraans concilie.
Zoals we hierna zullen zien heeft dat concilie verregaande gevolgen gehad voor het Occitaanse land, zijn bestuurders en zijn inwoners, maar anderzijds ontstond daaruit ook een grote revolte van de Occitanen tegen de Franse overheersers, waarbij de politieke kaarten grondig door elkaar werden geschud. Maar uiteindelijk draaide alles toch uit op de annexatie van de Languedoc bij het Franse kroondomein.

–––––
In 1215, het jaar waarin de paus het vierde concilie van Lateranen samenroept, lijkt de kruistocht tegen de albigenzen gestreden. Simon de Montfort controleert nagenoeg het hele Occitaanse grondgebied, de rol van de zuidelijke baronnen is zo goed als uitgespeeld. Maar dan keren de kansen, Montfort krijgt te maken met een nieuwe tegenstander, de jonge graaf van Toulouse, Raimon VII. In enkele jaren tijd slaagt die er in vrijwel zijn hele grondgebied te heroveren. En wanneer Simon de Montfort in 1218 sneuvelt voor de muren van Toulouse, is het einde van de kruistocht in zicht. Pas wanneer de Franse koning zich persoonlijk met de zaak gaat bemoeien, loopt het toch nog verkeerd af voor de Occitanen. Michel Gybels bekijkt met ons deze boeiende periode.

Een kathaars kunstwerk: de Occitaanse Bijbel van Lyon

De vraag is al dikwijls gesteld: bestond er zoiets als ‘kathaarse kunst’? De historici kunnen dan niet anders dan telkens hetzelfde teleurstellende negatieve antwoord geven. De katharen bouwden geen kastelen of kerken, ze beeldhouwden niet in steen of hout, ze bewaarden ook geen stukjes been in rijk versierde kostbare reliekschrijnen, integendeel, ze dreven voortdurend de spot met de talrijke heiligenbeelden in katholieke kerken die zij als afgodsbeelden beschouwden, ze weigerden consequent afbeeldingen van het kruis te maken of te gebruiken, voor hen was het kruis geen heilig symbool, maar een dodelijk martelwerktuig, een moordwapen. In de tijd van de kathedralenbouwers en de opkomst van de grote westerse religieuze kunst, onderscheidt het katharisme zich door het strenge en ascetische karakter van zijn cultus, ontdaan van elke afbeelding, en dan wordt de verleiding groot om te zeggen: van elke kunstvorm.
–––––
Maar dat klopt niet helemaal, het gevoel voor esthetiek en schoonheid was bij de bons hommes wel degelijk aanwezig en het bewijs daarvan vinden we in het enige ‘religieuze voorwerp’ dat ze voor hun religie gebruikten: het boek. In het dagelijks leven van de kathaarse gemeenschappen nam de Bijbel een zeer belangrijke plaats in, hij bevatte immers het Woord van God. Elke prediker beschikt over een exemplaar waarin hij het Evangelie van de dag las en bij het consolament werd de Geest overgedragen door handoplegging én door het Boek. Anne Brenon laat ons kennismaken met het enige overgebleven exemplaar.

Van Mani tot Nicetas: negen eeuwen religieus dualisme (4)

De eerste vermelding van bogomilisme in het Byzantijnse Rijk vinden we terug in een brief van de monnik Euthemios de Akmoniet van het Peribleptosklooster in Constantinopel, gericht aan een van zijn medebroeders in het bisdom Akmonia in de provincie Frygië in Klein-Azië, en geschreven ergens tussen 1034 en 1050. In die brief vermeldt de auteur dat hij in Constantinopel in contact was gekomen met drie bogomielen die zich vermomd hadden als monniken en aldus zijn klooster waren binnengeslopen.
Euthemios benoemt hen niet als bogomielen maar wel als phoundagiagiten of phoundaten. Nadat Euthemios enkele dagen met hen had doorgebracht kwam hij tot de vaststelling dat hun leider een grote kennis had van zowel de psalmen, de evangelies als de epistels van Paulus. Ook kon hij vlot reciteren uit de werken van Johannes Chrysostomos en van de Woestijnvaders.

–––––
In de laatste aflevering van deze vierdelige reeks over het dualisme bekijkt Michel Gybels welke invloed het bogomilisme heeft gehad op de Byzantijnse wereld en hoe die religie uiteindelijk is doorgesijpeld naar het Westen om uit te monden bij het katharisme.

Guillelma Maury, de onverzettelijke – Deel 2

Twee weken na de doortocht van de goede mannen is er opnieuw bezoek in Montaillou: Pèire Maury, met de stevige pas van een bergbewoner. Twee jonge mannen van dezelfde allure vergezellen hem, net als hij zijn ze gekleed als herders. Een jonge labrit rent enthousiast om hen heen. De dorpelingen verwelkomen de reizigers hartelijk met uitnodigende schouderklopjes. Pèire en zijn collega’s uit de Razès komen enkele jonge dieren zoeken in het hoogland, flinke Tarasconnezers met mooi gevormde horens, om het bloed van de lammeren in de Razès te vernieuwen. Daarvoor hebben ze geld meegebracht in hun gordels. En bij de families Maury, Bénet, Clergue, Belot, Maurs, Marty of Lizier zullen ze wel van een paar lente-ooien afstand willen doen. Zo hebben ze de beste keuze, nog vóór de jaarmarkten van september starten.
Het is al avond als de drie jonge mannen aankomen, de warmte is verstikkend, de bijna dagelijkse zomerstorm staat op uitbarsten en zwarte wolken hopen zich op in de diepte van de gorges van Lafrau. Ze stijgen dreigend op achter Comus en de vlakte van de Boum aan de rand van het plateau. Begeleid door het voorlopig nog verre gerommel van de donder, zoeken de eerste dikke regendruppels hun weg. De reizigers versnellen hun pas en gaan het huis van de Maury’s binnen. Raimon zit gebogen voor zijn weefgetouw en weeft met kleine precieze gebaren een fijne wollen serge. Met de kleine Jòan in haar armen, zwaar en een beetje waggelend, komt Azalaïs naderbij met haar dochters. De indrukwekkende Pèire neemt zijn hoed af en groet zijn vader met enige plechtstatigheid. Hij moet hem eerst zijn twee kompanen voorstellen, daarna pas volgen omhelzingen en gelach.

–––––
De tweede aflevering van de ‘echte roman’ van Guillelma Maury door Anne Brenon.

En verder...

Brief van de voorzitter; Agenda.

Top

februari | april | zomer | oktober | december

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017