Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2013 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

februari | april | juni | augustus | oktober | december

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

9de jaargang – e-Magazine 33 – februari 2013

Het dagelijks leven van de katharen


Het dagelijks leven van de katharen onderscheidt zich in niets van dat van andere dorpelingen. Dat maakt het voor hedendaagse archeologen onmogelijk om een kathaars huis of kathaarse voorwerpen
te identificeren. Hun dagelijks leven is eenvoudig, het is een kopie van dat van hun tijdgenoten, hun religieuze ceremonieën zijn discreet. Er is maar één verschil: ze weigeren vlees te eten.
Het zal altijd zo goed als onmogelijk blijven voor een archeoloog om de resten van een ‘kathaars huis’ te identificeren in een middeleeuwse woonkern. Geen specifieke voorwerpen, geen opvallende levensstijl, ‘kathaarse archeologie’ bestaat niet. Het dagelijks leven van de katharen, gewone mensen uit de Occitaanse dorpen, was identiek aan dat van hun katholieke buren, met uitzondering van enkele rituelen en enkele woorden uit hun gebeden, maar daar zijn alleen in enkele documenten sporen van overgebleven.
Alle dorpelingen leven in dezelfde fysieke omstandigheden, delen dezelfde tekorten, dezelfde rijkdom, maken dezelfde gebaren, gebruiken hetzelfde keukengerei om hun gezin te voeden, hetzelfde gereedschap om hun familieleden warm te houden en te beschermen tegen de vele gevaren van de tijd.

–––––
Als we willen weten hoe de middeleeuwse kathaarse gelovigen samenleefden met hun katholieke buren, dan moeten we niet kijken naar de periode van kruistochten en repressie, toen de kathaarse religie in de clandestiniteit werd gedwongen, maar naar de periode die daaraan vooraf ging. En dan kunnen we, samen met Anne Brenon, niet anders dan constateren dat de verschillen tussen katholieken en kathaarse gelovigen minimaal waren. Het was het heil van de ziel dat centraal stond en sommige families gingen daarvoor zowel te rade bij de bons hommes als bij de pastoor...

Keizerlijke ketterwetgeving in de vierde en vijfde eeuw

Het is even wennen, maar zoals wij bij onze bakker, beenhouwer of bankier keuvelen over het weer, de beurs of onze vakantie, spreekt de gewone mens uit de vierde eeuw over fundamentele theologische vraagstukken. Luisteren we even naar wat Gregorius van Nyssa over de nieuwe stad Constantinopel van toen vertelt: “Indien u in deze stad aan een neringdoener om wisselgeld vraagt, zal hij niet talmen om met u te discussiëren over de vraag of de Zoon is verwekt of geïncarneerd. Indien u de bakker ondervraagt over de kwaliteit van zijn brood, zal hij u antwoorden dat de Vader superieur is aan de Zoon. En indien u aan de baddienaar om zijn diensten vraagt, zal hij u bevestigen dat de Zoon werd geschapen uit het niets.”
Dit cynische geklaag van een overigens diepzinnige en originele auteur wijst op een grote verdeeldheid bij de christenen, zelfs in eenzelfde stad. In het begin van die voor de christelijke bewegingen scharnierende maar nog steeds heidense vierde eeuw had keizer Constantijn de Grote het nochtans anders gezien.

–––––
Om de argumentatie van de middeleeuwse katholieke tegenstanders van het katharisme beter te begrijpen, moeten we enkele eeuwen terug in de tijd. U weet wel, keizer Constantijn die in 325 het concilie van Nicea laat samenroepen, waar een ‘officiële’ geloofsbelijdenis wordt aangenomen. Elke geloofsovertuiging die daarvan afwijkt wordt voortaan als ‘ketterij’ beschouwd. Maar deze voorstelling is in feite een oversimplificatie, eigenlijk zelfs een karikatuur. Zoals gewoonlijk is de werkelijkheid veel genuanceerder en was Constantijn niet de enige auteur van wat men later een beetje ten onrechte de ‘Constantijnse wending’ is gaan noemen. Willy Vanderzeypen neemt ons mee naar de vooravond van de middeleeuwen.

De heropleving van het katharisme in de Lauragais (1220-1245)

Nadat het Occitaanse land na negen jaar albigenzische kruistocht (1209-1218) zo goed als leeggebloed was, kregen haar inwoners na de dood van Simon de Montfort (1218) weer wat meer ademruimte en kon het katharisme zich stilaan herstellen. De negenjarige repressie was er immers niet in geslaagd dat katharisme tot op het bot uit te roeien.
Tal van ridders faidits hergroepeerden zich na de Albigenzische kruistocht in de Toulousain en de Lauragais en zorgden door hun aanwezigheid voor de noodzakelijke veiligheid van de bevolking, waarbij ze zich openlijk achter de kathaarse zaak schaarden. Eén van hun leiders, ridder Aimery de Castelnau,
stond in voor de veiligheid van de katharen in Toulouse en bood, samen met zijn vrouw Mabillia, onderdak aan de bonne femme Arnalda de Lamotha. Guiraud de Gourdon, heer en kathaars diaken van Caraman, vervoegde graaf Raimon VI van Toulouse bij diens reconquista in 1217 en vergezelde hem ook tijdens het beleg van Lavaur in 1225. Dit mag op het eerste zicht vreemd lijken, maar er waren nog ridders die hun status van bon homme tijdelijk opschortten en opnieuw de wapens opnamen of als raadgevers fungeerden tijdens de gevechten, naar het voorbeeld van de katholieke prelaten.

–––––
De Lauragais is voor het katharisme altijd een vruchtbare voedingsbodem geweest. Het is dan ook niet verwonderlijk dat, na het falen van de kruistocht, hier de ‘kathaarse netwerken’ snel weer op volle toeren draaien. Een getuigenis over hoe dat in zijn werk ging, vinden we onder meer in de verklaring die Bertran Alaman in 1243 en 1244 aflegde voor inquisiteur Ferrer. De vertaling is van Michel Gybels.

De aanpak van de Inquisitie

De albigenzische kruistochten (1209-1229) hebben geen definitief einde kunnen maken aan de kathaarse beweging in de Languedoc, maar de militaire campagne is er wel in geslaagd om een deel van de structuren te vernietigen waarlangs het katharisme zich verspreidde en zich in stand hield.
Alles werd immers in het werk gesteld om de toevluchtsoorden voor de katharen voor hen onbereikbaar te maken. Zo werden geconfisqueerde landgoederen bijvoorbeeld geschonken aan ‘roomse’ of ‘rechtgelovige’ instellingen (zoals de cisterciënzers), en werden de laatste broeihaarden van het kathaarse verzet na lange belegeringen overmeesterd en overgedragen aan de Franse koning (Montségur in 1244, en meer dan 10 jaar later, in 1255, Quéribus).
De laatste kathaarse bons hommes die zich niet willen verzoenen met Rome, eindigen op de brandstapel of belanden in de gevangenis. Maar ook de ‘gewone’ aanhangers van het kathaarse geloof die beslissen ter plaatse te blijven of te vluchten naar het buitenland (Spanje, Italië, …) moeten steeds op hun hoede zijn, want net op het ogenblik waarop de verkondiging van het kathaars geloof verzwakt uit de militaire strijd is gekomen, en dus uiterst kwetsbaar is voor een beleid van actieve vervolging, beslist de rooms-katholieke kerk een nieuw wapen in de strijd te werpen: de Inquisitie (van het Latijn inquisitio = onderzoek). Deze instelling wordt gelast met de actieve opsporing en vervolging van andersgelovigen, en ze opent dus ook de jacht op de aanhangers van het kathaarse geloof. Zij gaat hierbij meedogenloos te werk en schuwt geen enkel middel. Het resultaat zal zijn dat het katharisme met wortel en tak zal worden uitgeroeid.

–––––
Over de Inquisitie doen heel wat verhalen de ronde en die zijn niet allemaal even waarheidsgetrouw. Op het 10de colloquium over de katharen, in november 2012, zette Vincent De Cort de puntjes op de i en legde hij haarfijn uit hoe deze pauselijke instelling precies te werk ging tijdens de eerste eeuw van haar bestaan. Deze bijdrage is de schriftelijke neerslag van die boeiende lezing.

De verdwenen schat van Montségur en de spoulga van Verdun (Ariège)

Van de ruim tweehonderd gedocumenteerde grotten in de bovenvallei van de Ariège (Sabarthès), waren er tijdens de middeleeuwen een achttal versterkt en bewoond. Het waren vooral plaatselijke historici als Adolphe Garrigou en Adelin Moulis die zich de voorbije eeuw gingen interesseren voor die versterkte grotten die in het Occitaans ‘spoulga’s’ worden genoemd. Die benaming, een samentrekking en afleiding van het Latijnse spelunca wat gewoon ‘grot’ betekent, komt regelmatig voor in middeleeuwse oorkonden, net als cauna, spelonca, espulga of espugue.
Dergelijke versterkte grotten vindt men ook in de bergen van Centraal Europa en in de hele Mediterrane regio, evenals in het Nabije Oosten. Ze zijn bijzonder talrijk in de Spaanse Pyreneeën en komen minder voor in Frankrijk, waar het departement Ariège een uitzondering vormt met een twaalftal exemplaren.
De spoulga van Verdun wordt slechts één keer vermeld in de middeleeuwse documenten, in 1213. Ze maakte zo goed als zeker deel uit van de bezittingen van de adellijke familie Castelverdun. De ruïne van hun burcht ligt op een hoogte boven het dorp Châteauverdun op de linkeroever van de Ariège. Een burcht die, zoals de meeste in die regio tijdens de 13de en 14de eeuw, in het bezit was van meerdere coseigneurs, die de feodale eed van trouw zwoeren aan hun suzerein, de graaf van Foix, en een Occitaans front vormden tegen de Franse bezetter.

–––––
Dat de ‘spoulga's’ of versterkte grotten in de Ariègevallei nooit een rol hebben gespeeld als kathaarse initiatiegrotten, is intussen voldoende aangetoond. Het waren militaire bolwerken die de vallei bewaakten in opdracht van de graaf van Foix. Dat maakt hun geschiedenis daarom niet minder interessant, integendeel. Zo weten we uit de verklaringen van de overlevenden van Montségur dat de ‘schat van Montségur’, de geld- en goudvoorraad van het castrum, een tijd lang werd verborgen in zo'n spoulga. Alleen vertelt de getuiige er niet bij in welke... Michel Gybels verkent het gebied en doet enkele suggesties...

De Spiegel van Aimengart

Aimengart draait zich in bed van de ene op de andere zijde. De nacht is al uren geleden gevallen, maar ze is nog klaarwakker. Het is drukkend warm in de kamer waar ze sinds drie maanden alleen slaapt. Het is alsof het weer zich heeft aangepast aan de atmosfeer in het huis van de Mazerolles. Sommige dagen zijn bijna zomers warm, ook al laat de zon zich nauwelijks zien. Koud is het niet meer, dat spreekt vanzelf, maar zware wolken, voortgestuwd door een gekke wind, verstoppen bijna iedere dag het blauw van de hemel. Soms valt er een plensbui op Gaja, wild stromende regen, verzadigd van zand, zoals de stortregens in volle hondsdagen, en veranderen de steegjes in beken van water en slib. Wat Aimengart zelf betreft, zij is vooral ongerust over haar echtgenoot, van wie ze sedert zijn aankomst in Montségur niets meer gehoord heeft, en over het lot van haar familie en de toekomst van hun kerk. En wordt ze uiteindelijk toch overmeesterd door een onrustige slaap, dan komt de blik van de stervende, van de soldaat die ze gedood heeft, haar kwellen. Voortdurend herbeleeft zij dat moment waarop het lemmet, geleid door haar hand, binnendringt in het nog warme lichaam, dat moment waarop ze haar onschuld heeft verloren.
Aélis, de moeder van de heren van Gaja, heeft gele kruisen op haar kleren moeten naaien. Arnaut blijft haar herinneren aan het vonnis van de inquisiteurs. Hij bezweert haar het te respecteren om niet nog meer de aandacht te vestigen op hun familie die al zo zwaar belast is. Aélis sluit zich dagenlang op in huis, de aanblik alleen al van de tekens van de schande zijn voor haar ondraaglijk. Alleen onder de bescherming van de nacht gaat ze nog naar de prediking van de bons chrétiens luisteren, momenten die intussen zeldzaam en kostbaar zijn geworden. En wanneer Arnaut ver weg is, dan gaat ze het huis uit in haar bliaut, terwijl ze de mantel met de kruisen geplooid over haar arm draagt, klaar om hem snel aan te trekken mocht ze iemand tegenkomen die haar zou kunnen verklikken.

–––––
Het zevende deel van ‘De Spiegel van Aimengart’, een gloednieuwe roman van Gwendoline Hancke.

En verder...

Brief van de voorzitter, Editoriaal.

Top

9de jaargang – e-Magazine 34 – april 2013

Waren de katharen christenen?


Moeten we het katharisme beschouwen als een volledig op zichzelf staande religie? Of moeten we de bons hommes en bonnes femmes definitief indelen bij de grote familie van het christendom? Organisatie, riten, wereldbeeld, het debat dat intussen zo oud is als het katharisme zelf, kan vanuit
diverse invalshoeken gevoerd worden.

Het katharisme – We moeten er onmiddellijk op wijzen dat het hier niet gaat om een ketterij, tenminste niet in de betekenis die men gewoonlijk geeft aan dat woord, maar om een religie die totaal verschillend is van het christendom.

Ziedaar de tweede zin die je voorgeschoteld krijgt in het boekje ‘Albigeois et cathares’ uit de populair-wetenschappelijke reeks ‘Que sais-je?’. De uitgave die ik in handen heb, de zeventiende druk, dateert uit 2007. De uitgever heeft er zich dus voor de zeventiende keer mee tevredengesteld de allereerste uitgave gewoon te reproduceren, de allereerste uitgave die dateert uit… 1955 en die bulkt van opvattingen die al lang voorbijgestreefd zijn.

–––––
Mogen we het katharisme tot de grote familie van het christendom rekenen, of was het iets totaal anders? Ziedaar een discussie die al jaren aansleept. Michel Grandjean bekijkt respectievelijk de teksten, de rituelen en het dualisme van de katharen en stelt vast dat er maar één conclusie mogelijk is: de katharen waren christenen, wat hun tegenstanders ook mogen beweren.

Antoine Dondaine O.P.

Wie het plan heeft opgevat zich grondig te verdiepen in de geschiedenis en de leer van de middeleeuwse katharen, zal onvermijdelijk geconfronteerd worden met een overvloed aan geschreven bronnen. De ketters uit de 12de en 13de eeuw die vandaag ‘katharen’ worden genoemd zijn immers uitgebreid beschreven. Zo zijn er voor wat de geschiedenis ‘pur sang’ betreft allereerst de middeleeuwse kronieken. Naast de drie belangrijkste die de kruistocht tegen de albigenzen als onderwerp hebben (het Canso van Guilhem de Tudela en zijn anonieme opvolger, de Hystoria Albigensis van Pierre des Vaux-de-Cernay en de Chronica van Guillaume de Puilaurens), zijn er nog heel wat andere die, rechtstreeks of zijdelings, naar die gebeurtenissen verwijzen. Verder zijn er ook charters, akten, allerlei officiële documenten. En ook al is het overgrote deel van de inquisitieverslagen in de loop der eeuwen verloren gegaan, er zitten er nog duizenden in diverse archieven en die zijn zeer dikwijls verbazend goed gedetailleerd. Denk maar aan Emmanuel Le Roy Ladurie die in 1975, op basis van de ondervragingen van bisschop Jacques Fournier, een omvangrijke sociologische studie kon publiceren over het bergdorp Montaillou. Zeer boeiend zijn ook de zogenaamd ‘polemische’ geschriften, teksten die door katholieke geestelijken (in sommige gevallen bekeerde ketters zoals Rainerius Sacconi of Durand de Huesca) werden geschreven tegen de katharen en waarin hun ‘talrijke dwalingen’ staan opgesomd.
–––––
Tussen de overvloed aan bronnen over de katharen nemen de authentieke kathaarse teksten een heel speciale plaats in. Het zijn er slechts een vijftal (als we de Bosnische tekst van Radosav erbij rekenen zijn het er zes), maar ze zijn ‘incontournable’ voor een goed begrip van de kathaarse religie. Drie van deze teksten werden ontdekt door één man, Antoine Dondaine, die, het lijkt een beetje ironisch, behoorde tot dezelfde orde die tijdens de middeleeuwen al het mogelijke deed om elk spoor van de katharen te laten verdwijnen: de dominicanen. Het werk van pater Dondaine is van uitzonderlijk belang voor de studie van de middeleeuwse ketterijen in het algemeen en van de katharen in het bijzonder. Marc Bogaerts zocht uit wie die man precies was en waarom zijn werk zo belangrijk was en nog altijd is.

Marcion de aartsketter

De eerste christenen hebben het voortdurend over het nakende Einde der Tijden, maar wanneer dat er niet komt, zorgt dat voor teleurstelling. Rond het jaar 100 zeggen sommigen dan ook ontgoocheld: “Wij hebben hierover reeds in de dagen van onze vaderen gehoord, en zie, we zijn ondertussen zelf oud geworden en niets van dat alles is ons overkomen!”
Justinus de Martelaar denkt hier over na en richt zich rond 130 in een traktaat tot de keizer. Hij breidt de levensduur van de wereld aanzienlijk uit. God heeft het Einde der Tijden verdaagd, stelt hij, omdat Hij wenst te zien hoe de christelijke beweging zich over de wereld zou verspreiden. Deze zoveelste theologische krachttoer van Justinus is echter een pleister op een houten been. Het aantal christenen nam in het begin van de tweede eeuw niet meer toe of verminderde zelfs. Verklaringen van christelijke auteurs over ‘hun groei’ en ‘overal’ horen thuis in de retoriek en moeten we met meer dan één korrel zout nemen, zeker tot de wending van de vierde eeuw. In hun geschriften hebben zij het voordien in feite over een kleine maar wel in het oog springende minderheid. De overdadige literaire productie van deze geleerden in de tweede eeuw mogen we niet verwarren met hun numerieke sterkte. Heel wat mensen probeerden christen te zijn, maar konden dat niet volhouden en gaven het op.

–––––
De eerste eeuwen van het christendom, waarin dat nog een amalgaam was van de meest diverse groepen en strekkingen, zijn ontzettend boeiend. Discussies maar ook regelrechte scheldpartijen en onderlinge excommunicaties waren niet van de lucht. Willy Vanderzeypen laat ons kennismaken met Marcion, een van de meest controversiële figuren uit de tweede eeuw. Interessant is, zeker voor wie de katharen bestudeert, dat Marcion een onderscheid maakte tussen de wraakzuchtige God uit het Oude Testament en de liefhebbende God de Vader van Jezus Christus. Hij was ook de eerste die een soort canon opstelde, een lijst van ‘goedgekeurde’ geschriften, een idee dat de rooms-katholieke kerk later van hem zou overnemen, zij het in een veel uitgebreidere versie.

Geoffroy d'Ablis, portret van een inquisiteur

Geoffroy d’Ablis, geboren in Chartres, nam in 1303 zijn functie op als inquisiteur in Carcassonne, als opvolger van Nicolas d’Abbeville. Hij was er verantwoordelijk voor maar liefst 17 diocesen. Vanaf zijn aanstelling maakte hij aan de plaatselijke clerus en aan de vertegenwoordigers van de seculiere macht duidelijk dat hij zijn functie ernstig en met de nodige autoriteit zou uitoefenen.
Samen met zijn confrater Bernard Gui leidde hij op 9 april 1310 de oude notaris en leider van de laatste kathaarse kerk in de Sabarthès, Pèire Autier, naar de brandstapel in Toulouse. Met zijn acties slaagde hij erin om zowat alle overgebleven bons hommes op amper zes jaar tijd te laten oppakken en veroordelen, zodanig dat die laatste heropleving van de Gleisa de Dio onder de gebroeders Autier volledig van de kaart werd geveegd.
Geoffroy d’Ablis stelde alles in het werk om de Inquisitie zo efficiënt mogelijk te laten functioneren. Hij redigeerde met name zelf de documenten bestemd voor de praktische uitvoering van de Inquisitie, zonder twijfel met de bedoeling om later aan de hand daarvan een handboek voor de inquisiteur op te stellen. Maar vooral stelde hij binnen zijn ambt een duidelijk bureaucratisch werkschema op voor de clerus, de notarissen en de getuigen en delegeerde hij zijn eigen bevoegdheden aan zijn directe medewerkers Jean de Fagoux en Gérard de Blomac.

–––––
Michel Gybels borstelt het portret van Geoffroy d'Ablis, samen met zijn collega Bernard Gui een van de meest ‘efficiënte’ inquisiteurs uit het begin van de 14de eeuw. Hij slaagde erin de laatste belangrijke kathaarse kern rond de persoon van Pèire Autier uit te schakelen.

Het inquisitieregister van Geoffroy d'Ablis: verklaring van Pèire de Luzenac

Ik, Pèire de Luzenac, vraag om uw barmhartigheid en niet om uw oordeel, en beken:
Toen ik ongeveer 14 jaar was, te Ax, in het huis van Pèire Autier uit Ax, zei deze mij: “Pèire, weet je wat het goede en het kwade is?” Ik antwoordde ja. – “Maar weet je hoe de zielen gered worden?” Ik antwoordde: “Door goede werken te doen en te gehoorzamen aan God.” Hij zei me: “Dat betekent niets. Weet, Pèire, dat niemand in de wereld zal gered worden behalve dan dezen die men ketters noemt.” Ik antwoordde: “Ik geloof dat niet en zal het niet geloven, want ik heb heel wat kwaad over hen horen vertellen.” – “Je zou het wel geloven als je hun gedrag kende.” Ik antwoordde: “Ik wil dat niet kennen.” – “Je zal het leren kennen en je zal het geloven als ik je er duidelijker over gesproken heb. Kom mij een van de volgende dagen opnieuw opzoeken en ik zal je alles volledig uitleggen.”
Ik heb die woorden korte tijd later bekend gemaakt aan messire Pèire Pellipier, priester van Unac, mijn leraar, die mij zei het helemaal niet te geloven. En ik deed er niets mee
.
–––––
Raymond Doms vertaalde een van de bekendste verklaringen uit het inquisitieregister van Geoffroy d'Ablis, die van Pèire de Luzenac. Het gaat over de laatste opflakkering van het katharisme rond de charismatische figuur van Pèire Autier en zijn gezellen in de Sabarthès, de streek rond Ax-les-Thermes. Het originele aan deze verklaring is dat Pèire de Luzenac, die zelf notaris was, ze eigenhandig had geschreven en ze voor de inquisiteur voorlas.

De Spiegel van Aimengart

De gezegelde brief weegt zwaar in haar handen. Haar voeten lijken vastgenageld aan de drempel van de deur. De boodschapper is al een poos vertrokken. Haar vingers beroeren zacht het zegel…, het is dat van broeder Ferrer, inquisiteur van de ketterse verdorvenheid, dezelfde Ferrer die door zijn machtsmisbruik het oproer in Narbonne veroorzaakt heeft.
De deur staat nog altijd open. Zo ziet ze Aèlis en Ermessent druk babbelend naderen, hun armen beladen met wol waarmee ze lakens en dekens willen weven voor de baby die nu spoedig zal geboren worden. De zwangerschap van Ermessent loopt ten einde, de achtste maand is bijna voorbij. Ondanks Aimengarts aanvankelijke vrees gaat het goed met haar jonge schoonzus die vertroeteld wordt door de vrouwen met wie ze haar leven deelt. Zeker, ze is voortdurend uitgeput en de zomerse temperaturen maken haar lichaam nog zwaarder. Haar buik is enorm. De vrouwen van het dorp spreken erover, beweren nog nooit zo’n bolle buik gezien te hebben, terwijl de toekomstige moeder zelf zo fijn gebouwd is. Maar Aimengart maakt zich zorgen over de bevalling. Ze spreekt er niet over met Ermessent om haar geen angst aan te jagen, maar ze vraagt zich af of Ermessent niet te frêle is, te breekbaar om de erfgenaam van de Mazerolles, die duidelijk zichtbaar even robuust is als zijn voorouders, op de wereld te zetten. Ze heeft Gailharda gevraagd om de toekomstige moeder regelmatig te onderzoeken en die heeft Aimengart aangeraden Ermessent zoveel mogelijk te laten bewegen met de bedoeling de weeën op gang te brengen voor de volle negen maanden voorbij zijn. Want volgens de vroedvrouw is de baby extreem groot en het gevaar dat hij niet zal doorkunnen is reëel…
Instinctief verstopt Aimengart de brief in de plooien van haar bliaut. Maar de scherpe ogen van Aélis hebben het vlugge gebaar gezien - de zwakheid van haar hoge leeftijd heeft de scherpte van haar geest nog niet aangetast… “Aimengart...,” begint ze schertsend. Maar als ze dichterbij komt en het bleke gelaat van haar schoondochter ziet, verandert haar toon: “Laat zien wat je daar verbergt!

–––––
Het achtste deel van ‘De Spiegel van Aimengart’, de roman van Gwendoline Hancke.

En verder...

Editoriaal, een originele kijk op de legende van de witte dame in de burcht van Puilaurens en de verbluffende overeenkomst met een gelijkaardig fenomeen in Laroche-en-Ardenne (Chris Cordemans), en de voorstelling van een nieuw boek van Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen (‘Ridderkoningen strijden om Europa’).

Top

9de jaargang – e-Magazine 35 – juni 2013

De moord op Pierre de Castelnau


Op 14 januari 1208 wordt een cisterciënzer monnik, legaat van paus Innocentius III, vermoord in de omgeving van Saint-Gilles-du-Gard. De rooms-katholieke kerk grijpt dit tragisch incident aan om een heftige en emotionele oproep te lanceren om de wapens op te nemen tegen de ketters in het algemeen en tegen de graaf van Toulouse in het bijzonder.
Het is het startsignaal voor de kruistocht tegen de albigenzen en het begin van gevechten die meer dan een eeuw zullen duren en die het Franse zuiden zullen verscheuren.

–––––
Al sinds zijn aantreden koestert paus Innocentius III het plan om de ketters in het zuiden te vuur en te zwaard uit te roeien. En vermits de zuiderse edelen niet mee willen, zal het militaire geweld van elders moeten komen, een kruistocht dus. Maar de Franse koning blijft jarenlang dwarsliggen.
Als in 1208 zijn legaat Pierre de Castelnau in duistere omstandigheden wordt vermoord, beseft de paus dat dit zijn ultieme kans is. Zonder dat er ook maar enog bewijs voor bestaat, wentelt hij de schuld voor de aanslag af op de graaf van Toulouse. Zelfs de Franse koning kan nu de kruistocht niet meer tegenhouden... Michel Roquebert doet het verhaal.

Een illustratie uit de Bible Moralisée & het kathaarse consolamentum

In een 13de-eeuws manuscript van de Bible Moralisée die gedeeltelijk in Parijs wordt bewaard, staat, in het hoofdstuk dat gewijd is aan het Boek Job, een afbeelding die heel wat vragen oproept. Het is een voorstelling van een bijna naakte man, met links van hem twee baardige figuren in het blauw. Eén van deze figuren legt het centrale personage in een zegenend (?) gebaar de hand op. De ander wijst, schijnbaar vermanend, naar twee monniken met tonsuur, die rechts zijn afgebeeld. Eén van deze twee monniken draagt een open boek.
Naar alle waarschijnlijkheid stellen de twee figuren in het blauw ketters voor, zogenaamde ‘katharen’ die een novice het kathaarse ‘doopsel’ toedienen, het consolamentum. Zo wordt deze afbeelding althans de laatste jaren geïnterpreteerd. Steeds vaker verschijnt een uitvergrote reproductie van de miniatuur als illustratie bij (vulgariserende) artikels over het middeleeuwse katharisme. Veel meer dan de hierboven opgesomde gegevens wordt er in eventuele bijschriften niet vermeld.

–––––
Een Bible Moralisée is een soort van bijbels prentenboek. Illustraties van bijbelse fragmenten worden telkens vergezeld door een moraliserende tekst en een bijhorende prent die daarvan afgeleid zijn. Enkele manuscripten, gemaakt in opdracht van het Franse koningshuis, zijn bewaard gebleven. Het lijkt een beetje vreemd daarin aan afbeelding aan te treffen van wat zeer sterk lijkt op een kathaars consolamentum. Met de afbeelding lijkt op het eerste zicht zelfs niets mis, ze wordt vandaag dikwijls gebruikt als illustratie bij artikels over het katharisme. Maar is dat wel zo? Lees er alles over in deze boeiende studie van Mieke Felix.

Kathaarse vrouwen in de Lauragais

Uit de geschiedenis van het katharisme blijkt overduidelijk dat de kathaarse religie voornamelijk door de vrouwen werd doorgegeven. Die kathaarse vrouwen, hetzij bonnes femmes, hetzij gewone gelovigen, werden dikwijls nog erger vervolgd dan de mannen, opgesloten en verbrand. Hun moed en onverzettelijkheid tegen de Franse overheersers en de Inquisitie is legendarisch en nooit eerder gezien.
In mei 2011 werd ter ere van die moedige kathaarse bonnes femmes uit de Lauragais in Les Cassès een gedenkteken opgericht op de plaats waar op 20 mei 1211, achthonderd jaar eerder, door Simon de Montfort een zestigtal katharen op de brandstapel werd gezet. Het gedenkteken kwam er op initiatief van de verenigingen ‘Lauragais au Coeur’ en ‘Les Cassès 1211-2011’.

–––––
Naar aanleiding van de onthulling van een gedenkteken voor de kathaarse bonnes femmes uit de Lauragais, blikt Michel Gybels acht eeuwen terug. De rol van de vrouwen in de verspreiding van de kathaarse religie is niet te onderschatten. Waar de prediking veelal door mannen werd gedaan, vervulden de vrouwen hun missie in het hart van de samenleving: de families. En als de geoliede en efficiënte Inquisitie uiteindelijk toch een eeuw zal nodig hebben om het katharisme uit te roeien, heeft dat veel te maken met die stevige sociale verankering.

De ketterse priester Lambert van Luik

In de twaalfde eeuw is Luik een zeer welvarende handelsstad waar men letterlijk alles kan kopen, ook kerkelijke ambten en producten. Het waren goede investeringen, tenminste indien men ze lang genoeg kon laten renderen bij de gelovigen die voor alle liturgische diensten moesten betalen. De Luikse kerk met een overvloed aan kapittels is uiterst conservatief en weerbarstig tegen de hervorming van kanonikale instellingen, wat leidt tot interne en externe reacties. En zo is de stad lange tijd een broeinest van echte en vermeende ketterij.
In ons laatste ‘katharenboek’ was Luik reeds het toneel van twee ketterse incidenten, het eerste in 1135, en negen jaar later het voor de kathaarse geschiedenis nog belangrijkere van 11442. We zouden dat kunnen uitbreiden met onder meer het dossier over de ‘ketterse’ priester Lambert, die als jongeling de primitieve katharen van Luik moet hebben gekend.
De problemen beginnen in 1166 wanneer, na de aanstelling van een nieuwe bisschop, een  kerkvergadering van grotere omvang wordt georganiseerd. Tot ontsteltenis van de prelaten en de kanunniken neemt een plaatselijke en populaire priester het woord. Hij valt de wereldlijke levenswijze van hun kapittels aan. Hiermee begint een langdurig en pijnlijk incident met heibel tot in Rome.

–––––
Katharen en waldenzen vormden zonder meer de belangrijkste middeleeuwse ‘ketterse’ stromingen, maar ze waren niet de enigen die reageerden tegen de uitwassen van de middeleeuwse Kerk. En het liep ook niet altijd slecht af. Willy Vanderzeypen belicht de figuur van Lambert van Luik. Hij streed tegen het corrupte machtsmisbruik van de Luikse clerus en werd daarom door zijn tegenstanders van ketterij beschuldigd. Deze zaak zou hem uiteindelijk tot bij de paus in Rome brengen.

De kruistocht van het woord

Van preken tot debatten, het is vooral met woorden dat de roomse kerk in eerste instantie de strijd tegen de ketters aanvat, al is de dialoog soms zo heftig dat hij het geweld van de komende strijd voorafspiegelt. Van deze debatten blijven vandaag alleen wat fragmenten over, maar dat volstaat om ons een beeld te geven van de tot mislukken gedoemde onderneming van de katholieke prelaten om het zuiden ervan te overtuigen de leer van de katharen niet te volgen.
Traditioneel wordt de kruistocht tegen de albigenzen, die in 1208 door paus Innocentius III wordt gepredikt en in de lente van 1209 het zuiden binnentrekt, gezien als het brutale maar onvermijdelijke gevolg van een totale mislukking: de ultieme uitgestoken hand van de roomse kerk naar de kathaarse ketterij wordt door de zuiderlingen genegeerd, de intensieve campagne van prediking om de verloren schapen door overreding weer bij de kudde te krijgen, heeft niets opgeleverd.

–––––
Het is bijna uit onmacht, omdat hij er maar niet in slaagt in kruistocht op de been te brengen, dat Innocentius III opdracht geeft aan de cisterciënzers om in het zuiden tegen de ketters te gaan prediken. Het wordt een maat voor niets. Het volk luistert niet en in publieke debatten moeten ze herhaaldelijk het onderspit delven tegen de kathaarse theologen. Anne Brenon bekijkt in dit artikel wat we weten over die fameuze debatten. Dat is niet zoveel. De kroniekschrijvers zijn eerder terughoudend in hun beschrijvingen en commentaren, misschien voelden zij iets van plaatsvervangende schaamte als de pauselijke afgevaardigden werden weggedebateerd...

De Spiegel van Aimengart

De toppen van de Pyreneeën liggen nog helemaal verstopt onder hun dikke witte winterdeken, maar in de vallei van de Touyre is de sneeuw gesmolten. Het geruis van de golven, voortgestuwd door de bron, vermengt zich met het eerste tsjilpen van de vogels om de nabije komst van het meest gracieuze seizoen te bezingen.
Isarn de Fanjeaux, in de deemstering van zijn leven, heeft de vorige nacht het consolament ontvangen. Na de dood van zijn vrouw is zijn langzame aftakeling overgegaan in een brutale val. In de herfst had hij een bode gezonden naar zijn dochter om haar te melden dat hij zijn laatste uur voelde naderen. Aimengart, sinds haar terugkeer in het dorp zonder teken van leven van Pèire, besloot zich bij haar vader te voegen in Queille en te waken bij de stervende tot op de fatale dag.
Gedurende de weken en maanden die volgden kwam Isarn, ziek en erg verzwakt, nog nauwelijks uit bed. Maar zelfs daar bleef hij zeer bezorgd over de toekomst van de bons chrétiens en vooral over de belegering van Montségur, waar zich niet alleen bijna alle dignitarissen van de clandestiene kerk bevonden, maar ook zijn eigen broer Pèire Roger de Mirepoix. Zijn bevoorrechte situatie - hij was een van de zeldzame heren die zijn gebied had kunnen behouden en nooit opgeroepen was door de Inquisitie - stelde hem in staat de belangen te behartigen van vervolgden en belegerden. Door zijn contacten met de baljuws van de graaf van Toulouse, zorgde hij voor een verbinding tussen Raimon VII en de belegerde ridders in Montségur. Queille kwam op geen enkel moment in het vizier van de Inquisitie en bleef een uitgelezen plek voor geheime samenkomsten, of het nu was voor de bons chrétiens en hun gelovigen of om berichten over te brengen van de sergeanten van Pèire Roger de Mirepoix.

–––––
Het negende deel van ‘De Spiegel van Aimengart’, de roman van Gwendoline Hancke.

En verder...

Editoriaal, Cursief en een vooruitblik op de voorstellingen van het Studiecentrum Als Catars in het Gravensteen tijdens de Gentse Feesten.

Top

9de jaargang – e-Magazine 36 – augustus 2013

Montségur, herinneringen en geruchten


Ik weet niet meer precies wanneer ik voor het eerst iets las over Montségur en zijn bewoners maar het moet zo’n dertig jaar geleden zijn. In een tijd waarin serieuze Nederlandstalige literatuur over de katharen nauwelijks bestond, wist het onderwerp me toch in voldoende mate te boeien om tijdens mijn volgende vakantie een ommetje via Carcassonne en de Ariège te maken. Op weg naar de Spaanse costa’s is dat niet eens zo’n enorme omweg. Het was mijn eerste kennismaking met wat men later met een fout woord ‘katharenland’ zou gaan noemen. Al moet ik eerlijk bekennen dat ik Montségur dat jaar eigenlijk niet gezien heb wegens verborgen in de mist. Dat kan gebeuren in de Pyreneeën. Gelukkig heb ik het de daaropvolgende jaren ruimschoots kunnen goedmaken, ik ben intussen de tel kwijt. En de citadel had mij onmiddellijk in zijn greep. Bovenkomen op Montségur, zeker de eerste keer, is een indringende ervaring. Er is niet alleen de woeste natuurlijke schoonheid van de site, maar ook het gevoel dat je op een zwaar beladen historische plaats staat. Dat maakt indruk.
Ik zou u nu een hoop nonsens kunnen voorschotelen over graalburchten, zonnetempels en mysteriescholen, maar daarvoor verwijs ik u graag naar het onvolprezen Google. Het internet is een rijke bron van kennis, maar een nog rijkere bron van de grootst mogelijke onzin. Nee, het is gewoon de wetenschap dat zich op deze plaats eeuwen geleden menselijke drama’s hebben afgespeeld. Dat dwingt tot eerbied. Montségur heeft wat dat betreft zeker geen monopolie, er zijn meer plaatsen die dat soort gevoelens opwekken. De Tower in Londen bijvoorbeeld, of het Colloseum in Rome...

–––––
Wie aan de katharen denkt, denkt aan Montségur. En dat is niet toevallig, het is in Montségur dat alle belangrijke elementen uit hun geschiedenis samenkomen. Een middeleeuwse nederzetting waar de hele bevolking kathaars was en waar de ‘goede boodschap’ werd gepredikt. Maar waar heel snel ook werd kennisgemaakt met de gruwel van de kruistochten, de Inquisitie en de brandstapel. De geschiedenis van het kathaarse Montségur heeft in totaal niet eens een halve eeuw geduurd. De ‘herinnering’ aan Montségur vormt de rode draad door de eerste themadag van het Studiecentrum Als Catars in Antwerp Expo op zaterdag 12 oktober 2013.

Albi: de Sainte-Cécile code

Sinds 31 juli 2010 is de bisschoppelijke cité van Albi door de Unesco ingeschreven op de fel begeerde lijst van het Wereldpatrimonium. Het is een terechte beloning voor de enorme inspanningen en investeringen van de middelgrote stad gedurende vele jaren. Van nabij heb ik het complexe dossier kunnen volgen en tegelijkertijd mijn hart verloren aan deze Italiaans ogende stad op een plateau naast de Tarn. Regelmatig gids ik er groepen uit de Benelux en heb er zelfs eens een week mogen verblijven. En zo beginnen we aan een reeks van artikels over het patrimonium en de geschiedenis van Albi, aangespoord door enthousiaste medereizigers die het fijne willen weten over enkele historische vraagstukken zoals bijvoorbeeld de merkwaardige groep van zeven levensgrote beelden onder het orgel in Saint Salvy. Laat ons echter starten met het meest opvallende monument: de kathedraal Sainte-Cécile.
–––––
In het eerste van een reeks artikelen over Albi neemt Willy Vanderzeypen ons mee naar de Sainte-Cécilekathedraal. De grootste bakstenen kerk ter wereld lijkt wel een symbool voor de macht van de rooms-katholieke kerk t.o.v. de katharen. En dat gevoel is niet helemaal onterecht, de strakke lijnen en de robuuste muren geven het gebouw een militair karakter en dat is absoluut niet toevallig. Maar wat een contrast met het interieur!

Vroege ketterijen in het Westen: Orléans (1022)

Op 28 december 1022, veroordeeld door een synode bijeengeroepen door koning Robrecht II de Vrome, worden de koorleider, een groep kanunniken van de kathedraal Sainte-Croix van Orléans en de leermeester van Saint-Pierre-le-Puellier publiekelijk verbrand wegens ketterij.
Alhoewel het hier klaarblijkelijk gaat over een beweging van intellectuele clerici, beschouwen moderne historici deze zaak als de eerste manifestatie van wat zij een ‘volkse ketterij’ noemen, een karakteristiek fenomeen van de klassieke middeleeuwen. Vanaf de 11de tot en met de 13de eeuw stond dergelijke ‘volkse ketterij’ in oppositie met de zogenaamde ‘geleerde’ of dogmatische ketterij, eigen aan een kleine groep clerici tijdens de late middeleeuwen. Kroniekschrijver Adémar van Chabannes en nog andere van zijn tijdgenoten bestempelden de ketters van Orléans als ‘manicheeërs’, net zoals de andere ketters uit die tijd die kort daarop geattesteerd werden in Aquitanië en op andere plaatsen in het Westen. Ze worden door de hedendaagse historici beschouwd als voorlopers van de kathaarse beweging die al gauw het religieuze leven van een groot deel van de bevolking zou beïnvloeden.

–––––
Vanaf de 11de eeuw ontstaan hier en daar dissidente bewegingen, aanvankelijk nog binnen de rooms-katholieke kerk. De kanunniken van Orléans, die in 1022 veroordeeld werden, zijn daar een vroeg voorbeeld van. Omwille van een aantal punten van overeenkomst worden sommige van deze bewegingen door historici ‘pré-kathaars’ genoemd. Michel Gybels gaat op zoek naar de ketters van Orléans aan de hand van vijf overgeleverde bronnen.

Augustinus als opmaat voor de vervolging van de katharen

De aanleiding tot deze studie was de vraag die me bezighield: waar haalde de Kerk het recht vandaan om andersdenkenden te deporteren c.q. uit te roeien?
In het boek van Ankie Nolen, ‘Het land der Katharen’, vermeldt zij dat kerkvader Augustinus rond het jaar 400 het principe van de rechtvaardige oorlog introduceerde oftewel het bellum iustum. Dit hield in dat kerkelijke gedragsdragers (pausen en/of bisschoppen) en seculiere heersers op grond hiervan oorlog konden voeren ter verdediging van christelijke normen. Kerk en seculiere autoriteiten ontleenden hun gezag aan God en waren daarom gehoorzaamheid verschuldigd aan de paus als plaatsvervanger van Christus, dus van God.
Door paus Gregorius is het bellum iustum verder uitgewerkt om de kruistochten te rechtvaardigen. Uit de overgeleverde kronieken over de kruistochten, geschreven door monniken, blijkt dat de geestelijken dankbaar gebruik maakten van Augustinus’ notie van de rechtvaardige oorlog. Zij rechtvaardigden de kruistochten door te benadrukken dat deze waren uitgeroepen door de hoogste legitieme macht op aarde in casu de paus (Urbanus II, 1095), een van de voorwaarden om een rechtvaardige oorlog te voeren.

–––––
Om de middeleeuwse katharen en andere ketters te veroordelen, werd door de rooms-katholieke kerk zeer dikwijls teruggegrepen naar de geschriften van kerkvader Augustinus. Het feit dat hijzelf ooit manicheeër was geweest, maar nadien die religie sterk bestreden had, was daar ongetwijfeld niet vreemd aan. Maar er is meer, zoals we leren in dit artikel van Charles Rutten.

Tussen adel en ketterij: de familie Maurand

Tussen 1170 en 1180 maakte de stad Toulouse een crisisperiode door. Raimon V van Saint-Gilles, graaf van Toulouse, die in de zuidelijke en oostelijke Languedoc strijd leverde tegen de uitdeinende macht van Catalonië en Aragon, was teruggekeerd naar Toulouse om er zijn autoriteit te herstellen tegenover de consuls die tijdens zijn afwezigheid de stad bestuurden en een steeds onafhankelijkere koers waren gaan varen. De tegenaanval van de graaf tegen de ondermijning van zijn gezag leek aanvankelijk succes te hebben, maar in 1189 werd door de leidende klassen van de Tolosaanse burgerij opnieuw een zo goed als onafhankelijk consulaat opgericht.
De tussenkomst van de graaf werd mogelijk gemaakt door de grote sociale verschillen in de stad, zo waren er hevige conflicten binnen de aristocratie over commerciële en vastgoedbelangen en er was ook onvrede tussen ondernemers en vaklui die in die tijd nog niet georganiseerd waren. Bovendien vielen die sociale malaise en de inspanningen van de graaf om zijn macht te herbevestigen samen met de hernieuwde kerkelijke aanval tegen woekeraars, een aanval die uiteindelijk zou leiden tot een strijd van armen en middenklasse tegen een steeds rijker en machtiger wordende aristocratie in de stad.

–––––
Reeds op het einde van de twaalfde eeuw werd er in Toulouse ingegrepen tegen de ketters. Pierre Maurand, een van de meest vooraanstaande notabelen van de stad, werd zelfs veroordeeld. Was de houding van de toenmalige graaf Raimon V dan zo verschillend van die van zijn nakomelingen? Of waren er andere motieven in het spel? Een artikel van Michel Gybels.

De Spiegel van Aimengart

Het meisje beweegt in haar wieg, ze ontwaakt uit haar middagslaapje. Nog voor ze begint te wenen van honger buigt haar moeder zich over haar heen. Ronde roze armpjes zwemmen in het ijle, grote blauwe ogen kijken haar indringend aan, de bruine haren van haar dochter zijn nat en plakkerig van het zweet door de grote hitte in de heuvels van de Lauragais.
“Estèla, mijn sterretje, ik hoop dat je goed geslapen hebt. Kom drinken, je zult wel dorst hebben met zulk weer, arm meisje.”
Aimengart neemt de baby uit de wieg, zet zich op het bed dat zij deelt met Gailharda en maakt haar hemd los om haar kleine meisje de borst te geven. De dames uit de aristocratie vertrouwen hun kind meestal toe aan een min, maar niet Aimengart, zij wil haar kind niet achterlaten in de armen van een andere vrouw, het kind waarop ze vijftien jaar gewacht heeft, de enige band die haar rest met Pèire. Misschien zou ze ook geen min gevonden hebben, want haar reputatie, gemerkt met gele kruisen, is er in het dorp niet op vooruit gegaan sinds ze de woning van de heren verlaten heeft en is ingetrokken bij de weefster in een van de meest bescheiden woningen van Gaja.
De geur van moedermelk doet het meisje, groot voor haar leeftijd en goed doorvoed, bewegen. Haar gulzige mond zoekt de borst van haar moeder. Aimengart leidt haar naar de goede houding en Estèla begint onmiddellijk gulzig te drinken. Haar hoofdje, onder de dichte krulharen, voelt warm aan, ze zweet van de inspanning. Aimengart streelt zachtjes de natte haren, mollige handjes zoeken een weg over haar borst. Haar kind is een maand geleden geboren en die gebeurtenis heeft Aimengarts leven ingrijpend veranderd.

–––––
Het tiende (en laatste) deel van ‘De Spiegel van Aimengart’, de roman van Gwendoline Hancke.

En verder...

Een vooruitblik naar het symposium dat op zaterdag 9 november 2013 door het Studiecentrum Als Catars wordt georganiseerd in Simpelveld (NL).

Top

9de jaargang – e-Magazine 37 – oktober 2013

De oorsprong van de graafschappen Carcassonne en Razès


Als we de geschiedenis van de katharen in de Languedoc, de kruistochten, de Inquisitie en de houding van de plaatselijke edelen in het conflict willen bestuderen, dan komen we onvermijdelijk terecht bij de grote graafschappen waarbij, naast Toulouse en Foix, ook Carcassonne en Razès, van bijzonder historisch belang waren. De structuur en de historische context van die graafschappen in de 13de en 14de eeuw is voldoende bekend, maar over hun oorsprong is slechts weinig geweten. Reden genoeg om
hun ontstaan wat nader te belichten.

–––––
De bestuurlijke indeling van de 13de-eeuwse Languedoc (en niet alleen daar) lijkt op het eerste gezicht een onontwarbaar kluwen. De feodale structuur is daarvoor verantwoordelijk. Erfenissen en huwelijken, maar ook oorlogen en conflicten lagen aan de basis van een lappendeken van heerlijkheden, graafschappen en burggraafschappen. Michel Gybels belicht de oorsprong van twee belangrijke  graafschappen, Carcassonne en Razès, die bij het losbarsten van de kruistocht in handen waren van de machtige familie Trencavel.

Albi (2): de Pont-Vieux en haven

De werken begonnen in 1030 onder impuls van de burggraaf van het nabije Ambialet en rond 1040 was de primitieve brug operatief. Zeggen dat dit ‘de oudste brug van Frankrijk’ zou zijn, is natuurlijk schromelijk overdreven want er bestaan nog steeds vele Gallo-Romeinse structuren, zoals de met huizen bebouwde brug van Narbonne. Van de oorspronkelijke structuur blijft er te Albi trouwens niet veel over. De gebroken of spitse bogen zijn eerder typisch voor de gothische bouwstijl en zijn wellicht pas rond 1200 tijdens vergrotingswerken aangebracht.
De dikte van de pijlers variëert van 5,60 tot 6,75 meter. Verschillen doen ook de bogen: de smalste is 9,75 meter en de breedste 16 meter. De gewelftympanen liggen niet altijd op dezelfde hoogte. Het wijst allemaal op vele aanpassingen in latere eeuwen. Bovendien volgde de brug lange tijd geen rechte lijn zoals nu, maar vertoonde een aantal hoeken omdat de eerste bouwers de beste natuurlijke plaatsen zochten voor de inplanting van de pijlers.

–––––
In een tweede bijdrage over Albi bekijkt Willy Vanderzeypen met ons de ‘Pont-Vieux’, de ‘Oude Brug’, en de haven. Albi was tijdens de middeleeuwen een rijke stad en een belangrijk verkeersknooppunt en dat was in grote mate te danken aan de brug over de Tarn. Het was een van de zeldzame plekken waar kooplui met hun waren de rivier konden oversteken, maar daarvoor moest natuurlijk tol betaald worden...

Waren de tempeliers van Masdéu betrokken bij het katharisme?

Bij de geschiedschrijving over de tempeliers is er in de loop der jaren heel wat inkt gevloeid over hun vermeende betrokkenheid bij tal van geheime doctrines tijdens hun verblijf in Outremer of het Midden-Oosten. Tot dusver is evenwel nooit klaar en duidelijk bewezen dat dit ook werkelijk zo was en dat geldt ook voor de tempeliers van de grote en belangrijke commanderij van Masdéu in de Roussillon. Bij hun proces bleek eerder het tegendeel en alles laat aantonen dat ze zich voorbeeldig hielden aan een rigoureuze orthodoxie, een absolute trouw aan hun regel en aan de rooms-katholieke kerk.
Anderzijds kunnen we ons wel de vraag stellen wat hun houding was tijdens de Albigenzische kruistocht. We weten dat zij, niettegenstaande ze onder het direct bevel stonden van de paus, steeds geweigerd hebben het zwaard op te nemen tegen medechristenen. Bovendien waren de tempeliers van Masdéu te nauw verbonden met de lokale adel, zowel in de Languedoc, de Cerdagne, de Fenouillèdes als de Roussillon, om niet van tijd tot tijd een dubbelzinnige rol gespeeld te hebben bij de inquisitieprocessen tegen bepaalde van hun weldoeners. Er kan zelfs gesteld worden dat ze dikwijls de ogen hebben gesloten voor de kathaarse dissidentie of zelfs openlijk de overwegend ketters gezinde adel heeft beschermd bij hun processen en veroordelingen door de kerkelijke inquisitierechtbanken.

–––––
Er is al heel wat gezegd en geschreven over de eventuele betrokkenheid van de tempeliers bij de kruistocht tegen de katharen. Michel Gybels gaat na in hoeverre die verhalen overeenstemmen met de werkelijkheid aan de hand van de tempelierscommanderij van Masdéu in de Roussillon. En daar zijn echt wel enkele opmerkelijke dingen over te vertellen...

De laatste graven van Toulouse

Na 20 jaar strijd wordt de Languedoc aan de Franse kroon gehecht op ogenschijnlijk de meest traditionele en voor de hand liggende legale wijze: een huwelijk. Meer bepaald Joanna/Jeanne – de enige erfgename van Raimon VII – en Alphonse – broer van de Franse koning Louis IX – worden aan elkaar gekoppeld door een vredesverdrag, afgesloten in 1229. Jeanne is de laatste Occitaanse gravin van Toulouse; via haar huwelijk wordt het graafschap naadloos en genadeloos overgeheveld naar het huis van de Capetingers.
Onderhavige studie beperkt zich tot de rol van Alphonse en Jeanne als graaf en gravin van Toulouse, als schoonzoon en dochter van Raimon VII. Slechts zeer terloops en voor zoveel als echt nodig in het kader van deze studie wordt ingegaan op de rol van Alphonse: als regent van Frankrijk1; als medestrijder – tot tweemaal toe – van zijn broer koning Louis IX in het Heilig Land en als organisator en vooral fondsenwerver van twee kruistochten; als graaf van Poitiers; als vertrouweling van zijn broer, de heilige Louis IX, die hij zeer bewonderde.

–––––
In deze bijdrage van Jan Van hoof worden Alphonse de Poitiers en zijn echtgenote Joanna (of Jeanne) uitgebreid in de spotlights gezet. Eigenlijk is dat vrij uitzonderlijk in de literatuur over de katharen, want daarin is Alphonse dikwijls niet meer dan een soort achtergrond- of overgangsfiguur. Het gaat zelfs nog verder, als er wordt gesproken over de ‘laatste graaf van Toulouse’, dan komt heel dikwijls Raimon VII in beeld... Dat klopt uiteraard niet. Niet Raimon VII maar zijn schoonzoon Alphonse de Poitiers, broer van de Franse koning Louis IX, was de laatste graaf van Toulouse. In uitvoering van het verdrag van Meaux-Parijs (1229) was hij gehuwd met de dochter van Raimon, Joanna. Vermits zij stierven zonder nakomelingen, kwam het graafschap Toulouse in handen van de Franse kroon.
Maar Alphonse was veel meer dan een laatste ‘tussenstation’ in de aanhechting van de zuidelijke gebieden bij het koninkrijk, veel meer dan alleen maar graaf van Toulouse, een gebied dat hij trouwens nauwelijks bezocht heeft. Hij was een van de machtigste mannen in het koninkrijk, een koninkrijk dat hij lange tijd bestuurde als regent.

En verder...

‘De Katharen komen naar Nederland”, Reistips: bezoek aan Bouvines met Willy Vanderzeypen.

Top

9de jaargang – e-Magazine 38 – december 2013

De katharen, dood en onsterfelijkheid


De katharen, die als religieuze dissidenten uitgeschakeld werden door de machthebbers van hun tijd, dragen door de lastercampagnes van hun overwinnaars nog altijd het beeld mee van aanhangers van een gevaarlijke perverse sekte met zelfmoordneigingen, waardoor het lijkt alsof zij in een dubbelzinnige verhouding met de dood leven.
In werkelijkheid vormden zij, in die tijd van kruistochten en feodaliteit, een christelijke gemeenschap die trouw was aan de evangelische houding van de primitieve Kerk en zich radicaal verzette tegen doodslag onder al zijn vormen: misdaad, oorlogsgeweld, gerechtelijke executie en zelfmoord. Er was volgens hun theologische overtuiging geen plaats voor de dood in het plan van God, evenmin als voor het kwaad. De kruisdood van Christus had geen sacrale betekenis en in het kruis als dusdanig zagen zij niets anders dan een marteltuig. Door de roomse paus veroordeeld als absolute ketters vanaf het einde van de 12de eeuw, ondergingen ze zelf vervolgingen en martelaarschap. Hun kerkgemeenschappen verdwenen definitief in de brandstapels van de Inquisitie in het begin van de 14de eeuw.

–––––
Hoe stonden de katharen tegenover de dood en de onsterfelijkheid van de ziel? Geloofden zij werkelijk in reïncarnatie? En als ze predikten dat alle zielen ooit gered zouden worden, bedoelden ze dan ook die van hun tegenstanders, van de inquisiteurs, van de rooms-katholieke paus? Het zijn slechts enkele van de vragen waarop Anne Brenon in deze bijdrage een antwoord geeft.

De protestantse interesse voor het middeleeuwse katharisme (1)

In twee afleveringen gaan we dieper in op enkele vragen die weetgierige deelnemers na het Symposium te Simpelveld (2013) stelden en die thematisch samen horen. Waarom waren vele protestantse geschiedschrijvers en hun lezers zo geïnteresseerd in het middeleeuwse katharisme en valdeïsme (waldenzen)? Wat hebben zij tijdens hun onderzoek ontdekt en wat was hun inbreng voor de wetenschappelijke reconstructie?
In deze eerste aflevering schetsen we beknopt de tijdgeest en een aantal bepalende gebeurtenissen en personages in de eerste helft van de 16de eeuw, onontbeerlijk om de eeuwenlange interesse van de protestantse onderzoekers voor het uitgeroeide katharisme en het nipt overlevende valdeïsme te begrijpen. Het eerste hoofdstuk wijden we aan Luther en zijn voorname historische rol in de complexe eerste fase van de protestantse of evangelische reformatie. In het tweede deel turen we even door de vensters van het Vaticaan in die periode.

–––––
Nogal wat protestantse geschiedschrijvers tonen interesse voor de middeleeuwse ketterijen. Dat is niet zo vreemd want net als zij werden ze bloedig vervolgd door de rooms-katholieke kerk. Of was er meer aan de hand? En welke impact had die interesse op het historisch onderzoek? De eerste aflevering van een tweeluik van Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen.

De zee dichtbij: over Albert Camus

Een zondagmorgen begin november. Plots herken ik de stem van Louis Tobback op de radio. Met die onnavolgbare kalmte die hij altijd bewaart, ook wanneer hij aan het schelden is, bromt hij iets over “de opstand tegen de schepping”. Hij scheldt niet, deze keer, integendeel, hij heeft het met een ondertoon van diepe bewondering over Albert Camus, die straks, binnen enkele dagen 100 jaar zou geworden zijn, ware het niet dat hij op 4 januari 1960 in een auto-ongeval om het leven kwam, nauwelijks 46 jaar oud. Enkele jaren daarvoor, in 1957, was hem de Nobelprijs voor literatuur ten deel gevallen, maar in dezelfde periode kwam ook de definitieve breuk met Sartre. Waarschijnlijk was die niet te vermijden, want Sartre leek op een bepaalde manier een ‘gelovige’ geworden te zijn, overtuigd als hij was dat voor de revolutie alles moest wijken. Hij was misschien ook, om het met de woorden van dokter Rieux te zeggen, “un homme d’études, qui n’a pas vu assez mourir”. Omdat ze nog niet genoeg met de dood geconfronteerd werden, redeneert dat soort mensen vanuit het geloof in een absolute waarheid. Wie hier niet in mee stapt dient gestraft te worden, de volgelingen daarentegen zullen regelrecht naar het paradijs geleid worden.
–––––
Wat heeft Albert Camus met de katharen te maken? Het was politicus Louis Tobback die in een radio-interview de link legde. Genoeg voor Mieke Felix om zich even in het oeuvre van de Nobelprijswinnaar literatuur te verdiepen...

Napoléon Peyrat: de ‘uitvinder‘ van Montségur

Geen enkele plaats in het Franse zuiden wordt zo sterk met de katharen geassocieerd als Montségur. Niet onterecht, want de versterkte nederzetting op de pog was de enige in de regio waarvan we met zekerheid weten dat de hele bevolking het kathaarse geloof was toegedaan, kerken of kapellen waren er niet in Montségur...
Anderzijds heeft de kathaarse geschiedenis van de plaats maar kort geduurd, veertig jaar, vanaf de opbouw van het castrum in het begin van de dertiende eeuw, tot de val in 1244. Van die veertig jaar was Montségur er twaalf de ‘hoofdplaats’, niet zoals wel eens wordt beweerd van ‘de katharen’, maar van de kathaarse kerken van Toulouse (bisschoppen Guilhabert de Castres en later Bertrand Marti) en Razès (bisschop Raimond Agulher).

–––––
Ook al heeft Montségur al heel wat van zijn ‘geheimen’ prijsgegeven, ook de mythes en verzinsels over de ‘pog’ blijven hardnekkig standhouden, zoals even googelen op het internet ons leert. Marc Bogaerts neemt ons mee naar de oorsprong van die verzonnen verhalen, een oorsprong die we niet moeten zoeken in de middeleeuwen, maar in de 19de eeuw, in de romantiek dus, bij de auteur Napoléon Peyrat, de ‘Hendrik Conscience van de Languedoc’.

Het inquisitieproces van de begijn Na Prous Boneta (1325)

Nadat de laatste adepten van het Occitaanse katharisme omstreeks 1325 te vuur en te zwaard waren uitgeroeid en er geen bons hommes meer overbleven om het consolament door te geven, waardoor de Gleisa de Dio vanzelf ten dode was opgeschreven, belandden vele mensen die nood hadden aan een alternatieve spirituele beleving in een soort van religieus vacuüm.
De jarenlange repressie van de Inquisitie indachtig, was men in het begin van de 14de eeuw zeer voorzichtig om zich nog te engageren voor een of andere spirituele beweging die niet volledig strookte met de voorschriften van de roomse kerk. Toch waren het in die periode vooral vrouwen, die voordien terecht konden in de kathaarse vrouwengemeenschappen waar ze hun geloofsovertuiging vrij konden beleven, die op hun religieuze honger bleven zitten. Het klassieke door Rome gestuurde monachisme, waarbij ze moesten kiezen voor een leven binnen een clausuur van strenge regels en toezicht, was voor hen dan ook weinig aantrekkelijk.

–––––
Michel Gybels bespreekt het proces van de Inquisitie tegen Na Prous Boneta. Want de pauselijke rechtbanken hadden het niet alleen op de katharen gemunt. Ze hielden ook andere dissidente groepen (zoals in dit geval de begijnen) in het vizier.

En verder...

Brief van de voorzitter.

Top

februari | april | juni | augustus | oktober | december

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017