Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2011 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

februari | april | juni | augustus | oktober | december

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

7de jaargang – e-Magazine 21 – februari 2011

De Albigenzische kruistocht: van ‘heilige oorlog’ tot Franse verovering


18 juni 1209 – Voor het driedubbele portaal van de benedictijner abdij van Saint-Gilles, waar een immense gebeeldhouwde fries voor het eerst in de geschiedenis van het christendom de hele passie van Christus verhaalt, bestijgt een man blootsvoets de trappen van het voorplein. Hij is in onderkleed en draagt geen hemd. Drie pauselijke legaten, drie aartsbisschoppen en negentien bisschoppen in staatsiekledij wachten hem op, de armen overladen met heilige boeken, cibories en reliekhouders. Een van de legaten steekt een bundel roeden in de lucht en laat deze, vrij zacht, neerkomen op de rug van de man die hij daarna, via de centrale ingang, de kerk binnenleidt. Enkele ogenblikken later zweert Raimon VI, 54 jaar oud, graaf van Toulouse, hertog van Narbonne en markies van de Provence, plechtig gehoorzaamheid en trouw aan de Heilige Roomse katholieke Kerk. Hij verbindt er zich onder meer toe de ketters uit zijn gebieden te verjagen.
–––––
De kruistocht(en) tegen de katharen draaien voor de paus uit op een catastrofe. Het was de bedoeling de ketters te vuur en te zwaard uit te roeien, maar dat is mislukt, ze staan sterker dan ooit. De enige die erbij gewonnen heeft is de Franse koning, zijn kroondomein wordt aanzienlijk uitgebreid. En toch was het precies de Franse koning die de kruistocht jarenlang had tegengehouden, die er totaal niet van wou weten. Michel Roquebert zet de factoren die tot deze paradox geleid hebben op een rijtje.

Schrijven in de volkstaal en ketterijen in de 12de eeuw

Een belangrijk moment voor onze westerse literaire cultuur is het verschijnen van teksten in de volkstaal vanaf de 12de eeuw. Dit fenomeen deed zich vooral voor in het Franse domein, waar men de volkstaal Romaans noemde. Later volgden Italië, Catalonië en Spanje. In het Duitse rijk was dat reeds eerder gaande. Dergelijke productie haperde in Engeland door de Normandische verovering.
Hierdoor verloor de roomse kerk en haar clerus het culturele monopolie dat gekoppeld was aan het gebruik van het Latijn, zonder dat deze fraaie taal verdween. Na 1200 zou het eerder een universitaire en technische taal worden voor vakken zoals rechten, theologie, filosofie en natuurwetenschappen.

–––––
Vanaf de 12de eeuw zien we meer en meer geschriften verschijnen in de volkstaal. Rond dezelfde tijd vinden we ook de sporen van de eerste ‘kathaarse’ gemeenschappen. Heeft het ene met het andere te maken? De Kerk is alleszins niet gelukkig met die evolutie en reageert furieus als de ketters de Bijbel vertalen in de volkstaal. Een boeiende bijdrage van Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen.

De katharen in de Nederlanden, dienaars van de duivel?

In hun onverzadigbare vervolging van de ketters hebben de inquisiteurs snel de katharen gelijkgesteld met aanbidders van de duivel en ze daarbij beschuldigd van de wreedste misdrijven…
Dit artikel stelt meer vragen dan het antwoorden geeft. Alhoewel deze uiteenzetting gebaseerd is op historische feiten, hebben ze soms toch meer te maken met hypothesen dan met onwrikbare waarheden. Zoals een blik in een van de best verkochte boeken over ‘de geschiedenis van de Nederlanden’ aantoont, is de gekozen titel eigenlijk een anachronisme: de geschiedenis van de Nederlanden begint pas na de Dertigjarige Oorlog, op het ogenblik dat de regio die vandaag gekend is onder de benaming Nederland, haar onafhankelijkheid van het Habsburgse Rijk verkrijgt. In die tijd bestond er in Europa geen katharisme meer. In de vredesverdragen van Westfalen uit 1648 werd de onafhankelijkheid van Nederland van het ‘Teutoonse’ rijk erkend. Het ging om een gebied dat ongeveer overeenkomt met het latere Nederland. Het zuidelijk gedeelte van de streek, Vlaanderen inbegrepen, dat nog steeds aan het keizerrijk behoorde, werd later de staat België. Men sprak ook van Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden.

–––––
Daniela Müller bekijkt of er een verband bestond tussen de katharen en de luciferianen in de Nederlanden. De bronnen zijn beperkt, zo'n verband is niet gemakkelijk aan te tonen, maar volgens de inquisiteurs was er geen twijfel mogelijk.

De geest van de kruistochten

De directe betrokkenheid van de Kerk bij de feodale maatschappij en de opkomende externe dreigingen vanaf de 7de eeuw, brachten de pausen er uiteindelijk toe christenen de toelating te geven om te vechten. Dat zal leiden tot ‘heilige oorlogen’ met zowel een moreel als een politiek doel, zoals de kruistocht tegen de Albigenzen, waarbij de vloer wordt aangeveegd met de christelijke moraal. Men moet doden, stelen en de veroverde goederen in beslag nemen.
–––––
De boodschap van Jezus Christus was duidelijk, hij wees elk gebruik van geweld af en predikte de liefde voor alle mensen, zijn tegenstanders inbegrepen. In de vroege Kerk mocht een christen zelfs geen soldaat worden. Duizend jaar later trekken christelijke legers op tegen ‘andersdenkenden’, maar ook tegen andere christenen. Jean Flori onderzoekt hoe het zover is kunnen komen en waar het is misgelopen.

De katharen over de Twee Kerken

Voor alle katharen was het bestaan van twee kerken in hun middeleeuwse maatschappij een omstandigheid van het grootste belang. Ongeacht de periode, de geografische zone of de plaatselijke kerkgemeenschap kreeg deze leer een voortdurende aandachtswaarde. De doctrine van de Twee Kerken was een tijdloze topic van hun prediking.
In tegenstelling tot andere ketterijen uit de 12de eeuw, zoals de humiliaten of waldenzen, denken de kathaarse kerkgemeenschappen er nimmer aan om de roomse kerk te benaderen of te hervormen. In hun theologische logica, waarbij ze zich letterlijk baseren op de apostolische voorschriften van de evangelies, is dat onmogelijk, zinloos en zelfs slecht. Zij draaien de rollen dan ook volledig om: het is aan de roomse clerus en hun gelovigen om zich tot het ware geloof van de bons hommes te bekeren, tenminste indien zij een kans op redding van hun ziel willen hebben. En ja, dat geldt ook voor de inquisiteurs en de paus. Bij het slagen van het kathaarse spirituele project zouden bijgevolg ‘de slechte Romeinse clerus en zijn kerk’ volledig verdwijnen, want dan zou iedereen kathaar zijn ‘in de goede kerk’.

–––––
De kathaarse kerk is de kerk van God, de kerk van Christus en de apostelen. De roomse kerk is daarvan in alles het tegengestelde, het is een slechte kerk die de ‘Heilige Kerk van Christus¹ vervolgt en uitmoordt. Willy Vanderzeypen gaat dieper in op de kathaarse leer van de Twee Kerken.

De Bloedhonden - deel 2

Pons de Vitrac keek naar haar. Uitgestrekt op bed, op één arm leunend en met tranen in zijn ogen keek hij naar de jonge vrouw met wie hij zopas de liefde had bedreven in de vroege zomermorgen, terwijl de zon opdook aan de horizon.
Blanche sliep en haar zo gade te slaan, na de liefde, sprakeloos, terwijl hij elke beweging, elk geluid dat haar kon wekken vermeed, maakte hem steeds weer intens gelukkig. Zij lag op haar rug, met haar gezicht naar hem gekeerd, totaal ontspannen. Zij wist zich veilig bij deze man en rustte in volle vertrouwen, zoals alleen heel jonge kinderen dat ook kunnen.
Pons hield van deze vrouw, meer dan van zichzelf. Hij, de Franse heer die de bezittingen van een gevluchte ketter had ingenomen, was daarbij gevallen voor de heldere groene ogen van een dienstmeid met kathaarse trekjes. Haar schoonheid, uiterlijk maar ook innerlijk, had hem meteen ingepakt en hij had er alles aan gedaan om haar het leven te redden. Haar ogen, aanvankelijk gevuld met misprijzen en haat, waren stilaan zachter geworden naargelang ze hem beter leerde kennen en begon te vertrouwen. En na het wederzijds vertrouwen was de liefde en de passie gekomen...

–––––
Het tweede deel van de roman ‘De Bloedhonden’ van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, korte voorstelling van het nieuwste boek van Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen, Cursief, een uitnodiging voor de opendeurdag en de aansluitende ‘cassouletade’, nieuws over het colloquium 2011.

Top

7de jaargang – e-Magazine 22 – april 2011

Imbert van Salles, sergeant en gelovige van de katharen van Montségur


Twee maanden na de overgave en de brandstapel van Montségur staat sergeant Imbert in de rechtbank voor inquisiteur Ferrer. Van de getuige wordt verwacht de waarheid te zeggen over zichzelf en de anderen, levend of dood, omtrent de misdaad van ketterij.
Wat daar op 19 mei 1244 door de klerk werd genoteerd, kunnen we nog steeds inkijken te Parijs. Het document is een rijke bron betreffende de dramatische gebeurtenissen op de afgelegen pog in de Ariège. In de aanvangsregels lezen we dat deze getuige de zoon is van Gaucelm van Salles, nabij Cordes in het diocees van Albi, en verblijvende te Montségur. Er zijn meerdere plaatsen in onze streek met die naam, maar hier kan het alleen maar gaan over een dorp in de Tarn, in de vallei van de Cérou, enkele kilometers ten oosten van het twintig jaar eerder gestichte Cordes-sur-Ciel. Imbert is ver weg van zijn geboorteplaats.

–––––
Door de verklaringen van de overlevenden van Montségur voor inquisiteur Ferrer zijn we vandaag in staat de geschiedenis van het kathaarse castrum voor een groot deel te reconstrueren. Zo komen we, bijvoorbeeld, veel te weten uit de verklaringen van sergeant Imbert de Salles. Hij heeft het o.m. over het dagelijks leven in de kathaarse gemeenschap, maar ook over de ‘schat’ van Montségur en de vier ontsnapte ketters. Zijn verklaringen zijn zo uitgebreid dat de historici hem soms wel eens als ‘babbelkous’ omschrijven. Maar waarschijnlijk heeft het meer te maken met het feit dat ze in zijn geval integraal bewaard zijn gebleven. Willy Vanderzeypen bekijkt de figuur van Imbert de Salles.

De duivel bij Thomas van Cantimpré

Elders in dit magazine melden we het verschijnen van een kroniek over ‘de duivel bij Caesarius van Heisterbach’. In de Nederlanden hebben we een andere prediker die ongetwijfeld met volgende verhalen (exempla genoemd) zijn toehoorders toesprak, Thomas van Cantimpré.
De duivel, die bij Caesarius veelvuldig voorkomt, is zeker niet afwezig bij Thomas van Cantimpré. Men zou de vraag kunnen stellen of het geloof in de duivel hier een dam geweest is tegen de ketterij? Ik weet niet of dit te onderzoeken valt. In alle geval loont het de moeite eens geconfronteerd te worden met dit duivelsgeloof. Dit konden we doen dankzij een studie van Van Der Vet uit het begin van de 20ste eeuw die de duivelverhalen uit het ‘Bijenboek’ samenbracht in zijn vierde hoofdstuk. Hieruit publiceren we het eerste deel.

–––––
Voor de middeleeuwse mens was de duivel geen mythe maar een reële figuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij veel opduikt in de exempla, stichtende ‘voorbeeldverhaaltjes’ ten behoeve van de predikers. Zopas verscheen een nieuwe kroniek over de rol van de duivel bij de Duitse auteur Caesarius van Heisterbach, maar ook bij ons werden er exempla geschreven. Raymond Doms bekijkt de rol van de duivel bij Thomas van Cantimpré.

De antieke ketterij van Priscillianus

Tijdens het achtste jaarlijkse colloquium te Mortsel (2010) liet prof. Fernand Vanhemelryck even de naam van Priscillianus vallen. Over deze Spaanse ketter uit de 4de eeuw en zijn volgelingen is bij het grote publiek in onze contreien weinig of niets geweten. Om de gebeurtenissen te kunnen begrijpen, bekijken we eerst de context van die woelige tijd van veranderingen. Deze periode mag men niet beschouwen als het verdwijnen van de Romeinse beschaving, maar wel als een transformatie van die cultuur. Toonaangevend was het grote internationale programma van de European Science Foundation, waarbij mediëvisten tijdens de laatste twintig jaar direct werden betrokken. Zij vernieuwden de klassieke onderverdeling van de middeleeuwen behoorlijk. Zo verschenen tussen 1997 en 2004 te Leiden liefst dertien volumes, gaande van de 4de tot de 9de eeuw, met als titel: ‘Transformation of the Roman World’. Men komt daarin tot de conclusie dat de vroege middeleeuwen niet kunnen begrepen worden zonder de Romeinse patristische en juridische fundamenten. Daar ligt immers de culturele sokkel van de vroege middeleeuwen zodat men bij ernstig onderzoek verplicht is om minstens tot de 4de eeuw terug te gaan.
–––––
Als we het over ketters hebben, wordt de naam van Priscillianus telkens weer genoemd, maar wie was hij precies en waar en wanneer leefde hij? En waarom wordt hij als een ketter beschouwd? Willy Vanderzeypen legt het uit.

De Bloedhonden - deel 3

Blanche de Fanjeaux strekte haar benen en stond op. Zij had de nacht zo doorgebracht, neergehurkt op de rand van het bed waarin ridder Pons de Vitrac sliep.
Men had de kasteelheer de dag voordien, na de completen, naar de burcht teruggebracht. Hij zag er verschrikkelijk uit, besmeurd met bloed. Blanche had de schrik van haar leven gekregen, ze was ervan overtuigd dat haar voorgevoelens waren uitgekomen, haar geliefde was stervende. Maar de dokters hadden haar gerustgesteld, weliswaar had de wolf hard toegeslagen, maar hij had geen dodelijke beet kunnen toebrengen. Pons, die veel bloed verloren had, moest nu vooral rusten en vermijden dat zijn wonden besmet raakten.
Blanche zette enkele aarzelende stappen in de kamer waar het daglicht begon door te dringen. Ze liep naar het venster en bekeek het landschap dat stilaan opklaarde. Het beloofde een hete dag te worden, nog warmer dan de dag voordien. Geeuwend rekte ze zich uit en liep terug naar het bed waar ze zich zachtjes over Pons de Vitrac boog. Ze bekeek hem aandachtig, fluisterde: “Ik hou van je,” waarbij ze er niet aan twijfelde dat hij haar zou horen in zijn slaap, en depte zachtjes zijn voorhoofd af waarop koortsig zweet parelde.

–––––
Het derde deel van de roman ‘De Bloedhonden’ van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, korte voorstelling van de nieuwste ‘Kathaarse Kroniek’ over Caesarius van Heisterbach, een bespreking van ‘Cathares, la contre-enquête’ van Anne Brenon en Jean-Philippe de Tonnac.

Top

7de jaargang – e-Magazine 23 – juni 2011

Kathaarse religieuze huizen en cultusplaatsen


De meeste dissidente groepen die zich meten met de middeleeuwse Kerk zoeken niet a priori een ander religieus kader buiten de gebruikelijke cultusplaatsen, parochiekapellen en -kerken, om hun krachtige prediking te laten weerklinken. Denk aan de 12de-eeuwse bewegingen van de monnik Henri, van Pierre de Bruys of van Valdès en de Armen van Lyon. Alleen het kritisch karakter van hun prediking onderscheidt ze van de clerici van de roomse kerk. Ze hebben niet de bedoeling zich af te scheiden, ze sturen enkel aan op een hervorming. Het is de Kerk die ze zal uitsluiten. Wat betreft de ‘katharen’ is de werkelijkheid enigszins anders. Als de contesterende groepen die we vandaag aanduiden met die gemakkelijke, maar oneigenlijke benaming, zich vanaf de eerste helft van de 12de eeuw onderscheiden van de andere Europese ketterijen, dan komt dat door een aantal bijzondere kenmerken, zoals hun fundamentele kritiek op de roomse kerk, haar hiërarchie en haar sacramenten.
–––––
De katharen zien zichzelf als een authentieke kerk van de apostelen, de verschillende gemeenschappen zijn gestructureerd rond een bisschoppelijke hiërarchie en hangen dus niet af van het roomse leergezag. Dat laat veronderstellen dat zij hun eigen onafhankelijke cultusplaatsen bezitten en eigen religieuze huizen, zeker in de grote feodale vorstendommen als Toulouse, Foix, Carcassonne, Béziers en Albi, waar de kathaarse kerken, bij het einde van de 12de en het begin van de13de eeuw, een zekere bescherming genieten en daardoor ook volop kunnen deelnemen aan het openbaar leven. Een bijdrage van Anne Brenon.

De waldenzen van de Languedoc

De inquisiteurs van de Languedoc ondervragen in de 13de eeuw de getuigen voor hun geloofsrechtbank over ‘misdaden van ketterij en van vaudoisie’. Het is duidelijk dat zij gedurende een lange periode een onderscheid maken tussen een ‘ketter’, waarmee ze dan een ‘kathaar’ bedoelen, en een aanhanger van de ‘vaudoisie’ (valdeïsme) of een waldens. Hun registers geven ons alleszins informatie over een belangrijke infiltratie gedurende anderhalve eeuw van dissidente predikers, die zeker geen katharen zijn en die een getuige ‘waldenzische Broeders en Zusters’ noemt. Hij voegt eraan toe dat er een periode was dat de roomse kerk deze mensen niet vervolgde.
–––––
Net zoals met de ‘kathaarse’ bewegingen heeft de geschiedschrijving het moeilijk gehad met een wetenschappelijke reconstructie van de gebeurtenissen rond de waldenzen, en een identificatie daarvan in de bronnen. Lange tijd dacht men zelfs dat katharen en waldenzen eenzelfde beweging vormden. Een grondig onderzoek, vooral gebaseerd op de inquisitoriale bronnen, en een meer kritische lezing van polemische teksten, helpen ons een beter beeld te krijgen van het valdeïsme in de Languedoc tijdens de 13de eeuw. Volgens Willy Vanderzeypen is er echter ook hier nog veel werk aan de winkel.

Veroordeeld tot het dragen van kruisen...

Geel, in vilt, enkel of dubbel, soms driedubbel, voldoende groot om door iedereen gezien te worden, gedragen op alle plaatsen, zelfs in eigen huis, ze worden aangebracht op alle bovenkleding, één op de borst en het andere op de rug tussen de schouders. Als ze gescheurd raken moeten ze hersteld of vervangen worden. Zo kan het merkteken van de schande aan geen enkele blik ontsnappen.
–––––
De middeleeuwse rechtspraak, burgerlijk of religieus, is publiek. De strijd tegen de misdaad gaat gepaard met een opvoedkundige les voor het volk met preventieve bedoelingen. Elke veroordeelde moet zijn straf publiekelijk uitzitten. De veroordeling tot het dragen van een opvallend merkteken, als gele kruisen, was een van de meest opgelegde straffen van de Inquisitie. Charles Peytavie legt uit hoe die straf de veroordeelde tot een paria maakte, maar hoe er toch nog altijd een zekere hoop bleef, want de straf was meestal beperkt in de tijd.

De Zwarte Prins in de Languedoc

In de Languedoc werden stoute kinderen wel eens schrik aangejaagd met te zeggen dat bij gebrek aan beterschap de ‘Zwarte Prins Montfort’ hen zou komen kwellen en straffen. Die titel of bijnaam heeft Simon van Montfort evenwel nooit gehad. De collectieve herinnering laat hier twee historische figuren samensmelten.
Simon van Montfort kennen we vooral als de aanvoerder van de kruisvaarders van 1209 tot zijn dood in 1218 voor de muren van het opstandige Toulouse. Deze ‘soldaat van Christus’ wordt door de zuiderling meestal niet als een halve heilige beschouwd, zoals in Parijs, maar eerder als een beul en slachter omwille van zijn wrede wijze van oorlogsvoering. Maar wie is dan die andere, die Zwarte Prins? Wat heeft deze figuur historisch te maken met de Languedoc?

–––––
De Zwarte Prins is de bijnaam van de oudste en erg ambitieuze zoon van de Engelse koning Edward III. De man is het prototype van de meedogenloze ridder uit de 14de eeuw en een uitzonderlijk strateeg tijdens vele campagnes van de Honderjarige Oorlog. Die twee eigenschappen deelt hij met Montfort, al is het tijdsverschil tussen beiden behoorlijk groot. Zoals zijn vader heet hij Edward en draagt als titels: prins van Wales, hertog van Cornwall en graaf van Chester.
De bijnaam ‘Zwarte Prins’ komt door zijn kledij, een donkergemaakt harnas, maar staat ook symbool voor zijn reputatie en zijn wreedheid. Willy Vanderzeypen bekijkt wat de historische bronnen ons vertellen over deze ‘roofridder’ die tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt.

Kom je biechten bij mij..?

Het viel toevallig samen. Er was het beruchte interview met Roger van Gheluwe en plots gingen onze politici op de televisie over het biechtgeheim debatteren! Moet dit ‘geheim’ niet via een wet gelijkgesteld worden met andere beroepsgeheimen, zodat het kan opgeheven worden wanneer er gevaar is voor een nieuw slachtoffer?
–––––
Naar aanleiding van de huidige commotie rond het biechtgeheim, bekijkt Raymond Doms de toestand tijdens de middeleeuwen en komt tot enkele verrassende vaststellingen. Uit de werken van Caesarius van Heisterbach en Thomas van Cantimpré blijkt dat in die tijd zelfs leken konden biecht horen. En hoe zat het met vrouwen..?

De Bloedhonden - deel 4

De muilezel week van zijn route af en zette zijn hoeven op de onstabiele keien aan de rand van
de weg. De routier moest zijn hele gewicht achteruit gooien om te vermijden dat het dier en zijn menselijke last in de bergrivier zouden tuimelen. “Soldaat, bij God, let op waar je mijn muilezel
naartoe leidt,” schreeuwde de verontruste monnik Béranger.
De ander antwoordde niet. Al van bij hun vertrek uit Carcassonne probeerde het dier hem te ontsnappen. En de monnik die erop zat deed niets, maar dan ook absoluut niets om de taak van de soldaat te verlichten, dat was nog het ergste. Had de ezel een zak graan gedragen, dan had het hem niets kunnen schelen als hij in de rivier of desnoods in een diepe gorge zou gevallen zijn. Maar hij droeg een man Gods en die lever je niet over aan de onverwachte grillen van een koppig dier. Hij begon zijn gezel te benijden die achter de muilezel van de andere monnik sjokte, een gehoorzaam dier dat als het ware slapend het pad volgde met een trage afgemeten pas. De tweede routier was zich daar goed van bewust en keek spottend naar zijn voorganger. Die hield de teugels stevig vast om de muilezel op het pad te houden en besloot aan iets anders te denken.
Voorop reden een Duitse ridder, Otto von Göslar, en twee sergeanten van Simon de Montfort. Dan volgden de twee monniken, de oudste voorop, de jongste, Déodat, achteraan. Het gezelschap werd vervolledigd door een ongeregelde troep van een vijftiental Normandische huurlingen en helemaal achteraan reden nog vier sergeanten met hun kapitein. De oudste monnik, van rijpere leeftijd, was de leider van de expeditie. Hij wendde zich naar de ridder: “Heer! Zijn we hier niet op het grondgebied van Cabaret?” – “Welzeker, eerwaarde…” – “En… lopen we dan niet het risico op een onaangename ontmoeting?” – “Welzeker, eerwaarde…”

–––––
Het vierde deel van de roman ‘De Bloedhonden’ van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, twee ‘middeleeuwse cursiefjes’, een nieuwe rubriek, ‘Reistips’, over bekende en minder bekende pareltjes in de Languedoc.

Top

7de jaargang – e-Magazine 24 – augustus 2011

De Inquisitie in de Languedoc


Met de ondertekening van het verdrag van Meaux-Parijs, tussen Raymond VII van Toulouse en de koning van Frankrijk, is de capitulatie van het graafschap Toulouse definitief. Op 12 april 1229, aan de voet van de torens van de Notre-Dame van Parijs, in tegenwoordigheid van de koning en van talrijke dignitarissen van de Kerk en van het hof, smeekt Raymond VII, gekleed in hemd en broek, om vergiffenis, belooft trouw aan de koning en zweert voortaan zonder terughoudendheid te zullen optreden tegen de kathaarse dissidenten.
De demilitarisering van de regio, de ontmanteling van de versterkingen van Toulouse en de zware financiële sancties treffen de adel uit de Languedoc zwaar, maar aan hun grondgebied wordt veel minder geraakt, ondanks de huwelijksbelofte van Jeanne, dochter van Raymond VII, met Alphonse van Poitiers, broer van koning Lodewijk.

–––––
Door het verdrag van Meaux-Parijs wordt het graafschap Toulouse gedeeltelijk, en op termijn helemaal, aangehecht bij het Franse kroondomein. De Franse koning is de grote overwinnaar van een kruistocht waaraan zijn grootvader zelfs niet wou deelnemen. Maar het verdrag zet ook de deur open voor de oprichting van de Inquisitie in de Languedoc, want de Kerk staat nog geen stap verder in haar strijd tegen de ketters, die staan sterker dan ooit. Toch verloopt de start van de Inquisitie niet zonder slag of stoot. Een overzicht van Laurent Albaret.

Broeder Ferrer, dominicaan en inquisiteur

Woensdag 16 maart 1244. Wie zich verdiept in de geschiedenis van de Occitaanse katharen hoeft bij deze datum geen verdere uitleg. Op die dag werden in Montségur meer dan 220 bons hommes en bonnes femmes levend verbrand. Dergelijke grote collectieve brandstapels waren er in het verleden wel meer geweest, tijdens de kruistocht van Simon de Montfort. Maar die kruistocht was al lang geleden beëindigd, Montfort was al vijfentwintig jaar dood en de Inquisitie was al meer dan tien jaar aan het werk. Er waren ook inquisiteurs aanwezig bij de overgave van Montségur, maar ze hebben de slachtoffers niet ondervraagd. Blijkbaar was daar geen tijd voor...
–––––
Het beeld dat we hebben van de inquisiteurs die actief waren in de Languedoc wordt grotendeels bepaald door bekende namen als Bernard Gui en Jacques Fournier, maar in hun tijd was de Inquisitie al lang een gevestigd instituut. Broeder Ferrer was waarschijnlijk de eerste dominicaanse inquisiteur in de Languedoc en hij had het niet altijd even gemakkelijk. Reeds voor de pauselijke Inquisitie werd opgericht, vervulde hij die functie in opdracht van de bisschop van Narbonne. Maar hij is natuurlijk het bekendst geworden als ondervrager van de overlevenden van Montségur. Marc Bogaerts schetst een beeld van de carrière van de man die we alleen kennen als ‘broeder Ferrer’.

Enkele getuigenverklaringen

Het jaar van de Heer 1244, de 14de van de kalenden van juni [19 mei 1244], Imbert de Salles, zoon van Gaucelm de Salles nabij Cordes in het bisdom Albi, verblijvend te Montségur, gevraagd de waarheid te zeggen over hemzelf en alle andere levenden en doden inzake ketterij en waldenzerij, getuige die de eed heeft afgelegd, zegt: Ik heb gezien dat Pierre Raimond de Plaigne, broer van Guillaume de Plaigne, naar de burcht van Montségur gekomen is, bij Pierre Roger de Mirepoix. Hij was gestuurd door Raimond d’Alfaro, baljuw van de graaf van Toulouse. Hij bracht hem een brief van dezelfde Raimond d’Alfaro, baljuw van de graaf van Toulouse, maar ik heb de brief niet gezien en niet gehoord wat erin stond.
–––––
Enkele tientallen getuigenverklaringen die werden afgelegd voor broeder Ferrer, hebben de eeuwen overleefd. Raymond Doms en Marc Bogaerts vertaalden er twee, die van Bertrand Alaman en die van Imbert de Salles, overlevende van Montségur en deelnemer aan de aanslag op de inquisiteurs in Avignonet.

De Bloedhonden - deel 5

Alle kleur was weggetrokken uit het aangezicht van Amiel de Niort. Hij liep naar Alix om haar handen samen te binden en haar mee te voeren, maar hij beefde en voelde zich koortsachtig. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en drupte via zijn hals onder zijn maliënkolder, een onaangenaam gevoel dat rillingen veroorzaakte. Nu pas begon hij de omvang van zijn onbezonnen daad in te zien. Hij had zijn heer in het openbaar verraden onder de perfide invloed van broeder Béranger. Hij had ontzag voor de Kerk en was bang voor haar banbliksems, maar daardoor had hij een andere vrees verwaarloosd en hij besefte nu dat hij dat misschien beter niet had gedaan: de vrees voor de reactie van Pons de Vitrac. Hij werd er zich plots van bewust dat de religieuzen de burcht de volgende dag zouden verlaten terwijl hij er zou moeten blijven in het gezelschap van zijn meester... Eigenlijk in de macht van zijn meester, als hij er goed over nadacht. En wanneer zijn ogen die van Pons kruisten, kon hij daarin lezen dat de jonge ridder hem zijn dubbelhartigheid nooit zou vergeven. Nochtans had hij niets anders gedaan dan een lesje opgezegd dat hij snel geleerd had, hij had gehoorzaamd aan een bevel van een vertegenwoordiger van het Geloof!
–––––
Het vijfde deel van de roman ‘De Bloedhonden’ van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, de rubriek ‘Reistips’ met een bijdrage over Rennes-le-Château.

Top

7de jaargang – e-Magazine 25 – oktober 2011

Waarom zijn de katharen verdwenen?


De kwestie van de verdwijning van het katharisme blijkt ook vandaag nog steeds een moeilijk oplosbaar probleem, voornamelijk door de betrokkenheid van de middeleeuwse Kerk, een instelling die, in haar moderne vorm, nog steeds bestaat. De nadruk leggen op de rol van de religieuze vervolging, van de kruistocht en van de Inquisitie bij het uitschakelen van de ketters ligt dus vandaag heel wat gevoeliger dan het herleiden van de ketterij tot een verschijnsel zonder toekomst, veroordeeld om uit zichzelf te verdwijnen door een soort interne zwakheid. In plaats van te beweren een definitief antwoord te geven op het probleem, zullen we eerder trachten het zo duidelijk mogelijk te stellen, wat uiteindelijk ook de ware rol is van het historisch onderzoek. De juiste vragen stellen impliceert immers een globale analyse van de parameters en het bekijken van hun context.
–––––
Ligt de niet aflatende repressie aan de basis van het verdwijnen van het katharisme? Of was de beweging sowieso gedoemd om te verdwijnen? Met andere woorden, zouden de katharen ook zonder kruistocht en zonder inquisitie hebben opgehouden te bestaan? Anne Brenon maakt een aantal kanttekeningen.

De Bedelorden: de herovering

In de 13de eeuw openden franciscanen en dominicanen een netwerk van kloosters in de steden. Het doel van deze bedelorden: de ketterij terugdringen door een nieuwe wijze van prediken en vernieuwde vormen van spiritualiteit. De inplanting van een religieuze instelling is rijk aan zingeving. Sacrale bomen of bronnen, totempalen, tempels of kerken worden niet om het even waar neergezet. Hun inplanting vloeit voort uit het op een bepaalde plaats samenkomen van het goddelijke en het aardse, het heilige en het sociale. Zoals dikwijls is de topografie hier, meer dan de natuurlijke gerieflijkheid, drager van een symbolische betekenis. Ook de christelijke religieuze orden zijn niet kunnen ontsnappen aan deze band met de aardrijkskunde waaruit heel wat kan afgeleid worden.
–––––
Vanaf de 13de eeuw worden nieuwe religieuze orden door de Kerk in de strijd geworpen tegen de ketters. Op relatief korte tijd verspreiden dominicanen en franciscanen zich door gans West-Europa en zijn ze in alle belangrijke steden aanwezig. Maar hoe gingen ze precies te werk bij de inplanting van deze nieuwe ‘stadskloosters’? Een boeiende bijdrage van Jacques Le Goff.

Valdès van Lyon en Guichard van Pontigny

Over de eerste jaren van de waldenzische beweging te Lyon, beginnend in 1170 of 1173, hangt nog steeds een historische mist bij gebrek aan voldoende primaire bronnen. De meeste overzichten gaan er dan ook met zevenmijlslaarzen overheen.
Beterschap leek te komen in 1999 toen Olivier Legendre een nieuw document ontdekte dat hij samen met Michel Rubellin publiceerde in een nummer van Revue Mabillon. Legendre deed de vondst tijdens zijn werken aan de editie van een cisterciënzer manuscript met de titel ‘Liber Visionum et Miraculorum’. Dit geschrift kwam oorspronkelijk uit de abdijbibliotheek van Clairvaux en wordt bewaard in de gemeentelijke bibliotheek van de stad Troyes. Deze nogal zonderlinge compilatie van exempla of korte stichtende verhalen werd opgesteld door Johannes (Jean), prior van Clairvaux van 1171 tot 1178, of in dezelfde periode als de gebeurtenissen te Lyon. Zijn werk ligt in de traditie van Caesarius van Heisterbach en diens ‘Boek der Mirakelen’. Wonderlijke voorvallen moeten het rechte pad tonen aan zwakkere broeders die moeite hebben met de strenge kloosterregels.

–––––
Over de eerste jaren van de waldenzen in Lyon weten we weinig. Ook over de verhouding tussen de stichter, Valdès, en de katholieke bisschop van Lyon, Guichard. Brengt een recent ontdekt manuscript hierover meer klaarheid? Willy Vanderzeypen verduidelijkt een en ander.

De kathaarse kerk van Frankrijk

De westerse kathaarse kerken, zoals die vertegenwoordigd waren op de bijeenkomst in 1167, in het castrum van Saint-Félix-Lauragais, onder het voorzitterschap van de bogomielse bisschop Nicetas, waren met zes: er waren afvaardigingen van de Occitaanse kerken van Toulouse, Albi, Carcassonne en Agen (of Val d’Aran), maar ook van twee andere Europese kerken, Lombardije en Frankrijk.
Het lijkt erop dat de kathaarse kerk van Frankrijk de oudste was, want zij beschikte reeds over een gewijde bisschop, Robert d’Epernon. Hoewel we vandaag het Occitaans katharisme het beste kennen, door zijn sterke sociologische inplanting en door het uitgebreide archief van de repressie die daarop volgde, vinden we de eerste sporen van een georganiseerde ketterij in het noordelijke gebied tussen de Champagne en het Rijnland. Toch is het de Lombardische Kerk, in Saint-Félix-Lauragais vertegenwoordigd door haar bisschop Marcus, die de bloeiendste toekomst voor zich heeft (zes Italiaanse kerken bij het begin van de 13de eeuw), terwijl de kerk van Frankrijk alleen in de bronnen vermeld wordt ter gelegenheid van de opeenvolgende vervolgingen die haar ondermijnden.

–––––
Het is opvallend dat bij de kathaarse kerken die aanwezig waren op de bijeenkomst in Saint-Félix-Lauragais (1167), sprake is van een kerk van Frankrijk en haar bisschop, Robert d'Epernon. Anne Brenon legt uit wat de bronnen ons over deze noordelijke katharen vertellen, een verhaal dat uitmondt in de collectieve brandstapel van de Mont-Aimé (Champagne) met 183 slachtoffers.

Het Sacrament in het ‘¨Biënboec’

Dit is het zesde hoofdstuk uit het ‘Biënboec’ van Thomas van Cantimpré en zijn exempelen, volgens de uitgave uit 1902 van Wouter Antonie van der Vet naar het handschrift A , een boek dat niet gemakkelijk te vinden is. We geven dit als voorsmaakje op een kroniek die op publicatie ligt te wachten en die handelt over De Duivel in het Biënboec, een pendant van De Duivel in de Middeleeuwen, zijn rol in de Dialogus Miraculorum van Caesarius van Heisterbach (kk 22). Maar anders dan in die kroniek krijgt u hier volledige verhalen voorgeschoteld.
Mogelijk beschouwt u dit niet als essentiële literatuur voor het bestuderen van de ketterij en daar valt wat voor te zeggen. Toch is ook dit een vorm van afweergeschut tegen de ketters. Men kan de indruk hebben dat er in Vlaanderen niet evenveel ketterij te bespeuren viel als elders en dan begrijpen we Vlaanderen in zijn huidige betekenis, eventueel uitgebreid met het bisdom Utrecht omwille van Tanchelm. Dat zou willen zeggen dat deze verhalen, nu exempla genoemd, bruikbare munitie voor de predikers waren. Of dit werkelijk zo was vernemen we mogelijk later. Inmiddels leren we de mentaliteit van de 13de eeuw beter kennen en worden we geconfronteerd met onze taal zoals ze ooit was. De taal van van der Vet uit het begin van de 20ste eeuw hebben we echter aangepast.

–––––
In afwachting van de publicatie van een Kathaarse Kroniek met exempelen van Thomas van Cantimpré (‘De Duivel in het Biënboec’), stelt Raymond Doms u het zesde hoofdstuk voor uit diens ‘Biënboec’.

Tussen opstand en onderwerping: de heren van Niort

In april 1211 legt Simon de Montfort het beleg voor Lavaur en een maand later zien Geralda de Lavaur, de weduwe van de kasteelheer, en haar broer Aimeric de Montréal (of de Roquefort), die de plaats verdedigen, zich verplicht te kapituleren. Aimeric, heer van Laurac via zijn moeder Blancha, de kathaarse voorouder van deze machtige familie, wordt opgehangen, Geralda gestenigd in een put. Op dat ogenblik gaat de heerlijkheid Laurac over in handen van de laatste afstammelingen, de gebroeders Niort. Hun tumultueuze lot zal op termijn het einde betekenen van de heerlijkheden Niort en Laurac.
–––––
Gwendoline Hancke heeft het hier over de machtige familie Niort. Van de zes broers is er welgeteld één die de Kerk trouw blijft, hij wordt abt van Alet. De andere vinden we allemaal terug in het Occitaanse verzet.

De Bloedhonden - deel 6

Pons de Vitrac volgde Alix en haar wolven met zijn ogen tot hij ze niet meer zag. Dan keek hij naar het lijk van Amiel wiens verwonderde blik hem zijn fataal gebaar nog steeds leek te verwijten. Pons kende het beeld van de dood maar al te goed, hij wist dat de laatste uitdrukking van een gelaat vaak voorgoed werd vastgehouden, hij had graag angst, of schaamte, of liever nog de ergste pijn op de ijskoude verblekende trekken van de pas gedode sergeant gelezen. Niets daarvan, Amiel de Niort had niet begrepen wat hem overkwam. Hij had niet de tijd gekregen om zich schuldig te voelen, had nauwelijks angst gevoeld. De ridder trok een grimas. Hij was ontgoocheld, erger nog, gefrustreerd. Door de verrassing die men van zijn gelaat kon aflezen, had Amiel zichzelf de rol van onschuldige, van slachtoffer toebedeeld. Iemand die het lijk vond zou ongetwijfeld besluiten dat hij vermoord was, niet terechtgesteld. Dat zat Pons dwars, hij had helemaal geen moord begaan, gerechtigheid was geschied. Hij keek opnieuw naar het levenloze lichaam, alsof hij er nog iets aan kon veranderen. Maar Amiel, die dood even koppig was als levend, bewaarde zijn blik in het ijle, de blik van iemand die zich afvraagt waarom men hem zozeer verafschuwt dat men hem doodt.
–––––
Het zesde deel van de roman ‘De Bloedhonden’ van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Editoriaal, voorstelling van een nieuwe ‘Kathaarse Kroniek’ (De Summa de Catharis van Rainerius Sacconi) en alles over het colloquium 2011.

Top

7de jaargang – e-Magazine 26 – december 2011

De katharen als vreemdelingen: oorsprong - contacten - verbanning


De eerste band van de katharen met het vreemdelingenthema is van metafysische oorsprong: de menselijke zielen, bij de oorsprong engelen weggestuurd uit de hemel, opgesloten in lichamen van modder gemaakt door Satan, zijn vreemd aan de zichtbare aardse wereld, en hun terugkeer naar de hemel is alleen mogelijk door tussenkomst van de ketters. De varianten op deze soteriologische mythe, in het hart van de kathaarse prediking, vormen de sleutel voor de functie van de kathaarse ‘parfaits’ in de opbouw van hun heilsysteem.
–––––
In de middeleeuwse antiketterse geschriften wordt er nooit van uitgegaan dat de kathaarse bewegingen  ter plaatse zijn ontstaan. Men legt de verantwoordelijkheid daarvoor nooit bij de plaatselijke bevolking. Volgens de katholieke polemisten werd het katharisme geïmporteerd uit het ‘buitenland’. Door immigranten, ‘vreemdelingen’ dus. Een boeiende bijdrage van Edina Bozoky.

Kathaarse activiteit in het land van Castres

De schier ongelimiteerde macht van de inquisiteurs en hun handelingen naar eigen goeddunken zorgen rond 1280 voor gegrom bij de stedelijke elites die hun vrijheden hoog in het vaandel dragen. De consuls van Carcassonne en Albi sturen klacht- en smeekbrieven naar de roomse curie en naar het hof van de Franse koning.
Eén van hun leiders is Arnaud Matha, een vroegere wereldlijke rechter in Albi, die heen en weer reist tussen beide steden en tijdens zijn verblijf ook de consuls van de stad Castres probeert te overtuigen om mee te doen. De consuls dringen helemaal niet aan op de afschaffing van de Inquisitie maar wel op haar absoluut respect voor het recht. Wellicht werden zij geïnspireerd door de amnestie die de Franse koning in 1279 had toegekend aan de burgers van Toulouse voor feiten die dateerden van vóór 1270.

–––––
De bekendste bon homme is ongetwijfeld de kathaarse bisschop van Toulouse, Guilhabert de Castres. Men zou daaruit kunnen afleiden dat Castres een belangrijk kathaars centrum moet geweest zijn. Maar was dat wel zo? Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen bekijken de kathaarse aanwezigheid (en de repressie) in de heerlijkheid Castres.

Innocentius III, de theocratische droom

Innocentius III was ongetwijfeld de grootste paus van de middeleeuwen. Hij voerde de universele superioriteit door van de pauselijke macht, verheven tot de rang van nieuwe Christus. En hij maakte van
de strijd tegen de ketterij een van de instrumenten van zijn almacht.

–––––
Bij zijn aantreden als paus in 1198 was Innocentius III nauwelijks 37 jaar. Tijdens zijn pontificaat van ruim 18 jaar heeft hij meerdere kruistochten op gang gebracht, waaronder deze tegen de katharen. Daarvoor heeft hij heel wat bochten moeten nemen ten aanzien van het destijds geldende gedachtegoed: de katharen waren immers medechristenen én zij leefden in Europa. Vanuit zijn zowel juridische als theologische vorming is Innocentius III erin geslaagd om de apostolische pontifex te verheffen tot de enige vertegenwoordiger van Christus op aarde, ‘minder dan God, maar meer dan een mens’, geplaatst boven alle vorsten. Op basis daarvan heeft hij op ingrijpende en sublieme wijze de ‘pauselijke theocratie’ ingezet tegen de ketters. Ketterij werd geassimileerd met de opperste misdaad in het Romeins recht: majesteitsschennis.

Pèire Vidal

Er is in het Frans een boekje verschenen, een geromanceerde biografie van de troubadour Pèire Vidal. Ik heb het gekocht, maar na het eerste hoofdstuk rondom de opschudding die zijn geboorte veroorzaakte in een wijk van Toulouse, is het verdwenen in de hoop boeken rondom mij. Eens vind ik het terug en vertel ik meer over zijn reizen naar het Heilig Land, Spanje, Italië, Malta, Hongarije. Maar voorlopig gaat het over de dichter Pèire Vidal.
–––––
Enkele gedichten van de bekende troubadour Pèire Vidal. De vertalingen zijn van Raymond Doms en Ernst Van Altena..

Zoeklicht op de bogomielen

“Wij, armen van Christus, zonder vaste woonplaats, vluchten van stad tot stad (Matth. 10,2), zoals lammeren te midden van wolven. Wij worden vervolgd zoals de apostelen en de martelaren. Nochtans leiden wij een heilig en streng leven van vasten en onthoudingen, van dag en nacht bidden en werken, en wij trachten uitsluitend datgene daaruit te halen wat noodzakelijk is om te leven. Wij ondergaan dit alles omdat wij niet van deze wereld zijn.”

(Vervolgens richten de vermeende ketters zich tot hun aanklagers en tot de burgers van Keulen) “Maar gij, die van de wereld houdt, gij zijt in vrede met de wereld omdat ge van deze wereld zijt (Joh. 15,19). Gijzelf en uw vaderen zijn misleid door valse apostelen die de woorden van Christus verdraaid hebben op zoek naar eigen voordeel. Wij en onze vaderen, afstammelingen van de apostelen, zijn in Christus’ genade gebleven en zullen dat zijn tot het einde der eeuwen.”

Dit is een citaat uit 1143 uit een brief van de Duitse provoost en monnik Everwin von Steinfeld aan Bernardus van Clairvaux over de vermeende ketters van Keulen. In wetenschappelijk opzicht staat het buiten discussie dat dit document het begin aangeeft van het ‘succesverhaal’ van de katharen in West-Europa. Tegelijkertijd is het een sleuteldocument voor wie zoekt naar raakvlakken tussen bogomielen en katharen. Althans volgens de vrijwel algemeen aanvaarde uitleg van de volgende zin: “Tijdens hun verdediging zeiden zij die verbrand werden dat deze ketterij ons tot op heden verborgen bleef vanaf de tijd der martelaren en dat zij verder bleef bestaan in Griekenland (sic!) en nog vele andere landen.”

–––––
Tijdens zijn lezing op het 22ste internationaal congres van Byzantijnse studies (20-27 augustus 2011 in Sofia), hield de Nederlandse onderzoeker Dick Van Niekerk een warm pleidooi voor de oprichting van een Oost-Europees studie- en informatiecentrum voor het onderzoek naar de bogomielen. Hij verwees daarbij als voorbeeld naar bestaande organisaties in Frankrijk (Centre d'Etudes Cathares) en België (Studiecentrum Als Catars).

Het katharisme in Tarn-en-Garonne

Binnen het studiegebied van het Occitaanse katharisme is het merkwaardig om vast te stellen dat het departement Tarn-en-Garonne, ruwweg te situeren tussen Albi en Tarbes, daarin slechts weinig aan bod komt. De focus wordt maar al te dikwijls alleen op de Aude en de Ariège gelegd.
Nochtans leefden er in Tarn-en-Garonne heel wat adepten van de kathaarse religie en was ook daar de vervolging van de katharen bijzonder goed georganiseerd. Bedoeling van dit artikel is die lacune wat op te vullen en tegelijk een analyse te maken van het katharisme in die regio.

–––––
De intense bedrijvigheid van de toeristische federaties in de Aude en de Ariège (de Aude riep zichzelf uit tot ‘Pays Cathare’, ‘Katharenland’), zouden ons bijna doen vergeten dat de verspreiding van het katharisme zich uiteraard niet liet vangen binnen de moderne departementsgrenzen. Michel Gybels stak die grenzen over en bekeek de kathaarse aanwezigheid in Tarn-en-Garonne.

De Bloedhonden - slot

Het was een zilveren lichtflits die de aandacht trok van de soldaat...
De man aarzelde een ogenblik, verwonderd en ongerust. Zijn ogen doorliepen de vallei tot waar hij het pad uit het oog verloor. Een gelige stofwolk verscheen plots boven het dichte kreupelhout en viel dan langzaam terug. Het leek alsof er niets gebeurd was. De wachter verstrakte zijn greep op de schacht van zijn lans. Hij had moeite om te slikken, het leek alsof hij dorst had maar hij wist heel goed dat het dat niet was. Het was de plots opkomende angst, een gevoel dat hij te goed kende om zich te vergissen. Die angst ging zoals altijd gepaard met het voorgevoel van een naderende dood. Vanop zijn hooggelegen uitkijkpost op de donjon van Auriac reikte zijn blik heel ver, misschien zelfs tot Carcassonne bij helder weer, maar zag hij door de bomen niets van de weg uit Termes die driehonderd passen beneden hem lag. Als was het om zijn voorgevoelens te bevestigen, zag hij de hoogste takken van de bomen plots bruusk bewegen. En dan dook de oorzaak van deze commotie op aan de rand van het bos.

–––––
Het zesde deel van de roman ‘De Bloedhonden’ van Jean-Louis Marteil.

En verder...

Brief van de voorzitter, voorstelling van de vernieuwde website.

Top

februari | april | juni | augustus | oktober | december

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017