Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2010 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

april | juni | augustus | oktober | december

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

6de jaargang – e-Magazine 16 – april 2010

Ellenhard van Utrecht en de moord die er geen was


Iets na 1100 worden in onze contreien twee gevallen van ketterij in de geschreven bronnen gesignaleerd. Dit zijn de eerst gekende uit de 12de eeuw in het westen. Beide meldingen komen uit identiek dezelfde kringen van het aartsbisdom Keulen. We zijn telkens in de stad Utrecht en de beschuldigingen worden geuit door het college van kanunniken dat bij de kathedraal hoort.
Utrecht is dan de zetel van een bisschop met wereldlijk gezag over een enorm gebied: het Sticht. Vroegere bisschoppen waren goede maatjes geweest met de Duitse keizer en zij hadden van hem een korf vol schenkingen gekregen. Rond 1110 is die gouden tijd echter voorbij. Keizer en paus beginnen de macht van de bisschoppen overal te beknotten. Opdringerige graven knabbelen militair of politiek steeds meer aan de geografische randen van het Sticht. In eigen stad beginnen de burgers zich met succes te ontvoogden. Met argusogen kijkt men naar de wereldlijke levenswijze van de kanunniken, bijna allemaal zonen van de aristocratie.

–––––
In het begin van de 12de eeuw formuleren de kanunniken van Utrecht hun beschuldiging van ketterij tegen de rondtrekkende boeteprediker Tanchelm. De naam is bekend, de studies zijn beschikbaar. Minder bekend is dat de kanunniken hiermee niet aan hun proefstuk waren. Enkele jaren eerder was er al een gelijkaardige beschuldiging tegen Ellenhard van Utrecht. Willy Vanderzeypen bekijkt de zaak.

De troubadours tegenover het katharisme

Een vaststelling dringt zich onmiddellijk op voor wie de Occitaanse cultuur in ogenschouw neemt: er is een onloochenbare chronologische en geografische gelijktijdigheid tussen de verspreiding van de poëzie van de troubadours en deze van de kathaarse godsdienst. Vanaf het midden van de 11de eeuw tot aan het einde van de 13de eeuw, binnen een perimeter gaande over heel de westkant van de Languedoc en bepaalde aangrenzende gebieden zoals de Quercy en de Périgord, hebben beide bewegingen samengewoond, schouder aan schouder, in dezelfde steden, in dezelfde dorpen.
–––––
De katharen en de troubadours waren tijdgenoten. Dat heeft sommigen ertoe aangezet te beweren dat er een verband was tussen de troubadourslyriek en het katharisme, dat er zelfs verborgen boodschappen in zaten. Een bewijs werd daarvoor nooit geleverd. Maar maatschappijkritische troubadours (zoals Pèire Cardenal) waren natuurlijk niet blind voor wat er om hen heen gebeurde. Raymond Doms vertaalde deze boeiende bijdrage van Francesco Zambon.

Het kathaarse consolament der stervenden

Een pientere vraag van een toehoorder te Quillan tijdens de reeks zomerconferenties van 2009 bracht mij ertoe om dit artikel te schrijven. Het was een dubbele vraag die zij stelde: “Een consolament dat door de katharen aan een stervende gelovige werd toegediend, in hoeverre verschilde dat van hun gelijknamige ritueel van een klassieke wijding tot bon homme of bonne femme? En kunnen we die kathaarse ceremonie vergelijken met het katholieke Heilig Oliesel?”
–––––
Het ‘consolament’, het enige sacrament dat de katharen kenden. Het kon toegediend worden tijdens het leven, ofwel helemaal aan het einde van dat leven. Willy Vanderzeypen legt het verschil uit.

Oorsprong en expansie van de katharismen

In het middeleeuwse westen verschijnt in de 12de eeuw een christelijke dissidente beweging die algemeen bekend staat als het katharisme. De aanhangers van deze beweging krijgen meer specifieke namen naargelang de regio’s van de christelijke wereld waar ze zich inplanten: katharen en manicheeërs in Duitsland, patarijnen en katharen in Italië, piffels in Vlaanderen, bougres in de Bourgogne en Champagne, albigenzen in Zuid-Frankrijk.
Zijzelf noemen zich goede mannen, goede vrouwen of goede christenen en geven blijk van een vinnige kritiek tegen de rooms-katholieke kerk en haar hiërarchie, die zij beschouwen als onwaardig omdat ze de idealen van Christus en zijn apostelen heeft verraden.

–––––
Met ‘Les Catharismes’ publiceerde Pilar Jiménez-Sanchez een baanbrekende studie over de oorsprong van de dissidente bewegingen in de 12de eeuw. Hét katharisme als dusdanig bestaat niet, de diverse bewegingen waren helemaal niet zo eenvormig als de katholieke tegenstanders ons willen laten geloven. Deze korte bijdrage, vertaald door Michel Gybels, is een voorsmaakje van een nieuwe ‘Kathaarse Kroniek’ die helemaal zal gewijd zijn aan het werk van deze onderzoekster.

Gerardus de Fracheto

Toen de heilige Dominicus de orde van de predikers tegen de ketters en de ketterij speciaal te Toulouse had opgericht, en al bijna 40 jaar de broeders in die gebieden in honger en dorst, in koude en naaktheid en veelal in zware omstandigheden hadden gestreden tegen deze ketters en tegen de tirannen die de ketters verdedigden, werd eindelijk door paus Gregorius IX zaliger gedachtenis, de Inquisitie tegen genoemde ketters en hun beschermers per provincie aan de broeders toevertrouwd.
–––––
Een stukje ontstaansgeschiedenis van de dominicaner orde door een ooggetuige, in de stijl van de tijd. Of hoe de mirakels elkaar opvolgden. Een studie-uitdaging van Raymond Doms.

Vrouwe Wolvin van Pennautier

In samenwerking met de gemeente Pennautier is het ‘Centre d'Etudes Cathares’ van Carcassonne in januari 2010 begonnen aan een eerder ongewoon maar boeiend project om de middeleeuwse geschiedenis van dit dorp te ontrafelen. De inwoners van Pennautier zullen bij deze speurtocht nauw worden betrokken zodat zij geen consumenten zullen zijn maar acteurs.
Tijdens een eerste inventaris van oorkonden uit de 12de en 13de eeuw stond animator Charles Peytavie evenwel wat beteuterd te kijken, zijn eerste oogst was uiterst mager. Bovendien zijn archeologische rapporten over het patrimonium van Pennautier onbestaande. Wat nu gezongen?

–––––
Loba de Pennautier was populair bij de troubadours. Zowel Raimon de Miraval als Pèire Vidal waren weg van haar. Maar was ze ook een historische figuur? Heeft ze echt geleefd? Misschien. Verder onderzoek zal het moeten uitwijzen. Willy Vanderzeypen schetst in het kort de geschiedenis van de heren (en dames) van Pennautier.

En verder...

Brief van de voorzitter en een infodossier over de komende opendeurdag.

Top

6de jaargang – e-Magazine 17 – juni 2010

Pèire van Flaran, kapper en geheimagent van de katharen


De Lauragais, de landelijke streek rond Castelnaudary, is volgens de eerste bronmeldingen vanaf 1140 de rustige wieg voor een nieuw religieus fenomeen. Vanuit het kraambed in de handelssteden Albi en Toulouse verspreidt zich dan een nieuwe beweging van ontevreden kanunniken en leken, zowel mannen als vrouwen, die over de invulling van het christelijke ideaal totaal anders denken dan Rome. Voor deze ongehoorzame christenen is de Lauragais een bevoorrechte regio waar hun beweging zich in alle rust diep en langdurig kan wortelen. Godfried van Auxerre, de secretaris van Bernardus van Clairvaux, wijst in 1145 met de vinger naar de arianen van Toulouse en Castelnaudary.
–––––
De Occitaanse ‘helden’ uit de kathaarse geschiedenis zijn goed bekend. Maar zij konden alleen maar een ‘held’ worden omdat ze konden steunen op uitgebreide netwerken, op ‘gewone’ mensen die dag na dag hun leven waagden voor het voortbestaan van hun religie. Kapper Pèire de Flaran was zo iemand. Willy Vanderzeypen gaat na wat de geschiedenis ons over hem vertelt.

Contra Quosdam de Antwerpia

Zijn Antwerpenaren tevreden met één ketter? Tanchelm is dan wel een zeer beroemde weliswaar, maar hij werd de laatste tijd onder vuur genomen, vooral door Jaap van Moolenbroek, om hem die beroemdheid van ketter te ontnemen, om van hem iemand te maken die inging tegen de misbruiken van de geestelijkheid…
We herinneren er even aan dat de ketters die Georges Eekhoud ontdekte, uit het brein komen van de romancier die deze Antwerpenaar was en niet uit echte documenten. Had Eekhoud een schamele kennis gehad van het Latijn, dan zou hij het gehad hebben over het document in de titel dat historicus Alphonse Wauters, in de ‘Archives nationales’ te Parijs had ontdekt en dat hij had gepubliceerd in  ‘Bulletin de l’Académie royale de Belgique’ in 1875.

–––––
Was de ketterse aanwezigheid in Antwerpen van die aard dat er speciale maatregelen nodig waren? De Latijnse tekst die Raymond Doms hier onder de loep neemt, en die de ketterse stellingen opsomt, lijkt daarop te wijzen.

Het manuscript 202 van de Inquisitie van Toulouse

Door de verhuizing van het Archief van de Haute-Garonne, in de loop van de jaren zestig van vorige eeuw, diende er een herklassering te gebeuren van alle archiefstukken in het nieuwe gebouw door de betrokken archivarissen.
Bij dat werk werd een dossier uit 1674 over het gemeentelijk archief van Salles-sur-l’Hers nagekeken en daarin werd door archivaris Belhomme door een gelukkig toeval een register van de Inquisitie van Toulouse aangetroffen.

–––––
Het ontdekken van belangrijke historische documenten heeft dikwijls met toeval te maken. En dat was niet anders bij het Manuscript 202 van de Inquisitie van Toulouse dat Michel Gybels hier bespreekt

Pèire Roger de Mirepoix en de familie Mirepoix-Perelha in Montségur

Het is zalig verpozen tussen de schitterende vakwerkhuizen op het middeleeuwse marktplein van Mirepoix, in de schaduw van de imposante Saint-Mauricekerk. Saint-Maurice is een voormalige kathedraal want ooit was Mirepoix een bisschopszetel, de bekende inquisiteur en latere paus Benedictus XII, Jacques Fournier, was hier ooit bisschop. Maar dit is natuurlijk niet het ‘kathaarse’ Mirepoix. Die plaats lag op de andere oever van de Hers tot ze daar in 1279 door een overstroming werd weggespoeld. Mirepoix werd later op zijn huidige locatie heropgebouwd in bastidevorm.
Net als zovele andere plaatsen in de Languedoc werd Mirepoix bestuurd door een aantal co-seigneurs (‘mede-heren’), een gevolg van de erfenisregels in het zuiden, waarbij een nalatenschap evenredig verdeeld werd onder alle rechthebbenden en niet, zoals in het noorden, naar de oudste zoon ging. Op een oorkonde uit 1207, die aan de inwoners van Mirepoix een aantal privileges toekent, staan er niet minder dan 34 co-seigneurs. Dit maar om aan te geven dat het in kaart brengen van de bestuurlijke situatie van een plaats als Mirepoix niet eenvoudig is.

–––––
Dat Montségur geen ‘kathaars klooster’, maar een feodaal gestructureerd castrum was, weten we al lang. Net zoals we ook weten dat het een speerpunt was van het Occitaanse verzet tegen Kerk en koning. Die opstelling werd verpersoonlijkt door Pèire Roger de Mirepoix, co-seigneur en militair bevelhebber van Montségur. Marc Bogaerts bekijkt zijn familiegeschiedenis.

De Inquisitie, Dominicus en de dominicanen

In zijn Histoire de France, die zo karakteristiek is voor de 19de eeuw, heeft Jules Michelet een fresco geborsteld waarin hij toont hoe de Kerk in de Languedoc tijdens de 12de eeuw ‘het elan van de vrijheid van denken’ dat vertegenwoordigd wordt door de ketterij, heeft stopgezet. In nerveuze, hijgende, romantische en… onjuiste bewoordingen. ‘Die Dominicus,’ schrijft hij, ‘die vreselijke stichter van de Inquisitie, was een Castilliaans edelman. Niemand beheerste meer dan hij de gave van de tranen die zo dikwijls een verbond vormt met het fanatisme.’ En hij gaat voort in het volgende hoofdstuk: ‘De paus heeft het onafhankelijk mysticisme alleen maar kunnen overwinnen door zelf grote scholen van mysticisme op te zetten, ik heb het over de bedelorden. Dit is het kwaad bestrijden door het kwaad zelf; dat is beginnen aan de moeilijke en meest tegensprekelijke taak die er bestaat, inspiratie proberen te regelen, verlichting precies willen bepalen, en vervoering vastpinnen!’
–––––
Bestaan er ook teksten die zeggen wat de dominicanen zelf denken, hoe zij zich verdedigen? Deze tekst van Guy Bedouelle staat op de website van de Frans-Canadese provincie van de dominicanen. Raymond Doms vertaalde al was dat, vooral naar het einde toe, niet gemakkelijk. Het is ook geen gemakkelijke oefening: hoe kan je begrijpen wat in vorige eeuwen, volgens onze huidige normen en verworvenheden, duidelijk verkeerd is gelopen… Zoals het ook in latere eeuwen moeilijk zal zijn te begrijpen waarom wij bepaalde van onze verworvenheden niet over de hele wereld gerealiseerd hebben…

Saissac, een kathaars castrum in de Montagne Noire

Het corpus van archeologische gegevens betreffende de sociaal-economische context van de castra uit de Montagne Noire, werd sinds enkele jaren verrijkt met de studie van een erg belangrijke site, namelijk die van het castrum van Saissac. Zeer goed gedocumenteerd, dankzij de intensieve archeologische studie over een periode van vier jaar (2004-2007), verdient deze site vergeleken te worden met die van Cabaret-Lastours in dezelfde regio.
–––––
Een van de boeiendste sites in de Montagne Noire is ongetwijfeld Saissac. Naast de restauratie en consolidatie van de burcht, werd door archeologe Marie-Elise Gardel de afgelopen jaren ook een deel van het castrum blootgelegd. Michel Gybels bekijkt de geschiedenis van Saissac in het licht van dit recent onderzoek.

Thomas van Cantimpré, een Brabander over kruistochten

Op de website van de de Digitale bibliotheek (van de) Nederlandse letteren (www.dbnl.nl) staat de studie die C.M. Stutvoet-Joanknecht wijdde aan: ‘Der byen boeck. De Middelnederlandse vertalingen van het Bonum universale de apibus van Thomas van Cantimpré en hun achtergrond’.
De taal is deze van het N.O. van Nederland, dialectisch getint. Kennis van dialect (onze dialecten zijn gebaseerd op het Middelnederlands en geen afwijkingen van de standaardtaal) en van het Duits helpen bij het verstaan van de tekst.

–––––
Raymond Doms laat ons kort kennismaken met Thomas van Cantimpré, dominicaan én middeleeuws ‘reporter’, en zijn visie over de kruistochten.

En verder...

Editoriaal, informatie over een nieuwe cursus van het Studiecentrum Als Catars, Cursief (‘Met een rolstoel op de Peyrepertuse’), Tips voor de zomer.

Top

6de jaargang – e-Magazine 18 – augustus 2010

Een sociologische en economische verklaring voor het begin van het kathaarse experiment in Zuid-Frankrijk


We begeven ons hier op een onderzoeksterrein waar dikwijls met zevenmijlslaarzen overheen gestapt wordt. Een reden daarvoor is het gebrek aan bronnen of de onbetrouwbaarheid ervan. Sommige onderzoekers mijden dit ‘historische drijfzand’ omdat traditionele of romantische geschiedschrijvingen het opgevuld hebben met de meest denkbeeldige hypothesen over het ontstaan van het Occitaanse katharisme. Het postmoderne kritische onderzoek kan het zich evenwel niet veroorloven om deze sleutelperiode (ca. 1100-1165) te verwaarlozen. De studie van het prille katharisme zal ons meer mogelijkheden geven om het historische vervolg en de evolutie ervan nog preciezer te kunnen plaatsen vanuit de eigen Occitaanse historiek of die van de eerste generaties ‘katharen en gelovigen’ in de eerste helft van de 12de eeuw.
–––––
De Zuid-Franse Languedoc was een van de gebieden waar het katharisme kon uitgroeien tot een echte tegenkerk, we kennen de geschiedenis. Maar die vertelt niet alles. Waarom kende het katharisme precies daar zo'n grote bloei terwijl het bijna overal elders zeer snel weer werd onderdrukt. Willy Vanderzeypen en Yves Van Buyten zien de belangrijkste reden in het sociale en economische kader in het prille begin van de 12de eeuw.

Pèire Raimon van Saint-Papoul en de laatste kathaarse weerstand (1290-1310)

Op het einde van de 13de eeuw, vijftig jaar na Montségur, na meerdere generaties systematische vervolging (kruistocht, inquisitie), en binnen de nieuwe context van de grote geopolitieke omwentelingen die geleid hebben tot de overwinning van de koninklijke orde in de Languedoc, lijkt het katharisme stervende in Occitanië.
Het eerste decennium van de 14de eeuw zal nochtans gekenmerkt worden door een bliksemsnelle heropbloei van het kathaarse geloof, van de Pyreneeën tot de Bas-Quercy. In deze laatste heropflakkering van de ketterij, binnen een kleine ploeg vastbesloten bons hommes rond Pèire Autier, vroegere notaris van de graaf van Foix, speelt de bon homme Pèire Raimon Sartre, afkomstig van Saint-Papoul – en in religie gekend onder de naam Pèire Raimon van Saint-Papoul – een rol op het voorplan.

–––––
Het was de bedoeling van de Inquisitie om het katharisme helemaal van de kaart te vegen, maar voor de hedendaagse historici zijn de overgeleverde ondervragingen en vonnissenboeken een ongemeen rijke bron die helpt om de dissidente religie in zijn juist perspectief te zien. Zo reconstrueert Anne Brenon hier het leven van Pèire Raimon van Saint-Papoul, een van de bons hommes uit de groep rond Pèire Autier die in het begin van de 14de eeuw voor een ware heropleving van het kathaarse geloof zorgde.

Eckbert, Elisabeth en de engel tegen de Rijnlandse katharen (1140-1170)

Kuierend in Keulen zal u zich misschien afvragen wat er nu juist op de vlag van de stad staat afgebeeld. De drie kronen verwijzen naar de relieken van de Drie Koningen die Rainald van Dassel in 1164 naar de stad meebracht. In datzelfde jaar voltooide een studievriend van deze Duitse prelaat, Eckbert van Schönau, het eerste en niet onbelangrijke boek dat handelt over de middeleeuwse katharen van de 12de eeuw in het Rijnland.
De elf tranen op de Keulse stadsvlag staan voor de 11.000 maagden uit de legende van Sint-Ursula, zoals Elizabeth van Schönau dat in haar werk bij de beschrijving van meerdere visioenen in kleurrijke details navertelt. Elizabeth is de zuster van Eckbert en ook zij gaat de hemelse boodschapper in haar visioenen vragen stellen over het ketterse fenomeen in hun omgeving. De engel laat zich niet pramen en heeft een uitgesproken mening.

–––––
Willy Vanderzeypen beschrijft de rol die Eckbert en zijn zus Elisabeth van Schönau speelden in de strijd tegen de ketterij in het Rijnland. Zij waren de eersten die het woord ‘katharen’ gebruikten, maar dan alleen voor de Rijnlandse ketters. Het zou nog eeuwen duren vooraleer het een algemeen gebruikte term werd voor een bepaald type van ketterij.

Vrouw en priesterschap in het kathaarse godsdienstig leven

Voor de katharen hebben alle menselijke wezens dezelfde hemelse origine en kunnen zij gered worden door het consolament, het doopsel van de geest, dat op dezelfde manier toegediend wordt aan mannen en aan vrouwen. Man en vrouw zijn dus gelijk voor het heil, elk verschil tussen de seksen behoort slechts toe aan deze voorbijgaande materiële wereld. De vrouw is niet zondiger dan de man, of ze nu maagd, echtgenote, weduwe of zelfs concubine is, de weg van het heil – doorheen het consolament – ligt voor haar open op dezelfde manier als voor de man.
–––––
Hoe zat het nu eigenlijk met die gelijkheid van mannen en vrouwen bij de katharen? Vrouwen hadden, nadat ze het consolament ontvangen hadden, hetzelfde statuut als hun mannelijke collega's en konden dus hetzelfde religieuze leven leiden. Althans in theorie, want in de praktijk waren er toch nogal wat verschillen. Gwendoline Hancke bekijkt in deze boeiende bijdrage de verschillen tussen bonne femme en bon homme.

Paus en dominicanen in onmin (Inquisitie 1244-1255)

Acht dagen na de brandstapel van Montségur tekent de nieuwe paus Innocentius IV een verdrag met keizer Frederik II. Dat is beslist verwonderlijk want met alle denkbare middelen en zonder enig gewetensbezwaar bestreden beiden elkaar, zelfs tot en met het oproepen van een mislukte kruistocht door de paus tegen zijn aartsvijand.
De meeste verdienste bij het tot stand komen van deze uiterst wankele vrede heeft evenwel
Raimon VII van Toulouse. Ooit de incarnatie van ‘paratge’ heeft de moegestreden graaf na het verdrag van Lorris alle weerstand opgegeven. In feite is hij erg opgelucht dat Innocentius IV zijn excommunicatie heeft opgeheven. En zo ontpopt de laatste mannelijke vertegenwoordiger van zijn dynastie zich te Rome tot een bemiddelaar, terwijl aan de voet van de pog de as van de reusachtige brandstapel nog navonkt, vermengd met die van de 225 slachtoffers die tijdens de belegering tevergeefs op zijn hulp hebben gewacht…

–––––
In 1232 gelastte paus Gregorius IX de dominicaner orde met de verantwoordelijkheid voor de pas officieel opgerichte kerkelijke rechtbank(en) die ‘inquisitie’ werden genoemd. Deze rechtbanken opereerden onafhankelijk van de plaatselijke clerus en waren alleen verantwoording verschuldigd aan de paus zelf. Maar dat betekent niet dat het tussen de paus en de orde van de predikbroeders altijd koek en ei was, want nog geen vijftien jaar na de instelling van de Inquisitie, schorst paus Innocentius IV haar werking in de Languedoc. De dominicanen lijken zich van het bevel weinig aan te trekken en steken zelfs nog een tandje bij. Willy Vanderzeypen analyseert dit weinig bekend conflict en legt uit hoe het zover is kunnen komen.

En verder...

Editoriaal, het programma van het komende Colloquium, informatie over de nieuwe cursus van het Studiecentrum Als Catars, voorstelling van de te verschijnen ‘Kathaarse Kroniek’ (18) van Pilar Jiménez-Sanchez.

Top

6de jaargang – e-Magazine 19 – oktober 2010

De oorsprong van de anti-ketterse literatuur


Tijdens de middeleeuwen kreunden de boekenrekken van de kerkelijke bibliotheken onder het gewicht van de vele manuscripten die de ideeën van de nieuwe ketterijen moesten weerleggen. Terecht kan men spreken van een apart literair genre. Het moest de rechtgelovige predikers van spirituele munitie voorzien in hun disputatio’s met allerlei ketters, die steeds goed van de tongriem waren gesneden. De predikers aan het front konden deze literaire steun goed gebruiken om het uit alle hoeken komende protest tegen het roomse kerkinstituut te kunnen riposteren en de vele alternatieve verklaringen van de bijbelteksten te ontkrachten. Gezien hun succes werden vooral de katharen en de waldenzen geviseerd. De heresiologische productie kent een hoogtepunt in het Italië van de dertiende eeuw. Daar kent het katharisme zijn grootste succes.
–––––
Van de katharen zelf hebben nauwelijks enkele geschriften de eeuwen overleefd. Schril in contrast daarmee staat het werk van de katholieke polemisten die tegen de ketters schreven. Zij zijn in onze bibliotheken goed vertegenwoordigd. Met alle gevolgen van dien voor de geschiedschrijving, want die polemisten borstelden niet altijd een correct beeld van de ketterijen die ze bestreden. Maar die aanvallen op ‘andersdenkenden’ waren niet nieuw, ze kaderden in een eeuwenlange traditie. Willy Vanderzeypen neemt ons mee naar de oorsprong van de anti-ketterse literatuur.

Het antwoord van de ketters: de kathaarse prediking

Sinds Bernardus van Clairvaux bouwen de cisterciënzer sermoenen tegen de ketterij aan een bedreigend beeld van de kathaarse tegenstander, wat misschien meer zegt over de pauselijke ideologie dan over een reële opstandigheid in naam van het Evangelie. In deze bijdrage gaan we ons eerder toespitsen op de prediking van de katharen zelf – een soort antwoord van de ketters op de propaganda van de cisterciënzers, overgenomen in de 13de eeuw door de predikers van Dominicus.
–––––
Wat vertellen de bronnen ons over de prediking van de katharen? Wie predikte er en waar gebeurde dat? Waarover werd er gepredikt? En hoe zat het met de prediking door vrouwen? Waren de bonnes femmes echt de gelijken van de bons hommes? Een onderzoek van Anne Brenon.

DOSSIER:
Heksen in de Zuidelijke Nederlanden


In dit magazine maken we een klein zijsprongetje. Want het waren niet alleen ketters die het slachtoffer werden van vervolging. De samenleving, die was geëvolueerd naar een ‘repressieve maatschappij’, zoals prof. Robert Moore dat zo treffend schetst in zijn ‘The Formation of a Persecuting society’, vervolgde ook andere marginalen en minderheidsgroepen, zoals melaatsen, joden en later ook heksen.

In het kader van het colloquium van 16 oktober 2010, waar ook de heksenvervolging aan bod komt, publiceren we in dit magazine een uitgebreid dossier rond de heksenvervolging in de Zuidelijke Nederlanden met aandacht voor twee procesbundels, een uit Lier en een uit Braine-le-Comte of ‘s-Gravenbrakel.

Heksenprocessen te Lier in 1589 en 1590
Maurits Wynants, Erik Aerts


Het proces tegen Cathelijne van den Bulcke is niet alleenstaand. Het zit verankerd in een reeks van procesvervolgingen die begonnen op 4 september 1589 met de inbeschuldigingstelling van een 13- of 14-jarig meisje, Anneken Faes Brosis, en die eindigden met een vonnis tegen dezelfde Anneken Faes en tegen een andere van hekserij beschuldigde vrouw, Anna Cops, op 19 april 1590. In deze tussentijd van zeven en een halve maand werden zeven personen door schout Willem Brant voor de schepenbank van Lier aangeklaagd. In de vonnissen van de schepenen gingen er vier vrijuit, twee kregen een eerder milde straf, één werd op de brandstapel terechtgesteld.

Op navolgbare wijze kan uit de documenten worden afgeleid dat de schepenbank i.v.m. deze materie 27 maal heeft gezeteld. Alleen tussen 2 januari en 10 april 1590 kunnen er lacunes zijn. Van bijeenkomsten door de schepenen wordt er tenminste geen melding gemaakt. Het is ook mogelijk dat andere (gerechts)instanties ingeschakeld werden maar daarvan is, op één uitzondering na, geen spoor.

De protagonisten in deze processenreeks zijn natuurlijk de gedaagden en de aanklager. Deze laatste, schout Willem Brant, wordt in de documenten betiteld als Ridder, heer van Bouwel, van Olmen, etc.; schout van de stad en de byvang van Lier. Hij legde de eed van schout af in het college van de schepenen op 5 november 1570 en moet gedurende zijn ambtstermijn trouwhartig de Spaanse gezagsdragers gediend hebben, want in maart 1577 werd hij door de Staatsen, d.i. de partij van de Opstand, gevangen genomen en in zijn functie vervangen. Na enkele dagen kwam hij vrij maar het duurde nog tot in januari 1583, na de machtsovername, vooraleer hij door Alexander Farnese heraangesteld werd. Hij stief op 1 mei 1591.

Analyse van het proces voor hekserij van Jeanne de le Consiste -
1601 - ’s Gravenbrakel
Raymond Doms, Marie-Sylvie Dupont-Bouchat


Dit proces dient geplaatst in de reeks van 59 heksenprocessen die tussen 1559 en 1640 in de kasselrij s’-Gravenbrakel plaatsvonden. In een tijdspanne van 80 jaar werden er 27 heksen verbrand, 18 verbannen, 3 tot lichte straffen veroordeeld, 4 overleden in de gevangenis, 5 werden vrijgelaten, één vluchtte weg. Over de laatste is omzeggens niets gekend. E. Roland, die deze processen toevallig ontdekte en bestudeerde, publiceerde een overzicht en noteerde dat er onder hen slechts 2 mannen waren die ten andere aan de dood ontsnapten. In 1610 werd Quintin Marcq gevangen gezet op water en brood en Christophe Fraine wist het jaar daarop te ontsnappen.

Deze processen zijn gekend uit de rekeningen van de buggraven van ’s-Gravenbrakel, die in het archief van de Rekenkamer worden bewaard voor de periode die begint in 1361 en eindigt in 1647. In deze reeks zijn er wel enkele lacunes, ook voor de periode van de hekserij. Het is goed mogelijk dat in die tussentijden eveneens processen plaats vonden, zoals er ook veel kans bestaat dat voor hetzelfde gebied in die tijdspanne andere processen werden gehouden, maar dan wel voor andere rechtbanken dan deze van de burggraaf. Men mag dus nooit hopen de volle omvang van de bestraffing van de hekserij te ’s-Gravenbrakel te achterhalen.


En verder...


Editoriaal, een uitnodiging voor het komende colloquium, informatie over de 12de ‘La Castagne-dag’,  voorstelling van de nieuwste ‘Kathaarse Kronieken’, een bespreking van de nieuwe roman van Gwendoline Hancke, een nieuwe aflevering van het Vragenhoekje van Guilhem, enz...

Top

6de jaargang – e-Magazine 20 – december 2010

Een oorlog onder een slecht gesternte


Het antwoord op de oproep van Raimon V van Toulouse aan Cîteaux liet niet op zich wachten. Het algemeen kapittel van de cisterciënzers kwam samen op 13 september 1177 en belastte Henri de Marcy, abt van Clairvaux, met het organiseren van een campagne tegen de ketters. De week daarop ontmoetten Lodewijk VII en Hendrik II mekaar te Ivry, aan de grens tussen Frankrijk en Normandië, om een niet-aanvalspakt te sluiten, opgesteld dankzij de goede diensten van de pauselijke legaat Pierre de Pavie, kardinaal-priester van Sint-Chrysogonos. Beide vorsten hadden van de oproep van Raimon gehoord en besloten om zelf Toulouse te treffen “met vastberaden en oorlogszuchtige hand”.
–––––
In ons e-Magazine 13 (april 2009) publiceerden we reeds een hoofdstuk (‘Het Zaaisel van de Kruistocht’) uit het boek van de Amerikaanse historicus Fredric L. Cheyette, ‘Ermengard of Narbonne and the World of the Troubadours’. We zijn op het einde van de 12de eeuw. De kerkelijke gezagsdragers realiseren zich dat prediking niets uithaalt in de strijd tegen de ketters en zoeken naar andere middelen. Ze zoeken steun bij de wereldlijke vorsten om desnoods gewapenderhand in te grijpen. Graaf Raimon V van Toulouse, die zo de kans ziet om met enkele vijanden af te rekenen, sluit zich bij hen aan. In dit hoofdstuk volgen we de campagne van pauselijk legaat Henri de Marcy. De vertaling is van Raymond Doms en Marc Bogaerts.

Pèire Vidal

Ernst van Altena, in zijn tijd zeer bekend als vertaler van de wereldliteratuur en meer in het bijzonder de Occitaanse, die hij ooit op de toenmalige BRT voorstelde in een tiental uitzendingen – zonder hem had ik mij waarschijnlijk nooit geïnteresseerd voor deze literatuur – was geen bewonderaar van Vidal: “Na de gehele scala van troubadoursteksten springen die van Pèire Vidal er zeker niet uit. Integendeel, in onze ogen is hij een handig en bekwaam versificateur die weinig origineels te bieden heeft”. En Ernst vertaalde slechts één tekst van hem.
–––––
Raymond Doms laat ons kort kennismaken met het werk van Pèire Vidal, zonder twijfel een van de kleurrijkste figuren onder de troubadours. Zelfs als maar een klein deel van wat over hem wordt verteld op waarheid berust, dan nog heeft hij alleszins een zeer bewogen leven geleid. Zo lezen we in zijn vida dat zijn tong werd afgesneden door de echtgenoot van zijn eerste grote liefde, dat hij uit Marseille werd verbannen door de echtgenoot van de tweede na een ‘gestolen kus’ en dat hij werd achtervolgd en aangevallen door honden, toen hij, als wolf verkleed, probeerde binnen te dringen in de burcht van een derde... (De burcht zou Cabaret geweest zijn, de geliefde Loba van Pennautier. Zie ook e-Magazine 16, p.38, Willy Vanderzeypen, Vrouwe Wolvin van Pennautier.) We lezen ook dat hij een Cypriotische prinses huwde, waardoor hij dacht dat hij recht had op de Byzantijnse troon. Hij reisde zeer veel (Frankrijk, Spanje, Italië, Hongarije, Malta,...) en kon o.m. Alphonso II van Aragon en Raimon V van Toulouse tot zijn beschermheren rekenen. Een vijftigtal teksten van Pèire Vidal bleven bewaard, waarvan twaalf met de muziek.

Sint-Norbertus van Gennep (Xanten), zijn periode als rondreizende eremiet-boeteprediker (1115-1119)

We zijn in het begin van die wonderlijke 12de eeuw van onze westerse geschiedenis, en tevens op het einde van de gregoriaanse hervorming (1049-1122). Dit langdurige herstelproject van de roomse kerk beschouwen veel tijdgenoten en moderne historici als een mislukking. Haar leiding kiest uiteindelijk voor een wereldlijke machtspolitiek, voor het model van een theocratie waarin de nieuwe ideologie van de ‘heilige oorlog’ uitstekend past. Een gevolg daarvan is dat zij een aantal evangelisch-apostolische idealen van het gregoriaanse programma van zich afschudt.
–––––
In deze bijdrage over de stichter van de norbertijner orde, focussen Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen zich voornamelijk op de periode 1115-1119, toen Norbertus rondtrok als eremiet-boeteprediker. Het is een periode waarover zijn officiële biografen nogal vaag doen. En daar hadden zij zo hun redenen voor...

Het brood van het Heilig Gebed

Het blijft vragen oproepen dat we, midden in onze westerse middeleeuwen (12de-14de eeuw), een liturgie aantreffen van het breken en zegenen van het brood die heel sterk doet denken aan die van de vroeg-christelijke Kerk. Het gaat bovendien om een ritueel dat niets te maken heeft met de theologie van de transsubstantiatie, een geloofspunt dat in diezelfde tijd nochtans in volle ontwikkeling was (Concilie van Lateranen, 1215). Nochtans is het een feit. Zeker in Italië en in Occitanië treffen we dit gebruik aan bij die groep van christenen die ketters werden genoemd – door de rooms-katholieke kerk bestreden en stelselmatig vernietigd – en die we vandaag nog steeds aanduiden met de algemene term ‘katharen’.
–––––
Op zaterdag 9 oktober 2010 hielden de ‘Companhs de Paratge’ in Aragon (Aude) hun colloquium, dat zij volledig hadden opgebouwd rond één centraal thema, namelijk brood en wijn: ‘Le pain et le vin, le sacré et l’hérétique’. In een zestal interventies werd het thema vanuit verschillende invalshoeken benaderd. De sprekers behandelden volksgebruiken, liedjes en de Occitaanse taal, het dagelijks leven in de middeleeuwen en natuurlijk de religie. Naast een bijdrage over de betekenis van het brood bij de protestanten (Georges d’Humières) las Jean-Louis Gasc ook een tekst van Anne Brenon voor, waarin zij ingaat op het kathaarse gebruik om, voorafgaand aan de maaltijd, brood te zegenen en onder de aanwezigen te verdelen. De vertaling is van Raymond Doms en Mieke Felix.

Broeder Stephanus Borbone van Belleville

Dertig jaar lang, tussen 1220 en 1250, doorkruist een dominicaner broeder onvermoeibaar het zich uitbreidende Franse rijk, en doet in eerste instantie waarvoor zijn jonge bedelorde staat: prediken tegen de ketters. De berichten over zijn inzet en bekwaamheid vallen niet in roomse dovemansoren en hij wordt benoemd tot één van de eerste inquisiteurs. Gezien die activiteiten stelt hij een volledige cataloog op van de ketterse dwalingen in zijn tijd, en tevens een opmerkelijke bundel van exempla of stichtende korte verhalen als stof voor de predikingen van zijn collega’s.
–––––
Willy Vanderzeypen schetst het leven van Stephanus van Bourbon (ook Etienne de Bourbon genoemd), die zich als student aan de Parijse universiteit aansluit bij de pas gestichte dominicaner orde en de daaropvolgende jaren onvermoeibaar predikend heel Frankrijk doortrekt. In 1236 wordt hij een van de eerste inquisiteurs. Eén van zijn exempla wordt geciteerd door Bernard Gui in ‘De Naam van de Roos’, de bestseller van Umberto Eco.

De Bloedhonden - deel 1

De hoge heren en ridders waren verzameld voor de majestueuze Saint-Nazairekathedraal van Carcassonne. De leiders van het overwinnende leger, hertog Eudes van Bourgondië, graaf van Nevers Hervé de Donzy, Gaucher de Châtillon, Simon de Montfort, de seneschalk van Anjou Guillaume de Contres, graaf van Auxerre Pierre de Courtenay, Bouchard de Marly en alle anderen, de ridders die hadden deelgenomen aan het bloedbad op de bevolking van Béziers, drie weken eerder, en die zopas Carcassonne hadden overwonnen. Op het grootse voorplein wachtten de prelaten van de triomferende kerk: de aartsbisschop van Sens en de bisschoppen van Clermont, van Nevers, van Autun. De belegering van Carcassonne had veertien dagen geduurd. De citadel, afgesloten van haar bronnen en verstikkend onder een brandende zomer, had moeten capituleren onder druk van de kruisvaarders die de voorsteden bezet hielden. Ondanks een poging tot bemiddeling van koning Peire II van Aragon was de jonge burggraaf Raimon-Rogier, die naar het kamp van de belegeraars was gegaan om te onderhandelen, in onduidelijke omstandigheden gevangen genomen.
–––––
Van auteur Jean-Louis Marteil kennen we ‘Bijl en Brandstapel’, de historische roman die in 2009 werd uitgegeven door het S.A.C. ‘De Bloedhonden’, een roman uit dezelfde cyclus (‘En God zal de zijnen herkennen’), die we vanaf deze maand in afleveringen publiceren in het e-Magazine, behandelt de periode 1209-1217.

En verder...

Editoriaal en Vrije Tribune.

Top

april | juni | augustus | oktober | december

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017