Elektronische nieuwsbrief -  Jaargang 2005 - Inhoud

eMagazines

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017

april | september | december

Tientallen pagina's onuitgegeven materiaal, studies, vertalingen, recensies, reportages, dat is wat je mag verwachten van dit e-Magazine in PDF-formaat. Om het te ontvangen (tweemaandelijks) moet je lid worden van het Studiecentrum Als Catars.
Gratis proefnummer? Stuur een mailtje naar e-magazine@katharen.be

1ste jaargang – e-Magazine 1 – april 2005

De Waldenzen


Katharen en waldenzen worden in de geschiedschrijving voortdurend in één adem genoemd. In verhandelingen door tijdgenoten is het samengaan echt opvallend. Bijna elke kroniekschrijver die het over de katharen heeft, laat zijn uiteenzetting volgen door een korte nota over de waldenzen. Daardoor is men de twee bewegingen met elkaar gaan verwarren. Na verloop van tijd maakten minder zorgvuldige kroniekschrijvers zelfs geen onderscheid meer tussen het katharisme en het geloof van de waldenzen...
–––––
Je kan niet over de katharen lezen zonder ook de waldenzen te ontmoeten. Maar wie of wat waren zij precies? Willy Vanderzeypen schreef een boeiende bijdrage over de ‘andere’ ketters waarvan hier het eerste deel.

Pèire Cardenal, het geweten van een eeuw

1180 -1278! Bijna een eeuw - en wat een eeuw - voor een leven en een œuvre van zulke densiteit en rijkdom dat men van Pèire Cardenal mag zeggen dat hij als een vuurtoren oplicht in deze Middeleeuwen die nochtans geen gebrek hebben aan opmerkelijke figuren. Men kan, in de Occitaanse literatuurgeschiedenis, de 13de eeuw gerust de ‘Eeuw van Cardenal’ noemen, gezien de dichter de verwachtingen, de ontgoochelingen en zelfs de contradicties van zijn tijd heeft weten te concretiseren.
–––––
Politieke satire ten tijde van de kruistocht tegen de katharen en de Inquisitie. Pèire Cardenal spaart zijn kritiek niet en leest ook nu nog verrassend fris. In deze (driedelige) bijdrage lees je zijn biografie en zijn teksten in het Nederlands. Raymond Doms vertaalde en baseerde zich daarvoor op het werk van Dionisi Eissart.

Guilhem Bélibaste, de laatste parfait

In de geschiedenis van de nadagen van het katharisme, wat wil zeggen de periode van de zware vervolgingen door de Inquisitie o.l.v. de bisschop van Pamiers, Jacques Fournier, in de grensgebieden met Andorra en Spanje, bekleedt Guilhem Bélibaste een bijzondere plaats. Guilhem Bélibaste wordt beschouwd als de laatste en bekendste Occitaanse bon homme, die ons in zijn getuigenis voor de Inquisitie het compleetste beeld van de kathaarse doctrine uit die tijd heeft geschetst.
–––––
Met de dood op de brandstapel van Guilhem Bélibaste, de laatste parfait, is het katharisme voorgoed verdwenen uit de Languedoc. Michel Gybels reconstrueert het leven van Bélibaste, die er soms nogal afwijkende ideeën en een niet zo ‘perfecte’ levenswandel op nahield, en zijn vluchtroute naar Spanje.

De ‘Interrogatio Johannis’

De ‘lnterrogatio Johannis’, of ‘Cène secrète’, biedt verkort en met een grote densiteit, de essentie van wat, op nuances na, op het vlak van de mythe, het doctrinaal corpus van de bogomielen en van de katharen vertegenwoordigt - op zijn minst van een deel, zo niet van allen onder hen. Men mag zonder overdrijven stellen dat met de ‘Interrogatio Johannis’ de dualistische middeleeuwse ketterij een soort pocketbijbel bezat of, zo men wil, een kleine catechismus, zeer beeldend, zeer synthetisch van inhoud en zeer hanteerbaar van afmetingen. (Michel Roquebert)
–––––
In zijn boek ‘De katharen, opkomst en ondergang van een vredelievende ketterse sekte’, publiceerde W.P. Martens destijds een vertaling van het ‘Geheime Avondmaal’ (La Cène secrète), een bogomielse tekst die, dat staat vast, ook gekend was door de katharen uit de Languedoc. Het boek van Martens is sinds geruime tijd niet meer verkrijgbaar en het werd dus tijd voor een nieuwe vertaling, nu van de hand van Raymond Doms.

‘Kathaarse’ burchten

Wie naar de departementen Aude of Ariège reist kan er niet naast kijken: ‘Les châteaux cathares’, de ‘kathaarse burchten’ zijn dé toeristische troeven van de streek. Termes, Aguilar, Quéribus, Peyrepertuse, Puilaurens, Puivert, Lastours, Saissac, Montségur, de lijst lijkt wel eindeloos.
Maar bezaten de katharen dan burchten?

–––––
Hoe kathaars waren de kathaarse burchten? Verdienen ze die toeristische benaming wel? Of was Montségur de enige échte kathaarse burcht? Marc Bogaerts onderzoekt het.

De dood van Simon de Montfort gezien door zijn tijdgenoten

Simon de Montfort, de gesel van de Languedoc, sneuvelt voor Toulouse in 1218, wanneer zijn schedel wordt verbrijzeld door een projectiel uit een katapult. Een tragische ramp voor de kruisvaarders, een uitbundig gevierde overwinning voor de Occitanen.
–––––
Deze tegenstelling is ook terug te vinden bij de kroniekschrijvers: de zeer katholieke Pierre des Vaux-de-Cernay en zijn ‘Historia Albigensis’ en de pro-Tolozaanse anonieme opvolger van Guilhem de Tudela in het ‘Canso’. Raymond Doms vertaalde beide kronieken en plaatst de twee versies naast mekaar.

Top

1ste jaargang – e-Magazine 2 – september 2005

Montségur


De val van Montségur mocht dan op lange termijn de doodsteek voor het katharisme in de Languedoc betekenen, er waren geen rechtstreekse gevolgen voor de bestuurlijke situatie. Montségur was een geïsoleerde plaats waar de hoofdzetel van de kathaarse kerk was ondergebracht, waar de belangrijkste kathaarse bons hommes zich hadden teruggetrokken en de belegering was dus een zuiver kerkelijke zaak, het laatste wapenfeit van de kruistocht.
Maar klopt die visie wel?
Was Montségur niet meer dan een ‘kathaars eilandje’ in het graafschap Foix, een eilandje waarmee men kon afrekenen zonder dat men met de politieke situatie eromheen rekening moest houden
?
–––––
De graalburcht, een mysterieschool, een zonnetempel, een manicheïsch heiligdom..., in de (niet allemaal even ernstige) literaruur over Montségur heeft het castrum al die functies bekleed. Aan de hand van historische bronnen gaat Marc Bogaerts in deze uitgebreide bijdrage op zoek naar het échte Montségur. De hoofdzetel van de kathaarse kerk, inderdaad, maar ook een castrum waar de feodale wetten van toepassing waren en dat een belangrijke rol speelde in het verzet tegen de Franse overheersers, een rol die de directe aanleiding tot de belegering en de val van Montségur zou worden.

Bedevaart of boetevaart?

Bedevaart was vroeger soms boetevaart. Het was in de Nederlanden gebruikelijk dat zowel de geestelijke als de wereldlijke overheid dit oplegde als straf of als penitentie. Bij de bestrijding van de katharen kwam het veelvuldig voor als toemaat bij het dragen van kruisen, maar in de vroege periode, bij inquisiteur Pierre Seillan, was het de gebruikelijke straf gezien hij nooit levenslange opsluiting heeft opgelegd. Zijn boetevaarten waren wel zwaar en kwamen eigenlijk neer op verbanning...
–––––
Santiago de Compostela is een naam die ook nu nog tot de verbeelding spreekt, ook nu nog zijn er tal van mensen die de tocht aanvatten. Als bedevaart, gewoon voor het avontuur of, zoals meestal het geval is, een mix van beide. Het is al lang geen opgelegde straf meer. Naar aanleiding van een chanson van Anne Sylvestre kijkt Raymond Doms terug in de tijd, toen de weg naar verzoening en verlossing hels kon zijn.

De waldenzen

Vanaf 1179 verzamelde zich rond Valdès een kleine broederschap van volgelingen. Men noemt ze in de teksten van die tijd ‘societas valdesiana’. Ze gebruikten voor zichzelf de bestaande naam van hun christelijk ideaal ‘pauperes Christi’ en hadden veel aandacht voor de tekst van de Bergrede, een verzameling uitspraken van Jezus.
–––––
Willy Vanderzeypen zet zijn onderzoek naar de ‘andere’ ketters, de waldenzen, verder in dit tweede deel. Katharen en waldenzen werden (en worden) nogal eens door mekaar gehaald en er waren beslist punten van overeenkomst. Maar de verschillen waren veel fundamenteler en dus onoverbrugbaar.

Pèire Cardenal, het geweten van een eeuw

Het oeuvre van Peire Cardenal begint uiteraard met liefdesliederen. Het essentiële van deze eerste productie is verloren gegaan. Zij moet delicaat en geraffineerd geweest zijn, volgens de gebruiken, en overvloedig geïnspireerd door wat men kon horen in die rijke stad, de hoofdstad van de Velay, centrum en pleisterplaats op de bedevaartroute. Cardenal schijnt blijkbaar zeer vroeg beseft te hebben dat hij eerder een moralist was dan een dichter van de Liefde.
–––––
In dit tweede deel volgen we de troubadour naar het schitterende hof van Raymond VI, graaf van Toulouse, waar Peire Cardenal collega's ontmoet als Gui de Cavaillon en Raimon de Miraval.
Raymond Doms vertaalde opnieuw een aantal teksten waaruit het enorme talent van Cardenal, die geen blad voor de mond neemt als het om politieke satire gaat, duidelijk blijkt.

En verder...

het volledige programma van het 3de Internationaal Colloquium op 26 en 27 november in Antwerpen, vaste rubrieken als het Editoriaal, Cursief bekeken, enkele boekbesprekingen, voorstelling van de nieuwste ‘Kathaarse Kronieken’, enz.

Top

1ste jaargang – e-Magazine 3 – december 2005

Berthomieu Amilhac, priester


Gezien het ter ore was gekomen van Eerwaarde Heer in Christus, monseigneur Jacques, bij de gratie Gods bisschop van Pamiers, dat Berthomieu Amilhac, priester van Lladros in het diocees Urgel, zich schuldig had gemaakt aan ketterij, door bijstand en raad te verlenen aan Béatrice, echtgenote van Otho Lagleize van Datou, gedaagd voor ketterij, die na haar verdwijning was gevlucht uit het bisdom Pamiers en zich begeven had naar verborgen plaatsen, daar waar hij wist dat ze beticht en verdacht was van ketterij, daar hij ook wist dat deze Béatrice ketterse was en dwaalde over het christelijk geloof; hij had haar niet aangeklaagd bij de inquisiteurs van de ketterij en hierom was hijzelf zeer verdacht in verband met ketterij en vooral in verband met toverij en hekserij...
–––––
Ook hulp bieden aan een verdachte van ketterij kon je duur te staan komen. Deze getuigenis sluit aan bij die van Béatrice de Planisolles en daarvan is de vertaling < hier > te vinden. Raymond Doms vertaalde uit het Inquisitieregister van Jacques Fournier.

De ‘Summa de Catharis’ van Rainerius Sacconi (1250)

Ofschoon destijds de ketterse sekten talrijk waren, dankzij onze Heer Jezus Christus zijn deze ondertussen zo goed als allemaal uitgeroeid. Thans vinden we er nog twee, de ene noemt men de sekte van de katharen of patarenen, de andere de sekte van de leonisten of de armen van Lyon. Hun geloof zet ik uiteen in de hiernavolgende bladzijden
–––––
Rainerius Sacconi, een ketter die later dominicaan en zelfs inquisiteur werd, schreef het meest verspreide traktaat tegen de katharen en de waldenzen uit de 13de eeuw. Michel Gybels vertaalde en commentarieerde.

De waldenzen

De aandacht van Rome voor de hussieten gaf de armen van Lyon in hun valleien enig respijt. De waldenzen hoorden van de revolte en stuurden enkele predikanten of ‘barbas’ naar Bohemen om nieuws. Ze waren er welkom en werden onderricht in de theologie, leerden Latijn en kregen een opleiding in rudimentaire geneeskunde. Hun activiteiten waren vanaf dan beter georganiseerd.
–––––
Het derde een laatste deel van het uitgebreid onderzoek van Willy Vanderzeypen naar die ‘andere’ middeleeuwse ketterij.

Het gelijk van een sjofel mannetje

Verleden zondag, veertien dagen geleden, was ik op het plein van Rabat voor het huis van Gentille, de weduwe van Guilhem Magre van Rabat en ik praatte toen al lachend met haar. Zij zat voor de deur van haar huis. Toen we zo al geruime tijd aan het gekscheren waren, vroeg ik haar of ze geloofde dat we na de dood zouden verrijzen in vlees en bloed zoals we nu zijn. Ze zei ja, en ik zei haar daarna op vragende toon: “Hoe zou dat mogelijk zijn? Ik, ik geloof niet dat we in de andere wereld zullen verrijzen met het lichaam dat we nu hebben.”
–––––
Op het einde van Anne Brenon’s roman ‘L’hiver du catharisme’ loopt er een sjofel mannetje rond dat zich nog moet wassen want op die dag zal de ceremonie van het vonnis plaatsvinden. Hij vraagt aan Pèire Maury of hij hem niet wat kan ontluizen...
Deze roman is volledig gebaseerd op historische documenten. Raymond Doms vond in het register van Jacques Fournier het proces van Bernat d’Ourtel, dat sjofel mannetje, en vertaalde het.

Montségur: update

De geschiedenis van Montségur, althans die van de kathaarse periode, is uitstekend en overvloedig gedocumenteerd. Het vonnissenboek van inquisiteur Ferrer bevat zeer gedetailleerde informatie over het castrum en zijn bewoners. Wie de moeite wil doen het grondig te lezen zal snel door hebben dat de burcht er geen rol in speelt. Nieuw is dat niet, reeds in de jaren zestig van de vorige eeuw fronsten de specialisten in middeleeuwse bouwkunde hun wenkbrauwen als ze de ruïne bekeken. Hun mening is tot op vandaag niet veranderd: ten vroegste einde 13de en waarschijnlijk begin 14de eeuw of, zo je wil, tussen 1280 en1330.
–––––
De bekende burcht van Montségur, vandaag een toeristische trekpleister, stond er nog niet ten tijde van de kathaarse bewoning van de ‘pog’, zoveel is intussen wel duidelijk. Toch hebben heel wat mensen het moeilijk om die conclusie van de historici te aanvaarden. Marc Bogaerts schreef een korte aanvulling bij zijn artikel uit het vorige magazine, in afwachting van de publicatie van een ‘Kathaarse Kroniek’ die integraal aan Montségur zal gewijd zijn.

De oorsprong van het Occitaanse katharisme

Reeds in 1147 beschrijft Bernardus van Clairvaux de deplorabele toestand van de rooms-katholieke kerk in de gebieden van de graaf van Toulouse: “De kerken hebben geen gelovigen meer, de gelovigen geen priesters, er is geen respect meer voor de priesters en de christenen hebben geen Christus meer. De sacramenten worden niet meer bediend, de mensen sterven zonder hun zonden te hebben gebiecht en het doopsel aan de kinderen van Christus wordt geweigerd. De stem van één ketter heeft er veel meer impact dan alle stemmen van de apostelen en de profeten samen...”
–––––
Vanaf het jaar duizend verschijnen de eerste sporen van wat zich later zal ontwikkelen tot de bekende middeleeuwse ketterijen. Aan de hand van twee belangrijke gebeurtenissen, het debat van Lombers en het concilie van Saint-Félix-Lauragais, schetst Michel Gybels de ontstaansgeschiedenis van het katharisme in de Languedoc.

Pèire Cardenal, het geweten van een eeuw

Bij de dood van Raimon VI zet Cardenal zijn activiteit verder in dienst van Raimon VII en dit tot de dood van deze laatste in 1249. In de sirventès XV ‘Ben volgra, si Dieus o volgué’ wordt, door een soort woordspeling die vrij veel voorkwam in die tijd, Raimon VII de ‘rai-mon’, ‘le rayon éclairant le monde’, de straal die de wereld verlicht. In dezelfde sirventès wordt van de jonge graaf gezegd dat, zoals uit de bron het water opborrelt, uit hem de ridderlijkheid opwelt. Zoals vele Tolozanen beschouwt Cardenal de ‘jonge’ graaf als de laatste verschansing tegen het ontketende geweld dat het zuiden van Occitanië in zijn greep houdt.
–––––
Poëzie en satire, Pèire Cardenal beheerste beide disciplines als geen ander, dat blijkt weer ten overvloede uit het derde deel van deze bijdrage. Ook nu vertaalde Raymond Doms weer enkele van zijn meest markante teksten. En was Pèire Cardenal misschien de onbekende auteur van het tweede deel van het ‘Canso’..?

En verder...

Editoriaal, Boekbespreking, Katharen op het internet, voorstelling van de nieuwste ‘Kathaarse Kronieken’, enz.

Top

april | september | december

2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017