Jean Duvernoy is overleden

Jean DuvernoyWe vernemen het overlijden op 93-jarige leeftijd van Jean Duvernoy. Met hem verdwijnt een van de vaders van het moderne historisch onderzoek naar het katharisme.

Sedert 1952 timmerde hij aan de weg en bouwde aan een omvangrijk oeuvre dat ook vandaag nog van onschatbare waarde is voor wie het katharisme in al zijn facetten wil doorgronden.

Zijn in 1976 verschenen La Religion des Cathares (later gevolgd door L'Histoire des Cathares) bracht een totaal nieuwe visie op de kathaarse religie en maakte voorgoed komaf met heel wat tot dan heersende opvattingen

Onder meer daardoor groeide hij uit tot het grote voorbeeld en de inspiratiebron voor een hele nieuwe generatie historici binnen en buiten Frankrijk. Onderzoekers die mee aan de basis lagen van de grote doorbraak die we de laatste tientallen jaren gekend hebben, zoals Anne Brenon en Michel Roquebert, hebben nooit onder stoelen of banken gestoken hoezeer ze schatplichtig zijn aan Jean Duvernoy.

Eén van zijn belangrijkste verwezenlijkingen, waarvoor hij ongetwijfeld de geschiedenis zal ingaan, is het ontsluiten van de registers van de Inquisitie. Denken we maar aan zijn magistrale uitgave in het Latijn en het Frans van het register van Jacques Fournier waarop auteur Emmanuel Le Roy Ladurie zijn bestseller ‘Montaillou’ baseerde. Maar daar bleef het niet bij. Als de inquisitieregisters vandaag beschouwd worden als de belangrijkste bronnen voor de studie van de kathaarse geschiedenis, dan is dat in zeer grote mate te danken aan Jean Duvernoy.

Bovendien was hij een zeer aimabel en bescheiden man, altijd bereid om met raad en daad zijn jongere collega's bij te staan. Tot kort voor zijn dood was hij een graag geziene gast op colloquia en academische congressen. We zullen Jean Duvernoy ongetwijfeld missen, vergeten zullen we hem nooit.

Top

In memoriam Jean Duvernoy 1917-2010
Bram Moerland

Jean DuvernoyJean Duvernoy is overleden. Zijn dood raakt mij. En ik wil graag uitleggen waarom dat zo is en wat hij voor mij heeft betekend.

Als volwassene had ik als hobby om verhalen uit mijn hoofd te leren rondom koning Arthur en de ronde tafel. Mijn meest dierbare verhaal was Parsival. Soms verzorgde ik een avondvullend progamma met het vertellen van alleen maar dat prachtige epos over de held op weg naar zijn bestemming.

Op één zo’n avond vertelde een toehoorder mij na afloop dat het verhaal van Parsival een geheime weergave zou zijn van de leer van de katharen.

Katharen? Nooit van gehoord. Het was voor mij een volkomen onbekende naam. Maar omdat ik vermoedde dat het mij zou kunnen helpen om Parsival beter te begrijpen, ging ik op zoek naar literatuur.

In Nederland was er toen maar één boek te vinden over de katharen. Het bevond zich in de universiteitsbibliotheek van Groningen. Dat was halverwege de jaren tachtig.

Volgens dat boek bleken de katharen een wereldvreemde sekte te zijn, ergens in de Middeleeuwen, in Zuid-Frankrijk. Ze hielden er bizarre gebruiken op na, las ik, zoals verplichte rituele zelfmoord door verhongering. De kerk van Rome had de strijd met ze aangebonden. Er was zelfs opgeroepen tot een kruistocht tegen de katharen. Na bijna een eeuw vervolging was Rome er in geslaagd deze bedreiging voor de christenheid te elimineren. Een dreigend gevaar was bezworen.

De toon van het boek, geschreven door een rooms-katholieke priester, kwam me echter verdacht voor. Het leek me teveel een poging tot rechtvaardiging van het geweld van Rome tegen de katharen dat ook deze schrijver niet kon verbloemen. En dat riep wantrouwen in me op. Daarom besloot ik op zoek te gaan in het land van de katharen zelf. Ik reisde naar Zuid-Frankrijk.
Daar bleken toen nog pas kort geleden enkele boeken over de katharen te zijn gepubliceerd.
Het eerste boek dat ik daar las was La Religion Cathare van Jean Duvernoy, over de religie van de katharen. Duvernoy streefde er naar om op grond van betrouwbare historische bronnen een zo objectief mogelijk beeld te schetsen van de katharen.

Wat ik daarin las was een complete verrassing. De katharen noemden zichzelf christenen. Hoe anders waren deze christenen echter dan ik gewend was als christelijk te beschouwen!
Wat mij nog het meeste trof was dat de katharen ervan overtuigd waren dat de toornige en gewelddadige Jahweh, de god van het Oude Testament, nooit dezelfde kon zijn als de liefdevolle god die Jezus in het Nieuwe Testament “mijn Vader” noemt. Jezus zagen zij zelfs als iemand die bewust met Jahweh had gebroken en een geheel andere boodschap predikte dan die van het Oude Testament. In plaats van wraak en vergelding, de kenmerken van Jahweh, riep Jezus op tot naastenliefde.

Volgens de katharen vond er in de kosmos een strijd plaats tussen de principes van goed en kwaad. Jahweh was volgens hen de representant van het kwaad. Zijn opzet was de mensen gevangen te houden in een wereld van angst. De kerk van Rome behoorde volgen de katharen tot de machten van het kwaad in dienst van Jahweh.

In de oudtestamentische visie is alle menselijk lijden door Jahweh zelf veroorzaakt. Het lijden is een straf van Jahweh op de zonde van de mens. Het lijden is door de mens over zichzelf afgeroepen. Maar Jezus zag dat volgens de katharen anders. Het menselijk lijden vraagt om compassie, uit medemenselijkheid. Jezus verkondigde volgens de katharen het radicaal andere antwoord op het kwaad: liefde.
Maar hoe was dat mogelijk?

Deze katharen noemden zichzelf christenen. Ze werden door de bevolking van Zuid-Frankrijk zelfs bons chrétiens genoemd, goede christenen, en dat ter onderscheid van de kerk van Rome.
Hoe kon het dat deze christenen precies dezelfde afkeer van de toornige en straffende Jahweh hadden als ik zelf in mijn jeugd had ervaren?

Niet minder verrassend was dat de kruisdood van Jezus voor de katharen geen enkele betekenis had. Jezus was toch aan het kruis gestorven om te boeten voor de zonden van de mensheid? Van het hele concept van de verzoeningsleer was echter bij de katharen niets te vinden, ook niet de overtuiging dat de mens een zondig wezen is. Geen zonde, geen staf, geen angst, niets daarvan trof ik aan bij de katharen.

En ook spraken de katharen over een andere werkelijkheid dan hun feitelijk door geweld en angst doortrokken leefwereld. Die andere werkelijkheid was volgens hen het koninkrijk waar Jezus over sprak. Hun visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde was vooral een geloof in de mogelijkheid van een andere houding van de mens dan meedoen met dwang en onderdrukking. De naastenliefde zoals die gepreekt werd door Jezus betekende voor hen het in praktijk brengen van onvoorwaardelijke geweldloosheid.
Ik vond het werkelijk een verbazingwekkende ervaring.
Natuurlijk wilde ik daar meer van weten.

In 1988 bezocht ik een bijeenkomst, georganiseerd door een rooms-katholieke groepering. Er was na een lezing gelegenheid tot het stellen van vragen. Op één van de vragen antwoordde de inleider: “Dat riekt naar zelfverlossing.” Er ontstond een discussie, waaraan ook anderen deelnamen. De inleider kapte de discussie af: “Ja, kijk eens, die vraag hebben we in de dertiende eeuw toch definitief beantwoord? Ik zie geen zin daar steeds weer op terug te komen.”
Wetend wat er in de dertiende eeuw werkelijk plaatsvond, leek me dat een nogal cynische opmerking.
Want er werd veel bloed vergoten om het gelijk van de kerk te vestigen en dan vooral in die dertiende eeuw.

Wat is dat, zelfverlossing? En wat kan daartegen het bezwaar zijn?
Zelfverlossing past niet in de verzoeningsleer, het kroonjuweel van het traditionele christendom.
Kerkvader Augustinus had het vier eeuwen na Jezus helder en duidelijk geformuleerd: de mens is zo zondig dat hij alleen in staat is tot zonde. “Non posse non peccare” sprak hij: de mens kan niet niet-zondigen. Calvijn zou het later op gezag van Augustinus nog eens herhalen: de mens is “ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.” Hij voegde er zelfs nog aan toe dat de mens “van nature geneigd is zijn naaste te haten.”

Het komt er op neer dat de mens zo zondig is dat hij niet in staat is zichzelf van zijn zonde te verlossen. Maar hoe kan dat dan wel? Want daar gaat het in de verzoeningsleer toch over?
De vergeving van zonden kan ons alleen door God geschonken worden, vanwege het “verzoenend bloed van Christus” en niet uit verdienste of door zelfwerkzaamheid, maar uit louter onverdiende genade.

En bij die louter onverdiende genade speelt de kerk een onmisbare rol. De kerk is namelijk het genade-instrument van God. Zonder kerk geen genade, en dus ook geen verlossing.
Kortom, als er al zoiets zou zijn als zelfverlossing, dan verdwijnt daarmee het bestaansrecht van de kerk als het genade-instrument van God.

En dat was voor de katharen precies het kernpunt. Zij erkenden de kerk van Rome niet.
Nu had Augustinus ook geleerd dat je als mens niet zelf voor de genade van God kon kiezen. Die was niet alleen onverdiend, maar volgens de predestinatie ook door God toegekend op een wijze waarop de mens zelf geen invloed kon uitoefenen.
En ook die opvatting kenden de katharen niet.

Voor de katharen berustte de navolging van de oproep van Jezus tot liefde geheel op een vrije keus. De mens, elk mens, is in staat om in vrijheid zelf voor de liefde te kiezen. Elk mens is zelf in vrijheid verantwoordelijk voor de keuze tussen goed en kwaad, aldus de katharen.
Die morele vrijheid is voor de katharen mythisch verankerd in hun dualisme.

Het traditionele christendom is een monotheïsme. Er is maar één god en die is de oorzaak van alles, van goed en van kwaad. Zo zegt Jahweh:
“Buiten mij is er niets. Ik ben de Heer en niemand anders. Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak de vrede en schep het kwaad. Ik, de Heer, doe al deze dingen.” (Jesaja 45:5-6)
Dit oudtestamentische monotheïsme biedt de mens geen enkele morele vrijheid. Er is maar één keus: gehoorzaamheid aan de wetten die volgens het Oude Testament door Jahweh aan Mozes zouden zijn verstrekt.

Het kathaarse dualisme van goed en kwaad legt de morele verantwoordelijk bij de mens zelf. De mens zelf kan kiezen aan welke kant hij zich schaart: die van het kwaad of die van de liefde.

Die vrijheid speelde een fundamentele rol in het katharisme. De katharen kenden een wijdingsritueel tot christen, het consolament. Bij dat ritueel werd de wijdeling enkele malen gevraagd of hij werkelijk uit vrije wil besloten had om christen te worden. Christen zijn betekende voor hen een vrije keus voor de liefde. Als je daarvoor zou kiezen onder sociale dwang, of uit angst, of om gewin, dan was het wijdingsritueel niet geldig. Liefde uit dwang, angst, of om gewin is geen liefde. Liefde is om niet. Liefde is pas liefde als er uit vrijheid voor is gekozen.

Voor de katharen betrof die vrijheid niet alleen maar een morele keuzemogelijkheid. Vrijheid was voor hen meer dan dat. Vrijheid was voor hen een wezenlijk kenmerk van de menselijke geest. De mens is in wezen vrij, maar kan die vrijheid inlossen door zich uit angst te onderwerpen aan de machten. Hij geraakt daardoor in een staat van morele slavernij. Kiezen voor vrijheid was voor de katharen daarom niet alleen een morele keus, maar bovenal een terugkeer naar de oorspronkelijke staat van het mens-zijn. Die terugkeer is een verlossing uit de geestelijke slavernij.  Die verlossing kan de mens alleen bewerkstelligen door zichzelf te verlossen door een vrije en zelfstandige keus voor de liefde.

Het katharisme is dus, evenals het traditionele christendom, een verlossingsleer. Het traditionele christendom belooft verlossing van de zonde door het zoenoffer van Christus middels de kerk als het genade-instrument van God. Het katharisme leert dat de mens zichzelf kan verlossen door het herstel van de geestelijke vrijheid in de eigen vrije keus voor de liefde. Die herstelde vrijheid van geest maakt de mens tot christen, aldus de katharen.

Wie nu de teksten van de katharen leest zal misschien niet meteen deze kenmerken van het katharisme herkennen. Dat komt omdat we in onze westerse, traditioneel christelijke cultuur geleerd hebben om mythes te lezen alsof ze letterlijk waar zijn. Tot het traditionele christelijke geloof behoort de opvatting dat het levensverhaal van Jezus, en ook de geschiedenis van het joodse volk uit het Oude Testament gelezen dient te worden als een verslag van historische gebeurtenissen, als geschiedenis.

De Bijbel dient volgens traditionele christenen van kaft tot kaft letterlijk genomen te worden. En zo leest men gewoonlijk, als een ingeslepen leeswijze, ook de kathaarse mythes.
Maar mythes zijn geen geschiedenis. Het zijn verhalen met betekenis. Mythes zijn bewaarplaatsen van betekenis. De veelal gebruikelijke weergave van het katharisme leest hun teksten als letterlijke waarheid, op de wijze van het christendom. Maar dat is geen geldige manier van omgang met mythes, ook niet met de mythes van het traditionele christendom.

Nog een opmerkelijk aspect van het katharisme was de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. Ook vrouwen konden bij de katharen priesterlijke functies vervullen. Het lichamelijk verschil tussen mannen en vrouwen vonden de katharen niet van wezenlijke belang. Dat was slechts de buitenkant. Maar innerlijk waren vrouwen gelijk aan mannen. Vrouwen konden dezelfde geestelijke vrijheid verwerven als mannen, en op dezelfde manier. In geestelijk opzicht was er tussen mannen en vrouwen bij de katharen geen verschil.

Het is de katharen met hun zelfverlossing, hun geestelijke vrijheid en hun afkeer van Rome slecht vergaan. In 1209 riep Paus Innocentius III op tot een kruistocht tegen de katharen. Vooraf had hij heel Zuid-Frankrijk in de ban gedaan. Dat betekende dat alle inwoners van Zuid-Frankrijk vogelvrij waren. Je kon hen beroven of doden zonder dat dat zonde was. Voor alle zekerheid beloofde Innocentius aan alle deelnemers aan de kruistocht ook nog veertig jaar absolutie in het vagevuur voor eventueel toch nog tijdens de kruistocht begane zonden.

In 1209 werd de stad Béziers uitgemoord door het rooms-katholieke kruisleger. “Maar hoe kan ik een goed katholiek onderscheiden van een kathaar?”, had een van de belegeraars van Béziers nog aan de pauselijke legaat gevraagd. Het antwoord: “Doodt hen allen, God zal de zijnen herkennen.” En die raad volgden de kruisvaarders enthousiast op. De leider van de kruistocht schreef trots aan de paus van Rome dat Gods wraak wonderbaarlijk had toegeslagen, want er waren in slechts enkele dagen wel twintigduizend ketters in Béziers gedood!

Vijfendertig jaar na Béziers, op 16 maart 1244, werden onderaan de berg Montségur nog eens meer dan tweehonderd katharen levend verbrand, na vele eerdere brandstapels. De kruistocht tegen de katharen leek daarmee tot een succesvol einde te zijn gebracht, want de gelijknamige burcht op de top van de berg Montségur was de laatste grote nederzetting van de katharen. Er waren nog wel wat verspreide haarden van katharisme overgebleven. Daar zorgde na de val van Montségur de inquisitie voor die speciaal voor de vervolging van de katharen was opgericht. Tot tenslotte in 1325 de allerlaatste kathaar verbrand was. De katharen waren overwonnen, het probleem was opgelost, het gevaar geweken. De kerk had gezegevierd.

En zo restte er sedertdien nog slechts één vorm van christendom. De protestantse afscheidingsbewegingen van de zestiende eeuw zijn in dogmatisch opzicht niet wezenlijk anders dan de kerk van Rome.

Maar dank zij Duvernoy leerde ik een andere vorm van het christendom kennen die mij tot op de dag van heden nog steeds fascineert, en met mij vele anderen.

En was het verhaal van Parsival werkelijk een weergave van de leer van de katharen? Die relatie heb ik niet kunnen ontdekken. Nee, de Montségur is niet de graalburcht. Ook het verhaal van Parsival is maar een verhaal en geen geschiedenis.

Maar ik heb wel ontdekt dat de waarheid over de katharen moeilijk te achterhalen is. Aan de ene kant zijn er de verdachtmakingen van Rome die het geweld tegen de katharen dienen te rechtvaardigen. Aan de andere kant zijn er de vele fantastische interpretaties over de betekenis van de katharen.  Zelfs zijn er groeperingen die op grond van die fantasieën zichzelf hebben uitgeroepen tot erfgenaam van de katharen.

Daartussen is het werk van Jean Duvernoy een baken van historische betrouwbaarheid. Zijn grote verdienste berust vooral in zijn rechtlijnige, compromisloze objectiviteit. Daarmee heeft hij de toon gezet voor de serieuze studie van de katharen waarin velen hem zijn gevolgd.

Duvernoy was zelf een bescheiden man. Maar wat mij betreft verdient hij  een ereplaats in de geschiedenis, niet alleen van het katharisme maar ook van het westerse christendom.

Terug