Het Verdrag van Parijs

Raimon VII, graaf van Toulouse bij de gratie Gods, aan allen die dit lezen, wees gegroet in de Heer. Weet allen dat, terwijl de oorlog hevig woedde tussen de Heilige Roomse Kerk en onze zeer geliefde Heer Louis, de doorluchtige koning van de Fransen, enerzijds, en wij, die door onze devotie binnen de Heilige Roomse Kerk wensen terug te keren en trouw wensen te blijven aan de Heer Koning van Frankrijk, anderzijds, wij met al onze krachten zelf of door middel van tussenpersonen aan de vrede gewerkt hebben.
Met de hulp van de Goddellijke Genade is deze vrede nu tot stand gekomen tussen de Heilige Roomse Kerk en de Heer Koning van Frankrijk enerzijds en wijzelf anderzijds, onder de volgende voorwaarden:

  1. Wij beloven aan de Roomse Kerk, in de persoon van Romain, kardinaal-diaken van Saint-Ange, legaat van de Apostolische Stoel, loyaal te zijn tegenover de Kerk en onze Heer Louis, koning der Fransen, evenals tegenover zijn erfgenamen, en hen trouw te zijn tot aan de dood.

  2. Wij zullen met al onze krachten en zonder versagen de ketters en hun gelovigen, helpers en volgelingen vervolgen in alle gebieden die door ons of de onzen worden bestuurd en wij zullen daarbij onze naasten, onze vazallen, onze familieleden en vrienden niet sparen. Wij zullen onze gebieden bevrijden van ketterij en ketters en zullen bovendien helpen om hetzelfde te doen in de gebieden die door de koning worden bestuurd.

  3. Wij beloven met grote ijver en zonder versagen ketters die in hun fouten blijven volharden voor de rechtbank te brengen en hen daartoe te laten opsporen door onze baljuws, evenals alle eventuele ketters, hun gelovigen, helpers en volgelingen, dit alles volgens de richtlijnen van de legaat.
    Om ze te ontmaskeren zullen wij gedurende een periode van twee jaar twee zilvermark betalen en na die periode één zilvermark, aan iedereen die helpt een ketter aan te houden en op voorwaarde dat betrokkene ook als ketter veroordeeld wordt door de bisschop van de plaats of een andere competente overheid. Als er meerdere ketters worden aangehouden zullen wij de zelfde som betalen voor elk van hen. Wat betreft de gelovigen van de ketters zullen wij handelen volgens de richtlijnen van de Kerk en haar legaat.

  4. Wij zullen de vrede respecteren en doen respecteren in de gebieden die door ons of de onzen worden bestuurd, en helpen om hetzelfde te doen in de gebieden die door de koning worden bestuurd. Huurlingen (1) zullen wij verbannen en wie ze onderdak verleent straffen volgens de geldende normen.

  5. Wij zullen kerken en geestelijken verdedigen en laten verdedigen door de onzen. Wij zullen hun rechten en vrijheden beschermen en laten beschermen. Bovendien zullen wij, opdat het gezag van de Kerk niet zou ondermijnd worden, alle excommunicatievonnissen respecteren en doen respecteren door de onzen.
    Wij zullen geëxcommuniceerden mijden en laten mijden volgens de kerkelijke regels. Wie langer dan een jaar geëxcommuniceerd blijft zal, op bevel van de Kerk, door ons gedwongen worden in haar schoot terug te keren. Daarvoor zullen alle roerenden en onroerende eigendommen door ons in beslag worden genomen tot zij de fouten waarvoor zij geëxcommuniceerd werden hebben goedgemaakt en zij de hen opgelegde straffen hebben ondergaan.

  6. Wij zullen al onze baljuws in functie, nu en in de toekomst, trouw laten zweren aan bovenstaande clausules. Als zij deze richtlijnen negeren of niet goed uitvoeren zullen wij ze straffen volgens de aard van hun fouten. Als zij volharden en schuldig worden bevonden zullen al hun goederen verbeurd worden verklaard.
    Wij zullen in onze gebieden alleen katholieke baljuws benoemen met uitsluiting van joden en verdachten van ketterij. Joden en verdachten van ketterij kunnen geen officiële inkomsten verwerven uit steden, dorpen, burchten en eventuele tolgelden. Mocht een baljuw zich niet aan deze richtlijnen houden, dan zullen wij hem vervolgen en straffen zoals voorzien.

  7. Wij beloven in onze gebieden en in alle gebieden die door de onzen bestuurd worden, onmiddellijk en integraal alle voormalige kerkelijke eigendommen en rechten, en in het bijzonder alle eigendommen en rechten die kerken en geestelijken bezaten voor de kruistocht of waarvan zij kunnen bewijzen dat zij ze bezaten en dat ze hen werden afgenomen, terug te geven. Voor alle bewistingen zullen wij ons onderwerpen aan de gewone rechtspraak of aan die van de legaat, zijn afgevaardigden of de Apostolische Stoel.

  8. Wij beloven in de toekomst de tienden integraal te betalen en ze te laten betalen door de onzen. Ridders en andere leken zullen er zelf geen meer mogen behouden en wij zullen niet toestaan dat zij tienden heffen in de gebieden die door ons of de onzen bestuurd worden. Dat recht komt voortaan alleen de kerken toe volgens de voorschriften van de legaat of de Roomse Kerk.

  9. Als vergoeding voor de schade die wij of de onzen hebben veroorzaakt aan kerken en geestelijken en voor de herstelling van verwoeste gebouwen en domeinen, betalen wij de som van 10.000 zilvermark. Dat alles onverminderd de plicht om de onroerende goederen terug te geven zoals hoger vermeld. Wij zullen aan vertrouwenspersonen, gekozen door de legaat of de Roomse kerk, de taak toevertrouwen om met de meeste zorg en met de raad van experten, deze som te verdelen volgens de geleden schade. Wijzelf, noch de onzen, kunnen verplicht worden meer te betalen dan deze som voor schade aan verwoeste gebouwen, domeinen of andere goederen, zoals hoger gestipuleerd.

  10. Wij zullen aan de Abdij van Cîteaux 2.000 zilvermark betalen om te voorzien in de huisvesting van monniken en broeders tijdens het algemeen kapittel; aan de abdij van Clairvaux 500 mark voor de huisvesting van geestelijken en broeders tijdens het geboortefeest van de Heilige Maagd; aan de abdij van Grandselve 1.000 mark, aan de abdij van Belleperche 300 mark, aan de abdij van Candeil: 200 mark, voor bouwwerken in deze drie abdijen.
    Dit alles geldt als vergoeding voor toegebrachte schade en voor het heil van onze ziel.

  11. Wij zullen 6.000 mark betalen voor de versterking, versteviging en bewaking van het Château Narbonnais en de andere burchten die de koning, voor de veiligheid van de Kerk en de zijne, gedurende tien jaar zal bezetten, zoals verder wordt gestipuleerd.

  12. Dit maakt een totaal van 20.000 mark die wij zullen betalen over een periode van vier jaar, a rato van 5.000 mark per jaar.

  13. Wij zullen een bedrag van 4.000 mark betalen aan 4 leraars in de theologie, 2 leraars in de rechten, 6 leraars in de vrije kunsten en 2 leraars in de taalkunde, om te onderwijzen in Toulouse. Deze 4.000 mark worden verdeeld als volgt: elke leraar in de theologie ontvangt 50 mark per jaar gedurende 10 jaar, elke leraar in de rechten 30 mark gedurende 10 jaar, elke leraar in de vrije kunsten 20 mark gedurende 10 jaar en elke leraar in de taalkunde 10 mark gedurende 10 jaar.

  14. Onmiddellijk na onze absolutie zullen wij als penitentie het kruis aannemen uit handen van de legaat en vertrekken naar het Heilig Land om er te vechten tegen de Saracenen.
    Wij zullen vertrekken tussen de volgende maand augustus en de maand augustus van het volgende jaar en er vijf volledige jaren blijven.

  15. Wij zullen geen represailles nemen tegen zij die de kant gekozen hebben van de Kerk, van de koning, van zijn vader of van de graven van Montfort en hun medestanders, maar wij zullen ze goedwillend behandelen alsof zij nooit onze vijanden zijn geweest, behalve als ze ketter zijn of gelovige van de ketters. De kerk en de koning zullen hetzelfde doen tegenover zij die aan onze kant stonden tegen hen, behalve wanneer zij weigeren de vrede van de kerk en de koning te aanvaarden.

  16. De koning zal in al zijn welwillendheid en in de vaste hoop dat wij trouw mogen blijven aan de kerk, onze dochter, die wij daartoe aan hem zullen overdragen, tot echtgenote schenken aan één van zijn broers, op voorwaarde dat de Kerk hiervoor dispensatie verleent. Hij zal het bisdom Toulouse aan ons laten, uitgezonderd het Gebied van de Maarschalk (2), waarvoor hijzelf als suzerein zal optreden. Na onze dood zal Toulouse en het bisdom Toulouse toekomen aan de broer van de koning die onze dochter heeft gehuwd en aan hun nakomelingen.
    Als de broer van de koning zou sterven zonder kinderen na te laten, wat God verhoede, dan komt Toulouse en het bisdom Toulouse toe aan de koning en zijn erfgenamen. Noch onze dochter, noch wij of onze eventuele zonen, dochters en erfgenamen kunnen daarop dan enig recht laten gelden.
    Ook als onze dochter zou sterven zonder kinderen gebaard te hebben van de broer van de koning, komen Toulouse en het bisdom Toulouse na onze dood toe aan de koning en zijn erfgenamen, zonder dat iemand anders daarop rechten kan laten gelden, behoudens de zonen en dochters van de broer van de koning en onze dochter, zoals reeds vermeld.

  17. De koning laat de bisdommen Agen en Rodez aan ons. Van het bisdom Albi laat hij ons alles wat aan deze kant van de Tarn ligt, de kant van Gaillac. De stad Albi blijft aan de koning, evenals alles wat in het bisdom Albi aan gene kant van de Tarn ligt, de kant van Carcassonne. De koning bezit de oever en het water tot in het midden van de rivier aan zijn kant en wij bezitten de oever en het water tot in het midden van de rivier aan onze kant, zonder dat er enige schade wordt berokkend aan de rechten en eigendommen van zij die in het gebied van de koning hun plicht voor hem doen, zoals de onzen dat in ons gebied voor ons doen.

  18. De koning laat ons ook het bisdom Cahors, met uitzondering van de stad Cahors en de bezittingen die in dit bisdom toebehoorden aan koning Philippe, zijn grootvader, op het ogenblik van zijn dood.

  19. Als wij zouden sterven zonder wettige zonen na te laten, dan komen al deze gebieden toe aan onze dochter, die met de broer van de koning gehuwd is, en aan hun nakomelingen.

  20. Wij zullen als rechtmatig heerser volledige rechtsbevoegdheid en vrijheid van handelen hebben in Toulouse en alle andere bovenvermelde gebieden (met inachtname van de vermelde voorwaarden). Bij onze dood zullen wij liefdadige schenkingen kunnen doen, volgens de gebruiken en gewoonten van de baronnen van het koninkrijk Frankrijk.
    De koning staat ons dit alles toe, voor zover er daardoor geen schade wordt toegebracht aan de rechten van kerken en geestelijken, zoals hierboven reeds vermeld is.

  21. Wij staan Verfeil, Lasbordes en hun aanhorigheden af aan de bisschop van Toulouse en aan zijn zoon Olivier de Lyliers, conform aan de schenking die koning Louis, vader van de koning, en de graaf van Montfort hen deden, op voorwaarde dat de bisschop van Toulouse ons afdraagt wat hij aan de graaf van Montfort afdroeg en dat zijn zoon Olivier ons afdraagt wat hij aan koning Louis, vader van de koning, afdroeg. Alle andere schenkingen, gedaan door de koning, zijn vader of de graaf van Montfort, worden herroepen en binden ons of de onzen niet in de gebieden die aan ons en de onzen zijn gelaten.

  22. Voor alles wat ons hierboven werd toegestaan hebben wij de gelofte van trouw als vazal afgelegd aan de koning, volgens de gebruiken van de baronnen van het Franse koninkrijk.

  23. Alle andere gebieden aan de overzijde van de Rhône die tot het Franse koninkrijk behoren en alle rechten die wij er hebben of zouden kunnen hebben, hebben wij uitdrukkelijk en voor eeuwig afgestaan aan de koning en zijn erfgenamen

  24. Voor wat betreft de gebieden aan de overzijde van de Rhône die tot het Duitse Keizerrijk behoren en de rechten die wij er hebben of zouden kunnen hebben, die hebben wij uitdrukkelijk en voor eeuwig afgestaan aan de Kerk in de persoon van haar legaat.

  25. Alle inwoners die uit dit land verdreven zijn door de kerk, de koning, zijn vader of de graven van Montfort en hun aanhangers, of die vertrokken zijn uit vrije wil, zullen hun eigendommen en rechten volledig terugkrijgen op voorwaarde dat zij niet door de kerk veroordeeld zijn als ketter en met uitzondering van die rechten en eigendommen die zij zouden verkregen hebben als gevolg van schenkingen van de koning, zijn vader of de graven van Montfort;

  26. Aan hen die wonen in de gebieden die aan ons zijn gelaten en weigeren zich te voegen naar de bevelen van de Kerk en de koning - in het bijzonder de graaf van Foix en anderen - zullen wij de oorlog verklaren en er zal met hen geen vrede of verdrag worden gesloten zonder de toestemming van de Kerk en de koning. Als we hun gebied bezetten zullen wij dat ook behouden na alle verdedigingswerken, vestingen, muren en slotgrachten te hebben vernietigd, tenzij de koning, voor zijn veiligheid en die van de Kerk, beslist ze zelf te behouden voor een periode van tien jaar. In dat geval behoudt hij ook de inkomsten en de winsten.

  27. Wij zullen de muren van Toulouse volledig afbreken en de slotgrachten dempen, volgens de wil en de bevelen van de legaat.
    Bovendien zullen wij van de volgende dertig steden en burchten de muren doen afbreken en de slotgrachten dempen: Fanjeaux, Castelnaudary, Labécède, Avignonet, Puylaurens, Saint-Paul-Cap-de-Joux, Lavaur, Rabastens, Gaillac, Montégut, Puycelci, Verdun, Castelsarrasin, Moissac, Montauban, Montcuq, Agen, Condom, Saverdun, Auterive, Casseneuil, Pujols, Auvillar, Peyrusse, Laurac en vijf andere naar keuze van de legaat.

  28. Wij hebben aan de legaat en de koning beloofd en gezworen dit alles te respecteren voor altijd, te goeder trouw, zonder bedrog of kwaadwilligheid en dat ook krachtig en te goeder trouw te doen respecteren door onze mensen en onze getrouwen.

  29. Wij zullen de burgers van Toulouse en van alle andere gebieden waarover wij heersen, een eed laten afleggen waarin al deze voorwaarden zijn opgenomen. Bovendien zal in die eed worden toegevoegd dat zij alles in het werk moeten stellen om ons onze beloften te doen houden. Mochten wij dat, geheel of gedeeltelijk, niet doen, dan zijn zij onmiddellijk ontheven van de trouw en de leenverplichtingen die zij jegens ons verschuldigd zijn. Als wij binnen de veertig dagen nadat wij een aanmaning hebben ontvangen, de zaak niet zouden hebben rechtgezet tegenover de Kerk of de koning, naargelang van wie het aanbelangt, mogen zij zich aansluiten bij de Kerk en de koning en tegen ons.
    Alle gebieden die nu aan ons worden gelaten zullen dan onmiddellijk onder het bestuur van de koning vallen. Wij zouden opnieuw in de huidige situatie belanden tegenover de koning als nu, omdat onze excommunicatie en alle andere vonnissen die door het Concilie of later zijn uitgesproken tegen ons en onze vader opnieuw van kracht zouden worden.
    Er zal ook worden bijgevoegd in de eed dat ze de kerk zullen helpen in de gebieden die aan ons zijn gelaten en de andere gebieden hierboven vermeld, met het opsporen van ketters, hun gelovigen en aanhangers, van allen die de kerk vijandig gezind zijn wegens ketterij, of die hun excommunicatie negeren. Zij zullen de koning helpen er een krachtige strijd tegen te voeren, tot de betrokkenen onder de bevelen van de Kerk en de koning terugkeren. Deze eed zal op bevel van de koning elke vijf jaar hernieuwd worden.

  30. Opdat al deze voorwaarden zouden vervuld worden en de verplichtingen tegenover de Kerk en de koning volledig zouden worden nagekomen, dragen wij het Château Narbonnais over aan de koning voor zijn veiligheid en die van de Kerk.
    Hij zal het gedurende 10 jaar behouden en versterken als hij dat nodig acht.
    Wij zullen, voor zijn veiligheid en die van de Kerk, ook volgende plaatsen aan de koning overdragen: de donjons van Castelnaudary en Lavaur, de burcht van Montcuq, Penne d’Agenais, de burcht van Cordes, Peyrusse-le-Ric, de burchten van Verdun en Villemur, die hij gedurende 10 jaar zal behouden.
    Gedurende de eerste vijf jaar zullen wij hem voor de onderhoudskosten de som van 1.500 pond tournois (3) per jaar betalen, onafhankelijk van de 6.000 mark waarvan hierboven sprake.
    Als de koning de plaatsen ook de volgende vijf jaar wil behouden, zal hij dat doen op eigen kosten. Hij kan ook, als hij of de Kerk dat zo wil, vier van de bovenvermelde burchten laten afbreken, namelijk de donjons van Castelnaudary en Lavaur, Villemur en Verdun, zonder dat daardoor de verschuldigde som van 1.500 pond tournois zal worden verminderd.
    De inkomsten en winsten van deze burchten en aanhorigheden komen ons toe. De koning zal de burchten op zijn kosten onderhouden, evenals Cordes. Wij zullen er onze baljuws installeren, onverdacht bij Kerk en koning, die zullen recht spreken en inkomsten en winsten innen.
    Na 10 jaar zal de koning ons de burchten terug overdragen, evenals Cordes, op de bovenvermelde voorwaarden en als wij al onze verplichtingen tegenover de Kerk en de koning zullen hebben nagekomen.

  31. Op 1 augustus eerstkomend zullen wij ook Penne d’Albigeois aan de koning overdragen dat hij samen met de andere plaatsen gedurende 10 jaar zal behouden. Ingeval wij ons er tegen die datum niet hebben kunnen meester van maken, zullen wij de plaats belegeren en krachtig strijd voeren tot wij de plaats in handen hebben waarbij wij met haar bezetter geen vrede noch verdragen zullen sluiten. Alleszins zullen wij daarvoor de pelgrimstocht die ons hierboven werd opgelegd niet uitstellen. Als wij binnen het jaar na 1 augustus de burcht van Penne d’Albigeois aan de koning hebben overgedragen, zal hij ze beheren onder dezelfde voorwaarden als de anderen, te weten dat hij ze aan ons zal teruggeven als hij de anderen teruggeeft
    Als wij de plaats na een jaar nog niet aan de koning hebben kunnen overdragen, zullen wij ze als schenking overmaken aan de Tempeliers, de Hospitaalridders of een andere religieuze orde - met voorbehoud van de rechten van de medestanders van de koning - die de burcht zullen bezetten volgens de wil van de legaat of de Roomse Kerk, evenwel op voorwaarde dat zij er geen gebruik van maken om oorlog tegen ons te voeren, tenzij de kerk dat beveelt.
    Als er geen religieuze orde wordt gevonden die de burcht willen overnemen, zal ze volledig worden verwoest niet meer heropgebouwd worden zonder toestemming van de Kerk, de koning en wijzelf. Totdat wij de burcht van Penne d’Albigeois zullen hebben overgedragen aan de koning, de Tempeliers, de Hospitaalridders of een andere religieuze orde zal de koning als onderpand Penne d’Agenais en het Château Narbonnais in zijn bezit houden. Als we binnen de 10 jaar Penne d’Albigeois hebben overgedragen aan de Tempeliers, de Hospitaalridders of andere religieuzen, dan kan de koning de twee bovenvermelde burchten, nadat tien jaar zijn verstreken, nog zo lang in zijn bezit houden als wij de overdacht van Penne d’Albigeois hebben moeten uitstellen. Als Penne d’Albigeois nog niet is overgedragen binnen 10 jaar, dan zal de koning Penne d’Agenais en het Château Narbonnais behouden tot Penne d’Albigeois is overgedragen.

  32. De koning ontslaat de burgers van Toulouse en alle andere gebieden die aan ons werden gelaten van alle verplichtingen die zij aan hem, zijn vader en de graven van Montfort verschuldigd waren en van alle straffen die hen werden opgelegd door hemzelf, zijn vader, de bisschop van Toulouse of andere prelaten en de graven van Montfort omdat zij zich achter onze vader of achter ons hebben geschaard. Hij ontslaat hen ook van de geloften die zij daarover moesten afleggen, behalve onder de bovenvermelde voorwaarden.

Opdat dit verdrag eeuwigdurende waarde zou hebben, hebben wij het als waarborg
voorzien van ons zegel.
Gedaan te Parijs in het jaar onzes Heren 1228, 12 april.

  1. Hier worden de zgn.‘routiers’ bedoeld. Ongeregelde groepen soldaten die zich verhuurden aan de meest biedende en tussen twee oorlogen zich vaak te buiten gingen aan plunderingen, niet zelden van kerkelijke bezittingen.
  2. Het ‘Gebied van de Maarschalk’ (Terre du Maréchal) omvat de heerlijkheid Mirepoix en het Pays d’Olmes (de streek rond Montségur). Simon de Montfort schonk hettijdens de kruistocht aan zijn vriend en maarschalk Guy de Lévis. De familie Lévis is één van de weinigen die haar nieuwe bezittingen mag behouden. De familie is zelfs vandaag nog aanwezig in de streek.
  3. Het pond tournois of livre tournois was een middeleeuwse munteenheid die niet zozeer als muntstuk werd geslagen (het zou dan een muntstuk van een halve kilo moeten geweest zijn) maar vooral werd gebruikt om berekeningen in hogere bedragen te maken. In latere periodes werd het wel als munt ingevoerd, zij het iets minder ‘gewichtig’.