De opeenvolgende kruistochten mogen er dan voor gezorgd hebben dat de zuidelijke gebieden bij het Franse koninkrijk werden gevoegd, het katharisme hebben ze niet klein gekregen.
De rangen van de bons hommes en bonnes femmes zijn wel flink uitgedund, zeker na de val van Montségur, maar zij die overblijven zetten hun clandestiene prediking onverminderd verder. De leiding van het bisdom Toulouse is overgebracht naar het Italiaanse Lombardije, daar is het (voorlopig) nog veilig.

Maar de Kerk heeft intussen een veel efficiënter wapen in de strijd geworpen: de Inquisitie. Deze ‘onderzoeksrechtbank’, die gebruik maakt van een procédé dat ook nu nog in veel dictaturen wordt gebruikt, zal uitgroeien tot een van de meest gevreesde instituten uit de geschiedenis. Het christelijke ‘bemin uw naaste’ wordt in de nieuwe interpretatie van de roomse kerk ‘verklik uw naaste’. De katharen maken geen schijn van kans meer...

De Inquisitie, het zwaard van de tweedracht

In november 1211 had Simon de Montfort een ‘parlement’ in Pamiers bijeen geroepen. Uitgenodigd waren de katholieke prelaten van de kruistocht en de Noord-Franse ridders die hij op zijn veroverde gebieden had ingezet.

Doel van het ‘parlement’ was om “regels op te stellen en te proclameren die passend zijn voor de situatie, en die garanties bieden aan de Kerk, de rijken en de armen.”

Er was namelijk een probleem gerezen. Arnaud-Amaury had gezegd: “Hoewel ik de dood van de vijanden van Christus wens, kan ik ze, als monnik en priester, niet ter dood brengen.”

Met andere woorden: die taak moest De Montfort op zich nemen. En dat moest goed geregeld worden.
Innocentius had weliswaar aan de wereldlijke macht opgedragen de ketters te vervolgen, maar hij had er niet bij gezegd hoe ze een ketter moesten onderscheiden van een goed katholiek. Dat probleem hadden ze bij het bloedbad van Béziers nog opgelost door eenvoudigweg iedereen te doden. Maar dat kon zo niet voortduren, dat beseften ze ook wel.
Arnaud-Amaury en De Montfort vonden een elegante oplossing. De Kerk zou de ketters aanwijzen, en dan zou de wereldlijke macht ze een passende straf geven. Het was een nadere uitwerking van het ‘heilige verbond tussen Kerk en staat’ dat Augustinus eerder had gesmeed.

Er werden achtenveertig regels opgesteld. Deze werden ‘De Regels van Pamiers’ genoemd.
Hier volgen er enkele: (1)

Regel 6:
Wij geven het bevel aan ieder die een monnik of priester heeft gearresteerd, vanwege een misdrijf of om enige andere reden, dat hij deze onmiddellijk uitlevert aan de bisschop, aan de aartsbisschop of hun vertegenwoordigers, behalve wanneer hij alleen maar een tonsuur heeft. Wie dit niet opvolgt, zal meteen geëxcommuniceerd worden en gedwongen tot uitlevering door zijn heer.
Dit betekende in de praktijk dat monniken en priesters buiten en boven de wereldlijke wet stonden. De inquisiteurs konden zich op grond daarvan alle vrijheden veroorloven die ze maar wilden.

Regel 25:
Niemand zal veroordeeld worden tot ketter, behalve op getuigenis van bisschoppen of priesters.
Vooral deze bepaling was belangrijk. De Kerk werd inzake kettervervolging tegelijk aanklager en rechter. Hiermee deed de Inquisitie feitelijk zijn intrede in Zuid-Frankrijk.

De regels van Pamiers werden nog aangescherpt op het Lateraans Concilie van 1215 en namens de hele Kerk goedgekeurd.

In 1216 stierf Innocentius III. Na hem constateerde paus Gregorius IX dat veel bisschoppen te laks waren bij het uitvoeren van hun inquisitoriale taak. Sommige bisschoppen maakten zelfs openlijk bezwaar tegen de Inquisitie. Zo schreef Bernard de la Barthe, aartsbisschop van Auch: “De vrede behaagt me als ze duurzaam is maar opgelegd hoef ik haar niet. Een vrede uit schande brengt meer kwaad dan goed.” (2)

Gregorius IX plaatste daarom de inquisiteurs direct onder pauselijk gezag. Daardoor konden zelfs de bisschoppen voor de Inquisitie worden gedaagd. Hij gaf in 1232 bevel aan de nieuwe orde der dominicanen de taak van de Inquisitie op zich te nemen. (Dominicus is dan al elf jaar dood.) Daarmee was de Inquisitie nu geheel formeel bevestigd en geïnstalleerd. In 1237 belastte de paus ook de franciscanen met de Inquisitie.

In 1243 besloot paus Innocentius IV dat bij de verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan.
Daarmee was de zaak helemaal rond. De Inquisitie vormde van nu af aan, onder rechtstreeks toezicht van de paus, een ontzagwekkende, nagenoeg onaantastbare macht, niet alleen van de Kerk jegens het volk, maar vooral ook binnen de Kerk zelf.

De Inquisitie in de praktijk

In de praktijk vormde zich al snel een vast patroon in het optreden van de inquisitie tegen de katharen. De inquisiteurs trokken van stad naar stad, van dorp naar dorp, met in hun gezelschap een secretaris, enkele klerken en meestal ook een door de wereldlijke macht beschikbaar gesteld gewapend escorte.
Als een inquisiteur een stad of dorp bezocht, vroeg hij de plaatselijke pastoor om alle inwoners op te roepen om in de kerk te verschijnen. Iedereen kwam, want wegblijven alleen al kon een veroordeling tot ketterij opleveren. De inquisiteur hield op deze bijeenkomst een ‘genade-preek’.

De bewoners werden daarna één voor één opgeroepen om te verschijnen voor de inquisiteur om hun zonden te bekennen en vergeving daarvan te vragen. De inquisiteur beloofde dat de boetedoening voor ketterij uiterst gering zou zijn, als men deze maar kwam afzweren.
En inderdaad, wie een geringe mate van betrokkenheid met het katharisme opbiechtte, en het kathaarse geloof wilde afzweren, kreeg een min of meer symbolische boetedoening. Maar, en dat was waar het de inquisiteur om te doen was, men werd tevens geacht de waarachtigheid van de afzwering te bewijzen door het aangeven van twee verdachte personen, en dat met redenen omkleed. Die aangifte werd genoteerd en geheimgehouden. Wie geen anderen aangaf, kon alsnog zwaar gestraft worden, zelfs voor zeer lichte vergrijpen.

De afgedwongen afzwering had nog een ander effect. Wie eenmaal afgezworen had en later weer terugviel tot de ketterij, een relaps geheten, kreeg automatisch de brandstapel.

Aan de hand van de lijst van aangegeven personen werden verdachten vervolgens opgeroepen voor een verhoor. Opmerkelijk is dat er in het algemeen een vrij lange tijd lag tussen de oproep en het moment waarop men moest verschijnen, soms wel een maand. De verdachten kregen alle tijd om zich af te vragen wat hen boven het hoofd hing.

Aan het begin van het verhoor werd de verdachte slechts meegedeeld dat er een aanklacht tegen hem of haar was ingediend. Er werd niet bij verteld wat die aanklacht was en wie de aanklacht had geuit. De verdachte werd volledig in onzekerheid gelaten over het waarom en de mogelijke gevolgen van zijn verhoor. Want hij moest ertoe gebracht worden ‘zichzelf te verraden’.
Daartoe volgde een langdurige ondervraging, zorgvuldig opgetekend door een secretaris. De verslagen daarvan zijn grotendeels bewaard gebleven en geven ons zeer veel informatie over het katharisme en over het leven in die tijd. In het boek Montaillou wijdt Emmanuel le Roy Ladurie een uitvoerige antropologische studie aan de samenlevingsvormen in het bergdorpje Montaillou, aan de hand van de verslagen van de verhoren van inquisiteur Jacques Fournier. Het boek Montaillou toont ons ook hoe door het werk van de Inquisitie de sociale structuur van deze betrekkelijk vredige boerengemeenschap volledig ineenstort, omdat, nadat de Inquisitie zich met Montaillou bemoeide, iedereen ieders potentiële verrader werd.

De vragen die de inquisiteurs aan een verdachte stelden waren min of meer standaard. Men vroeg of hij wel eens een ketter had ontmoet, of hij er wel eens een had gesproken, of hij er wel eens een in zijn huis had ontvangen, of hij wel eens in het huis van een ketter was geweest, of hij geluisterd had naar een ketterse preek, of hij wel eens voor een ketter had geknield, of hij wel eens aan één tafel met een ketter had gezeten, of hij wel eens door hen gezegend brood gegeten had, of hij wel eens deelgenomen had aan het ritueel van het consolamentum. Had hij wel eens een ketter op een reis vergezeld, had hij wel eens aan een ketter voedsel of andere goederen gegeven? Had hij wel eens samengespannen met andere verdachten om de waarheid te verbergen? Had hij al eerder gebiecht en afgezworen bij een andere inquisiteur? Had hij geloofd dat de ketters goede mensen waren, met een goed geloof waardoor men kon worden gered?
Omdat de verdachte, om zich vrij te pleiten, minstens twee namen moest opgeven van ketters die hij kende, kon één ondervraging leiden tot weer een hele serie andere ondervragingen.

Naast deze systematische verhoren, bediende de Inquisitie zich ook van geheime verklikkers. Er werden hoge premies uitgeloofd voor het aanbrengen van een bon homme, en er ontstond al snel een groep van professionele verklikkers.
Er zijn geen gevallen bekend van bons hommes of bonnes femmes die in het geheim voor de Inquisitie werkten.

De straf die de inquisiteur na de verhoren uitsprak, werd zelden gemotiveerd. Studies van de ondervragingen tonen aan dat de bestraffingen met grote willekeur werden uitgedeeld.

Hoofddoelstelling van de Inquisitie was echter niet om te straffen, maar om te bekeren. Praktisch alle middelen, tot aan marteling toe, werden aangewend om de verdwaalde schapen weer tot de kudde te doen terugkeren. De inquisiteur had zijn werk goed gedaan als een ketter in het openbaar zijn dwaling bekende, deze afzwoer, het gezag van de roomse kerk erkende, en zijn penitentie dankbaar aanvaardde als een mogelijkheid om weer met God in het reine te komen.
Daarvan werd een plechtige religieuze gebeurtenis gemaakt, meestal op een zondag, in aanwezigheid van de plaatselijke bestuurders, bisschoppen en abten. Deze gebeurtenis heette een acte-de-foi, daad van geloof.

Straffen

Eenvoudige croyants, die bekend hadden en afgezworen, en ook andere ketters aangebracht hadden, werden meestal tot lichte straffen veroordeeld. Ze moesten twee gele kruisen dragen, één op hun buik en één op hun rug. Dikwijls legde men hun als boete nog een pelgrimstocht op, bijvoorbeeld naar Rome, of een jaarlijks bezoek aan een kerk in Toulouse, of zelfs naar Jeruzalem. Die laatste straf werd overigens spoedig van hogerhand verboden, omdat men zich realiseerde dat men daardoor het Heilige Land met ketters bevolkte.
Ook de receptatores, zij die willens en wetens ketters in hun huis ontvangen hadden, konden op de wraak van de inquisiteurs rekenen. Hun wachtte behalve gevangenisstraf ook nog verbeurdverklaring of vernietiging van hun goederen.

Van de gevangenisstraf bestonden verschillende vormen. De lichtste was de veroordeling au mur large, een soort open gevang in een ruimte met andere gevangenen, waar men familieleden op bezoek kon krijgen. Als ze het overleefden werden ze na een aantal jaren, soms pas na acht jaar, weer vrijgelaten. Een feitelijk doodvonnis was de veroordeling au mur strict, waarbij voeten en handen met ketenen aan de muur vastgeklonken werden in een kleine cel.
En dan de brandstapel. Daartoe werden alleen bons hommes en bonnes femmes veroordeeld die weigerden af te zweren, en relaps, mensen die afgezworen hadden en weer tot de ketterij waren teruggekeerd.

De verhoren waren zeker niet alleen maar gericht tegen het katharisme. De inquisitie had in feite een veel bredere taak: de invoering van de zuivere leer en bestrijding van alles, niet alleen het katharisme, wat daarvan afweek.
Bernard d’Ortel, van Ravat, kreeg vijf jaar gevangenis omdat hij wel eens had beweerd dat hij niet geloofde in de opstanding van het vlees.
Guillemette Benet van Ornolac had gezegd: “De ziel, dat is niets anders dan bloed.” Ze had ook beweerd dat ze nog nooit een ziel uit de mond van een stervende had zien komen, terwijl ze toch goed had opgelet als ze aanwezig was bij iemands sterfbed. Zij werd tot eeuwige opsluiting veroordeeld, maar al na acht jaar kreeg ze gratie, en hoefde voortaan alleen nog maar de twee kruisen te dragen.
En ook werd de Inquisitie ingezet ter vervolging van degenen die het gezag van de kerk in welke vorm dan ook niet erkenden. Jean Jaufré, uit Tignac, werd au mur strict veroordeeld omdat hij geweigerd had kerkbelasting te betalen.

De inquisiteurs vervolgden niet alleen de levenden. Vaak werden ook de beenderen van overleden ketters opgegraven om alsnog op een brandstapel te worden verbrand.
Daar stak een theologische verklaring achter. In het Oude Testament wordt beschreven hoe de doden bij het laatste oordeel zullen opstaan uit de dood. Na de aankondiging met bazuingeschal van ‘de laatste dag’ zullen de graven opengaan, de geraamtes zullen uit de graven klimmen, en vervolgens zullen hun botten op wonderbaarlijke wijze weer met vlees bekleed worden. Zo, weer in hun vleselijke gestalte hersteld, zullen ze aan het eind der tijden het definitieve oordeel ondergaan.
Welnu, door de geraamtes te verbranden, waardoor ze geheel tot as vervielen, voorkwam men dat de botten van de ketters op de laatste dag weer met vlees zouden worden bekleed. Zo werd hun ook de ultieme kans op een herziening van de veroordeling door de Inquisitie ontnomen.
Merkwaardig genoeg is juist het opgraven en verbranden van de geraamtes van reeds lang geleden overleden en begraven katharen enkele keren aanleiding geweest tot een volksopstand tegen de Inquisitie.

Ook het land zelf moest in stoffelijke zin gereinigd worden van alle kwaad. Daarom werden de woningen van veroordeelde ketters of huizen waarin katharen bijeenkomsten hadden gehouden, totaal vernietigd. Zo werd praktisch heel het dorpje Montaillou met de grond gelijk gemaakt.
Het totaalbeeld van het werk van de Inquisitie toont ons een uiterst systematische hersenspoeling van de Zuid-Franse bevolking. De verfijnde psychologische middelen daartoe waren angst en onzekerheid. De Inquisitie, als het zwaard van de tweedracht, leerde het volk niet alleen God te vrezen, of de kerk, maar vooral hun naaste.

Een geïmproviseerd verhoor

Soms wist men ook te improviseren. Dat blijkt uit het verhaal dat ons is overgeleverd door Guillaume Pelhisson.(3) Het speelt zich af in Toulouse, in het jaar 1234. De bisschop van Toulouse, Raymond de Fauga, voorheen provinciaal overste van de dominicanen, had zich op een ochtend naar het dominicaner klooster begeven om er de mis op te dragen. Na de mis kwam een bewoner van de stad aan de inquisiteur Pons de Saint-Gilles melden dat in een huis vlakbij het klooster iemand het kathaarse sacrament der stervenden zou ontvangen. De inquisiteur, die op het punt stond voor een maaltijd aan tafel te gaan, deelde dat mee aan de bisschop. Beiden spoedden zich, de maaltijd onaangeraakt achterlatend, met enkele broeders, naar het aangewezen huis. Ze troffen er een oude vrouw aan, in haar bed, ziek, maar nog wel in staat om een gesprek te voeren.

Iemand zei tegen de zieke: “Kijk eens, mevrouw, de bisschop komt u bezoeken!” (...) De bisschop zette zich naast haar bed neer en begon haar uitvoerig zijn afkeer van de wereld en andere aardse zaken te vertellen. En omdat zij misschien begrepen had dat een bisschop van de katharen haar bezocht, want zij was reeds tot ketter gemaakt, antwoordde zij zeer vrijmoedig op wat de bisschop zei. Maar deze wist haar met grote slimheid op talrijke punten te ontlokken wat zij geloofde. Dat stemde bijna geheel overeen met wat de ketters geloven.

Toen zei de bisschop tegen haar: “U hoeft over de rest niet meer te liegen, noch u te bekommeren om dit ellendig leven,” en andere soortgelijke zaken. “Daarom zeg ik u om standvastig te zijn in uw geloof, en niet uit angst voor de dood iets anders te bekennen dan wat u vast in uw hart gelooft.”

Dat horend antwoordde zij: “Zo geloof ik het, monseigneur, precies zoals ik het gezegd heb, en dat zal ik niet veranderen om mijn arm en ellendig leven.” De bisschop zei vervolgens: “Dus u bent een ketter, want het is het geloof van de ketters dat u zojuist bekend hebt; u weet toch dat deze ketterij verboden is! Verzaak dit alles en geloof toch datgene wat de rooms-katholieke kerk gelooft! Ik ben in werkelijkheid uw bisschop van Toulouse, ik preek het rooms-katholieke geloof, ik wil en beveel dat u dat gelooft.” Dat zei hij haar en nog andere dingen, in aanwezigheid van allen, met vele herhalingen, maar dat diende tot niets. Integendeel, zij hield met grote koppigheid vast aan haar ketterse overtuiging.

Daarop liet de bisschop de landrechter komen en veel andere personen die in de macht van Jezus-Christus waren, en veroordeelde haar tot ketter. De landrechter zette haar met bed en al op een brandstapel, en liet haar onmiddellijk verbranden.

Toen dat gebeurd was, keerden de bisschop, de broeders en hun begeleiders terug naar het klooster, en aten daar met vreugde de achtergelaten maaltijd die men hun bereid had, dankzeggend aan God en aan Dominicus.

Dit verhaal van een geïmproviseerd verhoor is toch ook een weergave van de systematische werkwijze van de inquisiteurs. Ten eerste wordt de verdachte in het ongewisse gelaten over haar situatie. Ten tweede: het systematisch uithoren zodat de verdachte haar eigen verrader wordt. Ten derde: de verdachte wordt geconfronteerd met haar eigen uitspraken, zijnde in strijd met het ware geloof. Ten vierde: getracht wordt haar te overreden af te zweren, en een passende penitentie te aanvaarden om met God in het reine te komen. Ten vijfde: bij volharding, de veroordeling tot de brandstapel.

En ook het vervolg van de verbranding van deze oude dame past in het standaardpatroon. Want hierna werd haar familie ondervraagd. Guillaume Pelhisson vermeldt nog dat twee van hen: ... veel zaken betreffende hun ketterij bekenden, en de moed hadden veel belangrijke personen aan te geven.

De gevangenneming van de laatste bon homme, Bélibaste, toont ons een voorbeeld van het werk van een beroepsverklikker, Arnaud Sicre. Arnaud behoorde tot een rijke familie die op beschuldiging van ketterij haar have en goed verloren had. Hij hoopte, door zijn medewerking aan de Inquisitie, in zijn rechten als eigenaar van de familiegoederen te worden hersteld. Hij beloofde inquisiteur Jacques Fournier de bon homme Bélibaste op te sporen, die naar Spanje was gevlucht.

Bélibaste was eerder verhoord door inquisiteur Geoffroy d’Ablis. Maar Bélibaste was erin geslaagd de inquisiteur om de tuin te leiden. Dit is het verhaal dat Bélibaste zelf daarover vertelde, in aanwezigheid van Arnaud Sicre (die het later aan Jacques Fournier overbracht:

Toen ik bij Geoffroy d’Ablis was, heb ik hem meteen enkele kleine feitjes over de ketterij bekend, en ik deed verder zo onschuldig mogelijk, alsof ik niet goed wijs was. De inquisiteur luisterde welwillend naar me terwijl hij me kleine klopjes op de schouder gaf om me aan te moedigen. Ik sloeg mijn armen om zijn knieën en smeekte hem om genade. Hij stelde me gerust, zei me geen angst te hebben en dat hij me geen kwaad zou doen. Hij hield woord, en enige tijd later gaf hij me de vrijheid.
Ik heb hem nog niet de helft verteld van wat ik weet, en ook niet wat ik weet over andere croyants. Als ik alles gezegd had, hoeveel mensen zouden dan niet in het ongeluk gestort zijn!

“Dit verhaal,” voegt het register van de inquisitie eraan toe, “bracht iedereen aan het lachen.”

Bélibaste was hierna samen met Pierre Mauri naar Spanje gevlucht. Arnaud Sicre ging hen achterna. Hij had van Jacques Fournier zoveel geld meegekregen als hij nodig achtte. Hij won hun vertrouwen en lokte hen naar Frankrijk. Maar aanvankelijk vertrouwde Bélibaste hem niet. Hij besloot hem op de proef te stellen. Ze lieten hem twee flessen wijn drinken. Maar hij had hen door. Arnaud Sicre vertelde daarover later trots aan Jacques Fournier:

Ik deed dus alsof ik dronken was, en, aan het eind van de maaltijd liet ik me op de grond vallen, naast de tafel. Pierre Mauri droeg me naar mijn bed. Ik deed toen alsof ik wilde urineren op het kussen. Hij trok me van het bed af, en me zowat dragend, bracht hij me naar de straat. Toen we alleen waren, vroeg hij fluisterend:“Arnaud, zullen we de ketter naar de Sabarthès brengen? Dat zou ons wel vijftig of honderd franken opleveren, en daar kunnen we goed van leven. Die schurk zegt allemaal schandelijke dingen.”

Ik antwoordde hem, als een dronkeman die nauwelijks kan praten: “O, Pierre, jij wil monseigneur Bélibaste verraden! Dat had ik toch niet van je gedacht. Je wilt hem verkopen! Dat laat ik je niet doen.” Daarna keerde ik naar mijn bed terug, en deed alsof ik stomdronken was.

Pierre kleedde me uit, en sloeg een deken over me heen. Ik deed alsof ik sliep. Denkend dat ik sliep, praatten Pierre en Bélibaste hardop met elkaar. Pierre vertelde wat hij me gezegd had, wat ik geantwoord had toen ik dronken was. Hij zei: “Je kunt hem wel vertrouwen, hij zal ons niet verraden.”

De volgende morgen vroeg Pierre Mauri me: “Heb je goed geslapen?“ “Heel goed,” antwoordde ik hem, “want we hadden goede wijn.”
“Waarover hebben we gesproken,” vroeg Pierre. Ik zei hem dat ik dat niet wist.
“Wie heeft je in bed gelegd en uitgekleed?,” vroeg Pierre. “Ikzelf natuurlijk,” zei ik hem. De ketter antwoordde: “O nee, mijn vriend, daar was je helemaal niet toe in staat.”

Toen we verder reisden, vielen twee eksters elkaar vechtend aan, ze gingen zitten op een tak, en staken toen de weg over. Bélibaste zette zich neer, moe en ontmoedigd door dit slechte teken. Ik zei hem op te staan en door te lopen. Hij antwoordde me dat hij moe was.
“Arnaud, Arnaud,” zei hij, “God wil dat je me naar een goede plek brengt.” Ik zei hem: “Ik breng je naar een goede plek.” En ik voegde eraan toe: “Als ik je wilde verraden, dan kan ik dat toch ook hier doen?” Hij antwoordde: “Als mijn Vader me wil hebben, moet hij me maar halen, dat zijn wil geschiede!”
Hij stond op en we liepen naar Agramunt. Vandaar gingen we naar Trago, vervolgens naar Castelbon, en van Castelbon naar Tirvia. Onderweg vertelde Bélibaste onophoudelijk over zijn ketterse dromen.

In Tirvia heb ik ze laten oppakken.

Bélibaste, de laatste kathaarse bon homme die we kennen, werd in 1321 in Villerouge-Termenès verbrand.
De bisschop van Carcassonne en Jacques Fournier herstelden Arnaud Sicre in al zijn rechten. Hij kreeg een schriftelijke verklaring dat hij een goed katholiek was, met daaraan toegevoegd:

Om deze reden hebben wij, voornoemde bisschop en inquisiteur, middels dit schrijven, aan voornoemde Arnaud algehele vergeving en kwijtschelding geschonken van alles wat hij, in aanwezigheid van voornoemde ketter, of andere ketterse vluchtelingen, heeft gezegd, gedaan of in het werk gezet, voor voornoemde zaak, zonder daaraan te geloven of er waarde aan toe te kennen, en verklaren dat voornoemde Arnaud, gezien zijn bijdrage aan de gevangenneming van voornoemde ketter, van ons en van onze opvolgers dank en speciale voorrechten verdient, ter getuigenis en bevestiging waarvan wij hem deze brief hebben gegeven, voorzien van onze zegels.
Gedaan te Carcassonne, 14 januari van het jaar onzes Heren 1321.
(4)

Inquisiteur Jacques Fournier werd in 1334 tot paus gekozen.
Hij noemde zich Benoît, dat is: de gezegende.

(1) Michel Roquebert (1989), L’Epopée Cathare, tome 1, 1198-1212, L’Invasion, p.501-502
(2) René Nelli (1969); La Vie quotidienne des Cathares au XIIIe siècle, p. 204
(3) Jean Duvernoy (1958), Chronique de Guillaume Pelhisson, traduite et commentée.
(4) René Nelli (1969), op.cit., p.180-182

Overgenomen uit Katharen en de val van Montségur (ISBN 90-6271-922-8), hoofdstuk 4.6, uitgeverij Synthese, Den Haag. Met dank aan Bram Moerland voor het ter beschikking stellen van de tekst.

Overzicht | Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 | Deel 5