Na 15 jaar strijd lijkt de rust weergekeerd in de Languedoc. Raimon VII heeft de touwtjes stevig in handen, Raimon Trencavel, zoon van Raimon-Roger, heeft zich opnieuw in Carcassonne gevestigd en zijn vazallen (waaronder de Cabarets) zitten terug in hun burchten.
En de katharen? Ondanks de vervolging, ondanks de brandstapels is de kathaarse religie sterker dan ooit...

Toch is die teruggekeerde rust maar schijn want in Parijs ziet het er niet zo goed uit. Daar is koning Philippe-Auguste inmiddels opgevolgd door zijn zoon Louis VIII. Met twee quarantaines in het zuiden achter de rug heeft die duidelijk andere ideeën over de kruistocht dan zijn vader.

Louis VIII zelf is eigenlijk niet zo’n sterke figuur maar zijn echtgenote, de zeer katholieke Blanche van Castillië, is dat wel, haar invloed aan het hof is immens. Paus Honorius III ruikt zijn kans om de mislukte kruistocht nieuw leven in te blazen en doet verwoede pogingen om de nieuwe koning tot ingrijpen te bewegen. En wat gedurende twintig jaar niet lukte met Philippe-Auguste, lukt nu wel met zijn zoon: hij belooft persoonlijk tegen het zuiden op te trekken...

Wat Honorius niet zo prettig vindt is dat Louis VIII dat alleen maar wil doen op zijn eigen voorwaarden en die zijn niet mals. De paus krijgt een hele waslijst van eisen toegezonden die hij zal moeten inwilligen. Zo moet hij voor een vredesverdrag zorgen met aartsvijand Engeland zodat Frankrijk niet zal worden aangevallen terwijl het leger in het zuiden opereert, en zal hij bovendien de totale kost van de campagne moeten dragen. Daarbij komt dat de Franse koning alle Occitaanse gebieden onmiddellijk in bezit wil nemen. De Occitaanse edelen moeten dus van al hun rechten ontheven worden en Amaury de Montfort moet de zijne aan de koning overdragen. Louis VIII gaat zelfs nog verder. De pauselijke legaten die de kruistocht begeleiden moeten door hem persoonlijk worden aangesteld. Het is vooral deze laatste eis die voor de paus onaanvaardbaar is.

De andere voorwaarden zijn niet echt een groot probleem. De Occitaanse edelen zijn eigenlijk al van hun bezittingen ontheven door de Kerk (Raimon-Roger Trencavel in 1209 en Raimon VI in 1215) maar toch vraagt de koning nogmaals om een officiële bevestiging. Ook Amaury de Montfort gaat niet dwarsliggen, hij draagt hij zijn rechten op het ‘veroverde gebied’ over aan de koning, waarschijnlijk blij dat hij er van af is, maar toch zit er een addertje onder het gras: in de tekst staat duidelijk vermeld dat de overdracht slechts geldig is als de paus aan alle voorwaarden van de koning voldoet...

Louis lijkt er intussen niet aan te twijfelen dat de paus op zijn eisen zal ingaan. Hij stuurt alvast een brief aan de consuls van Narbonne (niet aan burggraaf Aimery, ongetwijfeld vanwege diens vijandige houding tegenover Amaury de Montfort), waarin hij de komst van het Franse leger meldt.

Toch is Honorius III niet zinnens zich zo maar zonder slag of stoot bij de koninklijke eisen neer te leggen en hij bedenkt een ingenieus plannetje.

Het zegel van Raimon VII

De paus en Raimon VII

De graaf van Toulouse blijft intussen natuurlijk niet bij de pakken zitten. Vermits de nieuwe koning de kant van de vijand lijkt te kiezen, besluit hij rechtstreeks te gaan onderhandelen met de paus. Hij stuurt een delegatie onder leiding van Guy de Cavaillon naar Rome om te proberen een voorakkoord te bereiken. De delegatie wordt ontvangen door de paus die hen een snelle beslissing belooft maar eerst de prelaten uit de Languedoc nog wil raadplegen en dan in de eerste plaats de aartsbisschop van Narbonne, Arnaud-Amaury.

De pauselijke beslissing komt er niet alleen zeer snel, het is een donderslag bij heldere hemel, vooral dan voor de koninklijke plannen. Honorius III verklaart zonder meer dat hij een vredesverdrag met Raimon VII gaat sluiten en dat hij de kruistocht, die bijna vertrekkensklaar staat, annuleert...

Vanzelfsprekend kunnen er veel vragen gesteld worden bij de houding van een paus die zich eerst in alle mogelijke bochten wringt om een koninklijke kruistocht van de grond te krijgen en als het dan uiteindelijk zover is, ze zonder meer afgelast. Kardinaal Conrad krijgt de weinig benijdenswaardige opdracht de pauselijke beslissing aan de koning over te brengen. Honorius III geeft hem wel een reden mee. De kruistocht naar het Heilig Land is plotseling veel belangrijker geworden. De Duitse keizer heeft hem namelijk laten weten dat hij naar het Midden-Oosten wil vertrekken en vraagt de Kerk om alle steun die ze hem kan geven...

Deze verklaring lijkt op het eerste zicht aannemelijk. Tussen de katharen in het zuiden en de islam in het oosten kiest de paus resoluut voor het Heilig Land. Alleen... het argument over de Duitse keizer is toch nogal zwakjes. Die kondigt al jaren zijn vertrek aan om het daarna weer uit te stellen en hij zal dat ook nu weer doen. Enkele jaren later zal die houding hem een excommunicatie opleveren.

Met deze boodschap trekt kardinaal Conrad naar Parijs. De koning reageert zeer koel. Hij neemt akte van de pauselijke beslissing en de redenen daarvoor. En hij besluit daarbij veelzeggend:
“...Tenslotte hebben wij medegedeeld aan kardinaal Conrad dat hij ons in de toekomst met geen woord meer moet spreken over de zaak van de Albigenzen, waaruit wij ons volledig hebben teruggetrokken...”
Wat zoveel wil zeggen als: ”Trek uw plan en kom bij mij niet meer jammeren als het misloopt...”

Louis VIII meldt ook nog dat hij geen principiële bezwaren heeft tegen een verzoening tussen de Kerk en Raimon VII, op voorwaarde dat aan de koninklijke rechten in het zuiden niet getornd wordt.

Honorius III ontmaskerd

De weg ligt nu open voor Raimon VII en zijn vazallen om te onderhandelen en de eerste resultaten laten niet op zich wachten. De kerkelijke eisen worden aanvaard door Raimon (verjagen van ketters en routiers, restitutie van alle kerkelijke bezittingen, enz...) maar hij voegt er wel één persoonlijke voorwaarde aan toe: de Kerk moet ervoor zorgen dat Amaury de Montfort al zijn eigendomsrechten niet aan de koning, maar aan hem overdraagt. De Kerk stemt toe, overigens zonder Amaury te raadplegen. Op een concilie in Montpellier op 25 augustus 1224 wordt de overeenkomst in een definitieve vorm gegoten en het enige wat nog ontbreekt is de pauselijke absolutie. Een missie naar Rome wordt voorbereid.

En dan wordt het ingenieus plannetje van Honorius III duidelijk, hij was helemaal niet zinnens de kruistocht op te geven. Alleen kon hij niet zomaar ingaan op de zware voorwaarden van de koning want daardoor zou het initiatief volledig naar Louis VIII gaan, de Kerk mocht alleen betalen. De paus annuleerde dus officieel de kruistocht en ging met Raimon VII onderhandelen terwijl hij zeer goed wist dat Louis VIII absoluut niet wou dat Raimon VII de eigendomsrechten van Amaury de Montfort zou terugkrijgen want dan kon hij zijn plannen voor het zuiden wel opbergen. Bovendien was er al een afspraak dat Amaury al deze rechten aan de koning zou overdragen, maar aan die afspraak was dan weer de voorwaarde verbonden dat Louis VIII aan de kruistocht zou deelnemen, en die kruistocht is door de paus geannuleerd...

Het is duidelijk dat Honorius de koning wat wil laten ‘sudderen’, zeer ver wil gaan in zijn toegevingen aan Raimon VII (hij zal de afspraken toch niet moeten nakomen als zijn plan werkt), en vervolgens het initiatief van Louis VIII wil laten komen. Die is dan de vragende partij en de Kerk zal zelf haar voorwaarden kunnen opleggen. En zo gebeurt het ook...

Als Louis VIII hoort van de overeenkomst van Montpellier, stuurt hij onmiddellijk Guy de Montfort op missie naar Rome. Blijkbaar wil hij toch nog over “de zaak van de Albigenzen” praten. Raimon VII wordt intussen aan het lijntje gehouden en wanneer zijn afvaardiging uit Rome vertrekt is er nog steeds geen definitieve beslissing gevallen.

Met de koning wordt overeengekomen dat een concilie in Bourges de knoop zal doorhakken. Zowel Raimon VII als Amaury de Montfort zullen er aanwezig zijn. Het resultaat zal uitwijzen of er vrede met het zuiden komt, of toch een koninklijke kruistocht.

De kathedraal van Bourges

Het concilie van Bourges

Op 29 september overlijdt aartsbisschop van Narbonne en eerste aanvoerder van de kruistocht, Arnaud-Amaury. Voor Raimon VII is dat in feite een tegenvaller, hoe ongelooflijk het ook mag klinken, Arnaud-Amaury had wel eens een waardevolle bondgenoot kunnen zijn op het concilie. Door zijn vele contacten met Raimon VII rond diens pogingen een vredesverdrag te sluiten, zaten de oude vijanden bijna op dezelfde golflengte.

Op 29 november 1225 begint het concilie van Bourges en meteen ontspint zich een hevige discussie tussen Raimon VII en Amaury de Montfort. Raimon VII legt alle overeenkomsten voor die hij met de pauselijke legaten en Arnaud-Amaury heeft gesloten. Amaury de Montfort, voorzien van alle aktes die hij, volgens de overeenkomst met de paus, aan Raimon VII zou moeten overmaken, gaat hevig in de tegenaanval. Hij wenst zijn rechten te behouden en er zelf over te beschikken en stelt voor de zaak te onderwerpen aan het oordeel van de pairs van het koninkrijk, de rechtstreekse vazallen van de koning. Hij rekent er natuurlijk op dat zij de zaak in het voordeel van de koning zullen uitspreken. Raimon VII is het met het voorstel eens maar merkt fijntjes op dat de koning dan wel eerst zijn feodale eed moet aanvaarden omdat hij anders misschien niet als pair erkend zal worden. En daar heeft hij Amaury de Montfort in de tang: je kan alleen door de pairs geoordeeld worden als je zelf pair bent, dus vazal van de koning. Om te kunnen oordelen of Raimon VII de wettelijke graaf van Toulouse is, moet de koning hem dus eerst erkennen als... graaf van Toulouse!

Maar Raimon VII maakt op dit concilie geen schijn van kans. De kerk wil hem alleen de absolutie geven als hij voor altijd afziet van al zijn bezittingen. Uiteraard kan de graaf van Toulouse zich daar niet bij neerleggen en hij verlaat Bourges zonder akkoord. De paus heeft zijn slag thuisgehaald: de weg is nu vrij voor Louis VIII om de zuidelijke gebieden, onder de vorm van een nieuwe kruistocht, bij het koninkrijk in te lijven.

De ‘koninklijke’ kruistocht

De laatste financiële en diplomatieke problemen worden snel opgelost en zes maanden later staat de kruistocht vertrekkensklaar. Voor de pas bevrijde en moegestreden Languedoc lijkt deze ontwikkeling de doodsteek. Niet alleen komt er een nieuwe kruistocht aan, maar deze keer wordt ze aangevoerd door de Franse koning zelf. Dat bericht alleen is al voldoende om een groot deel van de zuidelijke adel op de knieën te krijgen. De koning is, ook voor het zuiden, een mythische figuur en bovendien wordt de kern van de kruistocht uitgemaakt door het Franse leger dat een status van onoverwinnelijkheid geniet. En groot aantal edelen uit de Languedoc en de Provence komt zich spontaan onderwerpen.

Raimon VII is daar niet bij... Hij heeft er ook geen enkel belang bij. Volgens het concilie van Bourges zou hij in ruil voor vrede toch al zijn gebieden moeten afstaan, hij kan dus beter vechten en hopen zo toch nog iets over te houden. Maar hij kan nog op weinig steun rekenen. Zelfs Avignon, één van zijn trouwste bondgenoten, stuurt een afvaardiging naar Parijs om het koninklijk leger de vrije doorgang aan te bieden. En dat is niet zonder belang. In de Rhônevallei liggen de beste wegen op de linkeroever en Avignon heeft een brug (de beroemde Pont Saint-Bénézet), de laatste brug voor de monding.

Raimon VII wordt gesteund door Toulouse maar in de rest van zijn gebied verliest hij één na één zijn medestanders. Zelfs de grote verzetshelden van de eerste kruistocht, zoals de Cabarets, lijken het op te geven. Toch bloeit de kathaarse religie als nooit tevoren! In Pieusse bij Limoux wordt op een concilie zelfs een nieuw bisdom gecreëerd: dat van de Razès. Samen met de reeds bestaande (Agen, Albi, Carcassonne en Toulouse) zijn het er voortaan vijf. Bisschop wordt Benoît de Termes, bijgestaan door filius major Raimon Agulher en filius minor Pons Bernardi. De kathaarse gelovigen zijn talrijker dan ooit, toch opmerkelijk na 15 jaar vervolging en op het moment dat hun verdedigers de handdoek in de ring lijken te gooien.

Op 17 mei 1226 vertrekt de kruistocht vanuit Bourges. Meer dan 50.000 ruiters, zo vertellen ons de bronnen, maar naar goede gewoonte zal dat wel enigszins overdreven zijn. Toch zijn zo goed als alle grote baronnen van het koninkrijk aanwezig, zij het niet allemaal met evenveel overtuiging. We weten dat Thibaut de Champagne allerminst enthousiast was over de campagne. Om zijn ongenoegen te laten blijken was hij al een flink stuk te laat gekomen op de afspraak. Onder de deelnemers zijn ook een aantal veteranen uit de eerste kruistocht zoals Bouchard de Marly en, uiteraard, Amaury en Guy de Montfort. De colonne trekt zonder problemen zuidwaarts en bereikt op 28 mei Lyon. Proviand en materiaal worden ingescheept en het voetvolk trekt zuidwaarts langs de linker Rhône-oever. Op zondag 6 juni bereiken de eerste voorposten Avignon waar hen een onwelkome verrassing wacht. Om het met de woorden van historicus Michel Roquebert te zeggen: “Ze zoeken tevergeefs naar de bloementapijten, er zijn geen kinderen met guirlandes, er wapperen geen welkomstwimpels op de muren en er is geen trompetgeschal om de Franse koning te begroeten. Bovendien zijn de poorten potdicht...”

Avignon, de Pont Saint-Bénézet

Avignon

Raimon VII is ondertussen in de diplomatieke tegenaanval gegaan. Het heeft hem niet al te veel overtuigingskracht gekost om zijn oude bondgenoten te overhalen opnieuw zijn kant te kiezen. Avignon weigert de doorgang aan het koninklijk leger. De koning is woedend maar er zit niets anders op dan de stad te belegeren. Het hele leger staat op de linkeroever en de toegang tot de enige brug in de wijde omgeving ligt binnen de stadsmuren.

Drie maanden lang zal een dapper Avignon de kruistocht blokkeren. Ondanks de plechtige sermoenen van pauselijk legaat de Saint-Ange tegen de stad en haar inwoners, waarin hij ze ervan beschuldigd “vijanden van de Kerk” en een “ketters nest” te zijn.

De Franse koning heeft ook een diplomatiek probleem. Avignon is een leengoed van de Duitse keizer en de paus had ervoor gewaarschuwd die absoluut niet voor het hoofd te stoten. Frederik II reageert bijzonder snel en beklaagt zich bij de paus dat een aantal steden die Raimon VII van hem in leen heeft, wederrechtelijk bezet zijn door de Fransen. De paus antwoordt dat aan de keizerlijke rechten niet zal worden geraakt en dat het maar een tijdelijke maatregel is om de streek te zuiveren van ketters. ‘Ketters’ moet hier gelezen worden als ‘bondgenoten van Raimon VII’. In de Provence waren helemaal geen ketters...

De belegering van Avignon verloopt intussen niet zonder moeilijkheden. Er breekt een epidemie van dysenterie uit die een paar duizend slachtoffers kost (onder hen Bouchard de Marly) en ook de koning zelf wordt ziek. Bovendien vindt een aantal bevelhebbers dat hun quarantaine er nu wel opzet en ze vertrekken terug naar huis. Onder hen (niet verwonderlijk) Thibaut de Champagne.

Maar ook in de stad wordt de toestand stilaan onhoudbaar. Het voedseltekort wordt nijpend en op 12 september geeft Avignon haar verzet op. De stad wordt zwaar gesanctioneerd maar het koninklijk leger kan eindelijk via de brug naar de rechteroever...

De (mini)kruistocht van Louis VIII

Zonder noemenswaardige tegenstand trekt de colonne via Nîmes en Béziers naar Carcassonne. Raimon Trencavel en de graaf van Foix hebben de stad inmiddels verlaten en zich teruggetrokken in Limoux. Andere Occitaanse edelen blijven toestromen om zich te onderwerpen. Ook Jourdain de Cabaret is onder hen maar onderweg wordt hij opgepakt door Toulouse-getrouwen en opgesloten. Hij zal zijn gevangenschap niet overleven.

Van Carcassonne gaat de tocht naar Pamiers en Castelnaudary. Van militaire actie is nauwelijks sprake maar de diplomatie draait op volle toeren. De tocht van de koning is makkelijk te reconstrueren aan de hand van oorkonden en charters.

In Castelnaudary buigt het leger af naar het noorden: Louis VIII geeft het op... Hij beseft dat hij door het oponthoud bij Avignon er niet zal in slagen voor de winter Toulouse in te nemen en, nog altijd ziek en verzwakt, wil hij de winter niet in het zuiden doorbrengen. Via Lavaur trekt de kruistocht naar Albi waar de koning het bevel overdraagt aan zijn neef Humbert de Beaujeu. Die zal ter plekke overwinteren met wat er van de kruistocht overblijft en de koning zal de volgende lente terugkeren om de campagne verder te zetten. Maar daar komt niets van in huis. Op de terugweg, in Montpensier, sterft Louis VIII op 8 september aan ziekte en oververmoeidheid.

En meteen barst het verzet weer los...

Limoux

De oorlog(jes) van Limoux en Cabaret

De kruisvaarders zijn nauwelijks weg, op een kleine troepenmacht na, en het is gedaan met de zuidelijke onderwerping. De dood van de koning doet daar nog een schepje bovenop. De nieuwe koning, Louis IX, is nauwelijks 12 en zijn moeder, regentes Blanche van Castillië, heeft het in eerste instantie te druk met haar eigen opstandige baronnen.

Bij Limoux, waar Raimon Trencavel en de graaf van Foix zich hebben verschanst, breken de eerste schermutselingen uit. Een veertigtal faidits waaronder Pèire-Roger de Mirepoix, hebben de stad stevig in handen maar over het eigenlijke verloop van de gevechten vertellen de historische bronnen weinig of niets.

Een tweede front wordt geopend in de Montagne Noire bij Cabaret. De twee coseigneurs, Pèire de Laure en Pèire-Roger de Cabaret hebben hun vesting na het vertrek van Amaury de Montfort opnieuw opengesteld voor de ketters en Pèire Isarn, kathaarse bisschop van Carcassonne, heeft er zelfs zijn zetel gevestigd. Ook deze plaats wordt zwaar verdedigd door een aantal faidits onder leiding van Bernat-Othon de Niort. Onder hen ook Olivier, zoon van Raimon de Termes. Humbert de Beaujeu komt de plaats belegeren maar hij is niet de eerste die er zijn tanden op stukbijt. Wanneer twee jaar later Cabaret toch aan het koninkrijk wordt overgedragen, zullen de burchtheren er persoonlijk voor zorgen dat alle bons hommes en bonnes femmes vooraf in veiligheid worden gebracht.

Ook Raimon VII laat zich niet onbetuigd en legt de meestal zeer kleine Franse garnizoenen in een aantal versterkte plaatsen het vuur aan de schenen.

Een veelbetekenende ontwikkeling doet zich voor in Narbonne waar aartsbisschop Pierre Amiel in 1227 een concilie bij mekaar roept om, zoals verwacht, de excommunicatie van Raimon VII, de graaf van Foix en Raimon Trencavel te bevestigen. Maar er staat nog een andere maatregel op het programma. Onderzoekscommissies zullen voortaan in elke parochie de jacht op de ketters coördineren. Het is de prille aanzet tot wat later de Inquisitie zal worden...

Het einde van de kruistocht

De Kerk zit ondertussen in een ongemakkelijke positie. Het heeft bloed, zweet en tranen (en veel geld) gekost om de kruistocht op gang te krijgen en nu dreigt ze opnieuw te stranden. Louis VIII is dood en zijn weduwe lijkt zich voorlopig niet met het zuiden te willen bemoeien, ondanks het aandringen van de paus (Gregorius IX). Blanche heeft andere katten te geselen.

Toch is de kruistocht niet helemaal verloren en dat heeft de paus vooral te danken aan Humbert de Beaujeu. Deze ‘ijzervreter’ toont zich een waardig opvolger van Simon de Montfort. Hij gaat er letterlijk met vuile voeten door. Als hij na een belegering Labécède verovert, laat hij zonder meer de hele stad uitmoorden. Deze Beaujeu zal in 1228 het duivelse plan opstellen dat uiteindelijk Raimon VII op de knieën zal krijgen. In de wijde omgeving van Toulouse wordt alles vernietigd, wijngaarden, velden, veestapels. Beaujeu krijgt daarvoor de gretige hulp van troepen uit Bordeaux want de concurrentie in de wijnhandel bestond toen al! Toulouse wordt helemaal geïsoleerd, niemand kan er nog in of uit. Na deze ‘heldendaad’ trekt Beaujeu richting Pamiers met de bedoeling het graafschap Foix aan te pakken. Maar voor het zover komt is de kruistocht achter de rug...

Blanche van Castillië

Regentes Blanche is zich toch met de zaak gaan bemoeien en onderhandelt met pauselijk legaat Romain de Saint-Ange over een stopzetting van de gevechten. De weerstand van de graaf van Toulouse is groter dan verwacht, de kruistocht duurt veel langer dan voorzien en dat kost handen vol geld. Bovendien heeft Blanche een zekere sympathie voor Raimon VII die bovendien familie van haar is (haar neef, hun moeders waren zussen).

Blanche ziet een complete vernedering van de graaf van Toulouse niet zitten en zoekt naar een oplossing waarbij niemand gezichtsverlies lijdt. Ook de paus is wel te vinden voor zo’n oplossing want na bijna 20 jaar is het duidelijk dat de kruistocht de aantrekkingskracht van de kathaarse religie alleen maar heeft versterkt. Er moeten dus andere middelen gevonden worden. Voor het eerst duikt het idee op van een huwelijk tussen Jeanne van Toulouse, enig kind van Raimon VII en “een broer van de koning” waarbij in eerste instantie aan Robert d’Artois wordt gedacht. Het graafschap Toulouse zou op die manier hoe dan ook in de invoedssfeer van het huis Capet komen. Beide kinderen zijn wel familie van mekaar (met dezelfde overgrootouders) maar daar kan dispensatie voor bekomen worden, de paus zal daar zeker niet moeilijk over doen...

Baziège

Baziège

In Baziège ontmoet Raimon VII afgevaardigden van het Franse hof die de vredesvoorstellen van Blanche overbrengen. Dit gesprek voorstellen als een capitulatie van Toulouse klopt niet, het initiatief voor de onderhandelingen komt van de Fransen. Maar in Raimon’s situatie kan hij moeilijk weigeren, de vernielingen van Humbert de Beaujeu geven hem weinig ademruimte.

Van bij het begin is het duidelijk dat de onderhandelingen moeten uitmonden in een totale vrede, niet alleen met het koninkrijk, ook met de Kerk zodat interdict en excommunicatie kunnen opgeheven worden (wat er niet zo goed uitziet voor de katharen). Wat het politieke luik betreft wordt van Raimon gevraagd dat hij voor de gebieden die onder zijn controle blijven de feodale eed van trouw aflegt aan de koning (iets wat hij in 1222 zelf al had voorgesteld aan Philippe-Auguste).

In Parijs zal verder worden onderhandeld. Voor Raimon zal Thibaud, graaf van Champagne, optreden. Raimon VII verklaart zich op voorhand akkoord met het resultaat van deze onderhandelingen en dat had hij misschien beter niet gedaan.

Meaux: de weg naar de vrede

Beide partijen onderhandelen in Meaux en vrij snel volgen de eerste resultaten. Er is absoluut geen sprake meer van de afzetting van de graaf van Toulouse maar zijn graafschap zal wel heel wat kleiner worden. Het zal bestaan uit het (katholieke) bisdom Toulouse met uitzondering van het gebied dat door Simon de Montfort aan Guy de Lévis is toegewezen (de heerlijkheid Mirepoix, ook de Terre du Maréchal genoemd) en verder uit de bisdommen Rodez, Agen en Cahors (buiten de stad Cahors zelf). Van het bisdom Albi krijgt Raimon de rechteroever van de Tarn en de koning de linkeroever, inclusief de stad Albi. Al de rest van Raimon’s gebied wordt toegewezen aan de koning en het markizaat Provence aan de paus.
Er komt een huwelijk tussen Jeanne van Toulouse en één van de broers van de koning en bij deze clausule is echt met elke mogelijkheid rekening gehouden:

Een amnestieclausule bepaalt dat de faidits hun gebieden opnieuw mogen innemen als zij een eed van trouw zweren aan de koning en de paus, m.a.w. als zij geen ketter zijn.
Daarbuiten worden aan Raimon nog een aantal zware financiële voorwaarden opgelegd. Er wordt in Toulouse een universiteit opgericht op zijn kosten en hij moet aan enkele abdijen zware schadevergoedingen betalen.

Het verdrag van Parijs

In januari 1229 wordt in Parijs het definitieve vredesakkoord ondertekend. Het einde van de vijandelijkheden komt er dus niet door het verdrag van Meaux, zoals wel eens wordt beweerd, maar door het verdrag van Parijs. Meaux was slechts een principiële overeenkomst en dat wordt snel duidelijk als je de ontwerptekst naast het definitieve verdrag van Parijs legt. Dat is nog ongunstiger voor Raimon. Het begint al bij de openingszin. In Meaux was dat nog: “Raimon, bij de gratie Gods hertog van Narbonne, graaf van Toulouse en markies van Provence,...” in Parijs blijft daarvan alleen nog “graaf van Toulouse” over...

Raimon tekent, hij heeft geen andere keuze. Maar de Franse koning is niet tevreden met een papieren vrede, hij wil garanties dat het verdrag ook effectief zal worden uitgevoerd, vooral dan wat de afbraak van de muren van Toulouse betreft en het toevertrouwen van Raimon’s dochter Jeanne aan het Franse hof in afwachting van haar huwelijk. Als waarborg zullen enkele hooggeplaatste figuren, waaronder Raimon VII zelf, als ‘gijzelaar’ in Parijs blijven. Niet dat ze worden opgesloten maar ze mogen de stad niet uit zolang niet aan de belangrijkste voorwaarden is voldaan. Na anderhalve maand wordt de ‘luxe-gijzeling’ opgeheven en kan Raimon terug naar Toulouse.

Zijn vazallen zijn erg onder de indruk van de zware eisen, het is voor hen duidelijk dat de graaf onder dwang heeft getekend. Maar Raimon zou Raimon niet zijn als hij zich bij de situatie zou neerleggen. Zeer vlug wordt duidelijk dat hij helemaal niet zinnens is zich aan alle clausules van het verdrag te houden. Militair optreden tegen de ketters is op zich al niet eenvoudig, een belangrijk deel van zijn hoge officieren, baljuws en seneschalken is overtuigd kathaars en ook Raimon zelf voelt niets voor een heksenjacht.

Een ander probleem vormt het markizaat Provence dat hem door de Kerk is afgenomen. Om kans te maken het ooit nog terug te kunnen krijgen is hij wel verplicht zich als goed katholiek en trouwe volgeling van de paus te gedragen. Maar daar is het probleem allesbehalve mee opgelost want het markizaat is eigenlijk een leen van de Duitse keizer en dat is... de aartsvijand van de paus! In de gunst proberen te komen bij de ene, betekent meestal in ongenade vallen bij de andere.

Dan is er nog de opvolging. Als hij de overeenkomst waarbij zijn graafschap vroeg of laat bij het Franse koninkrijk terecht zou komen wil aanvechten, moet hij absoluut een wettelijke mannelijke nakomeling hebben. Vermits dat niet lukt met Sancie van Aragon is de enige mogelijkheid het huwelijk laten ontbinden en hertrouwen. Maar voor zo’n ontbinding is de toestemming van de paus nodig en die zal in ruil ongetwijfeld belangrijke toegevingen vragen. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat de Franse koning dat plannetje niet zou doorzien.

Dit zijn slechts enkele van de problemen waarmee Raimon VII zich de laatste twintig jaar van zijn leven zal moeten bezighouden.

Niet dat de uitvoering van het verdrag intussen soepel verloopt! De katholieke bisschop van Toulouse, die zich oppermachtig voelt, begint al snel zeer repressieve maatregelen tegen de ketters te nemen, daarin gesteund door de pas opgerichte universiteit. De studenten nemen dat niet en komen in opstand tegen hun professoren. Raimon VII doet er nog een schepje bovenop door te weigeren het geld vrij te maken waarmee hij volgens het verdrag de professoren moet betalen. Uiteindelijk komt het bijna tot een open strijd tussen de katholieke geestelijkheid en de bevolking. Overleden verdachten van ketterij worden opgegraven om alsnog te worden verbrand maar ook de levende ketters worden meedogenloos vervolgd en opgepakt. Waarna zij niet zelden door de bevolking opnieuw worden bevrijd.

April 1233

In april 1233 beslist paus Gregorius IX dat het zo niet langer kan. De strijd tegen de ketters moet op een doordachte en gestructureerde manier gebeuren en dat is onmogelijk zolang elke bisschop zijn eigen strategie ontwikkelt. De bisschoppen worden van deze taak ontheven en voortaan zal een permanente rechtbank, bestaande uit speciaal daarvoor aangeduide monniken, aanvankelijk vooral dominicanen, de vervolging van de ketters overnemen: de Inquisitie is geboren.

Dat betekent absoluut niet dat de rust in de steden terugkeert. Integendeel. Buiten Toulouse is er ook onrust in Carcassonne, Albi en Narbonne. Raimon VII zelf steekt zijn afkeer voor het nieuwe instituut niet onder stoelen of banken. Op 10 oktober vinden de consuls van Toulouse dat het welletjes geweest is en laten inquisiteur Guillaume Arnaud uit de stad zetten, een kleine maand later gevolgd door de andere dominicanen. Ze worden door een woedende menigte de stad uitgejaagd en moeten noodgedwongen naar Carcassonne vluchten. Het zal enkele maanden duren vooraleer de paus er in slaagt ze te laten terugkeren.

De toestand voor de katharen begint intussen steeds onheilspellender te worden, maatregelen dringen zich op.

De pog van Montségur

Montségur

Tussen 1220 en 1230 is het vrij rustig geweest in Montségur. Het castrum op de pog wordt nog steeds bewoond maar de meeste ketters, waaronder bisschop van Toulouse Guilhabert de Castres, zijn opnieuw vertrokken. Het gevaar is immers grotendeels geweken na de Occitaanse herovering en de bons hommes hernemen hun gewoon leven van rondtrekken en prediken.

Wanneer de koning van Frankrijk zich met de zaak gaat bemoeien slaat het klimaat opnieuw om. De kruistocht duurt niet zo lang als de eerste keer en er wordt een verdrag gesloten waardoor Raimon VII graaf van Toulouse blijft, maar hij heeft moeten beloven dat hij de ketters hard zal aanpakken en al is daar dan niet echt veel van te merken, ze zijn er toch niet gerust in.

In de herfst van 1232 ontvangt Raimon de Perelha in Montségur een boodschap van Guilhabert de Castres met het verzoek hem te ontmoeten in Villeneuve-d’Olmes. Raimon de Perelha trekt er met een gewapend escorte naartoe en vindt er inderdaad Guilhabert de Castres in het gezelschap van een dertigtal bons hommes. Onder hen Tento, de kathaarse bisschop van Agen met zijn filius major en een aantal diakens waaronder die van Montségur zelf, Joan Cambiaire. Ook zij worden vergezeld door een gewapend escorte. Het is duidelijk dat het hier niet om een toevallige ontmoeting gaat en dat is het ook niet. Guilhabert de Castres heeft een belangrijk verzoek aan Raimon de Perelha. Hij vraagt hem de toestemming om van Montségur niet alleen een schuilplaats maar ook de hoofdzetel van hun kerk te maken.

Raimon de Perelha aarzelt en dat is begrijpelijk gezien het risico dat hij daarmee zou nemen. Hij zou niet alleen de hele katholieke kerk, maar ook de Franse koning tot vijand maken. Uiteindelijk krijgt zijn religieuze overtuiging de bovenhand en geeft hij zijn toestemming. Daarmee begint de geschiedenis van Montségur als hoofdzetel van de kathaarse religie, een geschiedenis die iets meer dan tien jaar zal duren. Alle belangrijke ketterse dignitarissen zullen er een tijdelijke of vaste verblijfplaats vinden. Ook Raimon Agulher, bisschop van het nieuwe bisdom Razès, zal er spoedig zijn intrek nemen.

Raimon de Perelha weet dat zijn castrum een enorm doelwit vormt. Hoe strategisch gelegen ook, tussen de 200 en 300 ketters samen op zo’n kleine plaats vraagt om doeltreffende veiligheidsmaatregelen. Montségur ligt in de Terre du Maréchal, het gebied van Guy de Lévis die de naburige plaatsen Mirepoix, Lavelanet en Laroque d’Olmes stevig in handen heeft en daarvoor rechtstreeks vazal is van de Franse koning. De kans dat de seneschalk van Carcassonne ter plekke verschijnt is reëel, en zelfs van Raimon VII kunnen ze niet helemaal zeker zijn, hij staat onder voortdurende druk van koning en Kerk om zijn geloftes na te komen en de ketters uit te roeien. Al is het dan niet met overtuiging, soms moét hij wel iets doen. Zijn baljuw in Fanjeaux, Massip de Gaillac, zelf een overtuigd gelovige van de ketters, komt een paar maal acte de présence geven maar daar blijft het bij.

Eén keer lijkt het menens en worden vijf bons hommes meegenomen. Onder hen Joan Cambiaire, filius major van Guilhabert de Castres en op dat moment de belangrijkste ketter in Montségur. Volgens een verklaring die Bérenger de Lavelanet jaren later voor de Inquisitie zal afleggen, werden de vijf door Massip meegenomen “zonder dat iemand weerstand bood” en werden zij “naar Toulouse gevoerd om er te worden verbrand.” Zou Raimon dan toch strenger gaan optreden tegen de ketters of is het opnieuw doorgestoken kaart? Het laatste, zo blijkt, want voor iemand die ‘verbrand’ is duikt Joan Cambiaire de volgende jaren toch nog vrij veel op in de streek. Hij verdwijnt pas van het toneel omstreeks 1237 en wordt als filius major van Guilhabert de Castres opgevolgd door Bertran Marty.

Pèire-Roger de Mirepoix

Het castrum van Montségur wordt intussen klaargestoomd voor zijn nieuwe functie als hoofdzetel van de kathaarse kerk. Raimon de Perelha moet absoluut werk maken van de beveiliging van de pog, maar hij is geen soldaat. We zien hem nooit in conflictsituaties, we vinden hem ook nooit als getuige op oorkonden of charters, hij komt nauwelijks van zijn berg af. Niet dat hij een lafaard is, integendeel, het ter beschikking stellen van Montségur aan de ketters is zonder meer een moedige beslissing, maar militaire strategie is hem vreemd. Hij heeft dus iemand anders nodig om die verantwoordelijkheid te dragen en hij kent zo iemand in zijn eigen familie: Pèire-Roger de Mirepoix.

Pèire-Roger de Mirepoix is in zowat alles de tegenpool van Raimon de Perelha. Meestal te vinden in het heetst van de strijd, lid van de generale staf van de graaf van Foix, coseigneur van Mirepoix, uit zijn rechten ontzet door Simon de Montfort, faidit, heeft hij de strijd nooit opgegeven. Bovendien is hij een overtuigd kathaars gelovige. Onder zijn bevel zal Montségur het bijna een jaar uithouden tegen het Franse leger. Hij zal voor de bevoorrading zorgen, Montségur heeft geen eigen landbouw en veeteelt, alles moet aangekocht worden. Als er niets te kopen valt schrikt hij er niet voor terug om in de streek een paar raids te organiseren om aan voedsel te komen. Hij organiseert gewapende escortes om de in- en uitreizende bons hommes te begeleiden.

Er wordt wel eens een vergelijking gemaakt tussen de oude bezadigde Raimon de Perelha en de jonge onstuimige Pèire-Roger de Mirepoix maar dat beeld klopt niet. Beide mannen zijn ongeveer even oud maar totaal verschillend van temperament. Door zijn huwelijk met Philippa de Perelha, dochter van Raimon, zal Pèire-Roger coseigneur worden van Montségur .

Twee- à driehonderd bons hommes en bonnes femmes verblijven In Montségur maar echt permanent is die verblijfplaats niet, het is een voortdurend komen en gaan. De bons hommes komen er voor overleg met hun bisschoppen en ongetwijfeld ook om wat op adem te komen van hun gevaarlijke reizen door de streek. Gelovigen komen er naar de prediking van de bisschoppen luisteren of hen om raad vragen voor hun persoonlijke problemen.

Opstand!

Montségur is het centrum van het religieuze verzet tegen de roomse overheersing maar, en dat is veel minder bekend, het is ook een haard van politiek en militair verzet, zeker sinds Pèire-Roger de Mirepoix er de touwtjes in handen heeft.

Een eerste aanwijzing daarvoor zien we in 1240. Raimon Trencavel, zoon van de ‘held van Carcassonne’, trekt vanuit Aragon over de Pyreneeën, bevrijdt binnen de kortste keren de Corbières en de Razès en rukt op naar Carcassonne. Hij heeft de stad al eens in handen gehad in 1224 maar was opnieuw moeten vluchten tijdens de koninklijke kruistocht. Nu staat hij er terug.

Maar Guillaume des Ormes, seneschalk in Carcassonne, heeft de bui zien hangen en om dringende hulp gevraagd bij de Franse koning die onmiddellijk Jean de Beaumont met een leger naar het zuiden stuurt.

Trencavel onderneemt enkele aanvallen op de stad maar tevergeefs. Intussen komt Jean de Beamont gevaarlijk dichtbij zodat er voor de rebellen niets ander opzit dan de strijd te staken. Ze trekken zich terug in Montréal waar ze op hun beurt door de Fransen worden belegerd. Daarbij verzetten ze zich zo hevig dat Jean de Beaumont besluit te onderhandelen. Trencavel en zijn aanhangers mogen met bagage en wapens terugkeren naar Aragon.

Nogal wat ridders uit Montségur waren van in het begin bij deze opstand betrokken. Pèire-Roger de Mirepoix zelf vinden we aan de zijde van Raimon Trencavel wanneer die naar Aragon terugtrekt. Hij voert zelfs nog enkele kleine achterhoedegevechten met het leger van Jean de Beaumont maar uiteindelijk raakt hij veilig en wel terug op de pog. De opstand is mislukt maar de nauwe betrokkenheid van de ridders uit Montségur bij de operatie bewijst dat er alleszins een vorm van communicatie bestond met Raimon Trencavel in Aragon.

In dezelfde periode keert Raimon VII terug uit de Provence waar hij slag geleverd heeft met de graaf van Provence. In Pennautier heeft hij een ontmoeting met seneschalk Guillaume des Ormes die hem om hulp vraagt om Carcassonne te verdedigen tegen Trencavel. Raimon antwoordt hem dat hij daarover niets kan beslissen zonder zijn raadgevers gehoord te hebben en dat hij dus eerst naar Toulouse moet. Opnieuw een staaltje van ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’, want door zijn feodale eed is Raimon VII in feite verplicht de koning, zijn leenheer, ter hulp te komen.

Louis IX is dan ook niet erg opgezet met Raimon’s reactie en roept hem op het matje naar Montargis waar hij zijn beloftes van 1229 nog eens mag overdoen. Maar er wordt nog een regeltje bijgevoegd en dat is hier niet zonder belang: “Wij zullen het castrum van Montségur laten verwoesten zogauw wij ons ervan hebben kunnen meester maken. Wij zullen alle middelen inzetten om ons er zo spoedig mogelijk  meester van te maken...” Waarschijnlijk is de rol die Montségur bij de opstand gespeeld heeft ook de koning niet ontgaan...

De eerste belegering

Raimon VII houdt woord, daar lijkt het tenminste toch een beetje op, want spoedig verschijnt het grafelijke leger aan de voet van de pog. Het staat onder de leiding van Guilhem Bernardi, baljuw in Montgiscard. De graaf zelf is er niet bij.

We weten met zekerheid dat die belegering heeft plaatsgevonden maar of er ook gevochten is..? In latere verklaringen voor de Inquisitie lezen we dat Guilhem Bernardi, met de toestemming van Pèire-Roger de Mirepoix, naar het castrum geklommen is en daar overleg gepleegd heeft met bisschop Bertran Marty. Over gevechten of eventuele arrestaties geen woord. De belegering wordt opgeheven zonder resultaat. Raimon VII heeft aan de koning zijn goede wil getoond, hij heeft beloofd Montségur te vernietigen “zogauw hij er zich van zou kunnen meestermaken”, welnu hij heeft geprobeerd en het is niet gelukt, punt. De vraag is hoelang de koning deze stukjes theater nog zal dulden. Niet lang meer, zo blijkt.

Het plan van Raimon VII

Raimon VII heeft intussen andere plannen, grote plannen zelfs. Hij is zinnens de wapens op te nemen tegen de Franse koning maar daarvoor heeft hij steun uit het buitenland nodig. Terwijl hij in het graafschap Toulouse doet alsof hij zijn geloftes nakomt, wordt er ondertussen in het diepste geheim onderhandeld. Markgraaf Hugues de Lusignan is zijn eerste bondgenoot. Die onderhoudt uitstekende betrekkingen met Henri III, koning van Engeland, die mee in het complot stapt. De koningen van Aragon, Navarra en Castillië sluiten zich aan bij de coalitie en uiteraard ook Raimon Trencavel en de belangrijkste vazallen van Raimon VII, de graven van Foix, Comminges, Rodez en de burggraaf van Narbonne, kortom een zeer machtige alliantie is op de been gebracht.

Nu komt het er op aan een signaal te geven dat de bevolking mee in de opstand betrekt. Dat signaal zal uit Montségur komen...

Avignonet

Avignonet

Een eerste prikje van Raimon VII komt er op 1 mei 1242. Hij stuurt een brief aan alle bisschoppen in zijn graafschap waarin hij hen opnieuw de verantwoordelijkheid geeft voor de strijd tegen de ketterij. Daardoor zet hij de Inquisitie buiten spel en daarmee gaat hij in tegen de wil van de paus.

Op 26 mei verschijnt er een boodschapper voor de poort van Montségur. Hij heeft een brief bij van Raimon d’Alfaro, een hoge officier van Raimon VII, voor Pèire-Roger de Mirepoix. Diezelfde dag nog verlaat Pèire-Roger met een legertje van 50 ridders en soldaten, die hij een grote buit voorspiegelt, de pog. Ze rijden richting Lauragais en onderweg sluiten zich nog anderen bij hen aan. Op de avond van 28 mei zijn ze in de buurt van Avignonet.

De aanslag, want dat is het, is zeer goed voorbereid. Medeplichtigen binnen de stad openen de poorten en een commando, vergezeld door een aantal stedelingen, rukt op naar de burcht waar inquisiteurs Guillaume-Arnaud en Etienne de Saint-Thibéry met hun gevolg de nacht doorbrengen. De deur van hun slaapplaats wordt ingebeukt en de verrassing is totaal. De twee inquisiteurs en hun negen gezellen worden gedood en hun bezittingen geplunderd. Alle inquisitieregisters worden vernietigd.

Oorlog!

Het bericht van de aanslag verspreidt zich razendsnel door de streek en de bevolking begint zich te roeren want de Inquisitie blijkt dan toch niet zo onaantastbaar te zijn.

Op die onrust wachtte Raimon VII, tien dagen later trekt hij ten strijde tegen de seneschalk van Carcassonne. Door de volksopstand gaat het razendsnel. Samen met Raimon Trencavel, die vanuit Aragon opnieuw de Pyreneeën is overgestoken, bevrijdt hij de Razès, de Corbières en de Minervois. eind juli trekt hij triomfantelijk Narbonne binnen. De aartsbisschop is gevlucht naar Béziers waar ook de seneschalk van Carcassonne, Guillaume des Ormes, zich heeft teruggetrokken en excommuniceert Raimon VII. Maar de bevrijding gaat verder, ook de streek rond Montségur is aan de beurt. Pèire-Roger de Mirepoix verovert Laroque d’Olmes en Raimon de Perelha trekt Lavelanet binnen.

Spijtig voor de graaf van Toulouse heeft de operatie niet overal evenveel succes... Raimon’s coalitie begint zeer snel barsten te vertonen. Markgraaf Hugues de Lusignan raakt vroeger dan voorzien door een persoonlijk geschil in conflict met de koning die hem prompt het Franse leger op de nek stuurt. Dat was niet voorzien en het gevolg is dat, wanneer de Engelse koning Henry III op 20 mei landt in Royan, het Franse leger al in de streek is en hem als het ware staat op te wachten. Weg verrassingseffect! Bovendien heeft Henry maar 300 ridders bij zich, het was zijn bedoeling soldaten aan te werven in zijn Franse gebieden. Wanneer hij dan uiteindelijk op 20 juli in Taillebourg tegenover de Fransen staat, blijkt zijn legertje veel te zwak en moet hij op de loop naar Bordeaux. Markgraaf de Lusignan kiest intussen eieren voor zijn geld en sluit vrede met Louis IX.

Wanneer Raimon VII, die intussen in de buurt van Carcassonne aan een ware triomftocht bezig is, dat allemaal verneemt, rukt hij onmiddellijk op naar Bordeaux. Het Franse leger marcheert ondertussen naar Toulouse, maar Raimon slaagt erin het klem te zetten in Penne-d’Agenais.

Maar het is te laat. De coalitie zakt als een pudding in mekaar. Wanneer de graaf van Foix in oktober de kant kiest van Louis IX en een schriftelijke oorlogsverklaring stuurt naar Raimon VII, kan de graaf van Toulouse geen kant meer op en gaat onderhandelen. Begin 1243 ondertekent hij een vredesverdrag waarin hij nog maar eens belooft de overeenkomst van 1229 stipt uit te voeren.

Een consequentie van dat vredesverdrag is dat de koning wil dat de schuldigen van Avignonet gestraft worden. Wie kan gearresteerd worden wordt opgehangen. Maar zoals gewoonlijk geeft de graaf van Toulouse bij deze opdracht geen blijk van grote ijver. Wanneer Raimon’s baljuw in Avignonet de opdracht krijgt alle medewerkers aan de aanslag te arresteren, helpt hij de betrokkenen zelfs zich te verbergen... Een groot deel van de daders zit in Montségur en ondanks zijn ‘ijverige’ pogingen, is Raimon VII er nog steeds niet in geslaagd die plaats in te nemen...

Béziers

Het concilie van Béziers

Na het nieuwe verdrag met de koning moet er uiteraard ook een volgen met de Kerk. In april 1243 wordt in Béziers een concilie georganiseerd waar Raimon zich opnieuw onderwerpt aan Rome. Maar er staat nog een punt op de agenda dat zware gevolgen zal hebben voor Montségur. Als de graaf van Toulouse het vertikt om maatregelen te nemen, zal de koning het zelf doen. Hij heeft een nieuwe seneschalk voor Carcassonne benoemd, Hugues des Arcis, en die heeft als opdracht Montségur kost wat kost te vernietigen. Vermits zijn eigen legertje te beperkt is voor zo’n operatie kondigt hij een algemene mobilisatie af in de naburige dorpen en steden, zeer tegen de zin van de plaatselijke bevolking.

Uiteindelijk zal een leger van enkele duizenden manschappen onder leiding van Hugues des Arcis naar Montségur optrekken. Geestelijke leider van deze ‘derde kruistocht’ is Pierre Amiel, aartsbisschop van Narbonne.

De belegering

Aanvankelijk is er nauwelijks sprake van een belegering. Er wordt een kamp ingericht en er wordt gepatrouilleerd maar om de ganse pog te omsingelen, een afstand van meer dan drie kilometer, is er niet voldoende mankracht. De bewoners van het castrum lijken nauwelijks hinder van de operatie te ondervinden, de bewaking is zo lek als een zeef. Bons hommes komen en gaan zoals vroeger, misschien niet meer langs de gewone toegangsweg, maar er zijn sluipwegen genoeg. De communicatie tussen Montségur en de buitenwereld zal trouwens op geen enkel moment van de belegering helemaal verbroken worden, boodschappers gaan in en uit, versterkingen worden aangevoerd, allemaal ongetwijfeld tot grote ergernis van Hugues des Arcis maar hij kan er weinig tegen beginnen. De belegerden hebben een uitstekende terreinkennis en worden bovendien een handje geholpen door sommige opgeëiste milities van de seneschalk. Met name de militie van Camon fungeert meer als portier dan als belegeraar...

Pèire-Roger de Mirepoix die zeer snel door heeft dat het nu menens is doet intussen al het nodige om de omwalling waar nodig te verstevigen, legt voorraden aan en laat materiaal aanvoeren om katapulten en ander verdedigingstuig te bouwen. Alle ridders en soldaten die op missie zijn worden zo vlug mogelijk teruggeroepen.

In mei 1243 begint de belegering dan toch stilaan op een belegering te lijken, maar is ook de verdediging sterk uitgebouwd. In Montségur bevinden zich dan een 200-tal bons hommes en bonnes femmes en een 150-tal andere bewoners, samen tussen 350 en 400 mensen. De eerste doden en gewonden vallen in het castrum.

Pèire-Roger de Mirepoix wil intussen zekerheid over de houding van Raimon VII. Na het verraad van de graaf van Foix had die, als opperleenheer, de streek naar zich toegetrokken maar daar waren ze in Foix uiteraard niet gelukkig mee, met een aantal schermutselingen als gevolg. De uitkomst van die gevechten is voor Montségur van levensbelang. Roger de Foix heeft zich achter de koning geschaard en van hem is geen hulp meer te verwachten, integendeel, maar bij Raimon VII ligt dat anders. Als hij in de streek het overwicht kan behalen, kan hij Montségur eventueel ter hulp komen... Er wordt dus een boodschapper uitgestuurd, Escot de Belcaire, die een vuur zal ontsteken op een nabijgelegen berg als “de graaf zijn zaken onder controle heeft”. En zo gebeurt. Maar Pèire-Roger wil nog meer informatie en stuurt boodschappers naar zijn broer Isarn de Fanjeaux om te weten “in welke mate de graaf zijn zaken onder controle heeft”. Ditmaal is het antwoord wat uitgebreider: “De graaf is hertrouwd, maar hij zal ter hulp komen voor Kerstmis. Zolang moet Montségur het zien uit te houden.”

Het lijkt alsof Raimon VII werkelijk zinnens is tussen te komen in Montségur van zodra hij zijn andere problemen heeft opgelost. In de eerste plaats wil hij trachten zijn dynastie te redden, dus hertrouwen en voor een mannelijke nakomeling zorgen. Verder moet hij de Kerk zover zien te krijgen dat zijn excommunicatie wordt opgeheven en hij het markizaat Provence terugkrijgt. Dan kan hij zijn vazallen in Montségur ter hulp komen en zo zijn feodale rechten op het gebied herstellen.

De verdedigers van Montségur hebben alleszins vertrouwen in deze gang van zaken, want het is de enige verklaring voor hun hardnekkige weerstand tegen een overmacht waar zij het onmogelijk van kunnen halen. Met de hulp van buitenaf kan dat wel en volhouden tot Kerstmis is een realistische vraag. Het verzet wordt dus voortgezet.

De beklimming

De belegering zit muurvast terwijl het leven binnen het castrum zo goed als mogelijk zijn gewone gang gaat. Als de belegeraars op voldoende afstand kunnen gehouden worden, is het gevaar trouwens beperkt. Het terrein sluit elk gebruik van belegeringsmachines als katapulten en aanvalstorens uit, zodat het binnen de nederzetting vrij rustig blijft, Bertran Marty en zijn collega’s zetten hun prediking gewoon verder.

Kerstmis komt intussen dichterbij en dus ook de winter. Hugues des Arcis beseft dat hij iets moet ondernemen want dat anders zijn leger tijdens de koude wintermaanden hopeloos geblokkeerd zit aan de voet van de berg. Hij besluit een ultieme poging te wagen om vaste voet op de pog te krijgen. Vermits al zijn bewegingen vanuit Montségur nauwlettend worden gevolgd, besluit hij het van de andere kant te proberen. Aan de oostzijde van de bergkam ligt het laagste punt van de verdediging: de Roc de la Tour, zo goed als onbereikbaar door loodrechte rotswanden. Daar besluit Hugues des Arcis zich op te concentreren. Kroniekschrijver Guillaume de Puylaurens vertelt: “lichtbewapende soldaten werden naar de voet van de rots gestuurd om, samen met mannen die de streek kenden, ‘s nachts de beklimming van de verschrikkelijke rotswand in te zetten. Ze kwamen bij een bouwsel dat in een hoek van de rots stond en doodden bij verrassing de schildwachten...” – “...Als ze ‘s morgens zagen langs welke verschrikkelijke weg ze ‘s nachts waren bovengekomen, werd het duidelijk dat ze dat nooit in klaarlichte dag zouden gedurfd hebben; ze maakten vervolgens een gemakkelijkere weg vrij voor de rest van het leger.”

Die enkele lijnen van de kroniekschrijver zijn de enige bron die we hebben over deze beklimming maar je hoeft maar de Roc de la Tour van dichtbij te bekijken om het gevaar in te schatten. Ook nu loopt er langs daar nog een pad naar boven (misschien wel de ‘gemakkelijkere’ weg die werd vrijgemaakt), maar om in het pikdonker, met de vijand in de buurt, daar ongemerkt naar boven te klimmen is een heel risicovolle operatie, ook al werden zij dan vergezeld door ‘mannen die de streek kenden’. Was er verraad in het spel? Misschien waren niet alle milities zo Montségur-gezind als die van Camon.

Dit is een keerpunt in de belegering: de aanvallers hebben vaste voet op de bergkam. Weliswaar op het laagste punt, maar de helling die ze dan nog moeten overbruggen om het castrum te bereiken is niets in vergelijking met de toegang via de westkant. De taktiek is duidelijk: ze zullen trachten langs hier de nederzetting dicht genoeg te naderen om katapulten te kunnen opstellen. De belegerden laten niet zomaar begaan. Uit het groot aantal speerpunten dat werd gevonden blijkt dat ze wel degelijk hebben geprobeerd de rots opnieuw in te nemen, maar tevergeefs.

De ketters zien het gevaar toenemen en besluiten hun bezittingen in veiligheid te laten brengen. Hierover zal later nog heel wat inkt vloeien, nochtans staat alles wat we er werkelijk van weten in een paar zinnen vermeld in de inquisitieverslagen, bijvoorbeeld in de ondervraging van soldaat Imbert de Salles. We lezen: “De ketter Mathieu vertelde me dat hijzelf en Pèire Bonnet, diaken van de ketters van Toulouse, toen ze Montségur verlieten met goud, zilver en een grote hoeveelheid geld, dat deden langs de kant waar de mannen van Camon de wacht hielden. Die gaven hen vrije doorgang. De ketters trokken dan naar een grot in de Sabarthès, eigendom van Pons-Arnaut de Châteauverdun. Het was tegen Kerstmis.” Ziedaar alles wat we werkelijk weten over de ‘schat van Montségur’...

Die ‘schat’ bestond ongetwijfeld uit de kas, elke kathaarse gemeenschap had er zo een, die gebruikt werd om in het onderhoud van de nederzetting en zijn bewoners te voorzien. Die ‘schat’ werd vóór Kerstmis uit de burcht gesmokkeld omdat de katharen hem niet in handen van de belegeraars wilden laten vallen. De enige bron die we hierover hebben spreekt over goud, zilver en geld, geen woord over de ‘Heilige Graal’...

De twee trekken naar de Sabarthès waar een aantal versterkte grotten zijn die bewaakt worden door kleine garnizoenen voor rekening van de graaf van Foix. Veel bevelhebbers waren overtuigde kathaarse gelovigen, zo ook Pons-Arnaut de Châteauverdun die trouwens zelf al Montségur bezocht had. Zijn broer was gehuwd met de zus van Pèire-Roger de Mirepoix...

Om welke grot gaat het hier? Onmogelijk te zeggen, er zijn er nogal wat. We weten alleen dat het zeker niet Lombrives was, de bevelhebber daar was Bernat de Durfort.

Montségur

Katapulten

De Fransen zijn intussen zo dicht genaderd dat ze werptuigen kunnen opstellen en de vesting onder vuur komt te liggen maar Pèire-Roger de Mirepoix slaat terug. Ondanks het feit dat de belegeraars op de berg staan, zijn ze er nog steeds niet in geslaagd Montségur volledig te isoleren, de ‘Camon-poort’ werkt nog steeds. Gedurende de eerste dagen van 1244 komt er opnieuw versterking in de persoon van Bertran de La Baccaillaria, specialist in oorlogsmachines, m.a.w. hij bouwt katapulten, ze zullen hem dus goed kunnen gebruiken. Maar hoe komt zo’n ingenieur plots in Montségur terecht? Bertran werd gestuurd door een zekere Bertran de Laroque en die is... baljuw van Raimon VII!

Het artillerieduel moet alleszins hevig geweest zijn. Ook nu nog zijn er in het bos op de bergkam projectielen, soms tot 80kg, te vinden. Op de site van het castrum zelf hebben archeologen er nog een twintigtal gevonden waarvan een aantal te bekijken zijn in het museum van Montségur.

De ultieme aanval

In februari zijn de aanvallers zo dicht genaderd dat het castrum stilaan geïsoleerd raakt. Dat ondervindt Mathieu wanneer hij terugkeert van zijn missie. Hij heeft twee mannen bij zich die gestuurd zijn door Isarn de Fanjeaux. Met veel moeite raken ze de vesting binnen, het zullen de laatste contacten zijn die Montségur heeft met de buitenwereld, al slaagt Mathieu er toch nog in het castrum opnieuw te verlaten. Ze hebben niet alleen wapens bij zich maar weer zo’n cryptische boodschap van Isarn waarin hij zijn broer Pèire-Roger zegt “stand te houden tot Pasen, want dan zal de graaf van Toulouse met een legermacht van de Duitse keizer hulp komen bieden...” Een vreemde boodschap, maar toch weer niet zó vreemd. Keizer Frederik II is in Italië een conflict met de paus aan het uitvechten en Raimon VII is hem daar gaan opzoeken om steun te vinden om het markizaat Provence terug te krijgen. Dat lijkt te lukken en een boodschapper vertrekt onmiddellijk naar zijn vertrouweling Sicard Alaman. Die Sicard, plaatsvervanger van Raimon VII tijdens diens afwezigheid, staat in nauw contact met de rebellen in Montségur.

Begin februari 1244 zijn de belegeraars zo dicht genaderd dat ze een aanval met ladders op het castrum zelf kunnen inzetten. Die aanval wordt met zware verliezen afgeslagen. Er vallen trouwens steeds meer slachtoffers, de vijandelijke artillerie bombardeert voortdurend en bovendien beginnen de voorraden te slinken, de situatie begint er slecht uit te zien.

Op 1 maart 1244 wordt Pèire Ferrer dodelijk getroffen. Hij is de baljuw van Pèire-Roger de Mirepoix en het laatste bekende slachtoffer van de gevechten om Montségur. De dag nadien vraagt Pèire-Roger aan Hugues des Arcis om te onderhandelen...

De overgave

Vrij snel wordt een overeenkomst bereikt. Aan de bons hommes en bonnes femmes wordt de keuze gelaten: hun geloof afzweren of de brandstapel, er is geen andere weg. Het lot van de andere bewoners wordt in de eerste plaats bepaald door het onderhandelaarstalent van Pèire-Roger. Ze gaan vrijuit, ook zij die vroeger reeds veroordeeld waren en ook zij die hebben deelgenomen aan de aanslag in Avignonet. Pèire-Roger heeft een algemene amnestie uit de brand gesleept. Eén voorwaarde staat daartegenover: iedereen moet zich melden voor een ondervraging door de Inquisitie.

Dan is er nog die vreemde overeenkomst waarbij Hugues des Arcis aan Pèire-Roger de Mirepoix een bestand toestaat van twee weken alvorens Montségur aan de Fransen zal worden overgeleverd. Twee weken waarin de gevechten stilvallen, twee weken waarin de belegerden wachten of er misschien toch nog hulp komt opdagen, twee weken waarin de bons hommes en bonnes femmes zich voorbereiden op hun onontkoombaar lot. Ze verdelen hun schamele bezittingen onder de andere bewoners.

Stellen dat Pèire-Roger de ketters zonder meer aan de brandstapel overlevert is onjuist. Onder geen enkele voorwaarden zou Hugues des Arcis, met de inquisiteurs naast hem, hen vrijuit hebben laten gaan maar door zijn harde onderhandelingen heeft hij wel het leven gered van alle anderen.

En dan gebeurt er weer iets vreemds. Op zondag 13 maart 1244 vragen 21 kathaarse gelovigen aan de bisschoppen Bertran Marty en Raimon Agulher om het consolament te mogen ontvangen... Ze konden vrijuit gaan maar het consolament zal hen onvermijdelijk op de brandstapel brengen. Historicus Michel Roquebert noemt dit het ‘échte geheim van Montségur’. Het is alleszins tekenend voor de kracht van het kathaarse geloof.

De laatste nacht

De laatste uren van Montségur zijn aangebroken als er iets gebeurt dat eeuwen later nog de gemoederen zal beroeren. In de verklaringen van Bertran de Lavelanet, Guilhem de Bouan en Arnaut-Roger de Mirepoix voor de Inquisitie lezen we dat “in de nacht van 15 op 16 maart, vier ketters werden verborgen onder de grond.” – “Ze werden met een touw langs de afgrond uit Montségur neergelaten.” En “dat gebeurde omdat de kerk van de ketters haar schat, die verborgen was in het bos, niet zou verliezen.”

Vier bons hommes zijn ontsnapt aan de brandstapel, ongetwijfeld op vraag van Bertran Marty en met de hulp van Pèire-Roger de Mirepoix die daarvoor het verdrag op de helling zette.

Uit enkele verklaringen valt min of meer de weg te reconstrueren die de vier hebben afgelegd, we vinden hen terug in Usson waar ze Mathieu ontmoeten. Hij was een van de mannen die de ‘schat’ had verborgen, meer dan waarschijnlijk lag de bergplaats daar dus ergens in de buurt, misschien een van de grotten op de rechteroever van de Ariège. Vandaar is de ‘schat’ zo goed als zeker naar de kathaarse gemeenschap in ballingschap in het Italiaanse Lombardije gebracht.

Het einde

Woensdag 16 maart nemen de militaire en geestelijke leiders van de overwinnaars officieel bezit van Montségur. De bons hommes en bonnes femmes worden uit het castrum gehaald en bij mekaar gebracht op een reusachtige brandstapel. De plaats van het gebeuren kennen we niet al is er één bron die zegt ‘aan de voet van de berg’, misschien wel ter hoogte van het monumentje dat er nu staat...

Niemand zweert zijn geloof af, tussen de 200 en 225 bons hommes en bonnes femmes worden levend verbrand...
Drieënzestig onder hen kennen we bij naam:

Raimon Agulher
Guillelme Aicard
Pons Aïs
Pèire Arrau
Bernat d’Auvezines
Raimonda Barbe
Raimon de Belvis
Arnaut de Bensa
Estève Boutarra
Brézilhac de Cailhavel
Pons Capelle
Guirauda de Caraman
Arnaut des Cassès
Clamens
Joan de Combel,
Saissa du Congost
Raimonda de Cuq
Guilhem Déjean
Guilhem Delpech
Arnaut Domergue
Bruna
Rixende Donat
India de Fanjeaux
Guilhem Garnier
Arnaut-Raimon Gaut
Bernat Guilhem,
Marquèsa Hunaut de Lanta
Estève Isarn
Raimon Isarn
Guilhem d’Issus
Joan de Lagarde
Bruna de Lahille
Guilhem de Lahille
Limoux
Raimon de Marceille
Bertran Marty
Guillelme d’En-Marty
Pèire du Mas
Maurine
Braida de Montserver
Arsende Narbona
Guilhem Narbona
Pons Narbona
Raimon de Niort
Arnaut d’Orliac
Corba de Péreille
Esclarmonda de Péreille
Péronne
Guilhem Peyre
Alazaïs Raseire
Guilhem Razoul
Joan Rey
Pèire Robert
Martin Roland
Raimonvde Saint-Martin
Bernat de Saint-Martin
Pèire Sirven
Taparel
Rixende de Telle
Arnaut Teuly
Raimon de Tournebouix
Ermengarde d’Ussat
...

Pèire-Roger de Mirepoix trekt naar Montgaillard bij Foix maar na mei 1244 verliezen we hem definitief uit het oog, al blijkt uit een verklaring dat hij in de periode 1259-1262 nog in leven was en nog steeds faidit.

Onmiddellijk na de overgave beginnen de inquisiteurs met hun ondervragingen, een deel van de archieven hebben de eeuwen overleefd. Van Raimon de Perelha hebben we slechts gedeeltelijke verklaringen, van Pèire-Roger de Mirepoix geen enkele.

Raimon VII keert pas in oktober uit Italië terug waar hij tevergeefs vrede heeft proberen te stichten tussen de nieuwe paus Innocentius IV en de Duitse keizer. De paus aanvaardt zijn voorstellen, de keizer verwerpt ze. Geen Duitse steun dus voor de graaf van Toulouse, daarmee was het lot van Montségur definitief bezegeld...

Overzicht | Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 | Deel 5