Vader en zoon Raimon zijn in Marseille wanneer een boodschapper hen komt melden dat ze dringend in Avignon worden verwacht.
Guilhem de Tudela beschrijft in het Canso hun aankomst in de stad:

“...Zij arriveerden bij valavond. De stad wachtte ze op met groot trompetgeschal. Gans Avignon liep ze tegemoet. Overal werd er geroepen ‘Toulouse! Toulouse!’...”

Ook de welkomsttoespraak laat er geen twijfel over bestaan:

“...Heel Avignon onderwerpt zich aan uw heerschappij, iedereen schenkt u zijn persoon, zijn bezittingen, de stad met haar sleutels...”

Nu de strijd voor de Raimons definitief verloren leek, komt de Provence in opstand.

Dat gebied heeft relatief weinig geleden onder de kruistocht. Natuurlijk trokken de noordelijke legers en versterkingen er steeds doorheen maar strijd werd er niet gevoerd. Daar was ook niet echt een reden voor: de kathaarse religie kent er nauwelijks succes. Dat wil niet zeggen dat de Provençaalse adel zich zomaar neerlegt bij de Franse overheersing.

Avignon

Van Avignon trekt Raimon VI naar Salon waar een coalitie van zijn vazallen uit het markizaat hem opwacht onder leiding van Guy de Cavaillon. Later heeft hij een afspraak met de prins van Orange, Guillaume des Baux (Occ.: Guilhem dels Baus). Dat is een oude vijand wiens grondgebied midden in Raimon’s markizaat ligt. Hij heeft al lang zijn oog op de hele Provence laten vallen en weet dat zijn beste kansen bij de kruisvaarders liggen. Raimon moet al zijn diplomatieke overtuigingskracht bovenhalen om een vage belofte van neutraliteit los te krijgen.

De ene Provençaalse stad na de andere sluit zich bij het verzet aan. Uiteindelijk zijn tussen Valence en de monding van de Rhône nog slechts een vijftal plaatsen op de hand van Montfort (Alès, Orange, Corthézon, Saint-Gilles en Les Baux). De opstandelingen krijgen versterking van een aantal faidits uit het voormalige Trencavel-gebied. Onder hen een oude bekende, Guilhem de Minerve, in 1210 overwonnen na de verschrikkelijke belegering van zijn stad, nu opnieuw in het verzet. Raimon VI, die lessen heeft getrokken uit het verleden, vormt een legerstaf rond zijn zoon om de opstand in goede banen te leiden. Stafchef wordt Guy de Cavaillon die de jonge graaf zal bijstaan in de strijd. Raimon VI zelf trekt naar Aragon om steun te zoeken bij zijn vroegere bondgenoten.

De belegering van Beaucaire

Als de opstandelingen sterk genoeg zijn om Montfort een eerste slag toe te brengen, ligt het doel voor de hand: Beaucaire, op de rechteroever van de Rhône. De stad werd door het concilie van Lateranen aan Raimon VI toegewezen, maar omwille van haar strategische ligging wordt ze nog steeds bezet door een garnizoen van Montfort onder het bevel van Lambert de Thury. Beaucaire is uitgegroeid tot het hoofdkwartier van de kruisvaarders voor hun oostelijke sector. Simon de Montfort zit in Frankrijk, zijn broer Guy is in de buurt van Toulouse, ze lijken zich van geen kwaad bewust, het moment is dus zeer geschikt. Voor de jonge graaf is er nog een bijkomende persoonlijke reden: Beaucaire is zijn geboorteplaats en hij wordt door notabelen en bevolking ontvangen als een bevrijder. Intussen ontschepen aan de andere kant van de stad vlooteenheden uit Avignon en Tarascon.

Het bericht van de inname heeft intussen ook de tegenpartij bereikt. Guy de Montfort trekt met zijn kruisvaarders in ijltempo naar de Provence. Op drie dagen overbruggen ze een afstand van 260 km en staan ze in Nîmes. Daar worden de verschillende eenheden van het kruisvaardersleger samengebracht. Ook maarschalk Guy de Lévis is ter plaatse. Op 5 juni rukken ze op naar Beaucaire waar de Occitanen zich niet laten zien, op een paar schermutselingen na wordt er niet gevochten.

Zij zitten natuurlijk in een vrij comfortabele positie: ze belegeren het garnizoen in de burcht, ze worden zelf belegerd door de troepen van Simon de Montfort die intussen is aangekomen, maar controleren wel de Rhône. Zwaar bewapende schepen uit Avignon en Tarascon blokkeren de rivier op alle strategische plaatsen. Ondanks Montfort’s belegering komt de bevoorrading op geen enkel ogenblik in gevaar. (“...ossen, varkens, koeien, schapen, kippen, graan, wijn, het lijkt het beloofde land wel...,” schrijft het Canso). Voor de kruisvaarders is dat ongetwijfeld een zware psychologische opdoffer. Zij zien de ganse tijd zwaar beladen schepen voorbij varen, terwijl ze zelf slechts met veel moeite vanuit Saint-Gilles en Nîmes enige bevoorrading kunnen organiseren. Een aantal van hun konvooien valt dan nog in handen van de Occitaanse guerrilla.

Beaucaire

Montfort staat voor de keuze: als hij zijn garnizoen in de burcht wil bevrijden moet hij eerst de stad innemen en wel zo vlug mogelijk, want de opstandelingen lijken steeds sterker te worden. Er zal hoe dan ook gevochten moeten worden...

En de volgende ochtend is het zover, alleen komt het initiatief van de tegenpartij. Het leger van de jonge Raimon verlaat de stad en stelt zich op in slagorde. Onmiddellijk grijpt de Franse ruiterij in maar de Occitanen slaan de aanval met succes af, achtervolgen nog even de vijand om die niet de kans te geven zich te hergroeperen, en verschansen zich vervolgens weer in de stad. Deze strategie, een soort van “offensieve defensie”, zullen ze blijven gebruiken. Montfort staat er machteloos tegenover. Bovendien beginnen zijn bevoorradingsproblemen door te wegen terwijl het de belegerden aan niets ontbreekt en zij het op deze manier wel eeuwig kunnen uithouden. De kruisvaarders zouden dus allereerst de controle over de Rhône moeten verwerven maar de consuls van Tarascon, de stad die tegenover Beaucaire op de linkeroever ligt, weten dat ook. Alle doorgangen en eilandjes van Arles tot Vallabrigues worden bewaakt door bewapende schepen, om van de vijandelijke oeverbewoners nog maar te zwijgen.

In deze patstelling verstrijken juni en juli. Er komen versterkingen, maar die zijn meestal voor de Occitanen. Zo verschijnt op een dag een belangrijke vlooteenheid op de Rhône. Ze komt uit Marseille en voert grote troepen infanterie aan. De ruiterij uit die stad rukt ondertussen over land op naar Beaucaire.

In de burcht zit nog steeds het garnizoen van Montfort. De vesting wordt onophoudelijk beschoten, de donjon is al vernield, maar Lambert de Thury houdt stand. Het kruisvaardersleger buiten de muren wacht intussen af. Een onhoudbare situatie want intussen circuleert door het hele land het gerucht dat Montfort, die onoverwinnelijk leek, schaakmat gezet wordt door een jonge graaf van achttien jaar.

Begin augustus zijn in de burcht de voedselvoorraden helemaal uitgeput en moeten de belegerden hun eigen paarden opeten om te overleven. Montfort geeft het op. Hij heeft geen andere keuze, zijn leger is niet meer in staat om de gevechten nog verder te zetten, hij vraagt om onderhandelingen. Als het garnizoen vrij uit het kasteel mag vertrekken zal hij de belegering opgeven. De jonge Raimon stemt toe en op 24 augustus trekken de kruisvaarders zich terug in Nîmes.

Eén van de hoofdfiguren uit het drama heeft deze afloop niet meer mogen meemaken: op 16 juli is paus Innocentius III op vijfenvijftigjarige leeftijd gestorven. Hij wordt opgevolgd door Honorius III.

Toulouse

Op drie dagen trekt Montfort van Nîmes naar Toulouse want hij heeft onheilspellende berichten ontvangen. Raimon VI zou klaarstaan om met een leger vanuit Aragon naar de stad op te rukken. Dat gerucht heeft de bevolking weer opstandig gemaakt. Maar ze zijn te voorbarig geweest, als Montfort Toulouse bereikt is er van Raimon VI geen spoor. Een aantal notabelen wordt aangehouden als represaille en de kruisvaarders trekken plunderend de stad binnen. Montfort’s schatkist is na zijn nederlaag in Beaucaire zo goed als leeg en hij wil Toulouse daarvoor laten opdraaien.

De bom barst als de zware ruiterij, onder leiding van Guy de Montfort, de stad wil binnentrekken. Met alle mogelijke projectielen worden de Fransen bekogeld. Er breken hevige gevechten uit zodat een gedeelte van de kruisvaarders zich haastig moet terugtrekken. Zelfs met het bevel de stad in brand te steken slaagt Montfort er niet in de opstand te bedwingen. Ondanks herhaalde charges raken de kruisvaarders Toulouse niet in en zij die bij de eerste plunderaars hoorden raken er niet meer uit. Een aantal kruisvaarders wordt gevangen genomen. Voor een woedende Montfort blijft er niets anders over dan zich terug te trekken in het Château Narbonnais.

Bisschop Fulco gaat bemiddelen. Hij tracht de bewoners ervan te overtuigen hun verzet op te geven. Een echte belegering kunnen zij toch niet aan, de stadsmuren zijn bijna helemaal ontmanteld. Hij belooft dat hij zal trachten Montfort te overtuigen edelmoedig te zijn en de stad niet te zwaar te straffen. Na enige aarzeling geven de stedelingen toe maar tegen de afspraken in reageert Montfort fel: hij laat alle onderhandelaars in de boeien slaan en eist dat zijn gevangen kruisvaarders op staande voet worden vrijgelaten. Toulouse is in de val gelopen. Razzia’s worden georganiseerd, wapens in beslag genomen en grote delen van de bevolking gedeporteerd. De bedoeling van Montfort is duidelijk: zich wreken voor de nederlaag in Beaucaire en een schrikbewind vestigen zodat elke aanzet tot een nieuwe opstand in de kiem wordt gesmoord.

Montfort opnieuw in de Provence

Nu in Toulouse en Foix orde op zaken is gesteld, besluit Montfort voorgoed af te rekenen met de jonge graaf Raimon in de Provence. Die bevindt zich op dat ogenblik in Avignon van waaruit hij met vaste hand de opstand dirigeert. Zijn vader zoekt ondertussen volop steun aan de andere kant van de Pyreneeën en lijkt daar enig succes te boeken. Hij komt voor een paar weken over naar de Provence voor overleg met zijn zoon. Wat zij zo dringend te bespreken hebben zal spoedig duidelijk worden.

Intussen is ook Montfort weer in de buurt. Met een snelle campagne, zoals we dat van hem gewoon zijn, heeft hij de rechteroever van de Rhône in handen gekregen, met uitzondering van enkele versterkte plaatsen waaronder uiteraard Beaucaire. Dat betekent niet dat hij er zich veilig kan voelen. Zijn veroveringen leveren hem dan wel kastelen en steden op maar niet de sympathie van de bevolking. In Pont-Saint-Esprit ontsnapt hij ternauwernood aan een aanslag.

De kruisvaarders steken de Rhône over in de buurt van Viviers en rukken op naar Montélimar. Vervolgens gaat de campagne naar de gebieden van Adhémar de Poitiers, éen van de belangrijkste vazallen van Raimon VI. Als Montfort hem kan uitschakelen verliest de jonge graaf zijn belangrijkste steunpunt in het noorden. De Fransen vernielen een aantal dorpen en belegeren Crest. De prins van Orange, Guilhem des Baux, vervoegt hen hier met versterkingen en zet dus een punt achter de met Raimon VI overeengekomen neutraliteit.

Eens te meer is Montfort aan een succesvolle campagne bezig, vastbesloten voorgoed af te rekenen met de opstandige Provence. Maar waarom heeft de jonge Raimon niet ingegrepen? Waarom heeft hij Montfort bijna ongehinderd zo ver naar het noorden laten oprukken?
Het antwoord wordt spoedig duidelijk...

Toulouse..!

De overwinningssfeer in het Franse kamp slaat vlug om als een boodschapper uit Toulouse opdaagt, gestuurd door Montfort’s echtgenote Alix. Het nieuws dat hij brengt komt aan als een mokerslag: Raimon VI is met een leger uit Aragon over de Pyreneeën getrokken, opgerukt naar Toulouse en heeft binnen de kortste keren de stad terug onder zijn controle gebracht. Toulouse viert weer feest...

“En wanneer de graaf door de gewelfde poorten binnenreed, liep de ganse bevolking hem tegemoet, groot en klein, dames en heren, mannen en vrouwen. Zij wierpen zich op hun knieën en kusten zijn kleren, zijn voeten, zijn armen, zijn benen, zijn vingers. Met tranen van vreugde werd hij begroet. En het volk zei: ‘Nu staat Christus aan onze kant, want daar is onze graaf terug die we zo gemist hebben...’” (Canso)

Montfort staat opnieuw schaakmat. Hij is het slachtoffer geworden van de nieuwe strategie van de Raimons. De jonge graaf in de Provence en zijn vader in Toulouse kaatsen hem over en weer als een pingpongbal, hij is verplicht op twee fronten te vechten en het initiatief ligt niet meer bij hem. Het was geen toeval dat de jonge Raimon de kruisvaarders zo ver liet doorstoten zonder in te grijpen, precies op het moment dat Raimon VI over de Pyreneeën trok.

Wat het nog erger maakt voor Montfort is de samenstelling van Raimon’s leger. Slechts een handvol ridders komt werkelijk uit Aragon. Het grootste deel wordt gevormd door de vazallen van Toulouse die zonder uitzondering opnieuw van de partij zijn: de burggraaf van Cousserans, Roger de Comminges, burggraaf Bernat IV van Comminges en Roger-Bernat, zoon van de graaf van Foix. In Saint-Lizier wordt een generale staf gehouden. De opstandelingen zullen trachten de stad binnen te trekken vóór het garnizoen in het Château Narbonnais de kans krijgt in te grijpen, een haast onmogelijke opdracht. Alleen het clandestiene verzet in Toulouse wordt vooraf ingelicht.

En het lukt! De stad komt in zicht op 12 september, dag op dag vier jaar na de fatale slag bij Muret. Alsof de natuur een handje helpt komt er een dichte mist opzetten en de opstandelingen kunnen ongemerkt de stad intrekken. De inwoners zijn verwonderd en bang als zij die grote groep ridders zien verschijnen maar de stemming slaat helemaal om als zij de banieren van Toulouse en Foix herkennen.

Ook voor de bewoners van het Château Narbonnais komt de actie als een totale verrassing. De opstandelingen bouwen een palissade rond het kasteel om elke uitval naar de stad te verhinderen. Op die manier wordt ook het wegzenden van boodschappers bemoeilijkt en daardoor duurt het enkele dagen vooraleer Guy de Montfort in Carcassonne van de nieuwste ontwikkelingen op de hoogte wordt gebracht.

Een nieuwe belegering

Op vrijdag 22 september verschijnt het leger van Guy de Montfort en Guy de Lévis voor de stad. Omdat de tijd in hun nadeel speelt, besluiten ze onmiddellijk aan te vallen. Met de steun van elitetroepen uit de Ariège kan Toulouse de aanval zonder veel moeite afslaan. Intussen blijft Bernat de Comminges met zijn leger paraat aan het Château Narbonnais om een eventuele uitval te verhinderen. Voor Guy de Montfort blijft er niets anders over dan op versterkingen te wachten.

En die komen er, zeer veel zelfs, maar het zijn er voor Toulouse. De graaf van Comminges trekt met zijn leger de stad binnen, evenals talrijke faidits. Troepen uit de Quercy, uit voormalig Trencavel-gebied, uit de Corbières, de toestand begint er voor de kruisvaarders steeds beangstigender uit te zien. De enige versterking die zij krijgen is de aankomst van Simon de Montfort die in de Provence alles in de steek heeft gelaten. Ook hij ziet Toulouse elke dag sterker worden maar zijn aanvalspogingen lopen te pletter op een muur van verzet.

Hij probeert de aanvoer van nieuwe versterkingen te verhinderen en stuurt een deel van zijn leger naar de overzijde van de Garonne. Maar terwijl hij alles op alles zet om nieuwe bondgenoten van Toulouse uit het westen de pas af te snijden, komen de volgende versterkingen uit het... oosten. Aan het hoofd van zijn leger, versterkt met Aragonese en Catalaanse ridders, trekt de graaf van Foix ongehinderd de stad binnen. Intussen worden de kruisvaarders in hun nieuwe westelijke stellingen vanuit de stad zo zwaar aangepakt dat zij zich haastig moeten terugtrekken.

Paus Honorius III bemoeit zich op aandringen van de kruisvaarders met het conflict. Hij beveelt de koning van Aragon (de 10-jarige Jaime) en zijn regent, graaf Sancho van Roussillon, onmiddellijk elke hulp aan de graaf van Toulouse stop te zetten. Een gelijkaardig bevel gaat uit naar de consuls van Marseille, Avignon, Saint-Gilles, Beaucaire, Tarascon en Toulouse. De graaf van Foix krijgt het bevel onmiddellijk Toulouse te verlaten, zoniet zal hij zijn kasteel nooit terugkrijgen. Ook de jonge Raimon krijgt een veeg uit de pan omdat hij het vertrouwen van de Kerk heeft geschonden. Van al deze maatregelen is de graaf van Foix het grootste slachtoffer. Volgens een vroegere pauselijke beslissing had hij zijn burcht al opnieuw in bezit moeten hebben, alle afspraken waren daarvoor gemaakt. Toen de vesting door Raimon-Roger aan de Kerk in pand was gegeven, had de paus ze toevertrouwd aan de abt van Saint-Thibéry. Die was zo onvoorzichtig geweest Montfort de toestemming te geven er een garnizoen in te plaatsen, en nu wil die er niet meer uit...

Raimon-Roger van Foix gehoorzaamt de paus en vertrekt uit Toulouse. Maar hij vat het bevel wel zeer letterlijk op, het is namelijk enkel tegen hem persoonlijk opgesteld. Hij verlaat de stad maar laat er zijn leger en zijn vazallen achter onder bevel van zijn beide zoons Loup en Roger-Bernat. Dat zal zeker niet de bedoeling van de paus geweest zijn.

Waar de graaf van Foix nog de schijn kan ophouden aan de paus te gehoorzamen, trekt de jonge Raimon zich helemaal niets van diens bevelen aan. Terwijl Montfort zich noodgedwongen op Toulouse moet focussen, neemt hij in de Provence de ene plaats na de andere in.

En de belegering sleept zich voort door de winter en de lente... Toulouse laat het niet aan haar hart komen. Op 5 of 6 juni is de stad opnieuw in feeststemming. De jonge graaf Raimon trekt met zijn zegevierend leger de stad binnen. Op deze 21-jarige opperbevelhebber is nu alle hoop van de Occitanen gevestigd.

Montfort kiest intussen voor de grote middelen. Met belegeringstoestellen en alle effectieven zal een bestorming ondernomen worden. De grote slag om Toulouse begint op zondag 24 juni. Raimon VI roept onmiddellijk zijn generale staf bijeen, want een andere aanpak van de vijand vraagt een andere aanpak van de verdediging. Aangezien de ‘muren’ nog slechts bestaan uit een verzameling snel opgebouwde barricades moet de vijand zo lang mogelijk op afstand gehouden worden. Met man en macht wordt aan de omwalling gewerkt, de vrouwen bedienen ondertussen de katapulten. Op de avond van de eerste dag is de strijd nog onbeslist, maar de volgende ochtend wordt in alle hevigheid verder gevochten, zowel rond de stad als vanop de schepen op de Garonne.

Het einde van een legende...

Als het leger van Toulouse een nieuwe uitval waagt, kan alleen de verschijning van Simon de Montfort zelf de kruisvaarders aansporen om stand te houden. Ondertussen blijft de artillerie uit de stad de Fransen met projectielen bekogelen.

En dan gebeurt het... Het paard van Guy de Montfort wordt door een boogschutter getroffen. Wanneer Guy zelf ook wordt geraakt, komt Simon zijn broer ter hulp en wordt aan het hoofd getroffen door een steen uit een katapult. Zijn schedel is verbrijzeld. Twee ridders trachten zijn lichaam nog te bedekken maar het is te laat. Vanop de muren is het voorval opgemerkt en het bericht gaat als lopend vuur door de stad. Het lichaam van Montfort wordt naar het Château Narbonnais gebracht, waar de pauselijke legaat en bisschop Fulco de trieste stoet opwachten.

Het kruisvaardersleger is totaal ontredderd. Terwijl in Toulouse een vreugdegehuil opstijgt, de stadstrompetten blazen en alle klokken worden geluid, wordt de strijd gestaakt. De gehate onderdrukker is dood! Volgens het Canso wordt er in de stad duchtig feestgevierd en gezongen:

“...Montfort es mort,
Es mort, es mort,
Viva Tolosa
Ciotat gloriosa...”

(“Montfort is dood, dood, dood. Leve Toulouse, glorierijke stad...”)

Bij de kruisvaarders is het allesbehalve feest. Op de linkeroever breekt er zelfs regelrechte paniek uit. Tenten, voedselvoorraden, wapens, geld, alles wordt achtergelaten en valt zo in handen van de troepen uit Toulouse.

Amaury de Montfort, zoon van Simon, wordt aangewezen als opvolger en erfgenaam. Hij krijgt alle titels van zijn vader én het opperbevel over de kruistocht. Hij is nauwelijks 20 jaar en de toekomst zal moeten uitwijzen of hij ook de militaire eigenschappen van zijn vader geërfd heeft. De nieuwe opperbevelhebber is een generatiegenoot van de Occitaanse aanvoerder maar de jonge graaf Raimon beschikt over een dynamisme en een charisma waaraan het Amaury duidelijk ontbreekt.

Als een soort wanhoopspoging ondernemen de kruisvaarders op 1 juli nog een nieuwe aanval, maar als ook die wordt afgeslagen is de fut er definitief uit, op 25 juli wordt de belegering opgeheven. Eens te meer is het niet gelukt Toulouse op de knieën te krijgen. Amaury de Montfort trekt zich met zijn leger terug in Carcassonne waar zijn vader wordt begraven in de Saint-Nazaire kathedraal.

Beide kampen in de nieuwe situatie

De jonge Raimon rukt op naar de Agenais waar een aantal steden hem als held en bevrijder verwelkomen (Condom, Marmande, Clairac, Aguillon...). Ook zijn bondgenoten zitten niet stil. Het relatief veilige graafschap Foix is de voorbije jaren een waar toevluchtsoord geworden voor talrijke faidits en met deze geroutineerde legermacht bereidt de graaf van Foix een grote inval in de Lauragais voor.

Ook in de Provence gaat het niet zo goed voor Amaury de Montfort. Zijn bondgenoot, Guillaume des Baux, prins van Orange, wou van Raimon’s afwezigheid profiteren om Avignon in te palmen maar het is hem slecht bekomen. Hij wordt door de stedelingen gevangen genomen en als verrader opgeknoopt. Daarmee verdwijnt de laatste bondgenoot van de kruisvaarders in de Provence.

Les Baux-de-Provence

Quercy en Rouergue sluiten zich bij de jonge graaf aan. Zijn vader is naar Catalonië getrokken en onderhandelt met Nuno-Sancho, graaf van Roussillon, regent van het koninkrijk Aragon én een geducht tegenstander van de familie Montfort. Hij slaagt erin om de machtige heren van Anduze, stevige bondgenoten van de kruisvaarders, van kamp te laten wisselen. De invloed van Aragon weet hij ook aan te wenden. De dan 10-jarige koning Jaime I is suzerein van Montpellier, een stad die steeds de kruisvaarders heeft gesteund. Maar na de dood van Pedro II in Muret is die steun niet meer zo zeker en begint de stad naar het Occitaanse kamp over te hellen. Dat blijkt o.a. uit een brief van de paus aan Montpellier, waarin hij de stad verbiedt “nog langer faidits op te nemen”.

Raimon VI stuurt zijn schoondochter, Sancie van Aragon, naar Nîmes, een stad die tot het kruisvaarderskamp behoort en daarvoor van Montfort talrijke voordelen en privileges heeft gekregen. Maar Sancie biedt boven. In naam van beide Raimons, haar echtgenoot en haar schoonvader, bevestigt zij alle privileges van Montfort en doet er nog een schep bovenop. Tijdens een plechtigheid in aanwezigheid van de consuls van Avignon, Tarascon, Beaucaire en Vallabrigues, kiest de stad officieel de zijde van Toulouse. Meteen zijn de kruisvaarders al hun steunpunten op de weg naar de Provence kwijt...

De belegering van Baziège

We zijn nu begin 1219 en de jonge Raimon is naar Toulouse teruggekeerd. Amaury de Montfort maakt van de gelegenheid gebruik om zelf naar de Agenais te trekken om te trachten de schade nog enigszins te beperken. Hij valt Marmande aan maar zijn troepen lopen storm tegen de zich hevig verwerende verdediging. Hij is verplicht de stad te belegeren. En dat was precies waar de graaf van Foix op zat te wachten. Terwijl Amaury in het noorden geblokkeerd zit, ontketent Raimon-Roger een tweede front in het zuiden, de Lauragais.

Dat is vooral bedoeld als reactie tegen de kruisvaarders die zich nog in Carcassonne bevinden en van daaruit systematisch raids uitvoeren in de streek, waarbij zij niets of niemand ontzien. De troepen uit de Ariège, aangevoerd door Raimon-Roger en zijn beide zoons Roger-Bernat en Loup, marcheren naar Baziège, op zo’n vier uur van Toulouse, en bezetten de stad. Zij weten dat er kruisvaarders in de buurt zijn en hopen dat die niet aan de verleiding zullen kunnen weerstaan. De kruisvaarders, onder leiding van de overmoedige en wrede Foucaud de Berzy, lopen in de val. Zij weten niets af van de boodschappers die de graaf van Foix naar Toulouse heeft gestuurd...

Wanneer het kruisvaardersleger voor Baziège staat, wapperen niet alleen de banieren van Foix boven de stad, maar staan zij tegenover het leger van de jonge graaf Raimon én de militie van Toulouse én grote groepen Spaanse routiers én het leger van Bernat de Commingues. Foucaud de Berzy zou nog wel naar Carcassonne kunnen ontkomen, maar dan moet hij de rijke buit die hij meevoert achterlaten. Hij besluit te vechten.

Als de kruisvaarders de troepen van Foix tegenover zich zien wacht hen een nieuwe verrassing. In plaats van de zware onwendbare cavalerie zien zij een lichtbewapende en snel wendbare ruiterij, uitgerust met bogen, slingers en werpsperen, tegenover zich verschijnen. De Fransen, die met hun zwaarbewapende ruiters in de eerste aanvalslijn staan, worden bestookt met allerlei projectielen, kunnen hierop niet voldoende snel reageren en de verwarring is totaal. Pas dan gaat ook de zware ruiterij van Foix in de aanval. Het Franse leger is in geen tijd volledig omsingeld. Het gevolg laat zich raden, vluchten is onmogelijk. Slechts enkele kruisvaarders (waaronder Alain de Roucy die koning Pedro II doodde in Muret) kunnen zich redden. Het commando van de kruisvaarders wordt gevangen genomen. Verraders en overlopers worden ter plaatse gevonnist en opgehangen. Voor de eerste keer in het conflict hebben de Occitanen een geregelde veldslag gewonnen.

De reactie van de Franse kroon

Amaury de Montfort belegert intussen nog steeds Marmande. De nederlaag voor Baziège stelt hem voor een zwaar dilemma. Eigenlijk zou hij zo vlug mogelijk terug naar Carcassonne moeten trekken. Maar Marmande opgeven betekent zoveel als de hele Agenais opgeven...

Dan komt er, vrij onverwacht, hulp voor hem opdagen. Aan het hoofd van een belangrijk leger trekt prins Louis van Frankrijk naar het zuiden. Tegen deze overmacht is Marmande niet opgewassen en er wordt onderhandeld. Een overeenkomst is vlug bereikt, ook over het lot van de Occitaanse aanvoerder, Centulle d’Astarac. Hij dankt zijn leven aan het feit dat de Occitanen bij Baziège Foucaud de Berzy hebben gevangen genomen: ze worden geruild.

Anders is het gesteld met de stad zelf. Op het ogenblik dat de gevechten gestaakt zijn, dat er onderhandeld wordt, dat de Occitaanse leiders zich hebben overgegeven, bestormt het Franse leger de stad. Het wordt de herhaling van de slachtpartij in Béziers...

Op 17 juni verschijnt het Franse leger voor Toulouse. Voor de derde maal in acht jaar wordt de stad met een belegering geconfronteerd. Het is niet de eerste keer dat prins Louis in het zuiden is, maar in 1215 was het meer een zaak van ‘public relations’: er werd nergens gevochten. Nu is het menens, Marmande bewijst dat uitvoerig.

Er is één groot verschil met de vorige belegeringen: in tegenstelling tot het leger van Montfort, is dat van prins Louis wél groot genoeg om de stad te omsingelen. Op enkele uitvallen na wordt het ditmaal een artillerieduel waarbij de vastberadenheid van Toulouse opnieuw wordt bewezen. Bij de Franse kroonprins is die vastberadenheid heel wat minder aanwezig: op 1 augustus, als zijn quarantaine er opzit, heft hij zonder meer de belegering op en keert terug naar het noorden. De tussenkomst van de Franse kroon was opnieuw een storm in een glas water.

De herovering gaat verder...

In de lente oordeelt de jonge Raimon dat zijn invloed in het graafschap groot genoeg is geworden om de belangrijkste Franse vestingen militair aan te pakken. In gezelschap van Uc d’Alfaro, de seneschalk van zijn vader, trekt hij op naar Lavaur. En het gaat vlug. De stad wordt met een bestorming ingenomen. In Puylaurens neemt het kruisvaardersgarnizoen de benen voor de aankomst van de Occitanen. Raimon VI heeft ondertussen ook Montauban en omgeving weer aan zijn kant gekregen.

Dan rukt het Occitaanse leger op naar Castelnaudary. Amaury de Montfort is er niet en de stad wordt zonder problemen ingenomen. Als Amaury, die in Carcassonne zit, dat verneemt, trekt hij er met zwaar belegeringsmateriaal naartoe. Op 13 juli begint de strijd en die gaat gepaard met zware gevechten. De belegering sleept aan en zal acht maanden duren.

In de rest van de Languedoc rommelt het ook. Meer dan 10 jaar na de verschrikkelijke slachtpartij in Béziers laat deze stad weer van zich horen. De inwoners verjagen er de pauselijke legaat, de kruisvaarders hebben hun greep op de stad verloren. De legaat, kardinaal Conrad, bisschop van Porto, was door Honorius III naar de Languedoc gestuurd om de kruistocht nieuw leven in te blazen. Tevergeefs, het schrikeffect van de campagne van prins Louis en zijn moordpartij in Marmande wordt teniet gedaan door het mislukte beleg van Toulouse en de geringe successen van Amaury de Montfort.

Het kaartenhuisje van Amaury de Montfort

De belegering van Castelnaudary sleept zich nog steeds voort, zonder dat Amaury de Montfort ook maar een fractie dichter bij een overwinning komt. De stad uithongeren lukt ook niet want het zijn opnieuw de kruisvaarders die voedselproblemen krijgen. Eind februari zijn ze verplicht de belegering op te geven. Amaury trekt terug naar Carcassonne.

De jonge Raimon en de graaf van Foix hebben andere plannen. Zij vertrekken meteen naar de Lauragais. Montréal wordt aangepakt, bestormd en kasteelheer Alain de Roucy zwaar gewond (hij was degene die koning Pedro II in Muret doodde). Hij zal zijn verwondingen niet overleven. Zijn zoon levert het kasteel uit aan de Occitanen, in ruil voor een vrijgeleide om het land te verlaten (uit schrik voor represailles van Amaury de Montfort).

De Saint-Bénézetbrug in Avignon

Aan het einde van de winter van 1221 vertrekt de jonge Raimon naar de Provence. De Kerk dreigt met militair ingrijpen tegen Avignon, dat in feite de tweede hoofdstad van de graven van Toulouse is geworden. Een bezoek van Raimon na zijn successen zal de bewoners ongetwijfeld oppeppen. Zijn getrouwen blijken de toestand in het markizaat stevig in handen te hebben en de jonge graaf kan gerust naar Toulouse terugkeren.

De graaf van Foix maakt intussen een ‘lentewandeling’ door de Lauragais. Hij neemt achtereenvolgens Limoux, Fanjeaux en Prouille in. Natuurlijk geeft de bevrijding van ketterse centra als Fanjeaux en Montréal een nieuwe impuls aan de godsdienst. De kathaarse bisschop van Toulouse, Guilhabert de Castres, verlaat Montségur en vestigt zich opnieuw in Fanjeaux.

Amaury de Montfort ziet zijn bezittingen dag na dag afbrokkelen. Waar twee jaar eerder de inwoners van Béziers de legaat Conrad verjoegen, is nu de hele streek in opstand gekomen, samen met een groot deel van de Minervois. De opstandelingen hebben het vooral gemunt op Narbonne, dat nog aan de kant van de Fransen staat. Het is een volksopstand zonder echte leider en dat maakt het er voor Narbonne niet makkelijker op. Wijngaarden en velden rond de stad worden verwoest, de excommunicatie van de opstandige plaatsen helpt daar weinig aan. Het feit dat Amaury de Montfort niet over genoeg troepen beschikt om tussenbeide te komen doet de opstand alleen maar uitbreiden. De oude vete tussen Minerve en Narbonne laait weer in volle hevigheid op.

Weer diplomatie...

Maar dan komen de eerste schuchtere pogingen voor een vredesoverleg op gang. Een ontmoeting tussen de jonge Raimon en Amaury de Montfort vindt plaats in juni 1222 op neutraal terrein in Montpellier.

Dat wil niet zeggen dat Amaury en de Kerk het helemaal opgeven. In een laatste ‘wanhoopspoging’ hebben zij alle veroverde gebieden aangeboden aan koning Philippe-Auguste, in de hoop dat hij dan zal trachten ze terug onder controle te krijgen. De koning heeft er nog niet op gereageerd. De Raimons zijn er zich van bewust dat zij tegen de koninklijke legers niet zijn opgewassen. In Bouvines hebben die overvloedig bewezen de beste van Europa te zijn. Raimon VI moet dus wel reageren en verzoekt de koning om erkenning als vazal voor zijn graafschap.

Philippe-Auguste zal moeten kiezen: het gebied overnemen van de veroveraar of, zoals in het verleden, suzerein worden van de legitieme graaf van Toulouse. Een moeilijke keuze, de eerste mogelijkheid betekent onvermijdelijk oorlog met het zuiden, de tweede brengt hem in conflict met de paus. Philippe-Auguste reageert zoals we dat van hem gewoon zijn: hij doet niets.

Twee hoofdrolspelers verdwijnen

In augustus 1222 verdwijnt opnieuw één van de hoofdfiguren uit het Occitaanse drama. In Toulouse sterft Raimon VI. Hij is vijfenzestig en heeft achtentwintig jaar geregeerd. Hij sterft geëxcommuniceerd. Volgens zijn testament wenst hij begraven te worden bij de hospitaalridders. Die nemen het lichaam wel in ontvangst maar kunnen het volgens de kerkelijke wetten niet in gewijde grond begraven. De kist met het stoffelijk overschot wordt bovengronds bewaard en dat blijft zo, ondanks alle pogingen van zijn zoon om de excommunicatie postuum te laten opheffen.

Op 21 september volgt de kroning van de jonge graaf Raimon. Het bevrijde Toulouse viert uitbundig feest voor de populaire heerser.

In maart 1223 belegert de graaf van Foix Mirepoix, zijn laatste leengoed dat nog in handen van de vijand is. Hij overleeft de belegering niet. Na een regeringsperiode van zesendertig jaar overlijdt Raimon-Roger. Niet, zoals van hem kon verwacht worden, op het slagveld, maar aan de gevolgen van een maagzweer. De kruisvaarders zijn daarmee verlost van één van hun meest geduchte tegenstanders. Niet dat zijn dood hen veel helpt. Voor hij sterft heeft Raimon-Roger de eed van trouw ontvangen van een aantal co-seigneurs van de stad. De nieuwe graaf van Foix, Roger-Bernat, heeft de volledige controle herwonnen over het graafschap. Guy de Lévis, maarschalk en trouwe compagnon van Simon de Montfort vanaf het eerste uur, is in één klap zijn hele gebied terug kwijt.

Het einde van de katholieke droom

De Kerk ziet stilaan in dat de kruistocht niet meer te redden is en dat de enige hoop ligt in het sluiten van een vredesverdrag. Legaat Conrad roept een concilie samen in Sens om de zaak te bespreken. Hij heeft in zoverre succes dat koning Philippe-Auguste hem verzoekt het concilie naar Parijs over te brengen zodat hij eraan kan deelnemen. Wegens zijn zwakke gezondheid kan hij een reis naar het zuiden niet meer aan. Maar voor het zover is overlijdt de Franse koning. Het concilie staat nergens meer. Prins Louis doet wat vage beloften maar iets definitiefs komt er niet uit de bus.

In de Languedoc wordt intussen weer gevochten. De jonge Raimon Trencavel is vanuit de Corbières de oude familiebezittingen binnengevallen en belegert Lombers. Hij beschikt over een legertje van faidits en wordt overal verwelkomd als de grote bevrijder. De herinnering aan zijn vader, de eerste grote held van de Occitaanse strijd, is nog steeds zeer levendig. Op hetzelfde tijdstip doen Raimon VII en Roger-Bernat van Foix een poging om Carcassonne in te nemen. Amaury is er niet maar haast zich in ijltempo naar de stad om ze te ontzetten. De zuiderlingen spelen een kat-en-muisspelletje. Als de kruisvaarders bij de stad aankomen zijn ze alweer vertrokken.

Eigenlijk doen al deze schermutselingen nog weinig terzake, de strijd is gestreden. Een beeld van de situatie krijgen we in een brief van aartsbisschop Arnaud-Amaury aan de nieuwe Franse koning Louis VIII op 23 januari 1224. Hieruit blijkt dat nagenoeg alle plaatsen en steden zich tegen Montfort hebben gekeerd. De graven van Toulouse en Foix hebben zelfs een verdrag gesloten met de eigenzinnige burggraaf Aimery van Narbonne, die de eed van trouw heeft gezworen aan de ‘wettige’ hertog van Narbonne, aan Raimon VII dus. Uiteraard tot grote ergernis van Arnaud-Amaury die zich ook die titel had toegeëigend. Onmiddellijk alarmeert hij Amaury de Montfort in Carcassonne, die trekt met een aantal ridders naar Narbonne, maar hij mag van burggraaf Aimery de stad niet in. Slechts na twee dagen aandringen van de bisschop worden de poorten geopend.

In het tweede deel van zijn brief gaat Arnaud-Amaury in op de financiële toestand van Amaury de Montfort. Die is ronduit slecht. Leningen worden bijeengeschraapt om het hem mogelijk te maken “de cité van Carcassonne toch nog tot Pasen te kunnen behouden”. Zijn legertje is te zeer uitgedund om op nog meer te kunnen hopen: hij kan zijn soldaten niet meer betalen. Het is nog erger: hij kan zelfs niet meer terug naar het noorden. Hij heeft heel wat vrouwen en kinderen in zijn entourage, het is winter, de wegen zijn slecht, de rivieren onbevaarbaar en hij beschikt niet over de financiële middelen om een dergelijke verhuis te bekostigen.

Op 14 januari 1224 wordt in het kamp van de graven van Toulouse en Foix een overeenkomst gesloten met Amaury de Montfort. De belangrijkste punten:

Op 15 januari verlaat Amaury de Montfort met de laatste kruisvaarders Carcassonne en trekt naar het noorden. De rol van de familie Montfort in het zuiden is definitief uitgespeeld.
Op 16 januari trekt Raimon Trencavel in triomf de hoofdstad van zijn voorvaderen binnen. Na 14 jaar kruistocht is Carcassonne en de hele Languedoc terug in handen van zijn wettige leiders.

De kruistocht is tevergeefs geweest. Innocentius III had het kunnen weten, zonder de actieve steun van de Franse koning was het een hopeloze zaak. Het is enkel door de vasthoudendheid en het onmiskenbare militaire genie van Simon de Montfort dat het nog zo lang heeft kunnen duren.

Overzicht | Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 | Deel 5