Al een tijd wordt er een diplomatiek oorlogje gevoerd tussen Raimon VI van Toulouse en de pauselijke legaten, met als resultaat dat de graaf nog maar eens geëxcommuniceerd wordt.

In Saint-Gilles wordt een concilie bijeengeroepen waar Raimon zich opnieuw kan verzoenen met de kerk. Maar dat is nu precies het laatste wat de legaten, Thédise en Arnaud-Amaury, willen en zij spelen een juridisch spelletje. Het concilie wordt een maat voor niets, Raimon krijgt niet eens de kans zich te verdedigen. Zijn excommunicatie wordt unaniem bevestigd.

Ook conferenties in Narbonne en Montpellier halen niets uit. Er wordt een ultimatum gesteld waarop Raimon onmogelijk kan ingaan: de breuk is compleet. De graaf trekt terug naar Toulouse om zijn bondgenoten te mobiliseren.

De val van Lavaur

Intussen heeft Simon de Montfort ook niet stilgezeten, hij heeft een nieuwe aanval op Cabaret ingezet. En nu wil Peire-Roger wel onderhandelen. Hij is de enige vazal van Trencavel die nog standhoudt en beseft dat hij het alleen niet kan blijven volhouden. Hij levert zijn kastelen uit in ruil voor nieuw gebied in de buurt van Béziers.

De kruisvaarders trekken Cabaret binnen, maar tot hun grote verwondering vinden ze er geen ketters, geen brandstapel dus. Peire-Roger heeft ze in veiligheid gebracht naar Lavaur. Montfort aarzelt niet en rukt onmiddellijk op. Maar hij heeft onvoldoende manschappen om de hele stad te omsingelen.

Deze belegering heeft ook diplomatieke implicaties. Lavaur wordt bestuurd door kasteelvrouw Guiraude en leenheer van de stad is niet de burggraaf van Carcassonne maar Raimon VI van Toulouse. Hoe zal hij reageren?

Hij kan zich moeilijk persoonlijk in de strijd mengen want is nog in onderhandeling met de kerk, hij gaat dus onderhandelen. Maar terwijl hij onderhandelt trekt zijn seneschalk, Raymond de Ricaud, ongemerkt met een legertje de stad binnen. De bedoeling is duidelijk: tijd winnen en de kruisvaarders zo lang mogelijk ter plaatse houden.

Ook voor Montfort zijn belangrijke versterkingen op komst, een grote groep Duitsers en Friezen is onderweg van Carcassonne naar Lavaur. Ze zullen de stad nooit bereiken. In Montgey vallen ze in een hinderlaag van Raimon-Roger van Foix en worden in de pan gehakt. De graaf van Foix heeft zich met deze actie definitief in de strijd geworpen.

Toch valt op 3 mei de genadeslag voor Lavaur als in de stadsmuren een bres wordt geslagen. Opnieuw volgt een slachtpartij. Alle faidits, zo’n tachtigtal, schieten er het leven bij in. Kasteelvrouw Guiraude wordt levend in een put geworpen die daarna met stenen wordt gedempt. Voor de ketters wordt het de brandstapel. De cijfers variëren tussen 300 en 400 slachtoffers, het is de grootste brandstapel uit de kathaarse geschiedenis...

Toulouse

Intussen is Raimon VI volop aan het mobiliseren want hij twijfelt er niet meer aan dat Montfort vroeg of laat voor de muren van Toulouse zal staan. In dat geval zullen de kruisvaarders ongetwijfeld de verbinding willen in stand houden met hun belangrijke steunpunten Fanjeaux en Carcassonne. Raimond VI tracht dat onmogelijk te maken door Castelnaudary te verwoesten en Montferrand te versterken, twee strategische plaatsen op de verbindingsroute tussen Toulouse en de Aude. In Montferrand wordt een garnizoen gestationeerd onder het bevel van Raimon’s broer Baudois, maar dat blijkt een flater van formaat te zijn. Als de Fransen de stad belegeren, loopt Baudois over en wordt één van Montforts trouwste bondgenoten. De rest van de campagne is een militaire wandelingetje. Castelnaudary wordt zo goed en zo kwaad als het kan terug in staat van verdediging gebracht en wanneer er nieuwe versterkingen uit het noorden toekomen, vinden de kruisvaarders de tijd rijp om definitief met Toulouse af te rekenen.

Op 17 juni staan ze voor de stad en onmiddellijk wordt de aanval ingezet. Met alles wat ze kunnen vinden trachten ze de grachten te dempen. Maar Toulouse laat niet betijen. Onder leiding van de graaf van Foix worden herhaaldelijk uitvallen gedaan waarbij het vaak tot bitsige gevechten komt. Om deze snelle acties te vergemakkelijken worden de stadspoorten niet meer gesloten maar alleen bewaakt. Meer, er worden zelfs nog vier poorten bijgemaakt...

Het is duidelijk dat Toulouse zich niet zonder slag of stoot zal overgeven. Het stadsgarnizoen lijkt bij momenten agressiever dan de belegeraars. Eén van de kapiteins, Uc d’Alfaro, waagt zelfs een uitval tot diep in het vijandelijke kamp. De kruisvaarders zijn volkomen verrast en kunnen slechts met veel moeite hun ruiters hergroeperen en de aanval afslaan. Kort daarop wordt het beleg opgeheven: het is Montforts eerste grote nederlaag.

Uiteraard zint hij op wraak. Vermits Raimon-Roger van Foix zich met zijn beste troepen in Toulouse bevindt, trekt hij naar de Ariège. Via Pamiers rukt hij op naar Foix met de bedoeling de burcht in te nemen. Hij steekt een stadswijk in brand, maar raakt niet verder. Foix ligt aan de toegang tot de bovenvallei van de Ariège, vlakbij de Pyreneeën. Het is een woest ontoegankelijk gebied waar de Fransen maar langzaam vooruitkomen. Bovendien twijfelt Montfort er niet aan (en gelijk heeft hij) dat de graaf van Foix, wiens leger de streek door en door kent, in snel tempo naar zijn hoofdstad opmarcheert om zijn burcht te ontzetten.

De bovenvallei van de Ariège

Castelnaudary

Montfort haast zich terug naar Carcassonne waar hem onheilspellende berichten wachten: een groot leger verzamelt zich in Toulouse om naar Castelnaudary op te rukken. De Occitanen gaan eindelijk voluit in de tegenaanval...

“Het is prachtig en machtig, het leger van de graaf van Toulouse: Toulouse en Moissac zijn er, en Montauban en Castelsarrasin, en l’Isle-en-Jourdain, de ganse Agenais, niemand is thuisgebleven; iedereen van Comminges is er, die van Foix, van Gascogne, en de mensen van Puigcerda... Men telt meer dan tweehonderdduizend mannen...”

Kroniekschrijver Guilhem de Tudela heeft een dertigtal verzen nodig om het Occitaanse leger te beschrijven. Buiten de militie van Toulouse zijn er de vazallen van Raimon VI, de graaf van Foix die, afgezien van zijn eigen leger ook het bergvolk uit de Cerdagne heeft meegebracht, er is de graaf van Comminges en Gaston IV van Béarn die zich voor de eerste maal in de strijd mengt met een grote groep routiers uit Navarra en bergbewoners uit de Aspe-vallei.

Maar wat de Fransen het meest verontrust is het bericht dat Savary de Mouléon met een leger naar Toulouse oprukt om zich aan de zijde van Raimon VI te scharen. Savary de Mouléon is seneschalk voor de Franse bezittingen van de Engelse koning Jan-zonder-Land. Kroniekschrijver Pierre des Vaux-de-Cernay, die met de kruisvaarders meetrekt, spaart zijn “lof” voor deze ridder niet. In de bloemrijke taal die we van hem gewoon zijn schrijft hij o.m.: “... gevaarlijke afvallige, onrechtvaardige plichtsverzaker, zoon van de duivel, afgezant van de antichrist, toppunt van ketterij, erger dan gelijk welke heiden, vijand van de kerk, vijand van Christus, gevaarlijk vergif, omgekochte crimineel zonder schaamte of dapperheid, prins van de geloofsafval, arbeider van wreedheid en perversiteit, medeplichtige van de boosaardigen en de perversen, schandvlek van de mensheid, man zonder deugden, handlanger van de duivel...,” en zo gaat hij nog wel even door.

Castelnaudary ligt aan de oostkant van een natuurlijk terras boven de vallei van de Fresquel. Op het hoogste punt staat het kasteel. Als het Occitaanse leger nadert, slaan de inwoners van het stadje op de vlucht. Niet naar de burcht maar naar hun naderende bondgenoten. En die begaan een fatale fout. In plaats van de stad in te nemen, kiezen ze ervoor een versterkt kamp op te zetten op een nabijgelegen heuvel. Intussen zit Montfort met zijn minileger in de burcht rustig op versterkingen te wachten.

Raimon VI, die zware artillerie bij zich heeft, besluit de burcht te bombarderen. Hij laat een enorme katapult opstellen maar het materiaal om projectielen van te maken blijkt van zeer slechte kwaliteit. Een toren wordt vernield, een zaal beschadigd en daar blijft het bij.

Montfort weet dat hij in de val zit als hij geen versterking krijgt. Die is onderweg vanuit Lavaur maar met een zeer grote omweg om niet dwars door rebellerend gebied te moeten trekken. Guy de Lévis trekt naar Carcassonne en Fanjeaux om de bevoorrading te verzekeren en loopt bijna in een hinderlaag.

Aan Narbonne, bondgenoot tijdens de belegering van Minerve, wordt hulp gevraagd. De ridders uit deze stad willen enkel aan de oproep gehoor geven als ze vergezeld worden door hun burggraaf Aimery. Aimery weigert. Een plaats als Minerve, waarmee hij al jaren overhoop lag, aanvallen is één zaak, optrekken tegen de graaf van Toulouse is een andere. Uiteindelijk krijgt Guy de Lévis achthonderd man bijeen, maar wanneer de groep Carcassonne bereikt, verandert iedereen plots van gedacht. Het enige wat de Lévis nog overblijft is een belangrijk konvooi voedsel maar met onvoldoende bescherming voor de begeleiding. Gelukkig voor hem ontmoet hij in de omgeving van St.-Martin-Lalande de lang verwachte versterkingen uit Lavaur.

Daarmee zijn de problemen niet opgelost. De graaf van Foix, door zijn spionnen op de hoogte gebracht, trekt tegen het konvooi op. Een confrontatie wordt nu onvermijdelijk. De overmacht van de troepen van Foix brengt de Fransen al snel in moeilijkheden en zeer vlug gaat de voedselkonvooi over in vijandelijke handen. Montfort die de gebeurtenissen volgt vanop een uitkijktoren, besluit zelf in te grijpen en trekt met zijn legertje de stad uit om de graaf van Foix in de rug aan te vallen. Alles hangt nu af van de reactie van Raimon VI. Die doet... niets!

Wat nu gebeurt is één van die onwaarschijnlijke kronkels die de geschiedenis zo onvoorspelbaar maken. De ruiters van Foix hebben zich uit het gevecht teruggetrokken om het voedselkonvooi te plunderen. Deze groep is samengesteld uit routiers en het beeld van de rijke voorraden is te veel voor hen. Routiers zijn ongeregelde groepen huurlingen, ideaal voor plunderingen, bestormingen, razzia’s, enz., maar door hun ongedisciplineerdheid minder geschikt voor een geregeld gevecht. Raimon-Roger van Foix kan alleen nog een beroep doen op zijn persoonlijke ruiterij en moet met zware verliezen het onderspit delven. Zijn enige troost is dat het konvooi vernietigd is.

Waarom heeft Raimon VI niet ingegrepen? Het antwoord is tegelijkertijd ontstellend en eenvoudig. Precies de troepen die Raimon VI voor een tussenkomst nodig had, de ruiters, waren mee met de graaf van Foix, er was geen reserve achtergebleven. Een probleem dat zich zal blijven manifesteren: waar Montfort de enige en onbetwiste leider van de Fransen is, zijn er aan Occitaanse kant niet minder dan zes bevelhebbers: Raimon VI van Toulouse, Raimon-Roger van Foix, Bernat van Comminges, Gaston van Béarn, Uc d’Alfaro en Savary de Mauléon. Niemand heeft het opperbevel in handen. Een ongecoördineerd aantal persoonlijke initiatieven is het onvermijdelijke gevolg.

Na zijn onverwachte overwinning besluit Montfort onmiddellijk het kamp van de tegenstanders aan te vallen, maar dat is zo goed versterkt dat de actie tot de volgende dag moet worden uitgesteld. En de volgende dag zijn er geen tegenstanders meer, het Occitaanse leger is vertrokken... Uiteraard beschouwt Montfort dat als een algemene capitulatie en verwacht hij als gevolg daarvan een stroom van overgaven en onderwerpingen van opstandige plaatsen. Tot zijn grote verbazing gebeurt dat niet. Heel het land is ervan overtuigd dat de Occitanen de strijd gewonnen hebben, een staaltje van propaganda dat in onze tijd niet zou misstaan en het werk van de graaf van Foix. Onmiddellijk na zijn nederlaag laat hij door boodschappers rondbazuinen dat hij de slag gewonnen heeft, dat Montfort werd gevangen genomen en zelfs opgeknoopt...

In Narbonne wordt ondertussen een ander soort oorlogje uitgevochten. Legaat en voormalig aanvoerder van de kruistocht Arnaud-Amaury is door de paus tot bisschop van Narbonne benoemd. Zijn confrater-legaat Raymond d’Uzès stelt hem voor ook de titel van hertog van Narbonne aan te nemen om zo de leenheer te worden van burggraaf Aimery. En dat doet hij, zij het op eigen initiatief en zonder er rekening mee te houden dat er al een hertog van Narbonne is: Raimon van Toulouse. Ook Simon de Montfort zou trouwens wel eens een oogje op die titel kunnen laten vallen...

Diens militaire campagnes gaan intussen onverminderd door. Zijn leger is weer voldoende aangegroeid om het in twee te kunnen splitsen en zijn broer Guy blijkt een bekwaam bevelhebber. Het is Guy de Montfort die Lavelanet in het Pays d’Olmes inneemt. Op drie uur gaans van Lavelanet ligt Montségur, vluchtplaats voor de ketters uit Mirepoix en Fanjeaux, maar die worden voorlopig met rust gelaten.

Toulouse geïsoleerd...

Er zijn nog steeds grote delen van het graafschap in handen van Raimon VI en er wordt nog krachtig weerstand geboden. Bij de belegering van Penne d’Agenais moet Montfort zijn broer ter hulp roepen. Het beleg schiet niet op. In Penne verschanst zich de seneschalk van Raimon VI, Uc d’Alfaro, en die heeft zijn verdediging uitstekend georganiseerd. Het duurt meer dan acht weken voor de voorraden opraken. De burcht wordt voortdurend gebombardeerd en uiteindelijk moet Uc capituleren. Het is voor Montfort geen dag te vroeg. Acht weken belegering betekent acht weken immobiliteit en dat kan hij zich eigenlijk niet permitteren.

Het is opvallend dat er geen nieuwe poging wordt ondernomen om Toulouse in te nemen. Montfort wil eerst de stad isoleren en geeft daarom prioriteit aan de verovering van de noordelijke gewesten. Moissac is nu aan de beurt. Maar Toulouse heeft versterkingen gestuurd die de stad juist voor de kruisvaarders bereiken, de Occitanen hebben Montforts plannetje doorzien. Guiraut de Pépieux bevindt zich met een garnizoen in Castelsarrasin en de zoon van de graaf van Foix trekt met versterkingen uit de Ariège naar Montauban.

Op 14 augustus verschijnt het leger van Montfort voor Moissac. Het wordt vooral een artillerieduel. Wel komt het tot hevige gevechten tussen belegeraars en belegerden die uitvallen organiseren om de vijandelijke katapulten te vernietigen. Wanneer de kruisvaarders erin slagen een bres in de muren te slaan, geeft de stad zich over.

Na Moissac keren de kruisvaarders zich tegen Montauban. Maar door zijn dikke muren en zijn ligging is deze stad uitstekend beschermd. Bovendien is het garnizoen versterkt met keurtroepen uit de Ariège onder leiding van de zoon van de graaf van Foix. Wanneer er dan ook nog alarmerende berichten uit het graafschap Foix komen, besluit Montfort Montauban voorlopig te vergeten.

Er zijn problemen in Pamiers en Saverdun. Pamiers is nog stevig in handen van de Fransen maar Saverdun heeft zichzelf bevrijd tijdens de slag bij Castelnaudary. Hierdoor heeft de graaf van Foix een belangrijke uitvalsbasis verworven in de benedenvallei van de Ariège en kan hij van daaruit Pamiers bedreigen. Montfort wil beslist de twee plaatsen in handen houden omdat hij van daaruit de communicatie tussen Toulouse en Foix kan bemoeilijken. Hij heeft dus reden tot ongerustheid, zeker als hij hoort dat de graaf van Foix al in Saverdun is neergestreken en Raimon VI aanstalten maakt hem daar te vervoegen.

Als door de hemel gezonden bereikt een nieuwe colonne Duitse kruisvaarders Carcassonne. Voor Montfort komen ze als geroepen. Hij laat ze onmiddellijk naar Saverdun oprukken langs het zuiden en trekt zelf langs het noorden naar de stad. Beide Occitaanse graven zitten in de val. Als ze naar hun hoofdstad willen terugkeren lopen ze het risico een colonne kruisvaarders op hun weg te vinden en als ze blijven waar ze zijn zullen ze bij een belegering voor wie weet hoe lang in de stad geblokkeerd zitten. Maar hun spionnen doen uitstekend werk. Ze worden gewaarschuwd en kunnen de stad tijdig verlaten. Montfort kan ze zonder gevechten weer innemen.

En dan zijn de andere bondgenoten van Toulouse aan de beurt. De graaf van Comminges, Bernat IV, is het eerste slachtoffer. In Comminges is er van ketters nauwelijks sprake, maar aangezien Bernat IV zich zonder aarzelen bij de Occitaanse coalitie heeft aangesloten, wordt hij tot de vijand gerekend. En het is mooi meegenomen dat bij een bezetting van Comminges een andere bondgenoot van Raimon VI, Gaston VI van Béarn, van Toulouse wordt afgesneden. Om dat te bereiken moeten de kruisvaarders eerst Muret innemen, een kleine versterkte stad aan de samenvloeiing van de Garonne en de Louge. De inwoners hebben de stad verlaten en zijn naar Toulouse gevlucht nadat zij de enige brug hebben vernietigd. De kruisvaarders krijgen echter ruimschoots de tijd om ze te herstellen en trekken ongehinderd de stad binnen.

Toulouse raakt nu hoe langer hoe meer geïsoleerd. De stad is overbevolkt door de vele vogelvrij verklaarde ridders en andere vluchtelingen die er toegestroomd zijn. Gebrek aan manschappen is er dus zeker niet. Ook voedsel en wapens zijn er in overvloed.

Aan moedige acties ontbreekt het ook niet. Een sterk staaltje komt van Roger-Bernat van Foix, de zoon van de graaf. We hebben hem eerder ontmoet in Montauban waar hij, met troepen uit de Ariège, het garnizoen kwam versterken. Vermits het gevaar daar voorlopig geweken lijkt, wil hij terugkeren naar Foix. In plaats van een omweg te maken om de kruisvaarders te ontlopen, trekt hij dwars door vijandelijk gebied (de oude Trencavel-gebieden die al drie jaar in handen van Montfort zijn) en kan tussen Narbonne en Carcassonne zelfs nog een groep Franse versterkingen in de pan hakken. Met een groot aantal gevangenen trekt hij door de Corbières, de Razès en het Pays de Sault om zonder problemen Foix te bereiken...

Niettemin heeft Montfort na vijftien maanden bijna zijn slag thuisgehaald. Raimon VI heeft, buiten Toulouse, alleen nog Montauban in handen en is virtueel afgesneden van zijn bondgenoten in het graafschap Foix.
Montfort, die de tijd rijp acht voor een diplomatieke zet, laat een groot concilie samenkomen in Pamiers tijdens de maand november. De daar geproclameerde “statuten” vormen een nieuwe wetgeving voor alle veroverde gebieden en handelen o.m. over de macht van de Kerk, belastingen, houding tegenover ketters en joden, militaire verplichtingen, administratie, enz.

Wat met de katharen?

Het is opvallend dat er hoe langer hoe minder sprake is van de ketters. Sinds Simon de Montfort aan de leiding van de kruistocht staat, is die meer en meer een veroveringsoorlog geworden. De inbreng van de Kerk is naar het tweede plan verhuisd.

Natuurlijk worden er nog ketters opgepakt en veroordeeld tot de brandstapel, maar hun aantal is fel geslonken. De kathaarse kerk is ondergronds gegaan. Waar de bons hommes vroeger openlijk hun geloof konden prediken, trekken zij nu clandestien door het land, nog steeds onder de bescherming van plaatselijke heren en bevolking. Prediken doen zij op geheime plaatsen in het bos.

Reizende ambachtslui, zoals wevers, zijn een ideale dekmantel. Het komt zover dat de ketters zelfs de bijnaam “tisserands” (wevers) krijgen. De les die zij getrokken hebben uit de grote brandstapels, zoals die van Minerve, zal hen leren grote concentraties te vermijden en hun te goed bekende huizen in dorpen en steden voorlopig te verlaten.

Eén uitzondering is de vesting Montségur in het Pays d’Olmes. Een grote groep ketters leeft er onder de bescherming van een gewapend garnizoen. Ook in het graafschap Foix kunnen zij zich nog vrij bewegen.

Maar in de eigenlijke strijd is de godsdienstkwestie definitief naar de achtergrond verhuisd. Dat verklaart ook de eensgezindheid in de Occitaanse rangen: zowel kathaarse als katholieke gelovigen gaan in de verdediging tegen de buitenlandse bezetter. Het staat vast dat Raimon VI en de meeste van zijn bondgenoten katholiek zijn (alleen de graaf van Foix heeft uitgesproken ketterse sympathieën, al zal hij dat nooit willen toegeven; zowel zijn moeder als zijn zus zijn bonnes femmes, een andere zus is waldenzische). In feite beschermen zij niet de ketters, zoals de rooms-katholieke kerk beweert, maar hun onderdanen.

Foix 

Aragon grijpt in

In september 1212 is de graaf van Toulouse niet in zijn stad: hij is over de Pyreneeën getrokken, naar Aragon, voor een gesprek met koning Pedro II. Pedro, bijgenaamd “de katholieke”, is de grote overwinnaar van de slag tegen de Almohaden bij Las Navas de Tolosa op 12 juli 1212. Bovendien is hij een persoonlijke vriend van Innocentius III én de schoonbroer van Raimon VI. Zo’n bondgenoot aan Occitaanse zijde zou voor de kruisvaarders een enorme psychologische opdoffer betekenen.

Pedro II, die zijn afkeuring voor de kruisvaart nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, zendt onmiddellijk een boodschap naar de paus met zijn visie over de invasie. De pauselijke legaten in de Languedoc hebben steeds elk persoonlijk contact tussen Raimon VI en de paus trachten te verhinderen, en met succes, maar uiteraard hebben zij geen vat op de contacten tussen de koning van Aragon en Rome. Het resultaat laat niet lang op zich wachten. Op 17 januari zendt de paus aan Simon de Montfort een brief die er niet om liegt:

“...Afgezanten van onze zeer geliefde zoon in Christus, Pedro, de beroemde koning van Aragon, hebben ons medegedeeld dat gij de wapens die enkel moesten dienen om de ketters te bekampen, ook gebruikt hebt tegen katholieken en dat gij het kruisvaardersleger hebt misbruikt om het bloed te vergieten van rechtvaardigen en onschuldigen. Gij hebt u meester gemaakt, ten nadele van de koning, van gebieden van zijn vazallen, de graaf van Foix, de graaf van Comminges en Gaston van Béarn. Welnu er zijn geen ketters in die gebieden en hun bewoners zijn ook nooit van ketterij verdacht...”

“...De afgezanten van de koning delen mij bovendien mede dat gij van die bewoners eden van trouw hebt afgenomen en hen hebt toegestaan in die gebieden te blijven wonen. Daardoor hebt gij impliciet erkend dat het goede katholieken zijn aangezien gij niet voor een aanstoker van ketterij wilt doorgaan. Maar gij beschermt blijkbaar wel ketters door toe te staan dat ze wettelijk in het gebied blijven wonen...”

Ook legaten Arnaud-Amaury, Hugues de Riez en Thédise ontsnappen niet aan de kritiek van de paus. Op 18 januari krijgen zij een even scherpe brief toegezonden:

“...Door het kruisvaardersleger naar de gebieden van de graaf van Toulouse te sturen, hebt gij u niet alleen meester gemaakt van gebieden waar er ketters waren, gij hebt uw begerige handen ook uitgestoken naar gebieden waarvan de inwoners boven elke verdenking staan. Het is geenszins waarschijnlijk dat de bewoners van die gebieden ketters zijn, aangezien gij hen eden van trouw hebt laten afleggen en hun toestemming hebt gegeven in het gebied te blijven wonen...”

Ook hier dezelfde opmerking over de “eden van trouw”. Ketters moesten, volgens de kerkelijke voorschriften, zonder pardon verbannen worden en hun goederen in beslag genomen. Door ze in het gebied te laten blijven wonen, hadden de kruisvaarders impliciet erkend dat het geen ketters waren.

Dan komt de klap op de vuurpijl: Innocentius beveelt het onmiddellijk stopzetten van de kruistocht en eist dat de koning van Aragon en zijn vazallen in al hun rechten worden hersteld. De beslissingen van de paus slaan bij de leiders van de kruisvaart in als een bom. Maar om op zijn eisen in te gaan is het dan al veel te laat...

Communicatie tussen Rome en de Languedoc gebeurt per koerier te paard of per boot en als de boodschapper met het bevel tot stopzetting van de kruistocht bij de legaten toekomt is het midden februari 1213. Op dat ogenblik is de situatie al helemaal uit de hand gelopen. Op een concilie in Lavaur is de verhouding tussen de pauselijke afgevaardigden en de koning van Aragon totaal verzuurd. Het concilie weigert in te gaan op de vredesvoorstellen van Pedro en die neemt dan maar zelf het initiatief: hij neemt officieel alle Occitaanse gebieden die reeds ingenomen zijn of worden bedreigd, onder zijn persoonlijke bescherming. Pedro van Aragon dreigt dus met een gewapende tussenkomst aan de zijde van de Occitanen, van de “ketters” dus. Op 27 januari 1213 neemt hij de feodale eed af van Raimon VI en zijn zoon. Hun voorbeeld wordt gevolgd door de consuls van Toulouse en de vazallen van Raimon. In februari trekt Pedro terug naar Aragon, maar hij laat wel een kleine legermacht achter onder het bevel van Guilhem-Raimon de Montcade, seneschalk van Catalonië. De verstandhouding tussen de kroon van Aragon en Simon de Montfort was nooit erg goed, maar nu is ze helemaal zoek.

Ook de gewapende strijd is weer opgeflakkerd. De broers Montfort willen de steunpunten rond Toulouse vernietigen maar de berichten zijn onheilspellend. Er is sprake van een grote mobilisatie in Aragon en het gerucht gaat dat koning Pedro II op het punt staat met een groot leger over de Pyreneeën te trekken...

In Toulouse is de oogsttijd aangebroken en vermits de kruisvaarders vele voorraden in de streek hebben vernield, is deze oogst van uitzonderlijk belang. Het oogsten wordt echter onmogelijk gemaakt omdat de kruisvaarders Pujol, een van de versterkte steunpunten voor de stad, in handen hebben. Snel ingrijpen is belangrijk. Een legertje, bestaande uit de persoonlijke troepen van Raimon VI, de graaf van Comminges en de zoon van de graaf van Foix, aangevuld met de Catalaanse troepen van Guilhem-Raimon de Montcade en de militie van Toulouse, trekt naar Pujol en belegert de vesting. Maar de vijand waakt. De bisschoppen van Auxerre en Orléans, die zich in Carcassonne bevinden, verzamelen alle kruisvaarders die ze kunnen vinden, Guy de Montfort doet hetzelfde en Simon de Montfort, die in Comminges is, trekt in ijltempo richting Toulouse. De Occitanen moeten snel zijn maar het lukt. Het bolwerk wordt met een bestorming ingenomen en het is geen moment te vroeg. Boodschappers melden dat Guy de Montfort zich dan al in Avignonet bevindt, op minder dan 25 km van Pujol...

Intussen blijven alle ogen angstvallig gericht op Aragon waar nu echt een mobilisatie aan de gang is. Eind augustus trekt het Aragonese leger over de Pyreneeën. Een groot leger met, volgens de kronieken, de “beste ridders van Aragon” en de “elite van Catalonië”. Op 8 september staat het voor Muret. De zoon van de graaf van Provence en nog enkele Catalaanse eenheden die via de col du Perthus over de Pyreneeën zijn getrokken, zullen het later vervoegen. Op 10 september arriveert ook het leger uit Toulouse met Raimon VI, Raimon-Roger van Foix en Bernat van Comminges voor Muret. Pedro’s bedoelingen zijn duidelijk: Muret, dat zeer dicht bij Toulouse ligt, moet eerst ontzet worden en dan zal een campagne volgen naar Carcassonne en Béziers. Montfort, die de dreiging van een nederlaag steeds groter ziet worden en bovendien vreest voor een algemene rebellie, trekt op 10 september met alle beschikbare troepen uit Fanjeaux naar Muret. Een confrontatie kan niet lang meer uitblijven.

De Slag bij Muret

In de namiddag van 11 september staan de kruisvaarders op de linkeroever van de Garonne. De kerkleiders vragen om onderhandelingen maar Pedro II weigert daarop in te gaan of zelfs maar een vrijgeleide af te leveren. De kruisvaarders krijgen wel toestemming om de stad binnen te trekken. De val klapt dicht..

De volgende ochtend wordt aan beide zijden een mis opgedragen en overleg gepleegd. De religieuzen doen nogmaals een poging tot onderhandelen, de vierde maal in vierentwintig uur, maar ditmaal is het te laat. De militie van Toulouse valt de buitenwijken van de stad aan met de bedoeling een uitval van Montfort uit te lokken. En dat lukt ook maar niet helemaal zoals de Occitanen gewenst hadden... Want ook Montfort heeft een krijgsplan. Hij zal een uitval wagen, doen alsof hij het Occitaanse kamp wil aanvallen, op het laatste moment rechtsomkeer maken in de hoop dat de Occitaanse ruiterij de achtervolging inzet, ze zo ver mogelijk van haar basis weglokken en in volle veld slag leveren.

Na de onvermijdelijke zegening trekt de kruisvaarderscolonne de stad uit, op de vijand af. En die staat ze op te wachten. Voor beide legers vormt de ruiterij de belangrijkste aanvalsmacht, vandaar ook de taktiek: de Occitanen willen Montfort uit de stad krijgen, Montfort wil de Occitanen uit hun kamp halen.

Het eerste escadron kruisvaarders stormt af op het eerste escadron Occitanen, aangevoerd door de graaf van Foix, dat de eerste stoot opvangt. Onmiddellijk daarna gooien de tweede escadrons aan beide zijden zich in de strijd en tot grote verbazing van de kruisvaarders merken ze in de Occitaanse gelederen de banier op van Aragon. Terwijl Montfort besluit de reservestrijdkrachten van de coalitie onmiddellijk aan te vallen, is het drama reeds gebeurd: koning Pedro II van Aragon is in het hevige ruiterijgevecht gesneuveld, slachtoffer van zijn eigen overmoed. Het is zeer ongebruikelijk dat iemand van zijn rang zich van bij het begin in de frontlinie begeeft. Voor de coalitie zijn de gevolgen verschrikkelijk, heel het Occitaanse offensief ontspoort en binnen de kortste keren zijn Montfort en zijn troepen meester op het slagveld.

Grootste slachtoffer wordt de militie van Toulouse die de stad heeft bestormd. De zegevierende Franse ruiterij valt ze in de rug aan en er volgt een bloedbad. Zelfs het basiskamp van de militie wordt onder de voet gelopen. De Occitaanse coalitie gaat onder in totale ontreddering, iedereen die nog kan vluchten doet dat. Hoewel sterk in de minderheid heeft Montfort het opnieuw gehaald tegen een ongecoördineerde overmacht. Het Occitaanse verzet lijkt na Muret definitief gebroken en het is niet duidelijk wie of wat de machtshonger van Montfort nu nog zal kunnen stoppen.

Nieuwe initiatieven van Raimon VI

Raimon VI weigert de zaak op te geven. Hij draagt de consuls van Toulouse op te gaan onderhandelen met de vijand, als die moest opduiken, en trekt zelf in het grootste geheim naar Engeland voor overleg met de Engelse koning. De onderhandelingen over Toulouse zijn intussen gestart maar hoelang kan deze moedige stad het verzet nog volhouden? De pauselijke legaten eisen dat Toulouse de ketters uitwijst en de kruisvaarders niet verder meer hindert in hun “heilige taak”. Op die voorwaarden zullen excommunicatie en interdict worden opgeheven. De consuls weigeren.

Aan de andere kant zijn de Fransen nog wat huiverig om Raimon VI meteen de genadeslag te geven en de stad volledig op de knieën te krijgen, zij wachten de orders van Rome af. Het kruisvaardersleger bevindt zich tijdens de onderhandelingen niet eens in de buurt van de stad, Montfort houdt een represaillecampagne in het graafschap Foix, maar ook voor hem loopt alles niet zo gladjes als hij had gehoopt. Er breken opstanden uit in de Provence, men kan zich terecht afvragen of die niet op een of andere manier door Raimon VI zijn aangestoken. De bedoeling is in ieder geval duidelijk: nieuwe kruisvaarders de doorgang richting Toulouse beletten. Montfort besluit om ter plaatse orde op zaken te stellen, maar dat gaat niet zonder slag of stoot, zelfs bij zijn eigen bondgenoten wordt enige vijandigheid merkbaar. Pedro II was een zeer geliefd vorst, ook in de Occitaanse gebieden, en zijn dood heeft de populariteit van Montfort er zeker niet op vergroot. Als de kruisvaarders voor Narbonne verschijnen wordt hun de toegang zonder meer door burggraaf Aimery geweigerd. Hetzelfde gebeurt in Montpellier, leengoed van Pedro II, en Nîmes. Maar uiteindelijk bereikt Montfort, waarbij zich inmiddels ook weer legaat Arnaud-Amaury gevoegd heeft, toch de omgeving van Valence en kan hij de opstand bedwingen. Hij krijgt daarvoor hulp van de hertog van Bourgondië die met een nieuwe groep kruisvaarders naar het zuiden oprukt. Raimon VI, terug uit Engeland, rekent intussen definitief af met zijn halfbroer Baudois die hem verraden heeft en naar Montfort is overgelopen. Baudois loopt in een hinderlaag van Toulouse-getrouwen en wordt als verrader opgehangen.

Plots komen er alarmerende berichten uit Narbonne. Daar is zich een leger aan het vormen onder bevel van de regent van Aragon en zijn zoon, samengesteld uit Aragonese en Catalaanse troepen. Bovendien gebeurt dat onder het goedkeurende oog van burggraaf Aimery. De bedoeling is duidelijk. Montfort heeft nog steeds de zoon van Pedro II in handen en Aragon wil hem terug. Dat is begrijpelijk maar het gevaar is niet denkbeeldig dat een dergelijk leger het idee zou kunnen krijgen om de dood van zijn koning en de nederlaag bij Muret te wreken. Het is een teken aan de wand dat het precies in Narbonne gebeurt. De slag bij Muret mag dan wel een militaire nederlaag zijn geweest, de Occitaanse ruggengraat is nog niet gebroken. Integendeel, de grootste golf van verzet sinds de invasie spoelt over het zuiden van de Agenais tot aan de Rhône. En ditmaal met inbegrip van alle grote steden: Narbonne, Montpellier, Nîmes... Maar Narbonne! Is Arnaud-Amaury, geestelijk leider van de kruisvaart, niet bisschop en tegelijkertijd hertog van Narbonne? Heeft burggraaf Aimery zich bij vorige campagnes niet steeds terughoudend opgesteld? De stadsmilitie heeft zelfs aan de kant van de kruisvaarders tegen Minerve gevochten.

Montfort moet uiteraard iets ondernemen en rukt op tegen de stad. De belegering is nauwelijks bezig als een zekere Pierre de Bénévent ten tonele verschijnt. Hij is een nieuw aangestelde pauselijke legaat met een geheime missie. De paus heeft iedereen zijn aanstelling gemeld maar niets laten doorschemeren over zijn bedoelingen. Wel heeft hij in een brief aan Montfort bevolen dat de zoon van Pedro II onmiddellijk aan de legaat moet worden overgedragen.

De missie van Pierre de Bénévent

De échte missie van de legaat is de verzoening van de overwonnenen van Muret met de Kerk. En dat over de hoofden van Arnaud-Amaury en Simon de Montfort heen, de paus is van mening dat ze te ver zijn gegaan. Hij weet ook dat beiden in de Languedoc een groot aantal bezittingen hebben vergaard en dat het in hun belang is als de verzoening van Raimon VI met de Kerk er niet komt...

Bij zijn aankomst in Narbonne beveelt Pierre de Bénévent dat er onmiddellijk een wapenstilstand moet komen zodat hij aan zijn opdracht kan werken. Hij installeert zich in het bisschoppelijk paleis van Arnaud-Amaury en laat Raimon VI en de graven van Commingues en Foix ontbieden. Met de laatste twee wordt onmiddellijk een vredesverdrag gesloten. Dat het ditmaal menens is blijkt uit het feit dat Raimon-Roger van Foix uit vrije wil zijn burcht als onderpand aanbied.

Vervolgens vertrekt de legaat naar Toulouse maar in Castelnaudary komt een afvaardiging van de consuls hem tegemoet en het ganse gezelschap keert terug naar Narbonne waar de onderwerping van Toulouse aan de Kerk wordt getekend. In april is het de beurt aan Raimon VI om vrede te sluiten. Bij die gelegenheid trekt hij zich officieel terug uit al zijn functies en draagt al zijn bezittingen en bevoegdheden over aan zijn zoon. De zaak lijkt geregeld, Pierre de Bénévent verlaat de Languedoc en Raimon VI trekt naar Toulouse waar hij zal blijven tot het einde van het jaar. Hij maakt plannen om dan in Rome te gaan onderhandelen met de paus, dat heeft hij beloofd aan de consuls.

Het concilie van Montpellier

Precies als de strijd beslecht lijkt, stromen de versterkingen uit het noorden toe en beschikt Montfort over het sterkste leger sinds de eerste invasie. Hij gebruikt het om de laatste verzetshaarden in Quercy en Agenais op te ruimen. Het grootste gevaar komt daar van de Engelse koning Jan-zonder-Land, die zich met een groot leger in de Périgord bevindt, leger waarbij zich talrijke tegenstanders van Montfort hebben aangesloten. Jan-zonder-Land is de leenheer van Raimon VI voor de Agenais. Maar de Engelse koning onderneemt niets tegen Montfort. Hij heeft de handen vol met zijn oorlog tegen Philippe-Auguste.

Op 8 januari 1212 wordt in de Notre-Dame-des-Tableskerk van Montpellier een belangrijk concilie geopend. De legaten willen hun “heilig werk tegen de ketters” afronden en definitief de puntjes op de i zetten. De aanwezigen vragen unaniem Simon de Montfort te erkennen als “enige leider van het ganse land”, d.w.z. van alle gebieden die door de kruisvaarders zijn veroverd. Zij vragen bovendien dat die benoeming door de pauselijke legaat gebeurt, zodat Montfort voor het ganse gebied vazal wordt van Rome. Niet alleen worden hier opnieuw de rechten van de Occitaanse heren van tafel geveegd, maar men “vergeet” ook meteen al hun wettelijke leenheren, de koningen van Frankrijk, Engeland en Aragon en de Duitse keizer (voor het markizaat Provence). Legaat Pierre de Bénévent heeft genoeg gezond verstand om in te zien dat hij zich hier op heel glad ijs begeeft en weigert zijn goedkeuring aan het plan te hechten. Het ganse dossier zal naar Rome gestuurd worden en de paus zal de knoop moeten doorhakken. Maar de legaat heeft wel al de onderpanden die waren toegezegd in ruil voor het vredesverdrag in bezit genomen, zoals het kasteel van Foix en het Château Narbonnais in Toulouse. Bisschop Fulco zal hier met veel leedvermaak zijn intrek nemen. Raimon VI moet noodgedwongen bij een vriend zijn onderkomen zoeken.

In deze periode van “dreigende vrede” wacht men de beslissing van Rome af. Begin maart volgen de eerste orders. Een tijdschema voor het bezoek van Raimon VI aan de paus. De bevestiging dat al zijn gebieden en rechten als onderpand aan de paus zijn overgedragen en dat hij daardoor de absolutie heeft gekregen. Zijn excommunicatie is dus opgeheven. Raimon VI en ook Simon de Montfort verwachten nu een snelle regeling van het conflict maar die komt er niet. De paus wil niet overhaast te werk gaan, wil eerst nog overleg plegen, en stelt de definitieve beslissing opnieuw uit naar een concilie, te houden in Lateranen in november. Als tegemoetkoming voorziet hij wel dat de “onkosten” van Raimon VI, die nu zonder inkomen zit, door de Kerk zullen worden gedragen...

De kruistocht van kroonprins Louis van Frankrijk

Tijdens dezelfde maand maart komt er belangrijk nieuws uit Parijs: Louis, zoon van de Franse koning Philippe-Auguste, is met een groot leger onderweg naar het zuiden. Gaat de Franse kroon zich dan toch met de kruistocht bemoeien? We mogen rustig aannemen dat de kroonprins al veel eerder aan de gevechten had willen deelnemen maar we kennen de houding van zijn vader: de kroonprins kreeg geen toestemming ofwel werd die op het laatste nippertje weer ingetrokken. Is de houding van de Franse koning plots veranderd nu het pleit beslecht lijkt?

De conflictsituatie tussen Frankrijk en Engeland is (voorlopig) van de baan en Philippe-Auguste volgt de gebeurtenissen in het zuiden met argusogen. De ontwikkelingen bevallen hem allerminst. Met de mogelijkheid voor ogen dat Montfort door het concilie van Montpellier als alleenheerser over de Occitaanse gebieden zal worden voorgedragen, en zijn eigen rechten als suzerein zullen worden weggewuifd, acht hij een acte de présence wenselijk. Zijn zoon krijgt dus de toestemming om te vertrekken. Uiteraard is dit veel meer een politieke dan een militaire beslissing, er wordt nog nauwelijks gevochten maar het is begrijpelijk dat de leiders van de kruistocht niet erg gelukkig zijn met die plotse inmenging van de Franse kroon.

Op 20 april trekt het koninklijk leger van Lyon naar Vienne. Daar wordt het opgewacht door Montfort en Arnaud-Amaury. Tussen deze twee kopstukken van de kruistocht botert het ook al niet meer. De moeilijkheden begonnen toen Arnaud-Amaury zichzelf tot hertog van Narbonne benoemde. Aangezien het burggraafschap Narbonne hieraan ondergeschikt is, is hij daardoor ook de suzerein van burggraaf Aimery. De onafhankelijke en onvoorspelbare houding van deze laatste en zijn Narbonnezen heel goed kennende, zint dit Montfort allerminst. Wanneer, na de slag bij Muret, rellen uitbreken in Narbonne, besluit hij als represaille de muren van de stad te laten slopen. Arnaud-Amaury, die dit als een persoonlijke belediging beschouwt, protesteert heftig bij de paus en bij... prins Louis van Frankrijk. Die is voorzichtig genoeg om zijn beslissing nog wat uit te stellen.

Het koninklijk leger trekt verder naar Valence, waar het opgewacht wordt door Pierre de Bénévent, en bereikt uiteindelijk Béziers. Opnieuw komt een afvaardiging uit Narbonne de prins opzoeken om zijn beslissing over hun stad te vernemen. Louis wil zich nog steeds niet in het wespennest mengen en delegeert zijn beslissing naar Pierre de Bénévent. Die geeft Montfort gelijk: de muren van Narbonne moeten worden gesloopt, evenals die van Toulouse. Deze beslissing maakt de twee leiders van de kruistocht tot aartsvijanden.

Voor Montfort gaat nog niet ver genoeg. Als hij erin slaagt van burggraaf Aimery een feodale eed los te krijgen, zou hij nog steviger in zijn schoenen staan. Onder “zachte dwang” slaagt hij daar ook in maar met een belangrijke beperking. De eed geldt slechts voorlopig: tot aan het concilie van Lateranen dat over de uiteindelijke bestemming van het zuiden zal beslissen.

Via Carcassonne en Fanjeaux trekt het koninklijk leger vervolgens naar Toulouse waar de grote dag voor Simon de Montfort eindelijk is aangebroken: aan de zijde van prins Louis trekt hij de stad binnen. Raimon VI is er niet. Hij bevindt zich in Foix om zijn verdediging voor het concilie van Lateranen voor te bereiden. Na jaren van strijd is Montfort eindelijk meester over de zuidelijke hoofdstad. Op 8 juni trekt hij ook Montauban binnen. De laatste haarden van verzet zijn opgeruimd, de verovering is compleet.

Ondertussen is de quarantaine van prins Louis volbracht en trekt hij terug noordwaarts. Hij was niet gekomen om te vechten maar om “te zien en gezien te worden”. Zijn opdracht is geslaagd, zijn vader kan tevreden zijn.

Het concilie van Lateranen

Op 1 november wordt in Rome het vierde concilie van Lateranen geopend. Hier zullen de grote politieke beslissingen moeten vallen. Alle betrokkenen zijn aanwezig als op 14 november de Occitaanse zaak ter sprake komt. Raimon VI en zijn zoon zitten in de zaal, maar het is de graaf van Foix die als hun vurigste verdediger zal optreden.

Van bij het begin laat de paus geen twijfel bestaan over zijn persoonlijk standpunt: Raimon VI heeft zich verzoend met de Kerk en er is dus geen reden meer om hem zijn gebieden niet terug te geven. De Kerk heeft ze slechts “in consignatie” als onderpand aan Montfort overgedragen en die heeft er geen erfelijke rechten op, als de Kerk dat zo beslist moeten ze terug aan de wettelijke heerser worden overgedragen.

Dan is het de beurt aan de Raimon-Roger van Foix. Die neemt in de eerste plaats de zaak op van de zoon van Raimon VI. Hem kan de Kerk niets verwijten, met hem bestaan geen conflicten, hij moet dus al zijn rechten kunnen blijven uitoefenen. Toch werden zijn gebieden uitgeleverd aan de “moorden en martelingen van de ergste en meest verbitterde vijand, Simon de Montfort, die ze inpalmt, ze verdrukt, ze verwoest en ze uitput zonder enig medelijden...” Wat hemzelf (de graaf van Foix) betreft, hij heeft zich gehouden aan de overeenkomst en zijn burcht overgedragen aan de Kerk als onderpand. Aangezien legaat Pierre de Bénévent zijn goede trouw kan bevestigen, wil hij nu zijn eigendom terug.

Maar Raimon VI heeft niet alleen verdedigers. De volgende spreker is bisschop Fulco van Toulouse. De graaf van Foix moet het eerst ontgelden. Hij heeft toegestaan dat het castrum van Montségur, dat in zijn gebied ligt, door de ketters werd versterkt en nu als een zo goed als onneembaar toevluchtsoord dient. Bovendien is zijn eigen zus een ketterse. Een ook zijn aanval op de “onschuldige pelgrims” in Montgey, tijdens het beleg van Lavaur, wordt weer opgerakeld.

Er komt vuur in de debatten. Een Occitaanse edelman, Arnaut de Villemur, springt op en roept “...dat hij ze goed genoeg kent, die pelgrims, dat ze tot hun tanden gewapend waren, die pelgrims, dat het helemaal geen pelgrims waren, maar een grote groep Duitse soldaten, op weg naar Lavaur...”, waarop de heer van Saverdun rechtveert en verklaart dat “als hij geweten had dat in Rome zoveel belang zou worden gehecht aan dergelijke zaken, er nog wel meer zouden rondlopen zonder neus en oren...”

Uiteindelijk komt de graaf van Foix terug aan het woord voor zijn repliek. Hij stelt dat hij niet de eigenaar is van Montségur en dat ook nooit geweest is. (Dat is natuurlijk juist. Raimon de Perelha is heer van Montségur, maar de graaf van Foix is wel suzerein van het pays d’Olmes waar de plaats ligt, en ook van de heerlijkheid Mirepoix en de plaats Perelha, vanwaar de heer van Montségur afkomstig is.) Verder werpt hij op dat hij niet moet boeten voor de “zonden van zijn zuster”. En wat Montgey betreft verklaart hij nooit een pelgrim te hebben lastiggevallen, maar dat het hier om een invasieleger ging en dat hij er spijt van heeft dat er nog enkele “valse pelgrims” zijn kunnen ontsnappen. Tenslotte pakt hij ook Fulco persoonlijk aan: “Men zou denken dat het de antichrist is als men hem bezig ziet, in plaats van een afgevaardigde van Rome...”

Montségur

Innocentius III antwoordt daarop^dat hij zich ongetwijfeld uitstekend verdedigd heeft, dat alles zal geverifieerd worden en dat hij daarna zijn burcht binnen de kortste keren zal terugkrijgen. En zo gaan de debatten door. Raimon de Roquefeuil pleit voor Raimon Trencavel, de zoon van de held van Carcassonne. Eens te meer wordt de handelwijze van Montfort en de kruisvaarders aangeklaagd en wordt er gevraagd om teruggave van eigendommen.

Dan begint het overleg tussen de paus en zijn prelaten. Gemakkelijk gaat het niet. De paus vindt dat Raimon, die zich met de Kerk heeft verzoend, zijn eigendommen moet terugkrijgen. De tegenpartij, met Fulco op kop, stelt dat men in dat geval gebied van Montfort weer zou moeten afnemen, en hem dus straffen voor zijn steun aan de Kerk. De meerderheid van de aanwezigen volgt deze redenering. De paus aarzelt nog steeds maar moet uiteindelijk inbinden.“Goed,” zegt hij, “als ik zijn [Montforts] gebied dan niet kan afnemen, dat hij het dan houdt en bestuurt. Maar dat hij het goed verdedigt zodat men het hem niet afneemt, want nooit zal ik toestaan dat er [een kruisvaart] gepredikt wordt om hem ter hulp te komen...”

Innocentius maakt daarbij duidelijk dat het alleen gaat over de gewesten die Montfort daadwerkelijk heeft veroverd. Alle andere gebieden, zoals het Comtat Venaissin en het Markizaat Provence moeten worden voorbehouden voor Raymond’s zoon. De paus zit in een patstelling, als het ware het slachtoffer van zijn eigen kruistocht die ontaard is in een vulgaire veroveringsoorlog. Een andere uitspraak van hem laat daar geen twijfel over bestaan: “Men moet er niet op rekenen dat de graaf van Montfort en Raimon VI ooit vriendschap zullen sluiten. Raimon zal, als hij moedig genoeg is, wel weten wat hem te doen staat. Als hij God en de Kerk liefheeft zal hij ooit misschien terug regeren over het gebied van zijn voorouders, als hij God en de Kerk liefheeft...”

De slotverklaring

Op 30 november volgt de openbare slotverklaring van het concilie:

  1. Daar Raimon, de vroegere graaf van Toulouse, schuldig wordt bevonden aan medeplichtigheid aan de verspreiding van ketterij en het onderhouden van routiers, en daar uit de aanwijzingen blijkt dat hij dit gebied niet in vrede en geloof kan besturen, zal hem het eigendomsrecht voor altijd ontnomen worden. Hij zal buiten het gebied verblijven op een plaats waar hij waardig boete voor zijn zonden kan doen. Zolang hij zich hieraan houdt zal hij jaarlijks 400 mark uit de opbrengsten van het gebied ontvangen voor zijn onderhoud...

  2. Al het gebied dat veroverd werd door de kruistocht, inbegrepen Montauban en Toulouse, wordt overgedragen aan de graaf van Montfort...

  3. De rest van het gebied, wat dus nog niet werd veroverd, zal door de Kerk in mandaat gegeven worden aan personen van haar keuze. Zodra de zoon van de graaf van Toulouse op voldoende leeftijd gekomen is en zich waardig en als een goed katholiek gedraagt, kan hij dit land, of een deel ervan, terugkrijgen...

  4. Wat de graaf van Foix betreft zal er een bijkomend onderzoek gebeuren alvorens een beslissing genomen wordt. Het kasteel van Foix zal zolang onder mandaat van de Kerk blijven...

De meerderheid van de prelaten heeft zijn slag thuisgehaald, om van Montfort nog maar te zwijgen, hij wordt graaf van Toulouse in plaats van Raimon VI. Die wordt verbannen en krijgt een pensioen “als hij zich goed gedraagt”. Innocentius III is de controle over het mechanisme dat hijzelf in werking heeft gezet kwijt... Maar hij heeft toch nog iets uit de brand kunnen slepen. Buiten het pensioen voor Raimon VI blijft diens echtgenote, gravin Eleonor, haar rechten behouden op alle plaatsen die zij als bruidsschat meekreeg. Het gaat om een aantal kastelen, waaronder Beaucaire. En hier zit een addertje onder het gras. De opperheer van deze plaats, de aartsbisschop van Arles, heeft Beaucaire overgedragen aan Montfort die er een garnizoen heeft gestationeerd. Verder krijgt Montfort geen controle over de gebieden onder Engelse invloed, en evenmin over het markizaat Provence dat tot de invloedssfeer van de Duitse keizer behoort.

Na een laatste audiëntie vertrekt Raimon. Op vraag van de paus laat hij zijn zoon in Rome om de kwestie van diens toekomstige gebieden te regelen. Het zal duidelijk zijn dat de (ex)-graaf van Toulouse zich bedrogen voelt. Hij heeft zich onderworpen aan de legaten, aan de paus, heeft de absolutie gekregen, heeft Toulouse uitgeleverd en als beloning hiervoor wordt hem nu vrijwel alles afgenomen. De graaf van Foix blijft nog enkele dagen in Rome om zijn zaken te regelen en hij slaagt erin voldoening te krijgen. Een pauselijke bul wordt uitgevaardigd waarin wordt bevolen dat de burcht van Foix, in handen van Montfort, onmiddellijk terug aan de Kerk moet uitgeleverd worden in afwachting van teruggave aan de graaf. Bovendien moet er een onderzoek komen naar de belastingen die de kruisvaarders hebben opgelegd voor en na de onderwerping van de graaf aan de Kerk en krijgt Montfort het officiële verbod nog oorlog te voeren tegen het graafschap Foix. Met dit resultaat verlaat ook Raimon-Roger van Foix Rome en trekt naar Viterbo, waar Raimon VI hem opwacht en waar ze samen kerstmis vieren. Raimon VI trekt dan verder naar Genua waar hij zijn zoon opwacht.

Simon de Montfort,
graaf van Toulouse, hertog van Narbonne

Intussen zijn Guy de Montfort en de prelaten teruggekeerd naar de Languedoc. Ze hebben voor Simon de titel van graaf van Toulouse bij maar om die ten volle te mogen dragen zal hij eerst de feodale eed moeten afleggen in handen van koning Philippe-Auguste.

Simon heeft geen haast. Omdat hij toch zó graag ook hertog van Narbonne zou zijn, houdt hij eraan eerst deze titel in te palmen. Het conflict met zijn vroegere bondgenoot Arnaud-Amaury flakkert weer op. De oud-abt is akkoord om de uiteindelijke beslissing aan de paus over te laten, maar weigert intussen Montfort de toestemming om Narbonne te betreden. Die stoort zich daar niet aan, trekt op naar de stad en eist, als suzerein van burggraaf Aimery, verblijfsrecht op. Een woedende Arnaud-Amaury spreekt onmiddellijk een excommunicatie uit. De aanvoerder van de kruisvaart is nu zelf geëxcommuniceerd. Hij trekt er zich weinig van aan. In Narbonne wordt een echt privé-oorlogje uitgevochten met pesterijen aan beide zijden.

En dan trekt Montfort eindelijk naar Toulouse. Hij trekt de stad binnen als “graaf van Toulouse en Leicester”, “burggraaf van Béziers en Carcassonne” en... “hertog van Narbonne”. De bevolking legt de eed van trouw af aan de nieuwe graaf maar erg gerust is die er toch niet in. Hij laat de omwalling van de stad verder afbreken en zijn eigen Château Narbonnais versterken.

De kroon op het werk volgt in maart 1216 met de eed van trouw aan koning Philippe-Auguste van Frankrijk. Na zeven jaar heeft Montfort, met de steun van de Kerk, een immens gebied veroverd. Maar als hij denkt dat hij voortaan op zijn lauweren kan gaan rusten heeft hij het grondig mis...!

Overzicht | Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 | Deel 5