Nederlandse Romans

| Terug |

De goede mensen en de honden van GodKarel Wellinghoff
DE GOEDE MENSEN EN DE HONDEN VAN GOD

Tien jaar na Montségur, burcht van de vrede verscheen bij uitgeverij Aspekt een nieuwe ‘katharenroman’ van Karel Wellinghoff. Het thema is vergelijkbaar. Een jong koppel trekt naar de Languedoc op zoek naar zichzelf en hun relatie. Beiden hebben trauma's uit het recente verleden te verwerken. Uiteindelijk zal blijken dat ze een gereïncarneerde bon homme en bonne femme zijn.

Het boek is dus een beetje schatplichtig aan de vorige roman die hier als een soort rode draad door het verhaal loopt. Wie veel actie verwacht is er alvast aan voor de moeite. Weinig geschiedenis, veel esoterie. Een boek voor de liefhebbers van het genre.

En daar wringt het schoentje. Karel Wellinghoff geeft zijn boek als ondertitel Een kathaarse liefdesroman en eigenlijk klopt die omschrijving niet. Dit is namelijk geen historische maar een esoterische roman. Het katharisme dat hier wordt beschreven heeft niets te maken met het middeleeuwse katharisme dat we hebben leren kennen door het werk van historici en archeologen. In een roman is de historische correctheid ondergeschikt aan de plot en de personages maar hier wordt toch wel zeer ver over de schreef gegaan.

Veel wordt duidelijk als we de verantwoording lezen op het einde van het boek. “Met deze roman wilde ik niet de geschiedenis van het katharisme in de Languedoc op historisch verantwoorde wijze verhalen.” En hij voegt eraan toe: “Veeleer was het mijn bedoeling om het gedachtegoed van de katharen en hun geloofsbeleving, zoals dat uit de overlevering tot ons komt, uit te diepen en vorm te geven.” Hij schrijft er niet bij dat de overlevering waarop hij alludeert haar oorsprong had op het einde van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw, en dus niet in de middeleeuwen.

Maar wat dan volgt is zonder meer verbijsterend: “De historische werkelijkheid van hun bestaan gaat nog in nevelen gehuld,... [...] Veel meer [dan in de registers van de Inquisitie staat, red.] kan uit historisch wetenschappelijk perspectief eigenlijk niet over hen gezegd worden, want ze hebben geen relikwieën en geschriften nagelaten.”

Natuurlijk hebben de katharen geen relikwieën nagelaten, die hadden ze niet (al laat Karel Wellinghoff ze wel uit Montségur smokkelen), maar dat ze geen geschriften hebben nagelaten is flagrant onwaar. Die teksten zijn ook gepubliceerd, vertaald in het Frans en in het Engels. Bovendien zijn ze het onderwerp geweest van heel wat boeiende studies. Antoine Dondaine, Theo Venckeleer, Christine Thouzellier, René Nelli, Anne Brenon, Walter Wakefield, Austin Evans,... Karel Wellinghoff heeft er blijkbaar nog nooit van gehoord. Het is een beproefd procédé. Vanuit esoterische hoek wordt voortdurend beweerd dat “de historische werkelijkheid van hun bestaan nog in nevelen gehuld gaat.” Er wordt gesuggereerd dat de registers van de Inquisitie de enige geschreven bronnen zijn waarop historici zich baseren. Ook dat klopt natuurlijk niet. Buiten de kathaarse teksten is er een overvloed aan kronieken, oorkonden, theologische traktaten, enz. We kunnen zonder overdrijving stellen dat de kathaarse periode, in tegenstelling tot wat hier wordt beweerd, een van de best gedocumenteerde uit de middeleeuwse geschiedenis is. Vandaar dat nog steeds zoveel nieuw historisch-wetenschappelijk materiaal wordt gepubliceerd. Denken we maar aan het recente en baanbrekende Les Catharismes van Pilar Jiménez-Sanchez. Misschien had Karel Wellinghoff dat beter eerst gelezen alvorens boude uitspraken te doen.

Het boek mist ook de frisheid van Montségur, burcht van de vrede. Het leest allemaal wat stroef, alsof de fut er een beetje uit was, het taalgebruik is slordiger (of heeft de uitgever bespaard op de eindredactie?). Het is me ook een raadsel waarom de auteur zoveel Franse woorden inlast. Misschien om de authenticiteit te vergroten, maar dan had hij Occitaans moeten gebruiken. Wat is de meerwaarde van een woord als le bûcher in plaats van de brandstapel? Hij heeft het ook voortdurend over parfaits en parfaites of katharen, terwijl die woorden in de 13de eeuw nooit gebruikt werden en hij in zijn titel wel ‘de goede mensen’ schrijft.

Dan moeten we het nog even hebben over de vele te vermijden historische blunders en inconsequenties. Er wordt bijvoorbeeld voortdurend gesproken over het ‘slot’ van Montségur terwijl het kathaarse Montségur helemaal geen burcht was maar een versterkte nederzetting. De militaire commandant, Pierre-Roger de Mirepoix wordt beschreven als de ondergeschikte van kasteelheer Raymond de Perelha, terwijl de twee in werkelijkheid evenwaardige mede-heren waren. Bovendien zou Pierre-Roger familiebanden gehad hebben met Hugues des Arcis, de (Franse) seneschalk van Carcassonne. Het is mij een raadsel waar dat verhaal vandaan komt. Ook over de belegering van Montségur valt één en ander te zeggen. Een voorbeeldje: Wellinghoff schrijft dat de seneschalk niet over voldoende manschappen beschikte om de hele pog van Montségur te omsingelen, wat juist is. Maar op een andere pagina lezen we dat er 20.000 kruisridders aan de belegering deelnamen. Dat zou alleszins ruim voldoende geweest zijn voor zo'n omsingeling.

Nog een voorbeeldje. Volgens de auteur droegen de katharen donkerblauwe pijen (hij geeft zelfs de specifieke kleur: Indigo). Maar tijdens de jaren van vervolging door de Inquisitie droegen de bons hommes helemaal geen pijen, dat zou levensgevaarlijk geweest zijn. Ze gingen gewoon gekleed zoals iedereen. Van de Inquisitie schildert Wellinghoff trouwens een echte karikatuur: een bleke magere monnik-inquisiteur die ondervragingen houdt in een donkere vochtige kelder, omgeven door foltertuigen. Terwijl er van foltering toen nog geen sprake was. Pas in 1254 kreeg de Inquisitie van paus Innocentius IV de toestemming om onder strikte voorwaarden de tortuur te gebruiken (met de bul Ad extirpenda), wat aanvankelijk trouwens uiterst zelden gebeurde. Toch krijgt Blanca de duimschroeven aan. De oudste vermelding van duimschroeven is 14de-eeuws. Ze behoorden wel tot het arsenaal van de Spaanse Inquisitie. De auteur zit er dus een paar eeuwen naast.

Maar het ergste is wat hij uithaalt met zijn hoofdpersonages. De bonne femme Blanca en de bon homme Amiel trekken samen op, huwen (het huwelijk wordt ingezegend door niemand minder dan Guilhabert de Castres) en krijgen zelfs een kind. Over welke ‘katharen’ hebben we het hier eigenlijk? Alleszins niet die uit de 13de-eeuwse Languedoc.

Ook over de kathaarse bisschoppen valt een en ander te zeggen. Guilhabert de Castres heeft een ‘assistent’ die Raymond Agulher heet. Ook dat is nonsens. Guilhabert de Castres (die ergens in het verhaal plots Guilhaume de Castres heet) was de kathaarse bisschop van Toulouse. Raymond Agulher was de kathaarse bisschop van de Razès. De ene was dus niet ondergeschikt aan de andere. En er heeft in Montségur nooit een kathaarse bisschop geleefd die Bertrand d'en Marty heette. Zijn juiste naam, zoals we die kennen uit de historische bronnen, was Bertran Marty, zo moeilijk kan dat allemaal toch niet zijn.

Wie natuurlijk niet mag ontbreken is gravin Esclarmonde van Foix, de ‘echtgenote van de graaf van Foix’. Karel Wellinghoff beschrijft haar overlijden in Montségur. In werkelijkheid was Esclarmonde de zus van de graaf van Foix. Zij was dus geen gravin, door haar huwelijk was ze burggravin van Gimoèz, en ze heeft van haar hele leven geen voet in Montségur gezet. Ze is weliswaar bonne femme geworden op latere leeftijd, na het overlijden van haar echtgenoot, maar ze woonde in Pamiers, niet in Montségur.

Tenslotte, en onvermijdelijk gezien de context, zijn er ook de obligate grotten in de Ariègevallei. In de verantwoording lezen we: “Ik acht het mogelijk, zelfs voor de hand te liggen, dat ze deze periode [hun noviciaat, red.] hebben doorgebracht in de grotten langs de Ariège. Maar hiervoor ontbreken de bewijzen.” Inderdaad, hiervoor ontbreken de bewijzen. Waarom de auteur het dan zo voor de hand vindt liggen schrijft hij er niet bij. Maar dat weten we intussen wel. Omdat een gepensioneerd onderwijzer uit Ussat dat in het begin van de 20ste eeuw zo bedacht heeft. De auteur schrijft er uiteraard ook niet bij dat we intussen de echte functie van de grotten kennen en dat ze uitgebreid gedocumenteerd zijn in de bronnen. Vóór de 20ste eeuw heeft alleszins niemand die grotten églises genoemd. Maar de katharen van Karel Wellinghoff zijn dan ook niet de echte katharen. De katharen van Karel Wellinghoff trekken per twee door het land en plukken kinderen weg bij hun ouders om ze als novice een opleiding te geven in donkere spelonken. Ik kan mij een gelukkiger jeugd voorstellen.

Dit zijn slechts enkele opmerkingen van de vele. Bovendien heeft het zetduiveltje flink toegeslagen. Ook al bestaat er zoiets als elektronische spellingcontrole, een goede eindredacteur kan wonderen doen.

Slotconclusie: Alleen voor liefhebbers van het esoterische genre, alleszins niet geschikt voor wie verwacht een roman over de historische katharen te lezen.

(Aspekt - 2009 - ISBN 978-90-5911-884-3)

| Terug |