Nederlandse Boeken

| Terug |

John van SchaikJohn van Schaik
DE KATHAREN
Feit en fictie

Goede Nederlandstalige boeken over de katharen blijven eerder zeldzaam. Er zijn weinig originele studies en wat de vertalingen betreft tonen onze uitgevers zich doorgaans niet van hun meest geïnspireerde kant. Als gevolg daarvan krijgen we wel vertalingen in onze maag gesplitst van totaal overbodige boeken van Jean Blum en Rene Weis maar blijven de Franse klassiekers van Anne Brenon en Michel Roquebert, om er maar twee te noemen, voor de Vlaamse en Nederlandse lezer onbereikbaar. Begrijpe wie kan.

Het is dus normaal dat we naar een nieuw Nederlands boek over de katharen met meer dan gewone belangstelling uitkijken. Vooral als het de ondertitel ‘Feit en fictie’ draagt want er is dringend nood aan zo'n boek waarin de fabels van de historische werkelijkheid worden gescheiden. De vraag is of de vlag hier ook de lading dekt. John van Schaik is de auteur die met ‘Unde Malum’ de stelling dat er een verband zou bestaan tussen het dualisme van de manicheeërs en dat van de katharen naar het rijk der fabelen verwees. In zijn nieuwste boek gaat hij na in hoeverre de katharen deel uitmaakten van het zgn. ‘esoterische christendom’. Dat is de mystieke gnostische vorm van het christendom, de tegenhanger van het ‘exoterische’ of kerkelijke christendom. De twee raakten definitief gesplitst in de vierde eeuw. Volgens de auteur is het antwoord neen, de katharen waren gnostieke christenen, geen esoterische christenen

Maar dat is dus de interpretatie van de auteur, met het scheiden van ‘feit en fictie’ heeft het weinig te maken en je kan je ook afvragen in hoeverre deze conclusie relevant is voor de gewone lezer die geen antroposofische achtergrond heeft en die misschien de indruk zal hebben dat het nog maar eens gaat om ‘etiketjes plakken’. John van Schaik voelt zich in deze materie echter thuis als een vis in het water en raast als een wervelwind door de voorgeschiedenis, de geschiedenis, de leer, de vervolging en de verdwijning van de katharen. Hij tracht dat te doen in een vrij eenvoudige en heldere taal maar de materie zelf is zo ingewikkeld dat heel wat ongeoefende lezers waarschijnlijk door het bos de bomen niet meer zien.

Maar er is meer. Van een dergelijk boek mag je minstens verwachten dat het historisch ook klopt, met andere woorden dat feit en fictie inderdaad gescheiden worden. En precies daar loopt het mank, er zit nogal wat fictie tussen de feiten, sommige historische gebeurtenissen zijn verkeerd weergegeven en een aantal jaartallen kloppen niet. Enkele voorbeelden:

pag. 48: over het debat van Lombers: “Het lijkt er eerder op dat we hier niet te maken hebben met de katharen, maar met voorlopers van de waldenzen. [...] Katharen zouden de voorkeur aan de brandstapel gegeven hebben.”
Om een kathaar te zijn moet men dus kiezen voor de brandstapel, op zijn minst een vreemde stelling. Er zijn in die periode wel meer voorbeelden van katharen die zich verzoenen met de Kerk. Daaruit besluiten dat het dan telkens om waldenzen gaat is een beetje kort door de bocht.

pag. 48 e.v.: een verouderde interpretatie van het ‘concilie van Saint- Felix’. Geen enkele moderne historicus onderschrijft nog de stelling dat Niquinta (Nicétas) naar de Languedoc zou gekomen zijn om de Occitaanse katharen te bekeren tot het radicale dualisme. De auteur suggereert hier ook (en hij doet dat verder in het boek nog een paar keer) dat het ‘charter van Niquinta’ een 17de-eeuwse vervalsing zou zijn. Dit debat heeft in Frankrijk gedurende tientallen jaren voor heel wat controverse gezorgd tot in 2000 de tekst werd onderzocht door experten van het prestigieuze Institut de recherche et d'histoire des textes. De conclusie van hun zestig pagina's tellend eindrapport was overduidelijk: het gaat hier wel degelijk om een kopie van een authentieke middeleeuwse tekst en niet om een 17de-eeuwse vervalsing.

pag. 52: “Het eerste theologische traktaat tegen de katharen is uit ca. 1190 van Alanus ab Insulis.”
Eckbert von Schönau schreef zijn traktaat in 1163, bijna 30 jaar eerder.

pag. 54: “In Noord-Italië worden de katharen met zachte hand aangepakt.”
Reeds in 1194 is er in Prato sprake van de vernietiging van huizen waar katharen woonden, het is maar wat je ‘met zachte hand’ noemt....

pag. 54: “Het belangrijkste graafschap is dat van Toulouse in het oosten.”
Toulouse ligt tot nader order nog altijd in het zuid-westen van Frankrijk.

pag. 57: “Al op 29 juli 1208 staat een groot kruisvaardersleger voor de poorten van Béziers.”
De juiste datum is 22 juli 1209.

pag. 58: “Tenslotte accepteert een desperado van lagere adel de graafschappen: Simon de Montfort.”
Desperado van lagere adel? Simon de Montfort had een klein leen in de buurt van Parijs (Montfort l'Amaury) maar was wel titelvoerend graaf van Leicester. Zijn zoon Simon zou daardoor later een belangrijke rol spelen in de Engelse geschiedenis.

pag. 59: “Het graafschap Foix van de graaf Trencavel wordt veroverd.”
Trencavel was burggraaf van Albi, Béziers, Carcassonne en de Razès maar niet van Foix. Daar heerste graaf Raimon Roger, een van de meest geduchte tegenstanders van Simon de Montfort. Die is er trouwens nooit in geslaagd het hele graafschap te veroveren.

pag. 59: “Onder leiding van graaf Raimon VII slaan Occitaanse troepen een beleg rond Toulouse. In de strijd sterft Simon de Montfort. Dat is in 1218.”
Precies andersom, het is Simon de Montfort die Toulouse belegert en tijdens de strijd wordt getroffen door een projectiel uit de stad.

pag. 59: “Vernederende vredesvoorwaarden worden hem opgelegd bij de zogenaamde vrede van Meaux in 1229. Zijn dochter, een kind nog, moet trouwen met de jonge Louis IX.”
Moderne historici spreken liever over het verdrag van Parijs waar de definitieve oorkonde werd ondertekend. En natuurlijk moest Raimon’s dochter niet trouwen met de jonge Louis IX (zij zou dan koningin van Frankrijk geworden zijn), maar met zijn broer, Alphonse van Poitiers. Uiteraard werd het huwelijk pas voltrokken als het meisje de huwbare leeftijd had bereikt, tot zolang werd zij opgevoed aan het Franse hof.

pag. 60: “In 1238 sterft Guilhabert [de Castres].”
pag. 143: “Guilhabert [de Castres] sterft in 1240.”
We kennen zijn overlijdensjaar niet. In 1240 wordt Bertran Marty genoemd als bisschop van Toulouse, dat is de enige aanwijzing die we hebben waaruit blijkt dat Guilhabert de Castres intussen gestorven is.

pag. 146: “Recente berekeningen laten zien dat slechts vijf procent van de bevolking kathaar was.”
Die ‘recente berekening’ vinden we terug bij historicus Jean-Louis Biget in een studie over Albi en omgeving tijdens de jaren 1285-1300, gebaseerd op het vonnissenboek van inquisiteur Bernard de Castanet. Ze geldt absoluut niet voor de hele Languedoc en verwijst bovendien naar een korte periode op het einde van de 13de eeuw toen de Inquisitie al zestig jaar aan het werk was. Hoeveel procent van de totale bevolking tot het kathaarse geloof behoorde is onmogelijk te berekenen. Enerzijds zijn er te weinig bronnen (bijna 80% van de inquisitieregisters zijn verloren gegaan) maar bovendien was de inplanting zeer ongelijk wat een veralgemening onmogelijk maakt. In Montpellier, bijvoorbeeld, waren er weinig of geen katharen, terwijl in een aantal dorpen van de Lauragais wel degelijk een meerderheid van de bevolking het kathaarse geloof aanhing. Die zogenaamde berekening van 5% heeft dus geen enkele relevantie. Laat ons onthouden dat het aantal katharen alleszins volstond voor de rooms-katholieke kerk om draconische maatregelen te nemen.

pag. 61 e.v.; pag. 142 e.v.; pag. 186 e.v. over Montségur en de belegering: hier loopt het helemaal mis. De auteur maakt een onderscheid tussen enerzijds de faidits die in de burcht woonden en anderzijds de katharen die zich “langs de buitenkant van de houten palissaden van de burcht” vestigden, een fout beeld. Sedert tientallen jaren wordt in Montségur archeologisch onderzoek verricht en men heeft intussen een vrij goed zicht op de inrichting van de pog.

“Archeologisch onderzoek [...] laat zien dat op de gehele pog houten huisjes stonden rondom de stenen burcht. Maar die stond enkele honderden meters verwijderd van de huidige ruïne.”  
Wie de moeite neemt de plannetjes van de archeologen te bekijken zal zien dat de burcht (of donjon) integendeel precies op dezelfde plaats moet gestaan hebben als de huidige donjon. De bewoning ligt daar in concentrische cirkels rondom zoals we dat ook zien bij andere middeleeuwse castra. De huisjes waren zgn. cabanes met een fundering in steen en een houten bovenbouw. De versterking bestond o.m. uit een dubbele (voor een deel zelfs driedubbele) wal aan de zuid-oostelijke kant (de huidige toegangsweg) en een wal ten oosten van het castrum, aan de kant van de bergkam. Nergens is er sprake van een houten palissade. Meer naar het oosten, bijna halverwege de bergkam, was er nog een vooruitgeschoven verdedigingspost, die de auteur “de Barnacane” noemt. Dat moet barbacane zijn, het Franse woord voor zo'n bolwerkje, meestal halfcirkelvormig, dat dikwijls gebruikt werd om toegangspoorten een extra beveiliging te geven. Bij de Porte Narbonnaise in Carcassonne kan je zo'n barbacane zien. Helemaal aan het uiteinde van de bergkam ligt de Roc de la Tour, een steile rots van 80 meter hoog waarop een versterkte uitkijkpost stond. Het is langs daar dat de Fransen op de bergkam zijn geklommen via een moeilijk en gevaarlijk pad. Zij hadden daar ongetwijfeld een gids voor nodig maar of er verraad in het spel was wordt nergens in de bronnen vermeld. Volgens John van Schaik waren het Basken die de beklimming maakten. In werkelijkheid waren het Gasconjers. (Onderzoeker Jean Duvernoy wees er meer dan 30 jaar geleden al op dat in de bronnen Vascones staat en niet Basculi.) Eens op de bergkam was het van het grootste belang voor de belegeraars om zo snel mogelijk een vlak stuk grond te vinden waarop ze een katapult konden opstellen. Dat ze die van de verdedigers zouden veroverd hebben en vervolgens omgedraaid is onzin. Uit de bronnen weten we dat beide kampen hun eigen ingenieurs en hun eigen werptuig hadden.

Verder lijkt de auteur er van uit te gaan dat de katharen de touwtjes in handen hadden in Montségur: “Inmiddels is Guilhabert de Castres kathaars bisschop van Toulouse geworden. Hij zal een belangrijke rol spelen in de Montségur; niet alleen als geestelijk leider, maar ook als politiek adviseur en spil in het kathaarse verzet.”
Guilhabert de Castres als politiek en militair strateeg... Hij was zonder meer de bekendste bon homme uit de kathaarse geschiedenis, een geducht debater en een gedreven predikant maar niets wijst er op dat hij zich ooit met de strategische beslissingen van het Occitaanse verzet heeft ingelaten.
Maar John van Schaik gaat zelfs nog een stapje verder: “Telkens zijn de parfaits betrokken bij militaire besprekingen. Ze laten alleen het echte geweld over aan de ridders en soldaten. Zo gaat dat in de Middeleeuwen.”
Of met andere woorden, de bons hommes waren een stelletje hypocrieten die achter de schermen aan de militaire touwtjes trokken. Vanzelfsprekend waren zij dus ook mee verantwoordelijk voor de raid op Avignonet: “We hebben de raid op de inquisiteurs in Avignonet geanalyseerd en zijn tot de conclusie gekomen dat deze afrekening niet zonder toestemming van de kathaarse bisschop Bertrand d'en Marty heeft plaatsgevonden.” (Tussen haakjes: de bisschop heette Bertran Marty - lat. Bertrandus Martini. De naam Bertrand d'en Marty vindt men alleen terug in gedateerde, meestal esoterische literatuur.)
Hier wordt volkomen voorbijgegaan aan de feodale structuur van het castrum. Ten tijde van de belegering had Montségur twee kasteelheren, co-seigneurs, Ramon de Perelha (Raymond de Péreille) en zijn schoonzoon Pierre-Roger de Mirepoix. Die laatste was naar Montségur gehaald vanwege zijn militaire ervaring en dus was hij het die tijdens de belegering daadwerkelijk de leiding over het castrum in handen had. Het was ook hij die de overgave met de Fransen onderhandelde en niet zijn schoonvader. Maar de komst van Pierre-Roger had voor Montségur nog andere ingrijpende consequenties. Naast de hoofd- en schuilplaats van de kathaarse kerken van Toulouse en de Razès werd het castrum voortaan ook een belangrijke pion in het Occitaanse verzet. Het is in die optiek dat we de raid op Avignonet moeten zien, als het startschot voor een algemene opstand, een plan van graaf Raimon VII van Toulouse, een puur militaire operatie waarvoor Pierre-Roger de Mirepoix de toestemming van de katharen helemaal niet nodig had en waar zij ook niet bij betrokken waren. Het feodale Montségur telde twee duidelijk onderscheiden gemeenschappen. Er was die van de kathaarse bons hommes en bonnes femmes waarvan er, volgens John van Schaik, tweehonderd zingend werden verbrand op 16 maart 1244. Michel Roquebert houdt het op 225 en laten we nu eindelijk dat ‘zingend’ ook maar eens definitief naar de fictie verwijzen. De tweede gemeenschap bestond uit zgn. faidits, uit hun rechten ontzette ridders.
“Men schat het aantal ridders op ca. 150. Dat is niet veel.” Uit de bronnen kennen we het precieze aantal, het waren er 95 en dat is wel degelijk behoorlijk veel voor een castrum met de afmetingen van Montségur.

pag. 146: “Tot de domus van Fanjeaux heeft ook de beroemde Esclarmonde de Foix behoord.” Esclarmonde was de zus van graaf Raimon Roger van Foix en, hoe beroemd ze ook mag zijn, we weten heel weinig over haar. Dat maakt haar precies zo populair in de esoterische literatuur. Maar één van de dingen die we wel met zekerheid weten is dat ze in Pamiers woonde en niet in Fanjeaux, al ontving ze daar wel het consolament in het huis van Guilhabert de Castres, zo vertellen ons de kroniekschrijvers.

Deze lijst is niet compleet, er staan nog meer fouten en slordigheidjes in de tekst. We zouden dus nog eventjes kunnen doorgaan maar dat is niet het enige wat er schort aan dit boek. Bij het historisch onderzoek naar de katharen steunen we op twee belangrijke pijlers. Enerzijds zijn er de geschreven historische bronnen, documenten, oorkonden, kronieken, enz., anderzijds is er het archeologisch onderzoek. Het bronnenonderzoek draait al een tijdje op kruissnelheid, al is er nog een hele weg af te leggen, de archeologie is volop aan een inhaalbeweging bezig. Samen hebben ze al aanleiding gegeven tot een aantal nieuwe, op het eerste zicht soms vrij revolutionaire inzichten waarvan we in dit boek niets terugvinden. ‘Katharen. Feit en fictie’ biedt daardoor een wat oubollige kijk op het katharisme.

Zo doet de auteur een tot mislukken gedoemde poging om de kathaarse leer te vatten in eenvoudige overzichtelijke schema's. De hedendaagse historici zijn al langer tot de vaststelling gekomen dat er niet zoiets bestaan heeft als een eenvormig kathaars geloof. In moderne studies zie je dan ook meer en meer de meervoudsvormen  katharismen en, naar analogie daarmee, bogomilismen opduiken. Deze katharismen hebben een gemeenschappelijk basisgedachtegoed maar de uitwerking daarvan verschilt naargelang de streek, de periode en zelfs de voorkeur en de interpretatie (dikwijls aan de hand van parabels e.d.) van elke prediker. Deze meervoudigheid kan onmogelijk gevat worden in een eenvoudig schema. De veel geciteerde Italiaanse vijandelijke geschriftencyclus, beginnend in 1190 met Bonacursus (van wie helemaal niet bewezen is dat hij een bekeerde kathaar was) en eindigend met Anselmus van Alessandria in 1270-75, probeerde reeds het kathaarse geloof te schematiseren en verloor zich vervolgens compleet in de uitzonderingen. Ten dele deden ze dat ook bewust want zo leek het katharisme een ingewikkeld geloof met veel tegenspraak in eigen kringen en dus absoluut geen geloofwaardig alternatief voor de rooms-katholieke kerk met haar dogma's en haar rechtlijnig credo.

En het dualisme dat hier als conditio sine qua non om ‘kathaars’ te zijn wordt beschouwd? Was dat wel zo eigen aan de katharen? Of werd ook dat door de katholieke polemisten extra in de verf gezet om zo de verwantschap met de verwerpelijke manicheeërs aan te tonen?

In werkelijkheid was het dualisme een basisgegeven voor het hele middeleeuwse christelijke westen. Het heersende ideaal van ascese en armoede leidde automatisch tot een afwijzing van het materiële. Wanneer de monniken van het jaar 1000 de wereld rond hen uitriepen tot het strijdtoneel tussen het Goede, waarvan zij vanzelfsprekend de verdedigers waren in hun abdijen van licht in een zee van zonde, en het Slechte, de anti-christ die werd voorafgegaan door de ketters, dan is dat een perfect voorbeeld van dualisme. De katharen zijn dus kinderen van hun tijd die dit dualisme, latent aanwezig in de samenleving, hebben verwerkt in hun heilsysteem waarbij zij in het Nieuwe Testament voldoende elementen vonden om hun overtuiging te staven.

Die veelheid aan benaderingen van hetzelfde basisgedachtegoed is uiteraard ook te wijten aan het feit dat er bij de katharen geen overkoepelend autoritair gezag bestond dat zijn dogma oplegde, zoals dat wel het geval was voor de rooms-katholieke kerk. De bewering dat de katharen hun hiërarchisch systeem zouden gekopieerd hebben van de katholieke kerk klopt dan ook niet. Naar het model uit de eerste eeuwen van het christendom waren de verschillende en van mekaar onafhankelijke kathaarse kerken weliswaar gegroepeerd rond een bisschop maar met een heel andere opdracht en taakinvulling dan zijn rooms-katholieke evenknie. De belangrijke functies van filius minor en filius maior zijn bij de rooms-katholieke kerk trouwens onbekend.

En dan is er tenslotte nog dat zinnetje op pagina 55: “Het succes van de katharen in Occitanië is niet zozeer wat ze leren, maar wat ze doen en zijn.” Dat is nog maar de vraag. De exemplarische ascetische levenshouding van de kathaarse clerus zal ongetwijfeld bewondering gewekt hebben maar de basisreden waarom een volwassene koos voor de kathaarse kerk was de redding van zijn ziel. De middeleeuwse mens was zeer begaan met de kwaliteit van zijn bestaan in het hiernamaals en heel wat verklaringen voor de Inquisitie zijn gelijkluidend aan deze van Peire Daydé: “Ik geloof in de leer van de bons hommes sinds ik daarover onderscheid kan maken en omdat ik geloof dat mijn ziel gered zal worden wanneer ik als lid van hun kerk sterf.” Hier is duidelijk sprake van een spirituele angst en behoefte, een obsessie voor alle middeleeuwers, namelijk het heil na de dood, waarvoor men een grotere garantie meende te hebben door te kiezen voor de kathaarse kerk.

Eigenlijk brengt dit boek, dat pretendeert in een leemte te voorzien, een verouderde kijk op het katharisme door te pogen de kathaarse leer te generaliseren en te vatten in strakke theologische schema's zoals de katholieke polemisten dat ook al deden. Het zal de lezer, zonder voorkennis, niets bijbrengen over de aantrekkingskracht van het katharisme op de middeleeuwse mens. Die aanpak, in combinatie met de slordige behandeling van het historisch feitenmateriaal, maakt dat we niet onverdeeld gelukkig zijn met ‘Katharen. Feit en fictie’. Een gemiste kans...

(Ten Have/Davidsfonds - 2007 - ISBN 978-90-7794233-8)

| Terug |